Verordening (EG) nr. 1136/2006 van de Raad van 24 juli 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op hefboommechanismen uit de Volksrepubliek China
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2006/1136@2006-07-24/nl
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (hierna de basisverordening genoemd), en met name op artikel 9,
Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt: PROCEDURE Voorlopige maatregelen
(1) Op 28 januari 2006 stelde de Commissie bij Verordening (EG) nr. 134/2006 (hierna de voorlopige verordening genoemd) een voorlopig antidumpingrecht in op de invoer in de Gemeenschap van hefboommechanismen uit de Volksrepubliek China (hierna China genoemd).
(2) Het onderzoektijdvak voor de dumping en schade besloeg de periode van 1 januari tot en met 31 december 2004. Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de vaststelling van de schade, had betrekking op de periode van 1 januari 2001 tot het einde van het onderzoektijdvak (hierna beoordelingsperiode genoemd).
Vervolgprocedure
(3) Na de instelling van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van hefboommechanismen uit China hebben enkele belanghebbenden schriftelijke opmerkingen gemaakt. Belanghebbenden die hierom verzochten, werden bovendien in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
(4) De Commissie heeft verder alle informatie verzameld en geverifieerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de partijen werden onderzocht en waar nodig werden de voorlopige bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.
BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
(5) Het betrokken product werd in overweging 12 van de voorlopige verordening gedefinieerd als hefboommechanisme dat doorgaans wordt gebruikt in ordners waarin bladen en andere documenten worden gearchiveerd. Ze bestaan uit stevige gebogen elementen (gewoonlijk twee) van metaal die op een plaat zijn bevestigd en minstens één openingsmechanisme dat het mogelijk maakt bladen in de ordner op te bergen, zijn afkomstig uit China en worden gewoonlijk ingedeeld onder GN-code ex83051000.
(6) Volgens één belanghebbende moet een specifiek type hefboommechanisme van de definitie van het betrokken product worden uitgesloten omdat i) dit type volgens een gepatenteerd ontwerp wordt geproduceerd dat eigendom is van deze belanghebbende en niet bij andere fabrikanten verkrijgbaar is, ii) er een exclusief leveringscontract met een Chinese producent is, iii) het type uitsluitend in zeer bijzondere ordners wordt gebruikt met een betere kwaliteit en een beter ontwerp dan het gebruikelijke hefboommechanisme en derhalve niet concurreert met het segment van de standaardhefboommechanismen, en iv) dit type vanuit economisch oogpunt niet uitwisselbaar is met een standaardhefboommechanisme gezien de veel hogere productiekosten.
(7) Volgens een andere belanghebbende hebben alle hefboommechanismen dezelfde kenmerken, dezelfde gebruiksdoeleinden en dezelfde distributiekanalen. Bovendien is hij van mening dat het productieproces en de productiekosten voor de vaststelling van het betrokken product niet relevant zijn. Hij verklaarde tevens dat een preferentiële behandeling van één type hefboommechanisme dat door slechts één ordnerproducent wordt gebruikt, niet alleen een ernstige verstoring van de markt voor hefboommechanismen in de Gemeenschap zou veroorzaken, maar tevens van de markt voor ordners in de Gemeenschap.
(8) Een gepatenteerd ontwerp of een exclusief contract tussen een producent/exporteur en een Europese gebruiker voor een bepaald type product rechtvaardigt als zodanig niet de uitsluiting van dit type product van de definitie van het betrokken product of het soortgelijk product. Een hefboommechanisme met al zijn kenmerken is en blijft het betrokken product, ongeacht of het gepatenteerd is of via een exclusief contract is gekocht. Bovendien doen productieprocessen, productiekosten en kwaliteitsverschillen als zodanig niet ter zake voor de vaststelling van het soortgelijk product.
(9) Het onderzoek heeft bevestigd dat alle producttypes, inclusief het in overweging 6 hierboven genoemde specifieke type hefboommechanisme waarvoor uitsluiting wordt gevraagd, dezelfde technische en fysische productkenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt en dat op de markt voor hefboommechanismen geen duidelijk onderscheid tussen marktsegmenten wordt gemaakt. Alle hefboommechanismen zijn derhalve uitwisselbaar en concurreren op de EU-markt met elkaar. Daarom vallen alle types hefboommechanismen onder de definitie van het betrokken product en het soortgelijk product. Dientengevolge moet het in overweging 6 hierboven genoemde argument worden afgewezen.
(10) Gezien het bovenstaande worden de bevindingen in de overwegingen 11 tot en met 16 van de voorlopige verordening bevestigd.
DUMPING Algemene methode
(11) De algemene methode waarvan gebruik werd gemaakt om vast te stellen dat er bij de invoer van hefboommechanismen in de Gemeenschap sprake was van dumping, is beschreven in de overwegingen 17 tot en met 50 van de voorlopige verordening. De algemene methode die in de voorlopige verordening is beschreven, wordt bevestigd, waarbij rekening wordt gehouden met de hieronder vermelde amendementen.
Behandeling als marktgericht bedrijf
(12) Een van de bedrijven waaraan een individuele behandeling is toegekend, voerde aan dat het als marktgericht bedrijf had moeten worden behandeld en dat zijn situatie met betrekking tot criterium 2 (boekhouding en accountantscontrole) en 3 (verstoring die nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie) tijdens het onderzoek niet naar behoren is beoordeeld. Het bedrijf heeft echter geen nieuw bewijsmateriaal verstrekt om zijn bewering te staven.
(13) Bij gebrek aan nieuwe feiten en andere opmerkingen worden de bevindingen met betrekking tot het toekennen van een behandeling als marktgericht bedrijf in de overwegingen 17 tot en met 25 van de voorlopige verordening bevestigd.
Individuele behandeling
(14) De bevindingen van overweging 29 van de voorlopige verordening inzake het eerste bedrijf waaraan een individuele behandeling is toegekend, Dongguan Nanzha Leco Stationery, worden bevestigd.
