Gelex

Beschikking van de Commissie van 3 september 2004 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst ten aanzien van Boliden AB, Boliden Fabrication AB en Boliden Cuivre & Zinc S.A.; Austria Buntmetall AG en Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H.; Halcor S.A.; HME Nederland BV; IMI plc, IMI Kynoch Ltd en IMI Yorkshire Copper Tube Ltd; KM Europa Metal AG, Tréfimétaux SA en Europa Metalli SpA; Mueller Industries, Inc., WTC Holding Company, Inc., Mueller Europe Ltd, DENO Holding Company, Inc. en DENO Acquisition EURL; Outokumpu Oyj en Outokumpu Copper Products OY; en Wieland Werke AG (Zaak nr. C.38.069 — Koperen leidingbuizen) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 2826) (Slechts de tekst in de Nederlandse, Engelse, Finse, Franse, Duitse, Griekse, Italiaanse en Zweedse taal is authentiek) (2006/485/EG)

In forceVersion 2004-09-03from 2006-07-13
Grade B

mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.

Ask Gelex about this law

Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2006/485@2004-09-03/nl

Contents
  1. Preamble
  2. (9) a)
  3. i)
  4. ii)

Op 3 september 2004 heeft de Commissie een beschikking gegeven inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Ingevolge artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad maakt de Commissie hier de namen van de partijen en de belangrijkste punten van de beschikking, waaronder de opgelegde sancties, bekend, rekening houdend met het rechtmatige belang dat ondernemingen bij het bewaren van hun bedrijfsgeheimen hebben. Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van de beschikking in de authentieke taal van de zaak en in de werktalen van de Commissie is te vinden op de website van DG COMP, op het volgende adres: http://europa.eu.int/comm/competition/index_en.html SAMENVATTING VAN DE INBREUK

(1) De adressaten van de beschikking zijn:

Boliden AB, Boliden Fabrication AB en Boliden Cuivre & Zinc S.A.;

Austria Buntmetall AG en Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H. (Buntmetall of BMA);

Halcor S.A. (Halcor);

HME Nederland BV (HME);

IMI plc, IMI Kynoch Ltd. en IMI Yorkshire Copper Tube Ltd. (YCT), hierna IMI-groep of IMI;

KM Europa Metal AG (KME of KM Europa Metal), Tréfimétaux SA (TMX of Tréfimétaux) en Europa Metalli SpA (EM of Europa Metalli), hierna gezamenlijk KME-groep genoemd;

Mueller Industries, Inc. (Mueller), WTC Holding Company, Inc., Mueller Europe Ltd., DENO Holding Company, Inc. en DENO Acquisition EURL;

Outokumpu Oyj en Outokumpu Copper Products OY, hierna gezamenlijk Outokumpu genoemd;

Wieland Werke AG (Wieland of Wieland Werke).

(2) De adressaten van de beschikking waren betrokken bij één voortdurende en complexe inbreuk op zowel artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het EG-Verdrag of het Verdrag) als, vanaf 1 januari 1994, op artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Overeenkomst); deze inbreuk bestreek het gehele EER-grondgebied en bestond in het bepalen van prijzen, het verdelen van markten en het uitwisselen van vertrouwelijke informatie inzake de markt voor koperen leidingbuizen, en duurde van ten minste 3 juni 1988 tot 22 maart 2001.

(3) Società Metallurgica Italiana SpA (SMI) is de Italiaanse houdstermaatschappij van de KME-groep, waartoe Europa Metalli SpA (EM of EM/LMI of Europa Metalli) en Tréfimétaux SA (Tréfimétaux of TMX) behoren. Na onderzoek van de opmerkingen die SMI en KME hebben gemaakt over de positie van SMI in deze procedure, heeft de Commissie besloten deze beschikking niet tot SMI te richten.

(4) Op basis van het door KME verstrekte bewijsmateriaal leek het passend met het oog op de toewijzing van de aansprakelijkheid binnen de SMI-groep twee perioden te onderscheiden. Gedurende de eerste periode, die de jaren 1988 tot en met 1995 omvat, moet KME als een afzonderlijke onderneming worden beschouwd, los van EM en TMX, ondanks het feit dat SMI al in 1990 76,9 % van KME verwierf. De raad van bestuur van KME verschilde van die van haar zusterondernemingen, en het operationeel beheer van KME lijkt pas na de herstructurering van de groep in 1995, toen KME 100 % van de aandelen in EM en TWX verkreeg, op dat van EM en TMX te zijn afgestemd. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat wat de periode van 1988 tot 1995 betreft KME alleen aansprakelijk is voor haar eigen gedragingen en niet voor die van haar zusterondernemingen.

