Besluit van de Commissie van 3 november 2006 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van opneembare compact discs (cd-r’s) uit de Volksrepubliek China, Hongkong en Maleisië (2006/753/EG)
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2006/753@2006-11-03/nl
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (de basisverordening), en met name op artikel 9,
Na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt: PROCEDURE Inleiding
(1) Op 6 augustus 2005 werd in het Publicatieblad van de Europese Unie de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van opneembare compact discs (cd-r’s) uit de Volksrepubliek China (China), Hongkong en Maleisië (bericht van inleiding).
(2) De procedure werd ingeleid als gevolg van een klacht die op 24 juni 2005 was ingediend door het Committee of European CD-Rs and DVD+/-R manufacturers (CECMA) namens producenten die goed zijn voor een groot deel — in dit geval meer dan 60 % — van de totale productie van cd-r’s in de Gemeenschap. De klacht bevatte bewijzen van dumping van cd-r’s en van aanmerkelijke schade als gevolg daarvan; de bewijzen werden toereikend geacht om de inleiding van de procedure te rechtvaardigen.
Partijen bij de procedure
(3) De Commissie heeft de klager, andere EG-producenten, de haar bekende producenten/exporteurs, importeurs, leveranciers, gebruikers en gebruikersorganisaties, alsmede de vertegenwoordigers van China officieel in kennis gesteld van de inleiding van de procedure. De belanghebbenden konden binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn hun standpunt schriftelijk uiteenzetten en verzoeken te worden gehoord.
(4) De klagende producenten, andere meewerkende EG-producenten, producenten/exporteurs, importeurs, leveranciers, gebruikers en gebruikersorganisaties hebben hun standpunt bekendgemaakt. Alle belanghebbenden die daarom met opgave van redenen hadden verzocht, werden gehoord.
(5) Om producenten/exporteurs in China in staat te stellen desgewenst een verzoek om behandeling als marktgerichte onderneming of om individuele behandeling in te dienen, heeft de Commissie hun de daarvoor benodigde formulieren toegezonden.
(6) 13 groepen producenten/exporteurs (producenten/exporteurs) verzochten om behandeling als marktgerichte onderneming overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening of, mocht uit het onderzoek blijken dat zij niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen, om individuele behandeling overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening.
(7) Gezien het kennelijk grote aantal producenten/exporteurs in China en Hongkong werd in het bericht van inleiding vermeld dat overwogen werd om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van steekproeven voor het vaststellen van dumping. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was — en, zo ja, deze ook samen te stellen — werd alle producenten/exporteurs gevraagd zich bij de Commissie aan te melden en haar, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak (1 juli 2004 tot 30 juni 2005).
(8) Na beoordeling van de verstrekte informatie en gezien het grote aantal producenten/exporteurs in China en Hongkong dat bereid was hun medewerking te verlenen, werd besloten dat een steekproef moest worden samengesteld.
(9) De Commissie heeft alle haar bekende belanghebbenden en alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hadden aangemeld, een vragenlijst toegezonden. Er zijn antwoorden ontvangen van alle klagende producenten, één andere EG-producent, acht niet-verbonden importeurs, één distributeur en zeven kleinhandelaren (van wie één tegelijk groot- en kleinhandelaar), zes producenten/exporteurs in China, zes producenten/exporteurs in Hongkong, vier producenten/exporteurs in Maleisië, twee met Chinese producenten/exporteurs verbonden handelaren en één met een in Taiwan gevestigde Maleisische producent/exporteur verbonden handelaar, één met Hongkongse producenten/exporteurs verbonden handelaar en twaalf met in de Gemeenschap gevestigde Chinese of Maleisische producenten/exporteurs verbonden importeurs.
(10) De Commissie heeft alle informatie die zij voor een definitieve vaststelling van dumping, schade en belang van de Gemeenschap nodig achtte, ingewonnen en geverifieerd. Bij de volgende ondernemingen werd een controle ter plaatse verricht:
(10) a)
producenten in de Gemeenschap:
Computer Support Italcard s.r.l. (Milaan, Italië)
Global Digital Disk GmbH & Co KG (Dresden, Duitsland)
Manufacturing Advanced Media S.A. (Mulhouse, Frankrijk)
Sony DADC AG (Salzburg, Oostenrijk)
TDK Recording Media Europe SA (Luxemburg)
b)
producenten/exporteurs in China:
Fortune (Jiangsu) Multimedia Co., Ltd, Nantong
Prodisc Technology Inc. (Prodisc China), Ningbo
c)
producenten/exporteurs in Hongkong:
Audio Distributor’s / Artsome Ltd.
Lead Data Inc.
Mediastar Technology Ltd.
MDA Technology Ltd.
d)
producenten/exporteurs in Maleisië:
Daxon Technologies Sdn Bhd, Kuala Lumpur
Digital Data Technologies Sdn Bhd., Kuala Lumpur
Dragon Optical Media Technologies Sdn Bhd., Kuala Lumpur
Memory Tech Sdn Bhd., Kuala Lumpur
e)
verbonden handelaren:
Daxon BenQ Inc. (Taiwan)
Prodisc Technology Inc. (Taipei, Taiwan)
Artsome Investment Ltd. (Hongkong)
f)
niet-verbonden importeurs en distributeurs:
Emtec International S.p.a. (Parijs, Frankrijk)
Ingram Micro Distribution GmbH (München, Duitsland)
Intenso GmbH (Vechta, Duitsland)
Maxell Europe Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)
Philips Recordable Media (Wiesbaden, Duitsland)
Sony France S.A. (Parijs, Frankrijk)
Verbatim Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)
g)
verbonden distributeur:
SK Kassetten GmbH & Co KG (Neuenrade, Duitsland)
h)
groothandelaar/kleinhandelaar:
Metro Group Buying GmbH (Düsseldorf, Duitsland)
i)
kleinhandelaren:
Carrefour Marchandises Internationales (Parijs, Frankrijk)
El Corte Inglés S.A. (Madrid, Spanje)
FNAC S.A. (Parijs, Frankrijk)
j)
andere belanghebbenden:
Philips Intellectual Property & Standards (Eindhoven, Nederland)
(11) Aangezien de normale waarde voor producenten/exporteurs in China die niet als marktgerichte onderneming worden behandeld, op basis van de gegevens van een referentieland moest worden vastgesteld, heeft een controle plaatsgevonden bij de volgende onderneming:
Taiyo Yuden, Inc. (Takasaki, Japan)
Steekproef
(12) Voor de producenten/exporteurs in China en Hongkong heeft de Commissie overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef samengesteld op basis van het grootste representatieve exportvolume naar de Gemeenschap dat binnen de gestelde termijn redelijkerwijs konden worden onderzocht.