(15) Zoals in overweging 30 van de voorlopige verordening is vermeld, is het andere bedrijf waaraan een individuele behandeling was toegekend, vervolgens van het onderzoek uitgesloten omdat het niet meewerkte. Aangezien het bedrijf niet heeft gereageerd, wordt de bevinding in overweging 30 van de voorlopige verordening bevestigd.
Normale waarde
(16) De onderstaande bevindingen hebben betrekking op de vaststelling van de normale waarde voor alle producenten/exporteurs die niet als marktgericht bedrijf worden beschouwd.
Referentieland
(17) Na nader onderzoek van alle informatie die van de producent in Iran beschikbaar was, moest worden geconcludeerd dat de informatie onvolledig en/of inconsistent was en derhalve niet als grondslag voor de berekening van de definitieve hoogte van de normale waarde kon worden gebruikt. Daarom is toevlucht tot een andere redelijke grondslag gezocht voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.
Vaststelling van de normale waarde
(18) Aangezien informatie van andere derde landen waar hefboommechanismen worden geproduceerd ontbreekt, vormden de gegevens die uit de klacht en van de EU-producenten beschikbaar waren, de redelijkste grondslag om het definitieve niveau van de normale waarde vast te stellen. Er zijn correcties toegepast voor specifieke geverifieerde gegevens die tijdens het onderzoek zijn verkregen, met name betreffende prijzen van grondstoffen en vervoer.
Uitvoerprijs
(19) De producent/exporteur waaraan een individuele behandeling is toegekend, voerde aan dat er bij de berekening van de verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven en winst van een verbonden importeur fouten waren gemaakt en dat de verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven dubbel waren geteld om de uitvoerprijs af fabriek vast te stellen. Daarnaast voerde deze exporteur aan dat de verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven en winst van de verbonden bedrijven moesten worden herzien na de nieuwe berekeningen die het bedrijf na de bezoeken ter plaatse heeft verstrekt.
(20) Onderzoek van de bovengenoemde beweringen bevestigde dat er een administratieve fout in de berekening van de verkoopkosten en algemene en administratieve uitgaven was gemaakt. Deze fout is dienovereenkomstig gecorrigeerd. De nieuwe gegevens die het bedrijf heeft verstrekt, moesten echter worden afgewezen omdat zij niet meer gedurende het onderzoek konden worden geverifieerd.
(21) De algemene methode die in de overwegingen 41 en 42 van de voorlopige verordening is beschreven, wordt bevestigd.
Vergelijking
(22) De normale waarde die was vastgesteld als beschreven in de overwegingen 16 tot en met 18 hierboven, en de uitvoerprijzen die waren herzien als toegelicht in de overwegingen 19 tot en met 21, werden af fabriek en in hetzelfde handelsstadium vergeleken. Om de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen vergelijken werd, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er zijn correcties toegepast voor commissies, vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, en kredietkosten.
Dumpingmarge
(23) Na de correcties van de normale waarde en de uitvoerprijs zou de definitieve dumpingmarge, uitgedrukt in percenten van de cif-invoerprijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, van toepassing op de exporteur waaraan een individuele behandeling is toegekend, het volgende moeten bedragen: Bedrijf Definitieve dumpingmarge Dongguan Nanzha Leco Stationery 27,1 %
(24) Na de mededeling van de voorlopige bevindingen zijn geen opmerkingen over de methode voor de berekening van de dumpingmarge voor alle overige producenten/exporteurs ontvangen. De correcties van de normale waarde hebben echter tot een gewijzigde definitieve dumpingmarge van 47,4 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, voor alle andere producenten/exporteurs geleid.
SCHADE Productie van de Gemeenschap
(25) Volgens enkele belanghebbenden moest één producent die voorlopig was opgenomen in de definitie van de productie van de Gemeenschap en de bedrijfstak van de Gemeenschap worden uitgesloten, omdat hij een handelsrelatie met een Chinese producent/exporteur zou hebben en met name tijdens het onderzoektijdvak grote hoeveelheden Chinese hefboommechanismen invoerde. Zij voerden dan ook aan dat dit bedrijf van de EU-productie zou moeten worden uitgesloten en ook bij de schadebeoordeling buiten beschouwing zou moeten worden gelaten.
(26) De situatie van de genoemde producent wordt in de overwegingen 55 tot en met 57 van de voorlopige verordening gedetailleerd beschreven. Bij hernieuwd onderzoek in het licht van de bepalingen van artikel 4 van de basisverordening moet eraan worden herinnerd dat de producent zich niet anders heeft gedragen dan andere klagende niet verbonden EU-producenten. Bovendien is vastgesteld dat de EU-producent noch rechtens noch feitelijk in een positie was om zeggenschap uit te oefenen over de producent/exporteur van wie hij invoerde. Het argument werd daarom afgewezen.
(27) Aangezien geen nieuwe opmerkingen over de productie van de Gemeenschap zijn ontvangen, worden de voorlopige bevindingen inzake de totale productie van de Gemeenschap, zoals die in de overwegingen 51 tot en met 58 van de voorlopige verordening zijn uiteengezet, bevestigd.
Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap
(28) Eén belanghebbende voerde aan dat een andere EU-producent van de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou moeten worden uitgesloten. Ten eerste omdat de producent kennelijk grote hoeveelheden hefboommechanismen aan verbonden klanten verkoopt en ze ook voor intern gebruik aanwendt. Ten tweede omdat de genoemde producent bij het onderzoek niet volledig heeft meegewerkt; hij heeft met name niet binnen de termijn een volledig dossier ingediend dat voor alle belanghebbenden toegankelijk was.
(29) Na analyse van deze argumenten is bevestigd dat de medewerking van de genoemde producent aan het onderzoek onvoldoende was. Daarom zou deze producent moeten worden uitgesloten van de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en zou tevens zijn productie van de productie van de Gemeenschap moeten worden uitgesloten.