(5) Anderzijds moeten EM en de onderneming die tot 1995 haar volle dochter was, TMX, als een economische eenheid en derhalve als één enkele onderneming worden beschouwd die tot de herstructurering van de groep, van KME moet worden onderscheiden. Afgezien van de volledige zeggenschap van EM over TMX wordt de veronderstelling dat de dochteronderneming geen autonome handelspolitiek voerde nog door een aantal andere elementen geschraagd (de bestuurders van EM werden in het bestuur van TMX opgenomen, de commerciële strategieën werden op elkaar afgestemd, in 1993 werd een gemeenschappelijke verkooporganisatie opgezet, en sinds 1989 namen zij deel aan hetzelfde kartel in dezelfde productmarkt). In de periode 1989-1995 is EM derhalve aansprakelijk voor haar eigen gedragingen en hoofdelijk aansprakelijk voor de onrechtmatige gedragingen van haar dochteronderneming TMX.

(6) Voor de periode 1995-2001, toen KME voor 100 % zeggenschap kreeg over het kapitaal van zowel EM als TMX, moeten de ondernemingen van de KME-groep worden geacht als één onderneming op de markt te hebben geopereerd. De veronderstelling dat er sprake was van controle, die gebaseerd is op de 100 % deelneming van KME in EM en TMX en die verder geschraagd wordt door de uitgebreide banden op bestuurlijk niveau en door de economische realiteit, is niet met voldoende bewijzen weerlegd. Derhalve zijn KME, EM en TMX hoofdelijk aansprakelijk voor hun onrechtmatige gedragingen in de periode 1995-2001.

(7) Wat Outokumpu (Finland) betreft achtte de Commissie de moederonderneming Outokumpu Oyj hoofdelijk aansprakelijk voor de gedragingen van haar volledige dochteronderneming Outokumpu Copper Products Oy (OCP). Outokumpu Oyj had de zeggenschap over het volledige kapitaal van OCP voor de gehele duur van de inbreuk. Bovendien was de moederonderneming volgens Outokumpu al vóór mei 1988 bij de inbreuk betrokken via haar divisie koperen producten en was zij daarvan derhalve op de hoogte, ook toen haar dochteronderneming tussen mei en december 1988 werd opgericht en in bedrijf werd gesteld. De moederonderneming gelastte haar dochteronderneming evenwel niet de inbreuk te beeindigen. Derhalve kan worden aangenomen dat Outokumpu Oyj de volledige en feitelijke controle over het handelsbeleid van haar dochteronderneming had, iets wat Outokumpu niet heeft kunnen weerleggen. De Commissie beperkte haar beoordeling van Outokumpu tot de periode na september 1989 omdat er voor de jaren 1987 en 1988 onvoldoende bewijsmateriaal voorhanden was.

(8) Mueller, IMI, Wieland en Boliden betwistten de aansprakelijkheid van hun houdstermaatschappijen en moederondernemingen niet voor de gedragingen van de dochterondernemingen in de sector koperen leidingbuizen.

(9) De ondernemingen namen gedurende ten minste de volgende perioden aan de inbreuk deel:

(9) a)

Boliden AB, gezamenlijk met Outokumpu Copper Fabrication AB (voorheen: Boliden Fabrication AB) en Outokumpu Copper BCZ S.A. (voorheen: Boliden Cuivre & Zinc S.A.), van 3 juni 1988 tot en met 22 maart 2001;

b)

Outokumpu Copper Fabrication AB (voorheen: Boliden Fabrication AB), gezamenlijk met Boliden AB en Outokumpu Copper BCZ S.A. (voorheen: Boliden Cuivre & Zinc S.A.), van 3 juni 1988 tot en met 22 maart 2001;

c)

Outokumpu Copper BCZ S.A. (voorheen: Boliden Cuivre & Zinc S.A.), gezamenlijk met Boliden AB en Outokumpu Copper Fabrication AB (voorheen: Boliden Fabrication AB), van 3 juni 1988 tot en met 22 maart 2001;

d)

Austria Buntmetall AG:

i)

gezamenlijk met Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H., ten minste van 29 augustus 1998 tot en met 8 juli 1999, en

ii)

gezamenlijk met Wieland Werke AG en Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H, van 9 juli 1999 tot en met 22 maart 2001;

e)

Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H.:

i)

gezamenlijk met Austria Buntmetall AG, minstens van 29 augustus 1998 tot en met 8 juli 1999, en

ii)

gezamenlijk met Wieland Werke AG en Austria Buntmetall AG, van 9 juli 1999 tot en met 22 maart 2001;

f)

Halcor S.A. ten minste van 29 augustus 1998 tot ten minste begin september 1999;

g)

HME Nederland BV ten minste van 29 augustus 1998 tot en met 22 maart 2001;

h)

IMI plc, gezamenlijk met IMI Kynoch Ltd. en Yorkshire Copper Tube Ltd (voorheen: IMI Yorkshire Copper Tube Ltd), van 29 september 1989 tot en met 22 maart 2001;

i)