(13) De voor de Chinese producenten/exporteurs samengestelde steekproef bestond uit vier Chinese producenten/exporteurs die ongeveer 85 % van het exportvolume van de meewerkende partijen uit China naar de Gemeenschap vertegenwoordigen. Bovendien werden twee exporteurs op de reservelijst geplaatst.
(14) De voor de Hongkongse producenten/exporteurs samengestelde steekproef bestond eveneens uit vier bedrijven die ruim 90 % van het exportvolume van de meewerkende producenten/exporteurs uit Hongkong naar de Gemeenschap vertegenwoordigen. Bovendien werden twee bedrijven op de reservelijst geplaatst.
(15) De Commissie ontving zowel antwoorden van de voor de steekproef geselecteerde exporteurs in China en Hongkong als van de bedrijven op de reservelijst.
(16) Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd overleg gepleegd met de Chinese en Hongkongse autoriteiten, die tegen deze keuze geen bezwaar hebben gemaakt.
Onderzoektijdvak
(17) Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2004 tot 30 juni 2005 (onderzoektijdvak). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant waren voor de schadebeoordeling, had betrekking op de periode van 1 januari 2002 tot het einde van het onderzoektijdvak (de beoordelingsperiode).
Voorlopige maatregelen
(18) Aangezien bepaalde aspecten van schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap nog verder moeten worden bestudeerd, zijn er in het lopende onderzoek geen voorlopige maatregelen genomen. Alle partijen werden in kennis gesteld van de eerste bevindingen en van de feiten en overwegingen op grond waarvan werd besloten geen voorlopige maatregelen te nemen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken.
(19) Sommige belanghebbenden hebben schriftelijk opmerkingen ingediend. De belanghebbenden die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. De Commissie heeft verder alle informatie verzameld en geverifieerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.
Geldende maatregelen ten aanzien van de invoer van cd-r’s uit andere landen
(20) Op 19 juni 2002 werden definitieve antidumpingmaatregelen genomen ten aanzien van de invoer van cd-r’s uit Taiwan. Zij varieerden van 17,7 tot 38,5 %.
(21) Bovendien werd op 6 juni 2003 een definitief compenserend recht van 7,3 % ingesteld op de invoer van cd-r’s uit India.
Betrokken product en soortgelijk product Betrokken product
(22) Het betrokken product zijn opneembare compact discs (cd-r’s) uit China, Hongkong en Maleisië, die in 2005 waren ingedeeld onder GN-code ex85239000. Als gevolg van wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur en aangezien er geen cd-r’s bestaan met een opnamecapaciteit van meer dan 900 megabyte, valt het betrokken product vanaf 2006 onder GN-code ex85239010.
(23) Het betrokken product is een schijfje van policarbonaat, voorzien van een laag kleurstof, een laag reflecterend materiaal en een beschermlaag. Hoewel de opname op dergelijke schijfjes in verschillende stappen kan gebeuren, kan de opgenomen informatie niet worden gewist. Het schijfje is een optisch opslagmedium voor digitale gegevens of digitaal geluid.
(24) Cd-r’s kunnen van elkaar worden onderscheiden naar het type opgeslagen gegevens (gegevens-cd-r’s tegenover muziek-cd-r’s), de opslagcapaciteit, de reflecterende metaallaag en het al of niet bedrukt zijn. Het onderzoek heeft aangetoond dat alle typen cd-r’s dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen bezitten en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Daarom worden ze als een enkel product beschouwd.
Soortgelijk product
(25) Er zijn geen verschillen ontdekt tussen het betrokken product en de cd-r’s die in China, Hongkong, Maleisië en Japan — dat als referentieland fungeerde — worden geproduceerd en op de nationale markt verkocht enerzijds en de cd-r’s die door de bedrijfstak van de EG worden geproduceerd en binnen de Gemeenschap verkocht. Ze bleken allemaal dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen te bezitten en voor dezelfde doeleinden te worden gebruikt.
(26) De conclusie luidt dus dat alle typen cd-r’s één product vormen en als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening worden beschouwd.
DUMPING
(27) Uit het onderzoek is gebleken dat de dumpingmarge voor elk van de meewerkende producenten/exporteurs uit de betrokken landen meer dan minimaal was. Gezien de hierna geformuleerde conclusies is het echter niet nodig deze bevindingen toe te lichten.
SCHADE Communautaire productie
(28) Gelet op de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening werd de productie van de volgende EG-producenten in aanmerking genomen voor opname in de definitie van de communautaire productie bij het begin van het onderzoek:
vijf klagende EG-producenten:
CDA Datenträger Albrechts GmbH (CDA)
Computer Support Italcard s.r.l. (CSI)
Global Digital Disc GmbH & Co KG (GDD)
Manufacturing Advanced Media S.A. (MAM-E)
TDK Recording Media Europe S.A. (TDK)
twee andere EG-producenten die hun volledige medewerking hebben verleend aan het onderzoek en de procedure hebben gesteund:
BOC SA
Sony DADC Austria AG (Sony DADC)
dertien andere producenten, zoals vermeld in de klacht, aan wie vragenlijsten werden toegezonden, maar van wie niemand ze heeft beantwoord.
Uitsluiting van EG-producenten van de definitie van communautaire productie om redenen van significante import tijdens of na afloop van het onderzoektijdvak Bedrijf A
(29) Uit de antwoorden van bedrijf A op de vragenlijst is gebleken dat het bedrijf naast zijn eigen communautaire productie het betrokken product ook uit de betrokken landen had ingevoerd. Het aandeel van het ingevoerde product dat op de markt van de Gemeenschap werd verkocht, lag beduidend hoger dan de hoeveelheden van het soortgelijke product die binnen de Gemeenschap werden geproduceerd en verkocht.
(30) Vervolgens is nagegaan of, ondanks de significante omvang van de invoer, het belangencentrum van bedrijf A nog steeds binnen de Gemeenschap lag en of de invoer van dergelijke hoeveelheden al dan niet van tijdelijke aard was.
