Uitvoeringsverordening (EU) nr. 861/2013 van de Raad van 2 september 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2013/861@2013-09-02/nl
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (de basisverordening), en met name artikel 15,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie (de Commissie), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt: PROCEDURE Voorlopige maatregelen
(1) De Commissie heeft bij Verordening (EU) nr. 419/2013 (de voorlopige verordening) een voorlopig compenserend recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India ingesteld.
(2) Het onderzoek werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 28 juni 2012 was ingediend door de Europese Vereniging van IJzer- en Staalproducerende Industrieën (European Confederation of Iron and Steel Industries — Eurofer) (de klager) namens producenten die meer dan 50 % van de totale productie van bepaalde draad van roestvrij staal in de Unie voor hun rekening nemen.
(3) Naar aanleiding van het parallelle antidumpingonderzoek, heeft de Commissie bij Verordening (EU) nr. 418/2013 een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India ingesteld.
Bij het onderzoek betrokken partijen
(4) In de voorlopige fase van het onderzoek was het oorspronkelijk de bedoeling om zowel voor de producenten-exporteurs in India en de producenten in de Unie als voor de niet-verbonden importeurs gebruik te maken van een steekproef. Omdat twee van de voor de steekproef geselecteerde importeurs echter geen ingevulde vragenlijst terugstuurden, was dat voor de importeurs echter niet mogelijk. Voor de definitieve bevindingen, met name die welke op het belang van de Unie betrekking hebben, werd gebruikgemaakt van alle van medewerkende importeurs ontvangen informatie.
(5) Zeven niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India verzochten om een individueel onderzoek. Twee van hen vulden de vragenlijst in. De overige vijf deden dat niet. Van de twee die de vragenlijst invulden, trok één het verzoek om een individueel onderzoek later weer in. Bijgevolg heeft de Commissie het verzoek onderzocht van één van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India:
KEI Industries Limited, New Delhi (KEI).
(6) Afgezien van het bovenstaande worden de overwegingen 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 14 van de voorlopige verordening bevestigd.
Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
(7) Zoals in overweging 20 van de voorlopige verordening wordt uiteengezet, had het onderzoek naar subsidiëring en schade betrekking op de periode van 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012 (het onderzoektijdvak of OT). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2012 (de beoordelingsperiode).
Vervolg van de procedure
(8) Na mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd besloten voorlopige compenserende maatregelen in te stellen (mededeling van de voorlopige bevindingen) hebben verscheidene belanghebbenden opmerkingen gemaakt, namelijk: twee producenten-exporteurs, de klager en elf gebruikers. De partijen die hierom verzochten, werden gehoord. De Commissie ging vervolgens door met het verzamelen van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en, waar nodig, in aanmerking genomen.
(9) De Commissie stelde de belanghebbenden in kennis van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India alsmede de definitieve inning van de bedragen die voor het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, aan te bevelen (mededeling van de definitieve bevindingen). De belanghebbenden konden binnen een bepaalde termijn ook opmerkingen maken over deze mededeling van de definitieve bevindingen. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en in aanmerking genomen indien zij gegrond werden geacht.
BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
(10) Zoals opgemerkt in overweging 21 van de voorlopige verordening wordt het betrokken product omschreven als draad van roestvrij staal bevattende: momenteel ingedeeld onder de GN-codes 72230019 en 72230099 en van oorsprong uit India.
(10) i)
2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat,
ii)
minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat,
(11) Sommige gebruikers uitten hun zorgen over het kennelijke gebrek aan onderscheid tussen de verschillende soorten van het betrokken product en het soortgelijk product, omdat binnen alle productsoorten een breed productassortiment bestaat. Men toonde zich met name bezorgd over de vraag hoe in het onderzoek een eerlijke vergelijking van alle productsoorten kon worden verzekerd. Zoals voor de meeste onderzoeken het geval is, geldt ook voor dit onderzoek dat de omschrijving van het betrokken product een grote verscheidenheid aan productsoorten bestrijkt die allemaal dezelfde of vergelijkbare fysische, technische en chemische basiseigenschappen hebben. Het feit dat deze eigenschappen van productsoort tot productsoort kunnen variëren, kan inderdaad, in een onderzoek, tot gevolg hebben dat een grote verscheidenheid aan productsoorten onder de omschrijving valt. Dit is het geval in het onderhavige onderzoek. De Commissie hield rekening met de verschillen tussen de productsoorten en zorgde voor een eerlijke vergelijking. Elke productsoort die door producenten-exporteurs in India werd geproduceerd en verkocht en elke productsoort die door de bedrijfstak van de Unie werd geproduceerd en verkocht, kreeg een uniek productcontrolenummer (PCN). Dit nummer was afhankelijk van de belangrijkste eigenschappen van het product. In het onderhavige geval hadden die betrekking op de staalsoort, de treksterkte, de coating, het oppervlak, de diameter en de vorm. De soorten draad die naar de Unie werden uitgevoerd, werden bijgevolg op PCN-basis vergeleken met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte producten die dezelfde of vergelijkbare eigenschappen hadden. Al die soorten vielen onder de omschrijving van het betrokken product en het soortgelijk product zoals die in het bericht van inleiding en de voorlopige verordening werd gegeven.