IMI Kynoch Ltd., gezamenlijk met IMI plc en Yorkshire Copper Tube Ltd (voorheen: IMI Yorkshire Copper Tube Ltd), van 29 september 1989 tot en met 22 maart 2001;

j)

Yorkshire Copper Tube Ltd. (voorheen: IMI Yorkshire Copper Tube Ltd) gezamenlijk met IMI plc en IMI Kynoch Ltd, van 29 september 1989 tot en met 22 maart 2001;

k)

KM Europa Metal AG:

i)

afzonderlijk van 3 juni 1988 tot 19 juni 1995, en

ii)

gezamenlijk met Tréfimétaux SA en Europa Metalli SpA, van 20 juni 1995 tot en met 22 maart 2001;

l)

Europa Metalli SpA:

i)

gezamenlijk met TMX, van 29 september 1989 tot en met 19 juni 1995, en

ii)

gezamenlijk met KM Europa Metal AG en Tréfimétaux SA, van 20 juni 1995 tot en met 22 maart 2001.

m)

Tréfimétaux SA:

i)

gezamenlijk met Europa Metalli SpA, van 29 september 1989 tot en met 19 juni 1995, en

ii)

gezamenlijk met KM Europa Metal AG en Europa Metalli SpA, van 20 juni 1995 tot en met 22 maart 2001;

n)

Mueller Industries, Inc., gezamenlijk met WTC Holding Company, Inc., Mueller Europe Ltd., DENO Holding Company, Inc. en DENO Acquisition EURL, van 21 oktober 1997 tot en met 8 januari 2001;

o)

WTC Holding Company, Inc., gezamenlijk met Mueller Industries, Inc., Mueller Europe Ltd, DENO Holding Company, Inc. en DENO Acquisition EURL, van 21 oktober 1997 tot en met 8 januari 2001;

p)

Mueller Europe Ltd, gezamenlijk met WTC Holding Company, Inc., Mueller Industries, Inc., DENO Holding Company, Inc. en DENO Acquisition EURL, van 21 oktober 1997 tot en met 8 januari 2001;

q)

DENO Holding Company, Inc., gezamenlijk met WTC Holding Company, Inc., Mueller Europe Ltd, Mueller Industries, Inc. en DENO Acquisition EURL, van 21 oktober 1997 tot en met 8 januari 2001;

r)

DENO Acquisition EURL, gezamenlijk met WTC Holding Company, Inc., Mueller Europe Ltd, DENO Holding Company, Inc. en Mueller Industries, Inc., van 21 oktober 1997 tot en met 8 januari 2001;

s)

Outokumpu Oyj, gezamenlijk met Outokumpu Copper Products Oy, van 29 september 1989 tot en met 22 maart 2001;

t)

Outokumpu Copper Products Oy, gezamenlijk met Outokumpu Oyj, van 29 september 1989 tot en met 22 maart 2001;

u)

Wieland Werke AG:

i)

afzonderlijk van 29 september 1989 tot en met 8 juli 1999, en

ii)

gezamenlijk met Austria Buntmetall AG en Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H., van 9 juli 1999 tot en met 22 maart 2001.

(10) Koperen buizen worden over het algemeen ingedeeld in twee productgroepen: i) industriële buizen die worden onderverdeeld in subgroepen op basis van het eindgebruik (airconditioning en koeling, fittings, gasverwarming, filterdrogers en telecommunicatie), en ii) leidingbuizen die in de bouwsector voor water-, olie-, gas- en verwarmingsinstallaties worden gebruikt.

(11) Leidingbuizen worden van oudsher vooral van koper gemaakt — van gerecycleerd koper, nieuw geraffineerd koper (electrolytisch koper) of koperen billets, en deels van staal. Sinds het begin van de jaren negentig worden leidingbuizen in toenemende mate van kunststof of composietmateriaal (kunststof met lagen aluminium) vervaardigd. Het substitutieproces werd versterkt door de publieke discussie over de kwaliteitsnormen voor drinkwater, welke in 1998 resulteerde in de goedkeuring van de Europese drinkwaterrichtlijn.

(12) De belangrijkste afnemers van leidingbuizen zijn distributeurs, groothandelaren en detailhandelaren die dit soort buizen aan installateurs en andere eindgebruikers verkopen. Daarentegen worden industriële buizen gewoonlijk gebruikt door en direct geleverd aan industriële afnemers, original equipment manufacturers of fabrikanten van onderdelen.