(31) De invoer van bedrijf A bleek niet tijdelijk te zijn, maar was eerder gebaseerd op een strategisch besluit om zijn producten te betrekken bij Original Design Manufacturers (ODM), dat wil zeggen ondernemingen die producten ontwerpen en vervaardigen en die dan onder andere merknamen verkopen. Er kon dus niet worden geconcludeerd dat het belangencentrum van bedrijf A voor de productie van cd-r’s nog binnen de Gemeenschap lag, aangezien het bedrijf naar verwachting aanzienlijke hoeveelheden van zijn verkoop op de EG-markt uit de betrokken landen zou blijven invoeren. Ook werd vastgesteld dat tijdens het onderzoektijdvak de verkoop van bedrijf A op de EG-markt grotendeels uit ingevoerde cd-r’s bestond. Dit maakt van bedrijf A eerder een importeur dan een producent. Bovendien zijn het hoofdkantoor van bedrijf A en zijn belangrijkste onderzoekscentrum voor cd-r’s buiten de Gemeenschap gevestigd.
(32) De conclusie was dus dat bedrijf A niet in de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap moest worden opgenomen en dat zijn productie dan ook van de definitie van de communautaire productie moest worden uitgesloten.
(33) Voorts heeft bedrijf A inmiddels zijn steun voor de klacht ingetrokken en besloten bezwaar te maken tegen de instelling van antidumpingmaatregelen bij invoer uit de betrokken landen, wat bovenstaande beoordeling bevestigt dat bedrijf A zijn belangencentrum heeft verplaatst.
Bedrijf B
(34) Uit de antwoorden van bedrijf B op de vragenlijst is gebleken dat het bedrijf naast zijn eigen communautaire productie het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak ook uit de betrokken landen had ingevoerd. In die periode is die invoer echter tot minder dan 1 % van zijn totale verkoop gedaald en werd derhalve niet-significant geacht.
(35) De Commissie heeft ook een antwoord op de vragenlijst ontvangen van een ander bedrijf (met B gelieerd bedrijf), dat dezelfde moedermaatschappij (moedermaatschappij van bedrijf B) bleek te hebben als bedrijf B. Het met B gelieerde bedrijf en bedrijf B zelf worden dus beschouwd als verbonden ondernemingen in de zin van artikel 4, lid 2, van de basisverordening.
(36) Als distributeur van de moedermaatschappij van bedrijf B, van cd-r’s voor de detailhandelsmarkt in de Gemeenschap, heeft het met B gelieerde bedrijf alle voor de detailhandel bestemde cd-r’s van bedrijf B gekocht. Voorts heeft het met B gelieerde bedrijf ook aanzienlijke hoeveelheden ingevoerd uit derde landen, waaronder de betrokken landen.
(37) Bij een vergelijking van de door het met B gelieerde bedrijf verkochte cd-r’s afkomstig uit de betrokken landen met de door bedrijf B geproduceerde cd-r’s (die vervolgens hetzij rechtstreeks door bedrijf B aan professionele gebruikers, hetzij via het met B gelieerde bedrijf werden verkocht), is gebleken dat voor de moedermaatschappij van bedrijf B het aandeel van het ingevoerde product aanmerkelijk hoger lag dan de binnen de Gemeenschap geproduceerde en verkochte hoeveelheden van het soortgelijke product.
(38) Vervolgens is nagegaan of, ondanks de significante omvang van de invoer, het belangencentrum van de moedermaatschappij van bedrijf B nog steeds binnen de Gemeenschap lag en of de invoer van dergelijke hoeveelheden al dan niet van tijdelijke aard was.
(39) Het onderzoek toont aan dat de invoer niet als tijdelijk kon worden beschouwd (de hoeveelheid zelf geproduceerde cd-r’s zou in afzienbare tijd immers niet aanzienlijk toenemen, ook niet bij een eventuele uitbreiding van de productiecapaciteit van bedrijf B). Het lag dus voor de hand dat de moedermaatschappij van bedrijf B ook een groot deel van haar verkoop op de EG-markt uit de betrokken landen zou blijven betrekken. Bovendien zijn het hoofdkantoor van de moedermaatschappij van bedrijf B en haar belangrijkste onderzoekscentrum voor cd-r’s buiten de Gemeenschap gevestigd. Er kon dus niet worden geconcludeerd dat het belangencentrum van de moedermaatschappij van bedrijf B voor de productie van cd-r’s binnen de Gemeenschap ligt.
(40) De conclusie was dus dat bedrijf B niet in de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap moest worden opgenomen en dat zijn productie dan ook van de definitie van de communautaire productie moest worden uitgesloten.
Bedrijf C
(41) De Commissie ontving een ingevulde vragenlijst van EG-producent/bedrijf C en ook van een met C gelieerd bedrijf, een distributeur van cd-r’s in Duitsland. Daaruit bleek dat bedrijf C en het met C gelieerde bedrijf verbonden ondernemingen zijn in de zin van artikel 4, lid 2, van de basisverordening, omdat ze dezelfde eigenaar hebben.
(42) Tijdens het onderzoektijdvak heeft het met C gelieerde bedrijf cd-r’s gedistribueerd die door bedrijf C waren geproduceerd. Uit extra informatie die bij alle EG-producenten voor de periode juli 2005-februari 2006 is ingewonnen, is echter gebleken dat het met C gelieerde bedrijf na afloop van het onderzoektijdvak, d.w.z. sinds juli 2005, aanzienlijke hoeveelheden cd-r’s (ongeveer evenveel als de productie van bedrijf C in het onderzoektijdvak) is begonnen te invoeren uit derde landen, waaronder de betrokken landen.
(43) Om na te gaan of deze invoer tijdelijk was, deed de Commissie een extra verzoek om nadere informatie, ditmaal voor de periode maart 2006-mei 2006. Hieruit bleek dat nog steeds grote hoeveelheden werden ingevoerd, zodat moest worden geconcludeerd dat die invoer niet tijdelijk was, maar eerder een strategische beslissing om een groot deel van de toekomstige verkoop uit invoer te betrekken.
(44) Volgens de hierboven beschreven en op de bedrijven A en B toegepaste principes en gezien het feit dat het met C gelieerde bedrijf en het bedrijf C zelf in de toekomst tegen de effecten van invoer met dumping zullen worden beschermd, werd geconcludeerd dat bedrijf C niet in de definitie van de communautaire productie moest worden opgenomen.
Uitsluiting van EG-producenten van de definitie van communautaire productie om redenen van stopzetting van de productie tijdens of na afloop van het onderzoektijdvak Bedrijf D
(45) Na afloop van het onderzoektijdvak heeft de klagende EG-producent/bedrijf D een liquidatieprocedure ingeleid. Diverse belanghebbenden waren van oordeel dat, volgens de in de Gemeenschap gangbare praktijken, bedrijf D van de definitie van de communautaire productie moest worden uitgesloten.