(12) Een partij herhaalde haar argument dat de zogenaamde hoogtechnische productsoorten verschillend waren en niet onderling verwisselbaar met de andere soorten van het betrokken product. Bijgevolg, argumenteerde men, zouden ze van de productomschrijving moeten worden uitgesloten. Om te kunnen bepalen of producten voldoende gelijk zijn om hen als hetzelfde product te kunnen beschouwen, moet volgens de jurisprudentie worden vastgesteld of ze dezelfde technische en fysische eigenschappen, basisgebruiksdoeleinden en prijs-kwaliteitverhouding hebben. In dat verband, moet ook worden gekeken naar de onderlinge verwisselbaarheid en de concurrentie tussen die producten. Uit het onderzoek is gebleken dat de door de partij bedoelde hoogtechnologische productsoorten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben als de andere producten die voorwerp van het onderzoek waren. Zij zijn gemaakt van roestvrij staal en het zijn draden. Het gaat om een halffabricaat (dat in de meeste gevallen verder verwerkt wordt voor de productie van een grote verscheidenheid van eindproducten), en het productieproces is vergelijkbaar, met gebruikmaking van vergelijkbare machines, zodat producenten kunnen omschakelen op andere varianten van het product, al naar gelang de vraag. Dus hoewel de verschillende soorten draad onderling niet rechtstreeks verwisselbaar zijn en geen rechtstreeks concurrerende producten zijn, moet in aanmerking worden genomen dat producenten naar opdrachten dingen die een breed scala aan draden van roestvrij staal bestrijken. Bovendien worden deze productsoorten zowel door de bedrijfstak van de Unie als door de producenten-exporteurs in India geproduceerd en verkocht, waarbij gebruik wordt gemaakt van een vergelijkbare productiemethode. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.
(13) In antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen voerde een belanghebbende partij aan dat de analyse van de Commissie met betrekking tot het al of niet in het onderzoek opnemen van zogenaamde hoogtechnische productsoorten onvoldoende was. Dit argument wordt verworpen. Uit het onderzoek blijkt dat de hoogtechnische productsoorten binnen de definitie van het product vallen, zoals aangegeven in de genoemde overweging 12. De belanghebbende partij neemt ten onrechte aan dat aan alle in de jurisprudentie genoemde criteria tegelijkertijd voldaan moet worden; dit is echter niet het geval. Volgens de jurisprudentie heeft de Commissie een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen welke producten soortgelijk zijn, en dient zij deze beoordeling te baseren op de door het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde criteria. Het komt vaker voor, zoals ook in dit geval, dat verschillende criteria in verschillende richtingen wijzen; in een dergelijke situatie moet de Commissie een globale beoordeling verrichten, wat zij in dit geval ook gedaan heeft. De betreffende belanghebbende partij ging er dan ook ten onrechte van uit dat productsoorten alle kenmerken gemeenschappelijk moeten hebben om onder dezelfde definitie te vallen.
(14) Sommige gebruikers stelden dat draad van roestvrij staal van de serie 200 van de productomschrijving moest worden uitgesloten. Dit type draad zou nauwelijks door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Deze bewering is ongegrond. Ten eerste is het feit dat een bepaald producttype niet door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd, onvoldoende reden om het buiten de reikwijdte van het onderzoek te plaatsen wanneer het productieproces voor dat producttype zodanig is dat de producenten in de Unie met de productie ervan zouden kunnen beginnen. Ten tweede is voor dit type van het betrokken product hetzelfde gebleken als voor hoogtechnische draad (zie overweging 12), namelijk dat het dezelfde of vergelijkbare fysische, chemische en technische basiseigenschappen heeft als andere typen van het soortgelijk product die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.