(13) De waarde van de EER-markt wordt voor het jaar 2000 voor gewone koperen leidingbuizen geraamd op circa 1 miljard EUR en voor met kunststof beklede koperen leidingbuizen op circa 200 miljoen EUR. De adressaten van deze beschikking zijn de grootste producenten van koperen leidingbuizen in Europa. Hun geraamde aandeel van de EER-markt (gewone buizen) was in 2000, het laatste volledige jaar waarin de kartelovereenkomst van kracht was, grofweg als volgt: KME […] %, IMI […] %, Outokumpu […] %, Wieland Werke […]v %, Mueller […] %, Boliden […] %, Buntmetall […] % (1998), HME […] %, Halcor […] %. Het totale geraamde aandeel van de EER-markt voor zowel gewone als met kunststof beklede leidingbuizen was in 2000, het laatste volledige jaar van de kartelovereenkomst, grofweg als volgt: KME […] % en Wieland […] %. Tezamen hadden deze ondernemingen circa 80 à 90 % van de totale EER-markt voor gewone koperen leidingbuizen in handen. Opgemerkt zij echter dat niet alle partijen gedurende de volledige periode aan het kartel deelnamen.

(14) De adressaten van de onderhavige beschikking waren betrokken bij één enkele voortdurende, complexe en, wat Boliden, de KME-groep en Wieland betreft, veelvormige inbreuk op artikel 81 van het Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst die het grootste deel van het EER-grondgebied bestreek; daarbij werden volumes en marktaandelen onderling verdeeld, werden in bepaalde gevallen prijsdoelstellingen, prijsverhogingen of andere handelsvoorwaarden voor gewone koperen leidingbuizen (en, wat KME en Wieland betreft, met kunststof beklede koperen leidingbuizen) overeengekomen, en werd toezicht gehouden op de tenuitvoerlegging van hun concurrentieverstorende afspraken via de uitwisseling van informatie over verkopen, orders, marktaandelen en prijszetting, en door een marktleider-regeling. De inbreuk begon in juni 1988 en werd in maart 2001 beëindigd. Verschillende ondernemingen waren gedurende verschillende perioden bij deze regelingen betrokken.

(15) Het betrof één inbreuk omdat er een voortdurend doel was en voortdurende handelingen en maatregelen om volumes toe te wijzen en prijzen te coördineren. Het was een complexe inbreuk omdat hij zowel uit overeenkomsten als uit onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestond.

(16) Het concurrentieverstorende gedrag vormde tevens een veelvormige inbreuk omdat het op drie niveaus was georganiseerd met het doel de mededinging in de sector koperen leidingbuizen uit te schakelen.

(17) De samenwerking op het eerste niveau begon ten laatste in juni 1988 (en duurde tot maart 2001) en omvatte de zogenaamde SANCO®-producenten (SANCO-club): KME, Tréfimétaux, Europa Metalli, Boliden en Wieland. Boliden verminderde haar rol in de SANCO-club in juli 1995 maar bleef tot maart 2001 aan het informatie-uitwisselingssysteem deelnemen. De SANCO®-producenten wezen marktaandelen van SANCO®-buizen toe, wisselden vertrouwelijke informatie uit, en bepaalden en coördineerden prijzen en kortingen. Gebleken is dat de samenwerking zeer nauw was en als voorbereiding diende voor bijeenkomsten met niet-SANCO-producenten. KME en Wieland werkten eveneens samen met betrekking tot de met kunststof beklede koperen leidingbuizen van WICU® en Cuprotherm vanaf ten minste begin 1991 tot maart 2001.

(18) De samenwerking op het tweede niveau begon ten laatste in september 1989 en omvatte de grootste Europese producenten (groep van vijf) (zowel SANCO- als niet-SANCO-producenten): KME (met inbegrip van Tréfimétaux en Europa Metalli), Wieland, Outokumpu, IMI en, vanaf oktober 1997, Mueller. Het voornaamste doel was marktaandelen te stabiliseren en toe te wijzen en prijzen en kortingen te coördineren. Er werden ofwel bijeenkomsten gehouden ter gelegenheid van de bijeenkomsten van brancheorganisaties (bijvoorbeeld bijeenkomsten van de International Wrought Copper Council (IWCC), of afzonderlijk in Zurich. De samenwerking omvatte zowel bijeenkomsten op bestuurlijk topniveau als vergaderingen op operationeel niveau. Deze contacten vonden in drie perioden plaats: van september 1989 tot juni/juli 1994 (invoering van de informatie-uitwisseling en coördinatie); van juli 1994 tot juni 1997 (minder intensieve contacten); van juni 1997 tot maart 2001 (effectief en doeltreffend herstel van de samenwerking).

(19) De samenwerking op het derde niveau begon in augustus 1998 en duurde tot de periode tussen augustus 1999 en maart 2001. Hierbij waren de bovengenoemde groep van vijf en vier kleinere producenten betrokken (tezamen de groep van negen): Halcor tot augustus 1999 en HME Nederland BV, Boliden (die niet regelmatig deelnam) en Buntmetall tot maart 2001. De groep van negen besprak marktaandelen en streefcijfers voor prijzen en winsten.