(46) In januari 2006 maakte de liquidateur zijn voornemen bekend om alle activa van bedrijf D en dus ook al zijn productielijnen te verkopen. De klager deelde de Commissie vervolgens mee dat een dochteronderneming van bedrijf D, de klagende EG-producent/bedrijf E, de productielijnen van zijn moedermaatschappij zou kopen, opnieuw installeren en gebruiken voor de continue productie van cd-r’s bij bedrijf E. Daartoe zou bedrijf E worden geherkapitaliseerd en aan een externe derde verkocht.
(47) Bij de opstelling van het tussentijdse verslag kon dus niet worden geconcludeerd dat bedrijf D van de definitie van de communautaire productie moest worden uitgesloten, aangezien de productielijnen naar verwachting opnieuw zouden worden geïnstalleerd en gebruikt bij zijn EG-dochteronderneming, bedrijf E.
(48) Op grond van de nadere informatie die bij de EG-producenten voor de periode juli 2005-mei 2006 (d.i. na afloop van het onderzoektijdvak) was ingewonnen, is echter gebleken dat de productielijnen niet opnieuw waren geïnstalleerd, aangezien de productie en de capaciteit ongeveer dezelfde waren als vóór de aankoop van de productielijnen. Voorts is aan de diensten van de Commissie geen geldig bedrijfsplan overgelegd waaruit bleek dat de productielijnen van bedrijf D bij bedrijf E werden geïnstalleerd.
(49) In de Gemeenschap is het gebruikelijk dat producenten die tijdens of na afloop van het onderzoektijdvak hun productie definitief stopzetten, niet worden opgenomen in de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4 van de basisverordening. Bijgevolg moet de productie van bedrijf D worden uitgesloten van de definitie van de communautaire productie, aangezien zijn productielijnen na afloop van het onderzoektijdvak definitief werden gesloten en er geen bewijzen zijn dat deze productielijnen opnieuw worden gebruikt.
CDA & BOC SA
(50) Na de publicatie van het bericht van inleiding hebben twee andere bedrijven, CDA en BOC SA, de Commissie meegedeeld dat zij hun productie binnen de Gemeenschap voor afzienbare tijd hadden stopgezet.
(51) Bijgevolg werden CDA en BOC SA uitgesloten van de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap en werd hun productie uitgesloten van de definitie van de communautaire productie.
Andere EG-producenten
(52) De klager had een lijst van 13 andere producenten in de Gemeenschap verstrekt. Behalve BOC SA heeft geen van deze producenten aan het onderzoek meegewerkt. Niettemin moeten zij voor de definitie van de communautaire productie in aanmerking worden genomen.
(53) Op grond van de informatie in de klacht is de productie van deze bedrijven op circa 264 miljoen stuks geraamd (voor het kalenderjaar 2004).
(54) Recente informatie van de klager doet vermoeden dat ten minste vier van die andere EG-producenten hun productie tijdens of na afloop van het onderzoektijdvak hebben stopgezet.
(55) Zoals eerder vermeld, mogen producenten die hun productie tijdens of na afloop van het onderzoektijdvak definitief hebben stopgezet, niet in de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap worden opgenomen. Bijgevolg moet ook de productie van deze vier bedrijven van de definitie van de communautaire productie worden uitgesloten.
(56) Ten slotte is de communautaire productie van cd-r’s in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening gedefinieerd als
de cd-r’s die door de in overweging 28 vermelde oorspronkelijke 20 bedrijven zijn geproduceerd, min
de cd-r’s die zijn geproduceerd door de drie bedrijven die volgens de overwegingen 29 tot en met 44 om redenen van invoer zijn uitgesloten; en
de output van de drie meewerkende ondernemingen die volgens de overwegingen 45 tot en met 51 zijn uitgesloten omdat ze hun productie binnen de Gemeenschap hebben stopgezet;
de output van de vier niet-meewerkende ondernemingen die volgens de overwegingen 52 tot en met 55 zijn uitgesloten omdat ze hun productie binnen de Gemeenschap hebben gestaakt.
(57) De totale productie van de resterende 10 producenten, die de communautaire productie vormt in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening, is tijdens het onderzoektijdvak op 168 miljoen stuks geraamd.
Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap
(58) Uit overweging 57 volgt dat de communautaire productie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening werd gevormd door de 10 producenten van wie de gezamenlijke productie op 168 miljoen stuks werd geraamd.
(59) Voorts volgt uit overweging 28 en volgende dat de enige EG-producent die met de Commissie aan het onderzoek heeft meegewerkt, Manufacturing Advanced Media (MAM-E) was.
(60) De totale productie van dit bedrijf beliep meer dan 50 % van de communautaire productie. Dit bedrijf kan derhalve niet worden geacht de bedrijfstak van de EU te vormen in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening.
Verbruik in de Gemeenschap Voorafgaande opmerkingen Invoergegevens
(61) Statistieken over de invoer van cd-r’s zijn bij Eurostat ingedeeld onder GN-code 85239000. Onder dezelfde GN-code vallen echter ook andere opneembare media zoals dvd-r’s, cd-roms enz. Bovendien wordt de invoer onder GN-code 85239000 geregistreerd in kilo’s, terwijl de productie en verkoop van cd-r’s door alle betrokken partijen in aantal stuks worden geregistreerd. Zonder verdere uitsplitsing van de cijfers zijn de desbetreffende statistieken van Eurostat dus geen betrouwbare gegevensbron.
(62) Bijgevolg werden de statistieken volgens een door de klager voorgestelde methode verder uitgesplitst en gestaafd met tijdens het onderzoek verkregen cijfers (gegevens van exporteurs en uit andere bronnen om zo volledig en nauwkeurig mogelijke cijfers te verkrijgen).
Gegevens over de communautaire productie
(63) De gegevens over de communautaire productie komen uit de geverifieerde vragenlijsten van de enige meewerkende EG-producent die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormt. Meer informatie over de communautaire productie kwam uit de beantwoorde vragenlijsten van de bedrijven die van de definitie van de communautaire productie werden uitgesloten, en ook uit gegevens in de klacht.
Verbruik
(64) Het verbruik in de Gemeenschap werd dus vastgesteld aan de hand van:
de totale invoer van het betrokken product in de Gemeenschap volgens Eurostat, omgezet in aantal stuks;
de totale gecontroleerde verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap;
de totale verkoop in de Gemeenschap door de andere meewerkende EG-producenten;
de totale geraamde verkoop in de Gemeenschap door de andere actieve EG-producenten.