(30) De productie van de vier overige EU-producenten die volledige medewerking aan het onderzoek verleenden en de klacht steunden, werd vastgesteld op ongeveer 205 miljoen stuks in het onderzoektijdvak.
(31) De vier bovengenoemde EU-producenten vertegenwoordigen ongeveer 75 % van de totale productie van de Gemeenschap. Deze bedrijven zijn dan ook voldoende representatief om de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening te vormen.
(32) In deze verordening kunnen in de tabellen hieronder niet altijd de absolute cijfers worden verstrekt. Deze gegevens kunnen niet worden vrijgegeven omdat één EU-producent tussen het voorlopige en het definitieve stadium werd uitgesloten; zijn gegevens zouden derhalve door vergelijking kunnen worden afgeleid.
Verbruik in de Gemeenschap
(33) Sommige belanghebbenden voerden aan dat de omvang van het verbruik in de Gemeenschap verkeerd was berekend. Zij stelden met name de vraag aan de orde of de gegevens betreffende de invoer uit het betrokken land wel op de klacht hadden moeten worden gebaseerd. Zij beweerden dat de partijen die aan het onderzoek hadden deelgenomen, met name ordnerproducenten en importeurs van hefboommechanismen, de Commissie betrouwbaardere gegevens hadden verstrekt om het verbruik vast te stellen.
(34) Tabel 1 De omvang van het verbruik is aldus herberekend op basis van de gegevens van de partijen die hun medewerking aan het onderzoek verleenden. De cijfers in de onderstaande tabel zijn gebaseerd op de geverifieerde verkoop van de Europese producenten, de invoer uit China en andere bronnen die de gebruikers en invoerders die aan het onderzoek hebben deelgenomen, beschikbaar hebben gesteld. Gezien de hoge mate van medewerking van de producenten, importeurs en gebruikers in de Gemeenschap worden deze gegevens het meest betrouwbaar geacht, hoewel niet kan worden uitgesloten dat er een klein aantal andere gebruikers/importeurs bestaat en de invoer derhalve licht is onderschat. Omvang van het verbruik (in mln. stuks) 2001 2002 2003 2004 (onderzoektijdvak) Europese Gemeenschap 271 313 327 381 Index 100 116 121 141
(35) Uit een vergelijking blijkt dat de ontwikkeling in de omvang van het verbruik vergelijkbaar is met die omschreven in overweging 63 van de voorlopige verordening, maar deze cijfers lijken inderdaad nauwkeuriger te zijn. Er blijkt met name dat de grootste stijging van het verbruik, met 17 %, zich tussen 2003 en het onderzoektijdvak heeft voorgedaan. Tijdens dezelfde periode steeg de verkoop van de EU-producenten slechts met 3 % (vgl. tabel 6), terwijl de invoer uit China met 28 % ofwel met meer dan 42 miljoen stuks (vgl. tabel 2) is gestegen.
Invoer uit China en marktaandeel
(36) Tabel 2 Op grond van het argument van overweging 33 hierboven is ook de omvang van de invoer van hefboommechanismen uit China herzien. De ontwikkeling kwam redelijk overeen met de ontwikkeling die in overweging 65 van de voorlopige verordening was waargenomen. Deze ontwikkeling wordt in tabel 2 hieronder toegelicht. Invoer (in mln. stuks) 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak China 98,47 135,38 152,73 195,59 Index 100 137 155 199
(37) Het grootste verschil in vergelijking met de omvang van de invoer die in de voorlopige verordening was vastgesteld, werd voor 2001 gevonden waar uit de voorgestelde methode blijkt dat de invoer van Chinese hefboommechanismen kleiner was dan 100 miljoen stuks. Er moet echter op worden gewezen dat er andere importeurs en gebruikers zijn die hefboommechanismen in de Gemeenschap invoeren, maar geen informatie voor het onderzoek hebben verstrekt; daarom kan als vermeld in overweging 34 niet worden uitgesloten dat de invoergegevens licht zijn onderschat.
(38) Tabel 3 De genoemde partijen beweerden in elk geval dat uit de herziene cijfers van het verbruik en de invoer zou blijken dat het marktaandeel van de Chinese invoer sinds 2002 relatief stabiel was gebleven. De ontwikkeling van het marktaandeel op basis van de herziene gegevens is de volgende: Marktaandeel 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak China 36 % 43 % 47 % 51 % Index 100 119 128 141
(39) Uit de herziene gegevens over het marktaandeel blijkt dat tijdens de beoordelingsperiode de Chinese invoer steeds prominenter op de EU-markt aanwezig was: de toename bedroeg 7 procentpunten in 2002, 4 procentpunten in 2003 en nogmaals 4 procentpunten tijdens het onderzoektijdvak. Deze ontwikkeling komt overeen met die welke uit overweging 65 van de voorlopige verordening blijkt.
(40) Kortom, uit de door de partijen verstrekte gegevens blijkt dat het verbruik van hefboommechanismen in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode aanzienlijk is gestegen, met 41 % of 110 miljoen stuks. Ondertussen is de invoer uit China aanzienlijk en consequent gestegen, sneller dan de groei in het verbruik. Uit de herziene gegevens blijkt een stijging met meer dan 97 miljoen stuks en een marktaandeel dat van 36 tot 51 % is gestegen.
(41) Hoewel sommige berekeningen van de invoer zijn herzien, worden de bevindingen en conclusies van overweging 66 van de voorlopige verordening, met name die betreffende de ontwikkeling tussen 2002 en het onderzoektijdvak, door de bovenstaande analyse niet weerlegd; zij kunnen dan ook worden bevestigd.
