Beschikking van de Commissie van 25 mei 2005 tot vaststelling van de klassen van gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde voor bepaalde in richtlijn 89/106/EEG bedoelde voor de bouw bestemde producten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1501) (Voor de EER relevante tekst) (2005/403/EG)
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2005/403@2005-05-25/nl
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten, en met name op artikel 20, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Ingevolge Richtlijn 89/106/EEG kan het met het oog op de op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau uiteenlopende beschermingsniveaus voor bouwwerken nodig zijn om in de basisdocumenten voor ieder fundamenteel voorschrift klassen vast te stellen voor het gedrag van producten. Deze documenten zijn gepubliceerd als Mededeling van de Commissie betreffende de basisdocumenten van de Richtlijn 89/106/EEG van de Raad.
(2) Voor het fundamentele voorschrift brandveiligheid zijn in basisdocument nr. 2 een aantal onderling samenhangende maatregelen opgenomen die tezamen bijdragen tot de vaststelling van een brandveiligheidstrategie die in de lidstaten op verschillende wijzen kan worden ontwikkeld.
(3) Basisdocument nr. 2 bevat de voorschriften waaraan producten voor daken die vanaf de buitenzijde aan brand worden blootgesteld, moeten voldoen.
(4) Als geharmoniseerde oplossing is bij Beschikking 2001/671/EG van de Commissie van 21 augustus 2001 tot uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad met betrekking tot de indeling van het gedrag van daken en dakbedekkingen bij een brand vanaf de buitenzijde een systeem van klassen vastgesteld.
(5) Voor bepaalde dakplaten met plastisolcoating moet de indeling van Beschikking 2001/671/EG worden gebruikt.
(6) Het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde van een groot aantal voor de bouw bestemde producten en/of materialen is in het kader van de indeling van Beschikking 2001/671/EG duidelijk vastgesteld en is bij de voor brand bevoegde regelgevende instanties in de lidstaten voldoende bekend, zodat zij niet op dit specifieke gedragskenmerk behoeven te worden getest.
(7) De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de bouw,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De voor de bouw bestemde producten en/of materialen die aan alle voorschriften voor het gedragskenmerk gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde voldoen en die niet verder behoeven te worden getest, zijn opgenomen in de bijlage.
Artikel 2
De klassen die overeenkomstig de bij Beschikking 2001/671/EG vastgestelde indeling van het gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde voor de verschillende voor de bouw bestemde producten en/of materialen gelden, zijn in de bijlage bij deze beschikking opgenomen.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 25 mei 2005. Voor de Commissie Günter Verheugen Vice-voorzitter
ANNEX
BIJLAGE Tabel Klassen van gedrag van stalen dakplaten met plastisolcoating bij een brand vanaf de buitenzijde
In de tabel in deze bijlage zijn voor de bouw bestemde producten en/of materialen opgenomen die aan alle voorschriften voor het gedragskenmerk gedrag bij een brand vanaf de buitenzijde voldoen en niet behoeven te worden getest. Product Klasse Stalen dakplaten met plastisolcoating volgens de onderstaande omschrijving en, indien deel uitmakend van een eenlaags of meerlaags dakbedekkingssysteem, met de onderstaande specificaties BROOF (t1) BROOF (t2) BROOF (t3) Dakplaten overeenkomstig EN 14782 en EN 14783: geprofileerde stalen platen en vlakke stalen platen of platen van gebandlakt, gegalvaniseerd of met een zink-aluminiumlegering gecoat staal met een metaaldikte van ≥ 0,40 mm, voorzien van een organische coating aan de buitenzijde (weerbestendige zijde) en — facultatief — ook aan de binnenzijde. De coating aan de buitenzijde bestaat uit vloeibaar aangebracht plastisol met een nominale droge-laagdikte van niet meer dan 0,200 mm, een PCS (bruto calorische waarde) van niet meer dan 8,0 MJ/m2 en een droge massa van niet meer dan 330 g/m2. De (eventuele) coating aan de binnenzijde heeft een PCS van niet meer dan 4,0 MJ/m2 en een droge massa van niet meer dan 200 g/m2. Eenlaags dakbedekkingssysteem: uit één laag bestaande, niet-geїsoleerde dakbedekking op een onderconstructie (doorgaande of onderbroken liggers) die ten minste tot klasse A2-s1, d0 van materiaalgedrag bij brand behoort. Meerlaags dakbedekkingssysteem: systeem waarbij de stalen dakplaten met plastisolcoating de buitenbekleding van een meerlaagse constructie vormen, waarbij de onderconstructie ten minste tot klasse A2-s1, d0 van materiaalgedrag bij brand behoort en waarbij zich direct onder de stalen plaat met plastisolcoating een isolatielaag bevindt die ten minste tot klasse A2-s1, d0 van materiaalgedrag bij brand behoort. Deze isolatie dient te bestaan uit onbeklede minerale wol die aan EN 13162 voldoet: hetzij een glaswoldeken met een dichtheid van ten minste 10 kg/m3 (met een nominaal gehalte aan bindmiddelen van niet meer dan 5 gewichtspercent) en met een dikte van ≥ 80 mm, hetzij steenwol met een dichtheid van ten minste 25 kg/m3 (met een nominaal gehalte aan bindmiddelen van niet meer dan 3,5 gewichtspercent) en met een dikte van ≥ 80 mm. Naden. De naden van de toplaag dienen aan de volgende eisen te voldoen: Voegafdichtingen bestaan uit butylkit of een vergelijkbaar product met een nominale dichtheid van 1500-1700 kg/m3; het afdichtingsmateriaal wordt als een ononderbroken worst (debiet ongeveer 45 g/m) in het overlapte gedeelte van de naad aangebracht. Bevestigingsmiddelen: de dakplaten worden met mechanische bevestigingsmiddelen van metaal zodanig aan de onderconstructie vastgemaakt dat een stabiele dakconstructie wordt verkregen. Extra mechanische bevestigingsmiddelen van metaal dienen ervoor te zorgen dat de platen overal goed aansluiten en dat de voegen waterdicht zijn.
trapeziumplaten — de langsoverlappen zijn ten minste een rib breed en de kopse overlappen bedragen ten minste 100 mm;
golfplaten — de langsoverlappen zijn ten minste 1,5 golf breed en de kopse overlappen bedragen ten minste 100 mm;
vlakke platen — de langsoverlappen en de kopse overlappen bedragen ten minste 100 mm;
platen met opstaande rand — de langsnaden bestaan uit een verticaal opstaande overlapte of afgedekte rand die ervoor zorgt dat de platen overal goed aansluiten en dat de voegen waterdicht zijn; de kopse overlappen bedragen, indien van toepassing, ten minste 100 mm.