(65) Op basis hiervan ziet het verbruik in de Gemeenschap er als volgt uit: Verbruik 2002 2003 2004 Onderzoektijdvak Miljoen stuks 3580 3738 3527 3488 Index: (2002 = 100) 100 104 99 97
(66) In de desbetreffende periode is het verbruik in de Gemeenschap met 3 % gedaald. Het bereikte een hoogtepunt in 2003. Sindsdien is het met 7 procentpunten gedaald.
Invoer uit de betrokken landen Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer met dumping uit de betrokken landen
(67) De Commissie ging na of de gevolgen van de invoer met dumping uit de betrokken landen cumulatief moesten worden beoordeeld aan de hand van de criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening. Krachtens dit artikel moeten de gevolgen van de invoer uit twee of meer landen waarnaar tegelijkertijd antidumpingonderzoek wordt verricht, cumulatief worden beoordeeld wanneer vaststaat dat:
de dumpingmarge bij de invoer uit elk land meer dan minimaal is in de zin van artikel 9, lid 3, van de basisverordening;
het volume van de invoer uit elk betrokken land niet verwaarloosbaar klein is;
een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer in het licht van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde producten onderling en die tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke product uit de Gemeenschap, aangewezen is.
(68) In eerste instantie bleken de dumpingmarges voor elk betrokken land meer dan minimaal te zijn. Ten tweede wees het onderzoek uit dat de concurrentievoorwaarden tussen het betrokken product en het in de Gemeenschap verkochte soortgelijke product ongeveer dezelfde waren aangezien de uit de betrokken landen ingevoerde cd-r’s in alle opzichten gelijk waren, ze onderling verwisselbaar zijn en ze in de Gemeenschap via vergelijkbare verkoopkanalen en onder soortgelijke voorwaarden in de handel worden gebracht, zodat ze onderling en met de in de Gemeenschap geproduceerde cd-r’s kunnen concurreren. Het volume van de invoer uit elk betrokken land bleek ook boven de in artikel 5, lid 7, van de basisverordening vastgestelde drempel (marktaandeel van 1 %) te liggen. De prijzen bij invoer van het betrokken product uit alle betrokken landen hadden tijdens de hele periode in kwestie dezelfde dalende tendens gevolgd. Bovendien waren de gebruikers (distributeurs en detailhandelaren) dezelfde. De conclusie was dus dat een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer aangewezen was in de zin van artikel 3, lid 4, van de basisverordening.
Omvang van de invoer uit en marktaandeel van de betrokken landen
(69) Volgens de statistieken van Eurostat heeft de omvang van de invoer zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Miljoen stuks 2002 2003 2004 Onderzoektijdvak Hongkong 146 250 262 274 Index: (2002 = 100) 100 171 179 188 Marktaandeel 4 % 7 % 7 % 8 % China 480 930 1077 1128 Index: (2002 = 100) 100 194 224 235 Marktaandeel 13 % 25 % 30 % 32 % Maleisië 148 324 312 277 Index: (2002 = 100) 100 219 210 188 Marktaandeel 4 % 8 % 9 % 8 % Betrokken landen 774 1504 1651 1679 Index: (2002 = 100) 100 194 213 217 Marktaandeel 21 % 40 % 46 % 48 %
(70) De invoer uit de betrokken landen en hun marktaandeel zijn in de beoordelingsperiode alsmaar gestegen. Van 21 % in het eerste jaar van de betrokken periode is het marktaandeel tijdens het onderzoektijdvak meer dan verdubbeld tot 48 %.
Gemiddelde prijzen en gemiddeld onderbiedingsniveau bij invoer uit de betrokken landen
(71) De gemiddelde prijzen en het gemiddelde niveau van onderbieding van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak werden dus berekend aan de hand van de door de meewerkende exporteurs verstrekte informatie. Gemiddeld onderbiedingsniveau Hongkong 69,7 % China 43,9 % Maleisië 0 %
(72) Hieruit werd geconcludeerd dat de invoer uit Hongkong en China de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met respectievelijk 69,7 % en 43,9 % onderbood, terwijl voor Maleisië geen onderbieding werd geconstateerd.
Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap
(73) Het onderzoek bevestigde het bestaan van aanmerkelijke schade voor de enige EG-producent die de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vormde. Gezien de hierna geformuleerde conclusies is het echter niet nodig deze bevindingen toe te lichten.
OORZAKELIJK VERBAND Voorafgaande opmerkingen
(74) Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening werd nagegaan of de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de EG had geleden, door de invoer met dumping uit de betrokken landen was veroorzaakt. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie tevens onderzocht of er andere factoren waren waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap mogelijk schade had geleden, om te voorkomen dat door deze factoren veroorzaakte schade ten onrechte aan de invoer met dumping werd toegeschreven.
Gevolgen van de invoer met dumping uit de betrokken landen
(75) Uit overweging 69 volgt dat het volume van de invoer uit China, Maleisië en Hongkong in de beoordelingsperiode met 117 % is gestegen, wat een verhoging van het marktaandeel van 21 % in 2002 tot 48 % tijdens het onderzoektijdvak vertegenwoordigt.
(76) In overweging 72 werd vastgesteld dat de invoer uit China en Hongkong de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met respectievelijk 43,9 en 69,7 % heeft onderboden, terwijl voor Maleisië geen onderbieding is geconstateerd.
(77) Voorts werd in overweging 73 geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden en dat die schadeveroorzakende situatie zich blijkbaar op hetzelfde ogenblik heeft voorgedaan als de toename van de invoer met dumping uit de betrokken landen.
(78) Aangezien de toename van de invoer tegen dumpingprijzen en de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap gelijktijdig waren, kan worden geconcludeerd dat de invoer met dumping directe gevolgen heeft gehad voor deze situatie.