Invoerprijzen en prijsonderbieding
(42) Na de opmerkingen die van belanghebbenden zijn ontvangen, zijn ook de beschikbare gegevens over invoerprijzen opnieuw onderzocht. Er is echter vastgesteld dat de partijen die aan het onderzoek hebben deelgenomen, geen volledige, betrouwbare en samenhangende gegevens over de prijzen en waarde van de invoer uit China konden verstrekken. Er was slechts gedeeltelijk informatie beschikbaar en deze informatie was op verschillende verkoopvoorwaarden gebaseerd. Deze onvolledige gegevens konden dan ook niet worden gebruikt om op betrouwbare wijze de invoerwaarde en de cif-prijzen van de Chinese invoer vast te stellen. Derhalve worden de gegevens van tabel 3 van de voorlopige verordening, die op Eurostat-prijzen waren gebaseerd, bevestigd.
(43) Na de verandering van de samenstelling van de bedrijfstak van de Gemeenschap zoals in overweging 29 hierboven is uiteengezet, is de prijsonderbieding door alle Chinese producenten/exporteurs van hefboommechanismen opnieuw berekend. De in overweging 69 van de voorlopige verordening vastgestelde onderbiedingsmarge moet naar boven worden herzien tot 38 % uitgedrukt als een percentage van de prijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
(44) Op basis hiervan worden de methode en de conclusies in de overwegingen 67 tot en met 69 van de voorlopige verordening bevestigd.
Economische situatie van de EU-producenten
(45) Na de in overweging 29 genoemde verandering van de samenstelling van de bedrijfstak van de Gemeenschap is het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de opnieuw gedefinieerde bedrijfstak van de Gemeenschap uitgevoerd overeenkomstig de methode van overweging 70 van de voorlopige verordening.
(46) Onderstaande conclusies zijn gebaseerd op de gecumuleerde en gecontroleerde gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor de vier resterende medewerkende EU-producenten. Aangezien één EU-producent is uitgesloten en in de voorlopige verordening de gegevens van vijf producenten voor de schadebeoordeling zijn gebruikt, zouden de vertrouwelijke gegevens van de uitgesloten EU-producent kunnen worden afgeleid door de gegevens van de voorlopige verordening te vergelijken met de gegevens van de definitieve verordening. Derhalve worden de gecontroleerde gegevens in dit stadium in een geïndexeerd formaat verstrekt. Er moet echter worden opgemerkt dat de schade-indicatoren voor de vier resterende medewerkende EU-producenten niet aanmerkelijk verschillen van de indicatoren die in de voorlopige verordening voor de vijf producenten waren vastgesteld.
Productiecapaciteit
(47) Sommige belanghebbenden beweerden dat de berekening van de productiecapaciteit in de voorlopige verordening niet de werkelijkheid weergaf en hebben daarvoor bewijzen aangevoerd. Bij de berekening van de productiecapaciteit zou rekening moeten worden gehouden met de feitelijke marktpositie van elke producent die deel van de bedrijfstak uitmaakt, en met zijn werkelijke productiemogelijkheden. Dit argument is aanvaard, aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap alleen uit kleine en middelgrote bedrijven bestaat (enkele zijn zelfs familiebedrijven) die doorgaans slechts vijf dagen per week werken.
(48) Tabel 4 Aan de hand van de bovengenoemde opmerkingen wordt hieronder een nieuwe schatting van de productiecapaciteit gegeven. Er zijn correcties gemaakt om de productiecapaciteit vast te stellen op basis van een rooster van vijf werkdagen in plaats van zeven zoals oorspronkelijk. Index 2001 = 100 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Index productie (2001 = 100) 100 96 97 98 Index productiecapaciteit 100 95 105 106 Index bezettingsgraad 100 102 92 92
(49) Zoals hierboven is aangegeven, had de in overweging 29 genoemde verandering van de samenstelling van de bedrijfstak van de Gemeenschap geen gevolgen voor de conclusies van overweging 73 van de voorlopige verordening.
Voorraden
(50) Tabel 5 In onderstaande tabel zijn de voorraden aan het einde van iedere periode weergegeven. Index 2001 = 100 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Index voorraden 100 51 95 131
(51) Zoals reeds toegelicht in overweging 75 van de voorlopige verordening, wordt ervan uitgegaan dat de voorraden van de EU-producenten geen relevante indicator voor de evaluatie van de economische situatie van deze producenten zijn.
Verkoop, marktaandeel, gemiddelde prijzen en groei
(52) Tabel 6 Onderstaande tabel geeft het verkoopvolume weer van de EU-producenten aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. Index 2001 = 100 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Index verkoopvolume 100 103 103 106 Index marktaandeel 100 89 85 75 Index gemiddelde verkoopprijzen (euro/100 stuks) 100 93 90 86
(53) De analyse van de herziene gegevens bevestigt de conclusies van de overwegingen 77 tot en met 80 van de voorlopige verordening. Hieruit blijkt dat de EU-producenten hun verkoop in de beoordelingsperiode enigszins konden verhogen met 6 %. In dezelfde periode groeide het verbruik in de Gemeenschap met 41 % of met 110 miljoen stuks, zoals blijkt uit tabel 1 hierboven.
(54) De gemiddelde verkoopprijzen van de EU-producenten daalden sterk (met 14 %) terwijl de invoer met dumping van het betrokken product steeg. Ook hun marktaandeel is teruggelopen.
Winstgevendheid
(55) Tabel 7 De onderstaande winstcijfers zijn vastgesteld op de in overweging 81 van de voorlopige verordening vermelde wijze. Alleen voor het onderzoektijdvak is het cijfer enigszins aangepast: Winst bij verkoop in de Gemeenschap (RoT) 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Index winst bij verkoop in de Gemeenschap –4 % –6 % –14 %
(56) De winstgevendheid was in de gehele beoordelingsperiode negatief. De conclusies van overweging 82 van de voorlopige verordening worden bevestigd.