GELDBOETES

(20) De onderhavige inbreuk bestond hoofdzakelijk uit het verdelen van de markt en het vaststellen van prijzen, praktijken die alleen al vanwege hun aard zeer ernstige schendingen vormen van artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, EER. Vaststaat dat de kartelovereenkomsten ook in de praktijk ten uitvoer werden gelegd en, ten minste in bepaalde perioden, tot prijsstijgingen op de markt leidden. Het kartel bestreek de gehele gemeenschappelijke markt en, na de oprichting van de EER, het grootste deel van het EER-grondgebied.

(21) Gezien de aard van de onderzochte gedragingen, de daadwerkelijke gevolgen voor de markt voor koperen leidingbuizen, en het feit dat de samenwerking een omvangrijke geografische markt bestreek (het grootste deel van het EER-grondgebied), hebben de adressaten van deze beschikking een zeer ernstige inbreuk begaan op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, EER.

(22) Gezien de omstandigheden van deze zaak waarbij verschillende ondernemingen betrokken waren, moest het basisbedrag van de geldboetes op zodanige wijze worden vastgesteld dat rekening werd gehouden met het specifieke gewicht en derhalve de reële invloed van het inbreukmakend gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging.

(23) Met het oog op de berekening van de boetes werden de ondernemingen in vier categorieën onderverdeeld op basis van hun aandeel van de EER-markt voor het betrokken product in het laatste volledige jaar van de inbreuk (2000). De eerste categorie omvatte KME; de tweede bestond uit Outokumpu, IMI, Mueller en Wieland Werke met inbegrip van BMA (tezamen circa de helft van het marktaandeel van KME); de derde categorie bestond uit Boliden (ongeveer tweederde van het marktaandeel van de tweede groep); en de vierde categorie bestond uit HME en Halcor (ongeveer de helft van het marktaandeel van de tweede groep).

(24) Aangezien EM en TMX in de periode 1988-1995 één enkele onderneming vormden zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor hun respectieve deel van de inbreuk. Evenzo vormden KME, EM en TMX één enkele onderneming (de KME-groep) in de periode 1995-2001, en waren zij hoofdelijk aansprakelijk voor dat deel van de inbreuk. Het basisbedrag van de geldboete werd derhalve opgesplitst in twee delen, één voor de periode 1988-1995 en één voor de periode 1995-2001. Het gevolg hiervan was dat KME afzonderlijk een boete kreeg van 17,96 miljoen EUR; EM en TMX waren hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van een boete van 16,37 miljoen EUR; en KME, EM en TMX (ofwel de KME-groep) waren hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van een boete van 32,75 miljoen EUR.

(25) Op vergelijkbare wijze werden twee verschillende perioden onderscheiden voor de toewijzing van de aansprakelijkheid binnen de Wieland-groep. Wieland Werke AG verwierf in 1999 uitsluitende zeggenschap over de Buntmetall-groep. Derhalve werden Wieland Werke AG en de Buntmetall-groep als één onderneming behandeld, met pas vanaf 1999 hoofdelijke aansprakelijkheid voor de inbreuk.

(26) Om ervoor te zorgen dat de opgelegde boetes een voldoende afschrikkende werking hadden, werd op het voor Outokumpu vastgestelde basisbedrag voor de boete een vermenigvuldigingsfactor van 1,5 toegepast. Het was in dit geval passend om de totale wereldwijde omzet van de groep (circa 5 miljard EUR) in aanmerking te nemen, aangezien de moederonderneming (Outokumpu Oyj) in 1988 bij de inbreuk betrokken was via haar divisie koperen producten en vervolgens haar volledige dochteronderneming OCP niet gelastte de inbreuk te beëindigen. Wat haar totale wereldwijde omzet betreft is Outokumpu meer dan tweemaal zo groot als elk van de overige partijen.

(27) Verschillende ondernemingen waren gedurende verschillende perioden bij de inbreuk betrokken. De inbreuk begon ten laatste op 3 juni 1988 en duurde tenminste tot 22 maart 2001. De volgende ondernemingen begingen een doorlopende inbreuk waarvan de duur hieronder wordt aangegeven: — Boliden-groep 12 jaar en 9 maanden; — Buntmetall-groep 2 jaar en 6 maanden; — Halcor 12 maanden; — HME 2 jaar en 6 maanden; — IMI-groep 11 jaar en 5 maanden; — KME-groep 12 jaar en 9 maanden (in totaal, opgedeeld volgens de deelname van elke tot de groep behorende onderneming); (KME: 12 jaar en 9 maanden; EM/TMX: 11 jaar en 5 maanden) — Mueller-groep 3 jaar en 2 maanden; — Outokumpu-groep 11 jaar en 5 maanden; — Wieland Werke 11 jaar en 5 maanden.