(15) Volgens deze gebruikers zou walsdraad juist wel in de productomschrijving moeten worden opgenomen. Walsdraad wordt als grondstof voor de productie van het betrokken product gebruikt, maar kan ook voor de productie van andere producten worden gebruikt, zoals bevestigingsmiddelen en nagels. In tegenstelling tot het product dat het voorwerp van onderzoek is, is walsdraad dus geen staal-eindproduct. Walsdraad kan, net als andere producten, door het koudvervormen worden omgevormd tot het betrokken product of een soortgelijk product. Op grond hiervan kan walsdraad niet in de productomschrijving van de basisverordening worden opgenomen.
(16) Op grond van het bovenstaande wordt de in de overwegingen 21 tot en met 24 van de voorlopige verordening gegeven omschrijving van het betrokken product en het soortgelijk product bevestigd.
SUBSIDIËRING Inleiding
(17) In overweging 25 van de voorlopige verordening wordt verwezen naar de volgende regelingen, in het kader waarvan tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies zouden zijn verstrekt:
(17) a)
Duty Entitlement Passbook Scheme (DEPBS, kredietregeling voor invoerrechten),
b)
Duty Drawback Scheme (DDS, regeling voor de terugbetaling van rechten),
c)
Advance Authorisation Scheme (AAS, regeling voorafgaande vergunningen),
d)
Export Promotion Capital Goods Scheme (EPCGS, regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering),
e)
Export Credit Scheme (ECS, regeling exportkredieten),
f)
Focus Market Scheme (FMS, focusmarktregeling),
g)
Special Economic Zones/Export Oriented Units (SEZ/EOU, regeling bijzondere economische zones/exportgerichte bedrijven).
(18) De bedrijfstak van de Unie beweerde dat de Commissie een aantal subsidieregelingen buiten beschouwing had gelaten, met name regionale, en meende dat de subsidies die de Indiase producenten bleken te hebben ontvangen, onderschat waren. Deze bewering is ongegrond. De Commissie heeft alle in de klacht genoemde nationale en lokale subsidieregelingen onderzocht. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs bleken in het OT echter uitsluitend subsidies uit hoofde van de in overweging 14 hierboven genoemde regelingen te hebben ontvangen.
(19) De bedrijfstak van de Unie voerde tevens aan dat aangezien tijdens het parallelle antidumpingonderzoek was gebleken dat de gegevens van de in de steekproef opgenomen Indiase producenten onbetrouwbaar waren en bijgevolg artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad was toegepast, in het huidige onderzoek het overeenkomstige artikel 28 van de basisverordening had moeten worden toegepast. Artikel 28 van de basisverordening is echter alleen onder bepaalde voorwaarden van toepassing en aan die voorwaarden is in dit geval niet voldaan wat betreft de informatie die de in de steekproef opgenomen Indiase producenten hebben verstrekt. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.
(20) Uit het onderzoek is gebleken dat de DEPBS, DDS en AAS allemaal onderdeel van hetzelfde subsidiemechanisme vormen, dat een mechanisme voor de terugbetaling van rechten is. In India bestaan al lang verscheidene vormen van dit mechanisme. De afzonderlijke deelmechanismen worden veelvuldig gewijzigd. Uit het onderzoek is gebleken dat deze deelmechanismen gezamenlijk moeten worden geanalyseerd, omdat exporteurs in de regel één ervan moeten kiezen (zij sluiten elkaar wederzijds uit) en in het geval dat één van de deelmechanismen wordt stopgezet, naar een ander moeten overstappen.
(21) Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 25 tot en met 28 van de voorlopige verordening bevestigd.