Opbrengst van investeringen, kasstroom, investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
(57) Tabel 8 De herziene ontwikkeling van de opbrengst van investeringen, van de kasstroom en van de investeringen blijkt uit de volgende tabel. Index 2001 = 100 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Index opbrengst van investeringen (totaal bedrijven) 100 –191 –45 –364 Index kasstroom (totaal bedrijven) 100 39 56 –79 Index investeringen (betrokken product) in euro 100 136 130 105
(58) Zoals reeds vermeld in de overwegingen 84 tot en met 86 van de voorlopige verordening, is de winstgevendheid van de EU-producenten aanzienlijk beïnvloed door de dalende verkoopprijzen. Dit had ook een negatieve uitwerking op de schade-indicatoren die verband houden met de winstgevendheid. De negatieve ontwikkeling van de opbrengst van investeringen en van de kasstroom stemt grotendeels overeen met de negatieve ontwikkeling van de winstgevendheid zoals uit tabel 7 blijkt.
(59) De EU-producenten hebben hun investeringen slechts met 5 % verhoogd. Bovendien blijken de investeringen in de periode tussen 2003 en het onderzoektijdvak aanmerkelijk te zijn gedaald.
(60) Wat het vermogen om kapitaal aan te trekken betreft, worden de bevindingen in overweging 86 van de voorlopige verordening bevestigd.
Werkgelegenheid, productiviteit en lonen Index 2001 = 100 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Index aantal werknemers 100 97 94 90 Index productiviteit (1000 stuks/werknemer) 100 99 104 108 Index lonen (jaargemiddelde per werknemer in euro) 100 100 97 100
(61) Hieruit blijkt dat ook deze indicatoren met de nieuwe samenstelling van de bedrijfstak van de Gemeenschap de conclusies van de overwegingen 87 en 88 van de voorlopige verordening bevestigen.
Omvang van de werkelijke dumpingmarge
(62) Aangezien er geen opmerkingen zijn gemaakt over de omvang van de werkelijke dumpingmarge wordt overweging 89 van de voorlopige verordening bevestigd.
Gevolgen van eerdere dumping of subsidiëring
(63) Zoals aangegeven in overweging 90 van de voorlopige verordening, zijn de EU-producenten niet herstellende van de gevolgen van eerdere dumping of subsidiëring.
Conclusie in verband met de schade
(64) Uit het onderzoek is gebleken dat tijdens de beoordelingsperiode de invoer uit China zowel in absolute als in relatieve cijfers aanmerkelijk is gestegen. De herziene invoergegevens laten zien dat de omvang van de invoer met 97 miljoen stuks is gestegen en dat de groei van het marktaandeel in die periode maar liefst 15 procentpunten bedroeg. Na de herziene berekeningen, die in overweging 43 hierboven zijn vermeld, bleek dat de prijzen van hefboommechanismen uit China de prijzen van de EU-producenten met 38 % onderboden.
(65) Tijdens de beoordelingsperiode is het verbruik aanmerkelijk gestegen, waarbij de EU-producenten niet aan bod kwamen; de omvang van hun verkoop is weliswaar met 6 % gestegen, maar hun marktaandeel is sterk gedaald. Door de concurrentie van invoer met dumping daalden hun prijzen gemiddeld met 14 %. De analyse van de ontwikkeling van bepaalde andere schade-indicatoren, zoals de kasstroom en de opbrengst van investeringen, bevestigen eveneens de ontwikkeling die in overweging 92 van de voorlopige verordening is aangegeven.
(66) Bovendien worden de conclusies van de overwegingen 93 en 94 van de voorlopige verordening bevestigd.
(67) Uitgaande van bovenstaande overwegingen wordt bevestigd dat de EU-producenten aanmerkelijke schade hebben geleden in de zin van artikel 3 van de basisverordening.
OORZAKELIJK VERBAND Gevolgen van de invoer uit China
(68) Zoals in tabel 2 hierboven is vermeld, is uit de gegevens die de medewerkende partijen hebben verstrekt, gebleken dat in de beoordelingsperiode de omvang van de invoer uit China met 99 % aanzienlijk is gestegen, terwijl het Chinese marktaandeel met 15 procentpunten toenam. In dezelfde periode zijn de invoerprijzen van hefboommechanismen uit China met 11 % gedaald en tijdens het onderzoektijdvak was de totale prijsonderbieding voor alle Chinese producenten/exporteurs naar de Gemeenschap maar liefst 38 %.
(69) Zoals in overweging 97 van de voorlopige verordening is uiteengezet, heeft het onderzoek bevestigd dat de sterke stijging van de invoer met dumping samenviel met de verslechtering van de situatie van de EU-producenten. Met name tussen 2003 en het onderzoektijdvak steeg de invoer uit China met meer dan 42 miljoen stuks en werd tegelijk een ernstige prijsonderbieding vastgesteld. Het marktaandeel van de Chinese invoer steeg hierdoor met 4 procentpunten. Tijdens dezelfde periode verloren de EU-producenten 12 % van hun marktaandeel, hoewel zij hun prijzen met circa 4 % verlaagden en erin slaagden de omvang van hun verkoop te vergroten. Rekening houdend met deze bevindingen worden de conclusies van overweging 97 van de voorlopige verordening bevestigd.
(70) Er wordt bevestigd dat, zoals vermeld in overweging 98 van de voorlopige verordening, de Chinese exporteurs wier producten met dumping werden ingevoerd, in het onderzoektijdvak hun marktaandeel konden vergroten, de belangrijkste spelers op de EU-markt zijn geworden en de EU-producenten hebben verdrongen.
Gevolgen van de invoer uit andere landen
(71) Tabel 10
Op basis van de gegevens die de medewerkende partijen hebben verstrekt, en zoals vermeld in overweging 34 hierboven, is de omvang van de invoer uit andere derde landen als volgt: 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Invoer uit andere landen dan China (miljoen stuks) 5,63 5,31 2,53 0 Index 100 94 45 — Marktaandeel 2,1 % 1,7 % 0,8 % 0
(72) Op basis van bovenstaande gegevens is geconcludeerd dat de geringe invoer uit andere derde landen, dalend van circa 2 % van de markt in 2001 en tot 0 % tijdens het onderzoektijdvak, niet de oorzaak kan zijn van de door de EU-producenten geleden schade.