(28) Het kartel werd niet altijd met dezelfde intensiteit uitgevoerd. De periode van medio 1994 tot medio 1997 werd door Outokumpu als een rustige periode bestempeld. KME en Wieland zetten hun samenwerking op het gebied van WICU-, Cuprotherm- en SANCO-buizen voort. IMI, Wieland, Outokumpu en KME hadden in 1996 een aantal ontmoetingen. Hoewel het kartel duidelijk minder efficiënt functioneerde werd de uitwisseling van vertrouwelijke informatie, althans incidenteel, voortgezet. Outokumpu bevestigde dat er een periode van minder intensieve contacten was geweest. Daarom werd deze periode aangemerkt als een periode waarin veeleer sprake was van verminderde kartelactiviteit dan van een volledige onderbreking daarvan. De duur van de inbreuk (12 jaar en 9 maanden) werd derhalve niet beïnvloed door de perioden van verminderde kartelactiviteit.

(29) In het geval van Outokumpu werd de ernst van de inbreuk nog vergroot doordat Outokumpu tevens adressaat was van een eerdere beschikking van de Commissie (Beschikking nr. 90/417/EGKS waarbij met betrekking tot een kartel in de sector koudgewalste platte producten van roestvrij staal eenzelfde soort inbreuk werd vastgesteld. Bij die beschikking werd Outokumpu evenwel geen boete opgelegd.

(30) Outokumpu betwistte deze vaststelling van de Commissie echter met het argument dat deze zaak betrekking had op een heel andere situatie, omdat i) de onderneming door de overheid werd beïnvloed en in de overtuiging verkeerde dat de regelingen door de overheid waren goedgekeurd; ii) de Commissie zelf had aanvaard dat dit geen duidelijke inbreuk was en geen geldboete had opgelegd; iii) het om verschillende activiteiten ging, waarbij verschillende bedrijfseenheden en medewerkers op verschillende plaatsen betrokken waren, en iv) het een verschillende verdragsbepaling betrof (artikel 65 van het EGKS-Verdrag).

(31) Dit argument van Outokumpu was niet aanvaardbaar, omdat een van de functies van aan ondernemingen gerichte beschikkingen is hen te waarschuwen en hen ervan te weerhouden om in de toekomst soortgelijke inbreuken te plegen, zelfs indien om een of andere reden geen geldboete wordt opgelegd. Dat Outokumpu de inbreuk in de sector koperen leidingbuizen voortzette nadat de Commissie in een beschikking de stopzetting van de inbreuk in de sector roestvrij staal had gelast, toont duidelijk aan dat de eerste beschikking een onvoldoende afschrikwekkende uitwerking had op het marktgedrag van de onderneming. Daarom moest de afschrikkende werking in de toekomst worden verzekerd door het bedrag van de geldboete in deze zaak te verhogen. Bovendien kwam hetzelfde soort inbreuk in dit verband neer op inbreuk op hetzelfde artikel van het Verdrag. In dit opzicht is artikel 65 van het EGKS-Verdrag derhalve gelijkwaardig aan artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag. De Commissie heeft ditzelfde standpunt ingenomen in haar beschikking industriële buizen van 16 december 2003.

(32) De bewering van Halcor dat zij door KME, Outokumpu, Wieland en Mueller onder druk werd gezet, kon niet worden bewezen. Evenmin kon de bewering van Boliden dat KME dwang uitoefende, niet worden bewezen.

(33) Volgens de partijen moesten een aantal factoren als verzachtende omstandigheden worden beschouwd, zoals onder meer het feit dat de regelingen in de praktijk niet ten uitvoer werden gelegd, dat de met de inbreuk behaalde voordelen beperkt waren, alsook de economische moeilijkheden in de sector koperen leidingbuizen.

(34) De Commissie heeft al deze argumenten in de beschikking weerlegd en heeft bewijzen gevonden dat de regelingen van invloed waren op de prijzen. In casu zijn derhalve op geen van de ondernemingen verzachtende omstandigheden van toepassing.

(35) De clementieregeling van 1996 bevat geen bepaling waarin een bijzondere beloning is voorzien voor indieners van een clementieverzoek die feiten aan het licht brengen welke de Commissie niet eerder bekend waren en welke rechtstreekse gevolgen hebben voor de zwaarte of de duur van het kartel. Een dergelijke vorm van medewerking is in de zaak industriële buizen reeds als verzachtende factor erkend.