Gevolgen van andere factoren Invoer uit andere derde landen
(79) Beweerd werd dat een deel van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, is veroorzaakt door invoer uit andere derde landen. Ingevolge deze bewering heeft Eurostat met behulp van de in overweging 62 bedoelde uitsplitsingsmethode de volgende cijfers verstrekt over de totale omvang van de invoer uit andere derde landen: Miljoen stuks 2002 2003 2004 Onderzoektijdvak Derde land: India 712 1143 1207 1124 Index: (2002 = 100) 100 160 169 158 Marktaandeel 20 % 31 % 34 % 32 % Derde land: Taiwan 1206 163 89 53 Index: (2002 = 100) 100 13 7 4 Marktaandeel 33 % 4 % 2 % 1 % Andere derde landen 514 423 39 129 Index: (2002 = 100) 100 82 7 25 Marktaandeel 14 % 11 % 1 % 4 % Totaal derde landen 2432 1729 1335 1306 Index: (2002 = 100) 100 71 55 54 Marktaandeel 67 % 46 % 37 % 37 %
(80) Hieruit blijkt dat de totale omvang van de invoer uit andere derde landen van 67 % naar 37 % van het verbruik in de Gemeenschap of met 30 procentpunten is gedaald. In de verschillende exporterende derde landen zijn echter uiteenlopende ontwikkelingen geconstateerd. Dit was de reden voor een nadere individuele analyse van de grootste van die landen, namelijk Taiwan en India.
(81) In dit verband werden ook de invoerstatistieken voor Taiwan en India getoetst aan informatie afkomstig van meewerkende importeurs.
Taiwan
(82) Na de instelling van de antidumpingmaatregelen is de invoer uit Taiwan bijna van de EG-markt verdwenen. Gegevens in de klacht doen vermoeden dat de Taiwanese producenten/exporteurs na de instelling van deze maatregelen in december 2001 enkele van hun productielijnen hebben verplaatst naar andere landen, waaronder China.
(83) Dit kan een verklaring zijn voor de daling van de omvang van de invoer uit Taiwan en de daarmee gepaard gaande stijging van de omvang van de invoer uit China.
India
(84) Er zij aan herinnerd dat een antidumpingonderzoek naar de invoer van cd-r’s uit India in mei 2003 is beëindigd omdat er geen dumping was. Ook werd na een antidumpingonderzoek een compenserend recht van 7,3 % ingesteld op de invoer van cd-r’s uit India.
(85) Niettemin is de invoer uit India tussen 2002 en 2004 aanzienlijk gestegen, waardoor zijn marktaandeel van 20 % tot 34 % is gegroeid. Tijdens het onderzoektijdvak is het marktaandeel lichtjes gedaald. Toch speelt de invoer uit India nog steeds een belangrijke rol op de cd-r-markt van de Gemeenschap.
(86) Volgens de gegevens die door meewerkende importeurs zijn verstrekt, bedraagt de gemiddelde invoerprijs uit India ongeveer 12,7 euro per stuk (DDP — geleverd, rechten betaald). Als we deze prijs van de Indiase invoer vergelijken met de prijs waarvoor dezelfde samenwerkende importeurs het betrokken product uit China hebben gekocht, blijkt dat de invoer uit India en die uit China op hetzelfde prijsniveau lagen. Bijgevolg heeft de invoer uit India de bedrijfstak van de Gemeenschap met hetzelfde percentage onderboden als die uit China (43,9 %). Dus kan niet worden uitgesloten dat de invoer uit India aan de moeilijke financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft bijgedragen.
Daling van het totale verbruik
(87) Uit overweging 66 volgt dat het verbruik van cd-r’s sinds 2003 met 7 % is gedaald. Er is nagegaan of deze daling misschien een reden is geweest voor de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Daartoe is een vergelijking gemaakt tussen de ontwikkeling van de verkoop op de EG-markt door de bedrijfstak van de Gemeenschap en de algemene ontwikkeling van het verbruik in de Gemeenschap.
(88) De negatieve ontwikkeling van de EG-verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap bleek inderdaad verband te houden met de algemene daling van het verbruik. De conclusie is dus dat de algemene daling van het verbruik bijgedragen heeft aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.
Speciale heffingen
(89) In veel lidstaten wordt de verkoop van cd-r’s (en ook van andere opneembare media) belast met een speciale heffing die bij aankoop in de detailhandel al in de prijs is inbegrepen. Er wordt beweerd dat deze speciale heffing heeft bijgedragen aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Deze speciale heffing wordt echter op de verkoop van zowel ingevoerde als in de Gemeenschap geproduceerde cd-r’s toegepast, zodat er geen sprake is van ongelijke behandeling.
(90) Het niveau van deze speciale heffing verschilt echter aanzienlijk tussen de lidstaten, namelijk van geen heffing in landen zoals het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg, tot € 0,52/stuk in Frankrijk en € 0,29/stuk in Italië. Dit moet worden gesteld tegenover de gemiddelde invoerprijs (DDP — geleverd, rechten betaald) van € 0,12/stuk bij invoer uit zowel India als China in de beoordelingsperiode. Gezien het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten heeft dit naar verluidt geleid tot een significante handelsverlegging ten nadele van de detailhandelaren in lidstaten met een hoge heffing. Volgens de verkoopstatistieken van de EG-producenten bevestigt de verkoop van cd-r’s immers het feit dat de verkoop aan detailhandelaren/e-shops in lidstaten met een lage heffing significant is en blijkbaar een aanzienlijke grensoverschrijdende handel impliceert.
(91) Aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap gevestigd is in de lidstaten met de hoogste heffing, wordt door sommige belanghebbenden beweerd dat de door die bedrijfstak geleden schade is veroorzaakt door de negatieve gevolgen van die heffing voor het verbruik, in de veronderstelling dat de bedrijfstak van de Gemeenschap dat verlies niet met hogere verkoopcijfers in andere lidstaten heeft kunnen compenseren.
(92) In maart 2005 betwistte namelijk een van de klagende EG-producenten, die later van de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap werd uitgesloten, de wettigheid van die heffingen zelf en hij beweerde dat de heffing de verkoopprijs had doen instorten. Dit bevestigt dus dat de heffingen wel degelijk effect hebben gehad op de verkoop van de EG-producenten.
(93) Uit overweging 65 volgt dat het verbruik van cd-r’s in de betrokken periode in de Gemeenschap met 3 % is gedaald. Tegelijkertijd zij eraan herinnerd dat volgens overweging 88 de negatieve ontwikkeling van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap samenvalt met de algemene negatieve ontwikkeling van het verbruik in de Gemeenschap. Hoewel dus niet kan worden bevestigd dat de speciale heffing specifieke en meetbare gevolgen heeft gehad voor de totale verkoop van de Gemeenschap (d.w.z. naast de gevolgen ervan voor de algemene ontwikkeling van het verbruik in de Gemeenschap), kan niet worden uitgesloten dat zij een negatief effect heeft gehad op het verbruik, vooral dan in die lidstaten waar ze een belangrijk deel van de detailhandelsprijs uitmaakt.