(73) Derhalve worden de conclusies van de overwegingen 99 tot en met 101 van de voorlopige verordening bevestigd.
Gevolgen van de invoer van het Chinese product door een EU-producent
(74) Aangezien geen nieuwe informatie is verstrekt, worden de conclusies van de overwegingen 102 tot en met 105 van de voorlopige verordening bevestigd.
Gevolgen van de uitvoer door de EU-producenten
(75) Tabel 11
Aangezien de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap is herzien, zijn de uitvoerprestaties van de EU-producenten opnieuw onderzocht en is ook opnieuw nagegaan of de in het onderzoektijdvak geleden schade het gevolg kan zijn van hun uitvoerprestaties. De door de EU-producenten uitgevoerde hoeveelheden staan in de tabel hieronder: Index 2001 = 100 2001 2002 2003 Onderzoektijdvak Index uitvoer 100 66 59 46
(76) Dit hernieuwde onderzoek bevestigde dat de EU-producenten vooral in de Gemeenschap actief waren. De uitvoer naar landen buiten de Gemeenschap bedroeg in 2001 17 % en in het onderzoektijdvak slechts 7 % van de totale verkoop. De grootste daling van de uitvoer deed zich tussen 2001 en 2002 voor, toen de uitvoer daalde met 34 %. Vervolgens is de uitvoer gestaag gedaald tot het einde van het onderzoektijdvak. De beschikbare informatie wijst erop dat deze situatie vergelijkbaar is met die welke in de overwegingen 107 tot en met 109 van de voorlopige verordening is beschreven.
(77) Eén partij beweerde dat de daling van de verkoop op de uitvoermarkten waarmee de EU-producenten ten tijde van het onderzoektijdvak werden geconfronteerd, de reden was voor de geleden schade. Deze partij beweerde ook dat van een gezonde bedrijfstak, die op zijn belangrijkste markt met concurrentie wordt geconfronteerd, mag worden verwacht dat hij zijn uitvoer naar derde landen verlegt. Uit het onderzoek is echter gebleken dat de EU-producenten, toen ze met schadelijke dumping op de EU-markt werden geconfronteerd, niet in staat waren om het omzetverlies te compenseren door de uitvoer naar derde landen te vergroten.
(78) Er moet ook op worden gewezen dat de Gemeenschap de belangrijkste markt ter wereld is voor hefboommechanismen en het daarmee vervaardigde product (ordners). Daarnaast concentreerde het onderzoek zich op de economische situatie van de EU-producenten op de markt van de Gemeenschap. Bijgevolg is de analyse van een aantal schade-indicatoren zoals omvang en prijzen van de verkoop en winstgevendheid uitsluitend gebaseerd op de situatie van de EU-producenten op de markt van de Gemeenschap en wordt deze niet beïnvloed door de uitvoerprestaties.
(79) Bovendien, zelfs indien de daling van de uitvoer kan hebben bijgedragen tot een zekere verslechtering van enkele schade-indicatoren, zoals de productie, en van invloed kan zijn geweest op de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel, biedt dit nog geen verklaring voor de aanmerkelijke daling van de prijzen van de EU-producenten, het verlies aan marktaandeel en de gedaalde winstgevendheid waarmee de EU-producenten tijdens het onderzoektijdvak in verband met op de EU-markt verkochte hefboommechanismen werden geconfronteerd. De uitvoerprestatie heeft het oorzakelijk verband tussen de door de EU-producenten geleden schade en de invoer met dumping van hefboommechanismen uit China dan ook niet kunnen verbreken.
(80) De conclusie van overweging 110 van de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd.
Wisselkoers
(81) Sommige belanghebbenden gaven aan dat de schommelingen van de wisselkoers van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar die tussen 2001 en 2004 circa 40 % bedroegen, de belangrijkste oorzaak waren van eventuele schade voor de EU-producenten. Er is beweerd dat de wisselkoersschommeling een van de belangrijkste factoren was bij de keuze van verwerkende bedrijven tussen producenten uit de Gemeenschap of uit China voor de aankoop van de door hen benodigde producten. Er is ook beweerd dat Chinese exporteurs hun verkopen aan klanten in de Gemeenschap in het algemeen in dollars factureren of dat, als er in euro's wordt gefactureerd, de prijs is gekoppeld aan de wisselkoers tussen de euro en de dollar, die doorgaans op het moment van de bestelling is overeengekomen. Hierdoor werd naar verluidt de stijging van de prijzen in dollars die de Chinese exporteurs in die periode berekenden, gecompenseerd. Er zou derhalve geen verband bestaan tussen enige vastgestelde schade en kennelijke dumping uit China.
(82) Het klopt dat de wisselkoersschommelingen tussen de euro en de dollar in de beoordelingsperiode aanzienlijk waren. Tussen 2003 en het onderzoektijdvak bleek de fluctuatie zich echter tot 10 % te beperken. Het is in ieder geval duidelijk dat de wisselkoersschommeling geen verklaring kan zijn voor de enorme dumpingmarge van China tijdens het onderzoektijdvak, aangezien de dumpingberekeningen niet door deze schommeling zijn beïnvloed.
(83) Uit een simulatie van de gevolgen van de wisselkoers voor de verkoopprijzen op de EU-markt blijkt dat er zelfs zonder wisselkoersfluctuaties tijdens het onderzoektijdvak nog steeds sprake zou zijn geweest van aanzienlijke prijsonderbieding door Chinese exporteurs. Sterker nog, de beweerde gevolgen van de wisselkoersschommelingen kunnen geen andere factor zijn in de zin van artikel 3, lid 7, van de basisverordening. In de zin van deze bepaling gaat het immers uitsluitend om andere factoren dan de invoer met dumping. De toepasselijke wisselkoers is echter slechts bepalend voor de uitvoerprijs van de invoer met dumping, d.w.z. deze betreft de invoer met dumping zelf en is geen andere factor die de bedrijfstak van de Gemeenschap zou kunnen hebben geschaad.