(36) De Commissie was daarom van mening dat de medewerking van Outokumpu in dit verband als verzachtende omstandigheid kon gelden. Outokumpu was de eerste die de volledige duur van het Europese kartel in de koperen leidingbuizensector onthulde en was vooral ook de eerste onderneming die overtuigende bewijzen en verklaringen verstrekte waaruit bleek dat de inbreuk in de periode juli 1994 tot juli 1997 (en in de periode van 1990 tot eind 1992) ononderbroken voortduurde. Uitsluitend op basis van het bewijsmateriaal dat zij van de verzoeker om immuniteit had ontvangen en de informatie die zij vóór Outokumpu’s clementieverzoek tijdens de inspecties had verzameld, had de Commissie de duur en het voortduren van de inbreuk vanaf september 1989 niet kunnen aantonen. Outokumpu mag voor haar medewerking niet worden bestraft door een hogere geldboete te krijgen dan die welke zij had moeten betalen indien zij geen medewerking had verleend. Daarom werd het basisbedrag van Outokumpu’s geldboete verlaagd met 40,17 miljoen EUR vanwege haar daadwerkelijke medewerking buiten de clementieregeling van 1996 om.

(37) De Commissie was van mening dat ook de medewerking van KME in dit verband als verzachtende omstandigheid kon gelden. Ten tijde van de mededeling van punten van bezwaar beschikte de Commissie over sporadische aanwijzingen dat de onrechtmatige gedragingen ook met kunststof beklede buizen betroffen en beschikte zij over iets degelijker bewijsmateriaal met betrekking tot de uitwisseling van informatie over deze producten; pas dankzij de bijdrage van KME kon zij het bestaan van één voortdurende en complexe inbreuk ten aanzien van WICU-Cuprotherm-buizen aantonen, en wel ten minste vanaf begin 1991. De Commissie is van mening dat de KME-groep voor haar medewerking niet mag worden bestraft. Het juiste uitgangspunt voor de verlaging van het basisbedrag van de aan KME op te leggen boete is het relatieve belang van de sector met kunststof beklede leidingbuizen ten opzichte van de sector gewone koperen leidingbuizen. Op basis van dit criterium werd het basisbedrag van de geldboete verlaagd met 7,93 miljoen EUR.

(38) Alle adressaten van de onderhavige beschikking hebben in verschillende fasen van het onderzoek met de Commissie meegewerkt ten einde de in de clementieregeling van 1996 beschreven gunstige behandeling te kunnen krijgen. De clementieregeling werd als volgt toegepast:

(39) Mueller Industries Inc. (Mueller) was de eerste onderneming die de Commissie (in januari 2001) op de hoogte bracht van het bestaan van een kartel in de sector koperen leidingbuizen in de jaren negentig. Dankzij het bewijsmateriaal die Mueller vóór de inspecties van de Commissie had verstrekt, kon de Commissie het bestaan, de inhoud en de deelnemers van een aantal kartelbijeenkomsten, die met name plaatsvonden in 1989, 1994 en tussen 1997 en 2001, en daarnaast inspecties uitvoeren op 22 maart 2001 en daarna. Mueller beëindigde haar deelneming aan het kartel onmiddellijk en verleende haar volledige medewerking gedurende de gehele duur van het onderzoek door talrijke stukken en documenten aan de Commissie voor te leggen waarin de regelingen nader worden beschreven. Mueller genoot daarom volledige immuniteit van geldboetes.

(40) Mueller verschafte enig bewijsmateriaal voor de periode voor 1997 en onthulde het bestaan van het kartel van 1997 tot 2001. Samen met de documenten die zij bij de inspecties had verzameld beschikte de Commissie hiermee over voldoende bewijzen om de procedure in te leiden die in een beschikking tegen alle betrokken partijen resulteerde. Daarom kwam geen van de andere partijen in aanmerking voor een vermindering ingevolge deel C van de clementieregeling van 1996.

(41) Voordat de Commissie haar mededeling van punten van bezwaar had aangenomen verstrekten Outokumpu (april 2001), KME (oktober 2002), Wieland (januari 2003) en Halcor (april 2004) de Commissie informatie en documenten op grond waarvan het bestaan van de inbreuken kon worden vastgesteld. Geen van deze ondernemingen betwistte de inhoud van de feiten waarop de Commissie haar mededeling van punten van bezwaar had gebaseerd, afgezien van de feiten die niet in de beschikking waren vermeld. Deze ondernemingen kwamen derhalve in aanmerking voor een vermindering van 10 tot 50 %, ingevolge deel D van de clementieregeling.

(42) Outokumpu was de eerste onderneming die overtuigend bewijsmateriaal overlegde voor de periode 1989-medio 1997. De periode van medio 1997 tot maart 2001 was al bestreken door Mueller en door tijdens de inspecties verzamelde documenten. Vooral de bijdrage van Outokumpu was van cruciaal belang om de continuïteit van de inbreuk vast te stellen. Deze onderneming kreeg daarom de grootst mogelijke vermindering van de boete die zou zijn opgelegd indien zij niet met de Commissie had samengewerkt, namelijk met 50 %.