Royalty’s
(94) Beweerd wordt dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade te wijten is aan de royalty’s die per geproduceerde eenheid verschuldigd zijn aan de licentiehouder, Royal Philips Electronics Corporation, en resulteren in een kostenverhoging waarmee de ingevoerde producten blijkbaar niet worden belast en die niet aan de klanten kunnen worden doorberekend.
(95) De techniek voor de productie van cd-r’s is gepatenteerd. De patenthouders zijn Sony Corporation, Taiyo Yuden en Royal Philips Electronics Corporations. Laatstgenoemde is door de twee andere ondernemingen gemachtigd om licenties te verlenen (CD-R Disc Patent License Agreement (Joint)) en de krachtens licentieovereenkomsten verschuldigde royalty’s te innen. De royalty’s zouden gemiddeld ongeveer € 0,05 ($ 0,06) per geproduceerd stuk bedragen.
(96) De kosten van de royalty’s zijn dus inderdaad significant in vergelijking met de gemiddelde verkoopprijs tijdens het onderzoektijdvak, namelijk 30 %.
(97) Het onderzoek heeft echter uitgewezen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, ondanks de licentieovereenkomst met Philips, blijkbaar geweigerd had Philips het in die overeenkomst vastgestelde royaltytarief te betalen. De bedrijfstak van de Gemeenschap was lid van de Federation of Interested Parties in Fair Competition in the Optical Media sector (FIPCOM), die in februari 2006 met Royal Philips Electronics Corporations is overeengekomen een nieuw en lager royaltytarief te betalen. Tot dusver (mei 2006) heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap de verschuldigde royalty’s echter nog niet betaald.
(98) Ten slotte is gebleken dat, had de bedrijfstak van de Gemeenschap de krachtens de licentieovereenkomst verschuldigde royalty’s betaald, dit hoogstwaarschijnlijk aan de negatieve financiële prestaties had kunnen bijdragen, in de veronderstelling dat hij deze niet aan de klanten had kunnen doorberekenen. Maar aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap die royalty’s blijkbaar niet heeft betaald, kunnen ze ook geen rol hebben gespeeld in de schade die de bedrijfstak heeft geleden.
Conclusie over het oorzakelijk verband
(99) Hierboven is vastgesteld dat er een verband bestaat tussen de invoer met dumping en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Ook is geconcludeerd dat die schade in aanzienlijke mate kan worden toegeschreven aan de invoer uit andere derde landen (met name uit India) en aan de algemene daling van het verbruik in de EG.
(100) Deze redenen kunnen het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade blijkbaar niet verbreken, maar hebben in aanzienlijke mate aan die schade bijgedragen en zo dat oorzakelijk verband ernstig afgezwakt.
BELANG VAN DE GEMEENSCHAP
(101) Voorts is onderzocht of er dwingende redenen zijn die tot de conclusie leiden dat het niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn antidumpingmaatregelen te nemen voor de invoer uit de betrokken landen. Hiertoe werd overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening het belang van de Gemeenschap beoordeeld aan de hand van een afweging van de belangen van alle betrokkenen, dat wil zeggen de bedrijfstak van de Gemeenschap, de importeurs/handelaren, de distributeurs, de detailhandelaren en de eindverbruikers (zowel verenigingen als consumenten).
(102) De Commissie heeft contact opgenomen met een aanzienlijk aantal belanghebbenden om hun standpunt te kennen. Behalve de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ook vertegenwoordigers van alle belangrijke handelsmerken zoals Verbatim, Maxell, Philips, TDK en Sony, alsook enkele representatieve detailhandelaren zoals Carrefour, Tesco, Metro-Group, met inbegrip van Media-Saturn, Fnac en El Corte Inglés gehoord. Alle importeurs, distributeurs, groot- en detailhandelaren waren tegen maatregelen gekant.
(103) Na de instelling van antidumpingmaatregelen op de invoer van cd-r’s uit Taiwan (en van compenserende rechten op de invoer van cd-r’s uit India) had de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn samenstelling bij deze procedure een marktaandeel van 2 %. Gezien dit kleine marktaandeel wordt ervan uitgegaan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, ook al werden maatregelen genomen, zijn prijzen naar alle waarschijnlijkheid niet voldoende zou kunnen verhogen.
(104) De klager beweerde dat de negatieve vooruitzichten voor de bedrijfstak van de Gemeenschap in de vorige overweging niet coherent waren met de argumentering in Verordening (EG) nr. 1050/2002 van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingmaatregelen op de invoer van cd-r’s uit Taiwan.
(105) Vergeleken met de situatie in 2000 (het onderzoektijdvak voor het antidumpingonderzoek dat heeft geleid tot Verordening (EG) nr. 1050/2002 van de Raad), zijn er twee grote verschillen:
terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap (bestaande uit 9 bedrijven) bij het vorige onderzoek 12,6 % bedroeg, was het bij dit onderzoek (maar een enkel bedrijf) slechts 2 %. Aangezien het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap maar een zesde bedraagt van dat in 2000 en de bedrijfstak (na uitsluiting van een aantal EG-producenten die blijkbaar zelf hebben ingevoerd) maar één bedrijf omvat, is de negatievere beoordeling van de vooruitzichten voor de bedrijfstak bij dit onderzoek volkomen logisch;
in de loop van het onderzoektijdvak wordt het betrokken product geacht een volwassen product te zijn geworden en geldt het in de detailhandel als basisproduct. Dit wordt bevestigd door de distributeurs en detailhandelaren die aan het onderzoek hebben meegewerkt. Volgens overweging 65 is het verbruik van cd-r’s sinds 2003 met 7 procentpunten gedaald, aangezien alternatieve opslagmogelijkheden (harde schijven, USB-sticks, MP3-spelers enz.) toegankelijker en aantrekkelijker zijn geworden voor de eindverbruikers. De technologische ontwikkeling op de markt van de opslagmedia is duidelijk snel en de nieuwe opslagmedia bieden, in vergelijking met cd-r’s, het voordeel dat ze een grotere opslagcapaciteit hebben en, zoals in het geval van flashgeheugensticks, ook kleiner zijn.
(106) Gezien de in de vorige overweging beschreven gewijzigde omstandigheden wordt het volkomen coherent geacht met de basisverordening dat de vooruitzichten voor de bedrijfstak van de Gemeenschap bij dit onderzoek anders worden beoordeeld dan bij de argumentering in Verordening (EG) nr. 1050/2002 van de Raad.