(84) Op basis van het bovenstaande is het oordeel dat de partijen geen bewijs hebben geleverd waaruit blijkt dat de wisselkoersschommelingen het oorzakelijk verband konden verbreken tussen de aanmerkelijke schade die de EU-producenten hebben geleden en de invoer met dumping.
Stijging van de staalprijs
(85) Eén verwerkend bedrijf voerde aan dat er sprake was van een ernstige staalcrisis die in de beoordelingsperiode tot spectaculaire prijsstijgingen van de belangrijkste grondstof voor de productie van hefboommechanismen leidde. Hij beweerde dat de stijging van de staalprijs in het eerste kwartaal van 2004 maar liefst 25 tot 40 % bedroeg.
(86) De prijsstijgingen in de staalsector deden zich in de hele wereld voor en zouden voor alle staalgebruikers gevolgen moeten hebben gehad, met name tijdens het onderzoektijdvak. De normale reactie van staalgebruikers zou derhalve zijn geweest om de kostenstijgingen door te berekenen. Uit de beschikbare gegevens blijkt echter dat de Chinese uitvoerprijzen tussen 2003 en het onderzoektijdvak, d.w.z. tijdens de staalcrisis, slechts met 5 % zijn gestegen. Dit wijst erop dat ondanks de stijging van de staalprijs met ten hoogste 40 % de Chinese exporteurs hun uitvoerprijzen niet aanpasten en dat zij inderdaad tijdens het onderzoektijdvak tegen dumpprijzen naar de EU-markt exporteerden.
(87) Uit het onderzoek is gebleken dat de kosten van de grondstoffen voor de EU-producenten aanzienlijk zijn gestegen, met name tijdens het onderzoektijdvak, maar dat de producenten werden belemmerd om hun verkoopprijzen aan te passen door de aanmerkelijke prijsonderbieding door invoer met dumping uit China op de EU-markt.
(88) Er wordt bevestigd dat de door de EU-producenten geleden schade niet in belangrijke mate is veroorzaakt door de stijging van de staalprijzen.
Conclusie inzake oorzakelijk verband
(89) Op basis van de bovenstaande analyse wordt de conclusie van overweging 111 van de voorlopige verordening bevestigd.
BELANG VAN DE GEMEENSCHAP Belang van de EU-producenten en toeleveranciers
(90) Aangezien geen andere informatie over het belang van de EU-producenten en toeleveranciers is ingediend, worden de bevindingen van de overwegingen 114 tot en met 121 van de voorlopige verordening bevestigd.
Belang van de verwerkende bedrijven en importeurs
(91) Er zijn reacties van acht verwerkende bedrijven en twee importeurs op de EU-markt ontvangen die 51 % van het totale EU-verbruik voor hun rekening nemen. De verwerkende bedrijven zijn doorgaans ook importeur in die zin dat zij hefboommechanismen invoeren en die gebruiken voor de vervaardiging van ordners. De activiteiten van deze bedrijven zijn belangrijk, maar de productie van ordners is slechts goed voor 22 % van hun totale activiteiten.
Tekorten op de markt
(92) Sommige verwerkende bedrijven herhaalden dat de opgelegde antidumpingmaatregel tekorten in de aanvoer in de Gemeenschap veroorzaakt omdat de EU-producenten onvoldoende capaciteit hebben. Zij betoogden dat het tekort aan Europese productiecapaciteit ten opzichte van de vraag maar liefst 40 tot 50 % bedroeg. Zij beweerden dat zij tot invoer worden gedwongen en derhalve aanzienlijke bedragen aan rechten moeten betalen om op hetzelfde activiteitenniveau te blijven.
(93) De verwerkende bedrijven hebben echter geen bewijs aangeleverd dat er voor of na het opleggen van de voorlopige maatregelen sprake was van een tekort aan hefboommechanismen op de EU-markt. Daarnaast is bij de EU-producenten en andere producenten op de EU-markt productiecapaciteit beschikbaar. Zo nodig kunnen de EU-producenten extra investeringen doen en meer arbeidskrachten inschakelen om op een markt die niet door dumping wordt verstoord, aan de vraag te voldoen. Bovendien is de EU-markt niet voor invoer uit China gesloten en blijven deze producten voor alle verwerkende bedrijven beschikbaar, hoewel niet tegen dumpingprijzen. Dit argument wordt gevoed door angst voor een verminderd concurrentievermogen van de verwerkende bedrijven dat in de overwegingen 94 tot en met 97 hieronder aan de orde komt.
Concurrentievermogen van de verwerkende bedrijven
(94) De antidumpingmaatregelen zouden het algemene concurrentievermogen van de verwerkende bedrijven niet aanmerkelijk aantasten, aangezien alle EU-gebruikers toegang hebben tot andere leveranciers. De antidumpingmaatregelen zouden in principe geen gevolgen hebben voor de uitvoeractiviteiten van deze producenten en de productiekosten zouden niet in significante mate stijgen.
(95) Mogelijke kostenstijgingen kunnen gevolgen hebben voor ondernemingen die hoofdzakelijk het met dumping uit China ingevoerde product afnemen. In het beste geval en rekening houdend met het huidige marktaandeel van de EU-producenten kunnen de voorgestelde maatregelen leiden tot een gemiddelde stijging van circa 2 % van de kosten van het met hefboommechanismen vervaardigde product. In het ergste geval bedraagt de kostenstijging 3 %. Deze kostenstijging kan zelfs nog lager uitvallen als de verwerkende bedrijven een deel van de stijging aan hun klanten kunnen doorberekenen, wat niet kan worden uitgesloten.