(43) Het werd passend geacht om KME en Wieland (inclusief Buntmetall) dezelfde vermindering toe te kennen, zij het een geringere vermindering dan Outokumpu. Enerzijds was Wieland de eerste onderneming die een uitvoerige lijst van bijeenkomsten voor de periode 1993-2001 voorlegde en uitleg verschafte waardoor de Commissie in staat was een groot aantal documenten uit dezelfde periode als bewijs te gebruiken, anderzijds was KME de eerste onderneming die een volledige toelichting verschafte over alle aspecten van de inbreuk (SANCO-bijeenkomsten, vergaderingen op Europees niveau). Zowel KME als Wieland (inclusief Buntmetall) kregen dan ook een vermindering met 35 % van de geldboete die hun zou zijn opgelegd indien zij niet met de Commissie hadden samengewerkt.

(44) Halcor verstrekte een aantal contemporaire documenten voor de periode waarin zij aan het kartel deelnam (augustus 1998 tot augustus 1999). Voor deze periode waren echter reeds voldoende documenten voorhanden. Bovendien verschafte Halcor geen nadere informatie over haar deelname aan kartelregelingen vóór augustus 1998. De onderneming kwam daarom voor een aanzienlijk geringere vermindering in aanmerking dan Outokumpu, KME of Wieland. Tegelijkertijd diende de Commissie in aanmerking te nemen dat Halcor haar medewerking onmiddellijk had aangeboden nadat zij een verzoek om inlichtingen had ontvangen, en dat geen inspecties werden uitgevoerd in de bedrijfsruimten van de onderneming. Halcor kreeg daarom een vermindering met 15 % van de geldboete die haar anders zou zijn opgelegd.

(45) Na ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar diende de Boliden-groep een clementieverzoek in. Boliden gaf de inbreuk toe en betwistte de feiten niet. Bovendien bracht zij een aantal preciseringen aan. Gezien de eerdere medewerking van Mueller, Outokumpu, de KME-groep, Wieland en Halcor, alsmede de inspecties, was de inbreuk echter al volledig vastgesteld. De Commissie verleende Boliden dan ook een vermindering met 10 % van de geldboete die aan de onderneming zou zijn opgelegd indien zij geen medewerking had verleend.

(46) Na ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar diende de IMI-groep een clementieverzoek in. IMI gaf de inbreuk toe en betwistte de feiten niet. Gezien de medewerking van Mueller, Outokumpu, de KME-groep, Wieland en Halcor, alsmede de inspecties, was de inbreuk al volledig vastgesteld. Daarom verleende de Commissie IMI een vermindering met 10 % van de boete die anders zou zijn opgelegd.

De volgende geldboetes werden opgelegd: a) aan Boliden AB, Outokumpu Copper Fabrication AB (voorheen: Boliden Fabrication AB) en Outokumpu Copper BCZ S.A. (voorheen: Boliden Cuivre & Zinc S.A.), waarbij ieder hoofdelijk aansprakelijk is, een bedrag van 32,6 miljoen EUR; b) aan Austria Buntmetall AG en Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H. waarbij ieder hoofdelijk aansprakelijk is, een bedrag van 0,6695 miljoen EUR; c) aan Austria Buntmetall AG, Buntmetall Amstetten Ges.m.b.H. en Wieland Werke AG, waarbij ieder hoofdelijk aansprakelijk is, een bedrag van 2,43 miljoen EUR; d) aan Halcor S.A. afzonderlijk 9,16 miljoen EUR; e) aan HME Nederland BV afzonderlijk 4,49 miljoen EUR; f) aan IMI plc, IMI Kynoch Ltd en Yorkshire Copper Tube Ltd (voorheen: IMI Yorkshire Copper Tube Ltd) waarbij ieder hoofdelijk aansprakelijk is 44,98 miljoen EUR; g) aan KM Europa Metal AG afzonderlijk 17,96 miljoen EUR; h) aan KM Europa Metal AG, Tréfimétaux SA en Europa Metalli SpA waarbij ieder hoofdelijk aansprakelijk is, 32,75 miljoen EUR; i) aan Europa Metalli SpA en Tréfimétaux SA waarbij ieder hoofdelijk aansprakelijk is, 16,37 miljoen EUR; j) aan Outokumpu Oyj en Outokumpu Copper Products Oy waarbij ieder hoofdelijk aansprakelijk is, 36,14 miljoen EUR; k) aan Wieland Werke AG afzonderlijk 24,7416 miljoen EUR. De bovengenoemde ondernemingen moeten onverwijld een einde maken aan de inbreuken, voorzover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij moeten zich onthouden van elke soortgelijke handeling of gedraging als de in casu vastgestelde inbreuk en van het nemen van maatregelen die hetzelfde doel of gevolg hebben als de inbreuk.

Versions

  1. 2004-09-03