(107) De klager voerde ook aan dat sommige van de niet-meewerkende producenten die hun productie tijdens of na afloop van het onderzoektijdvak hebben gestaakt, hun productie zouden kunnen hervatten als er maatregelen werden genomen. Aangezien echter geen direct door deze niet-meewerkende producenten verstrekte informatie beschikbaar is, noch ander bewijsmateriaal tot staving van deze bewering, moet dit argument worden verworpen. Voorts wordt opgemerkt dat, ook al zouden deze ondernemingen hun productie hervatten, deze naar alle waarschijnlijkheid niet heel veel zou voorstellen in vergelijking met de uit de betrokken landen ingevoerde hoeveelheden.
(108) Een aantal belanghebbenden heeft ook aangevoerd dat, mochten maatregelen worden genomen, de daaruit voortvloeiende kostenstijging zou moeten worden gedragen door een of meer niveaus in de distributieketen (waardoor hun respectieve winstmarges aanzienlijk kleiner zouden worden), of aan de consumenten zou moeten worden doorberekend (wat misschien zelfs een nadelige invloed op het algemene verbruik van cd-r’s zou hebben), of over beide zou moeten worden verdeeld.
(109) De vermoedelijke reactie van importeurs, distributeurs of detailhandelaren op de kostenstijging na het instellen van maatregelen zou afhangen van de situatie in elke lidstaat. In sommige lidstaten staat de vraag naar cd-r’s immers reeds onder druk door speciale heffingen op opneembare media (een belasting die de detailhandelsprijs voor de consument aanzienlijk verhoogt). In dit geval zouden de consumenten van cd-r’s misschien niet bereid zijn om meer te betalen na het instellen van antidumpingrechten, daar de detailhandelsprijs reeds als hoog wordt gepercipieerd. De volledige kosten van maatregelen zouden dan ook naar alle waarschijnlijkheid moeten worden gedragen door de distributieketen om te voorkomen dat de consumenten steeds meer gaan overschakelen op andere opslagmedia zoals harde schijven en flashgeheugensticks. In deze landen zou de winstmarge van de importeurs/groothandelaren, die op ongeveer 4 % kan worden geraamd, door het instellen van antidumpingrechten nog aanzienlijk worden verkleind.
(110) In de lidstaten met de laagste (of helemaal geen) speciale heffingen is daarentegen de kans groter dat de kostenstijging voor een aanzienlijk deel aan de consumenten zal worden doorberekend. Het relatieve effect van antidumpingmaatregelen zou daar dan ook het grootst zijn, aangezien de prijsstijging relatief hoger zou zijn. Als gevolg daarvan kan het verbruik nog verder dalen, omdat de consumenten ertoe zouden worden aangezet op vervangingsproducten over te schakelen.
(111) Uit het bovenstaande volgt dat de prijsstrategie van importeurs, distributeurs en detailhandelaren zal variëren naar gelang van de situatie in elke lidstaat. Niettemin is het duidelijk dat zij allemaal te lijden zullen hebben onder het instellen van antidumpingmaatregelen, hetzij door lagere winstmarges, hetzij door een kleinere omzet. Zo ook zullen de consumenten, voor zover de kostenstijging van antidumpingmaatregelen aan hen wordt doorberekend, nadeel ondervinden.
(112) Ook is aangevoerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap het resultaat is van misbruik door bepaalde producenten/exporteurs met een machtspositie. Dat misbruik zou erin bestaan systematisch te werken met prijzen onder de kostprijs, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap geen marktaanwezigheid van betekenis kon opbouwen.
(113) Ten eerste zij erop gewezen dat een overeenkomstig besluit of onderzoek betreffende misbruik van machtspositie op grond van de EG-mededingingsregels niet bestaat en de klager evenmin melding heeft gemaakt van een besluit dienaangaande op grond van nationale mededingingsregels. Ten tweede is uit het onderzoek gebleken dat in Europa en daarbuiten een groot aantal spelers actief zijn op de productmarkt in kwestie. In het kader van dit onderzoek is niet aangetoond dat een van de marktdeelnemers, alleen of gezamenlijk met anderen, een voldoende groot marktaandeel in handen heeft om van een machtspositie te kunnen spreken. Evenmin is aangetoond dat een van de ondernemingen economisch gezien zo sterk is dat daadwerkelijke mededinging wordt verhinderd.
(114) Ten derde zijn bij de betrokken exporteurs geen significante verliezen aangetoond die erop zouden wijzen dat zij systematisch met prijzen onder de kostprijs hebben gewerkt. Daarom moet het argument worden afgewezen.
(115) Bovendien moet, hoewel artikel 21 van de basisverordening bepaalt dat in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan de noodzaak de handel verstorende gevolgen van schade veroorzakende dumping weg te nemen en een daadwerkelijke mededinging te herstellen, deze bepaling worden gezien in het algemene kader van het onderzoek naar het belang van de Gemeenschap, zoals bedoeld in het bovenvermelde artikel. Dit betekent dat de effecten van het al of niet instellen van maatregelen voor alle betrokken partijen moeten worden onderzocht en tegen elkaar afgewogen. In dit opzicht wordt opgemerkt dat nog een aantal andere exporteurs en producenten meeconcurreren op de wereldmarkt en in zekere mate ook op de markt van de Gemeenschap. Zelfs op middellange termijn is het onwaarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap ten volle profijt zou trekken van eventuele maatregelen, daar te verwachten is dat andere derde landen hun aandeel op de markt van de Gemeenschap fors zouden vergroten.
Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap
(116) Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het instellen van maatregelen enerzijds aanzienlijke negatieve gevolgen zou hebben voor importeurs, distributeurs, detailhandelaren en consumenten van het betrokken product en anderzijds de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk geen voordelen van betekenis zou opleveren. Derhalve wordt het instellen van maatregelen als onevenredig en strijdig met het belang van de Gemeenschap beschouwd.
BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE
(117) Gezien de conclusies inzake het belang van de Gemeenschap moet de procedure betreffende de invoer van cd-r’s uit de betrokken landen worden beëindigd.
(118) De klager en alle andere belanghebbenden werden in kennis gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was deze procedure te beëindigen. Vervolgens heeft de klager zijn mening te kennen gegeven, maar deze was niet van die aard dat ze tot herziening van de bovenvermelde conclusies noopte.
BESLUIT:
Artikel 1
De antidumpingprocedure betreffende de invoer van opneembare cd-r’s uit de Volksrepubliek China, Hongkong en Maleisië die onder GN-code ex85239010 (GN-code sinds 1 januari 2006) vallen, wordt beëindigd.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 3 november 2006. Voor de Commissie Peter Mandelson Lid van de Commissie