(96) Zoals vermeld in overweging 128 van de voorlopige verordening, zouden de antidumpingmaatregelen tot meer daadwerkelijke concurrentie op de EU-markt, tot een herwinning van het marktaandeel en tot een herstel van de economische situatie van de EU-producenten moeten leiden. Op korte termijn zouden door de betere marktwerking buitensporige prijsstijgingen op de EU-markt worden voorkomen.
(97) Na afweging van alle argumenten wordt bevestigd dat de negatieve gevolgen voor de kosten van bepaalde verwerkende bedrijven niet van dien aard zijn dat de instelling van maatregelen erdoor wordt verhinderd.
Conclusie in verband met het belang van de Gemeenschap
(98) Uit het onderzoek is gebleken dat zonder maatregelen tegen de invoer met dumping de EU-producenten waarschijnlijk ten onder zouden gaan, aangezien zij zich nu al in een zeer kwetsbare financiële positie bevinden. Dit zou de producenten van ordners zeker afhankelijk maken van leveranciers buiten de Gemeenschap en tot een aanzienlijk verminderde concurrentie leiden. De antidumpingmaatregelen zouden doeltreffende handelsomstandigheden herstellen, zonder te grote lasten of voordelen, voor alle partijen die op de EU-markt hefboommechanismen kopen en verkopen.
(99) Derhalve wordt geconcludeerd dat de definitieve maatregelen niet in strijd zijn met het belang van de Gemeenschap.
DEFINITIEVE ANTIDUMPINGRECHTEN Schademarge
(100) Op basis van de methode die in de overwegingen 133 tot en met 136 van de voorlopige verordening is uiteengezet, is een schademarge berekend teneinde te kunnen vaststellen welke maatregelen moeten worden ingesteld.
(101) Voor de berekening van de schademarge in het kader van de voorlopige verordening werd de beoogde winst voor EU-producenten op 5 % vastgesteld, een percentage dat als gematigd werd beschouwd en dat in alle redelijkheid kon worden verwacht wanneer geen sprake is van schadelijke dumping.
(102) Eén partij voerde aan dat de schademarge niet op de productiekosten van de EU-producenten vermeerderd met een redelijke winstmarge zou moeten worden gebaseerd, aangezien de bedrijfstak niet efficiënt is en de productiekosten hoger zijn dan nodig. Deze partij heeft echter geen bewijs geleverd om zijn bewering te staven. Uit het onderzoek zijn geen redenen naar voren gekomen om van de in overweging 134 van de voorlopige verordening gevolgde methode af te wijken.
(103) Bij gebrek aan andere opmerkingen over dit onderwerp wordt de methode van de overwegingen 133 tot en met 136 van de voorlopige verordening bevestigd.
Definitieve maatregelen
(104) Rekening houdend met het bovenstaande zou overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening een definitief antidumpingrecht moeten worden ingesteld op het niveau van de berekende dumpingmarge voor de invoer van hefboommechanismen uit China, aangezien is bevestigd dat de schademarges steeds hoger waren dan de dumpingmarges.
(105) Op basis van het bovenstaande zijn de definitieve rechten als volgt vastgesteld: Bedrijf Dumpingmarge Dongguan Nanzha Leco Stationery 27,1 % Alle andere bedrijven 47,4 %
(106) Het in deze verordening vermelde individuele antidumpingrecht is gebaseerd op de bevindingen in het kader van dit onderzoek. Het weerspiegelt de situatie die tijdens het onderzoek voor het betrokken bedrijf werd vastgesteld. Dit recht (in tegenstelling tot het voor alle andere bedrijven in het land geldende recht) is dus uitsluitend van toepassing op producten uit het desbetreffende land die door het genoemde bedrijf en derhalve door de genoemde specifieke rechtspersoon zijn vervaardigd. Ingevoerde producten die door andere bedrijven zijn geproduceerd die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van bedrijven die met het specifiek genoemde bedrijf verbonden zijn, komen niet voor dit recht in aanmerking. Op deze bedrijven is het recht van toepassing dat voor alle andere bedrijven geldt.
(107) Verzoeken in verband met de toepassing van het individuele antidumpingrecht (bv. na naamswijziging van de rechtspersoon of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houden met wijzigingen in de activiteiten van het bedrijf op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van bedrijven die voor een individueel recht in aanmerking komen.
(108) Om de goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het residuele recht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende exporteurs, maar ook voor bedrijven die het betrokken product in het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd. Deze bedrijven kunnen evenwel, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening, verzoeken dat hun situatie individueel wordt onderzocht.
INNING VAN VOORLOPIGE RECHTEN
(109) Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de omvang van de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap werd berokkend, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid waren gesteld voor het bij Verordening (EG) nr. 134/2006 van de Commissie ingestelde voorlopige antidumpingrecht, te innen ten bedrage van het definitief ingestelde recht. Wanneer het definitieve recht lager is dan het voorlopige recht, wordt uitsluitend het bedrag dat uit hoofde van het definitieve recht als zekerheid werd gesteld definitief geind,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op hefboommechanismen van het type dat wordt gebruikt in ordners, ingedeeld onder de GN-code ex83051000 (TARIC-code 8305100050) uit de Volksrepubliek China.
2. Het definitieve antidumpingrecht, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten van de onderstaande bedrijven is als volgt: Fabrikant Antidumpingrecht Aanvullende TARIC-code Dongguan Nanzha Leco Stationery The First Industrial Camp, Nanzha, Humen, Dongguan, China 27,1 % A729 Alle andere bedrijven 47,4 % A999
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Bedragen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 134/2006 uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld bij de invoer van hefboommechanismen van het type dat wordt gebruikt in ordners, ingedeeld onder GN-code ex83051000 (TARIC-code 8305100050), uit de Volksrepubliek China worden definitief geïnd tot het bedrag van het definitieve recht dat bij deze verordening wordt ingesteld. De bedragen die het bedrag van de definitieve antidumpingrechten overschrijden, worden vrijgegeven.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 24 juli 2006. Voor de Raad De voorzitter K. Rajamäki