Kredietregeling voor invoerrechten (DEPBS)
(22) Een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India voerde aan dat de DEPBS niet mocht worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie, aangezien de regeling bedoeld was om invoerrechten te compenseren. Verder werd aangevoerd dat voor het product dat voorwerp van onderzoek is, in India geen inputs worden geproduceerd, zodat het redelijk is om aan te nemen dat alle invoer met 5 % is belast en het door de Indiase overheid vastgestelde maximum overcompensatie voorkomt. Zoals uiteengezet in overweging 38 van de voorlopige verordening, kan deze regeling niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor rechten op inputs of rechten op vervangende inputs in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, aangezien zij niet voldoet aan de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II (definitie van en voorschriften voor de terugbetaling van rechten op inputs) en bijlage III (definitie van en voorschriften voor de terugbetaling van rechten op vervangende inputs) van de basisverordening. Meer in het bijzonder is een exporteur die gebruik maakt van de DEPBS niet verplicht de goederen die vrij van rechten werden ingevoerd, ook echt bij het productieproces te gebruiken en wordt het kredietbedrag niet berekend op basis van de werkelijke waarde van de gebruikte inputs. Ten slotte komt een exporteur ook als hij geen inputs invoert voor DEPBS-steun in aanmerking. Om die steun te verkrijgen, is het voldoende dat de exporteur goederen uitvoert; hij hoeft niet aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. De Indiase overheid heeft verzuimd om een stelsel in te voeren waarin een verband bestaat tussen de hoogte van de vrijstelling voor inputs en het gebruik van die inputs bij de productie van de uitgevoerde producten. Verder kunnen de ondernemingen die gebruikmaken van de regeling niet aantonen dat zij niet te veel restitutie hebben gekregen. Wat betreft het al dan niet sprake zijn van overcompensatie in dit specifieke geval kon de onderneming in kwestie niet aantonen dat zij niet werd overgecompenseerd. Zij had bijvoorbeeld een compensatie kunnen ontvangen voor andere ingevoerde producten of voor ingevoerde inputs die in werkelijkheid niet bij de productie van het betrokken product worden verbruikt. Verder is de verklaring dat in India geen inputs voor het betrokken product worden, geproduceerd, onjuist, omdat ten minste één van de onderzochte ondernemingen de inputs in India produceerde en twee anderen de inputs van een binnenlandse producent kochten, en niet van een importeur-handelaar. Deze argumenten moeten derhalve worden afgewezen.
(23) Een partij voerde aan dat bij verkoop van de DEPBS-vergunning de werkelijke verkoopprijs lager was dan de waarde van de vergunning en derhalve ook het tot compenserende maatregelen aanleiding gevende voordeel kleiner was. In dit verband wordt opgemerkt dat het uit deze regeling verkregen voordeel werd berekend op basis van het in de vergunning toegekende kredietbedrag, ongeacht of de vergunning ter compensatie van invoerrechten was gebruikt of verkocht. Het verkopen van een vergunning tegen een prijs die lager is dan de nominale waarde is een louter commerciële beslissing die het bedrag van het uit deze regeling ontvangen voordeel niet verandert. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.
(24) De Indiase overheid voerde aan dat de DEPBS in de loop van het OT was ingetrokken en daarom geen compenserende maatregel tegen deze regeling moest worden ingesteld. Een ander argument dat tegen het instellen van een compenserende maatregel tegen de DEPBS werd aangevoerd, was dat de terugbetalingsregeling geen opvolger van de DEPBS is. Het is juist dat de DEPBS op 30 september 2011, dus tijdens het OT, verviel. De subsidiëring bleef echter bestaan. Exporteurs die eerder steun uit de DEPBS ontvingen, bleken na 30 september 2011 steun uit de AAS en vooral de DDS te ontvangen. Zoals beschreven in de overwegingen 42, 43 en 44 van de voorlopige verordening werden de AAS en DDS zo aangepast dat die overgang soepel zou verlopen. Daarnaast is de aard van de voordelen die uit de drie regelingen werden verkregen, namelijk vergoeding van gederfde inkomsten in de vorm van vrijstelling van douanerechten, precies hetzelfde. Ondernemingen konden dus kiezen welke regeling zij voor de compensatie van douanerechten wilden gebruiken. Vandaar dat ondanks het feit dat de DEPBS halverwege het OT ophield te bestaan, tegen de subsidies die de Indiase regering in die periode verstrekte compenserende maatregelen moeten worden ingesteld, omdat het overkoepelende subsidiesysteem bleef bestaan. Om de in overweging 20 genoemde redenen vormen alle regelingen voor de terugbetaling van rechten immers éénn enkel subsidiemechanisme met verschillende, vaak veranderende deelmechanismen. Ditargument moeten bijgevolg worden afgewezen.
(25) In haar antwoord op de definitieve bevindingen heeft de Indiase overheid haar argumenten betreffende de intrekking van de DEPBS na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaald. Aangezien echter geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven tot een wijziging van de conclusie betreffende de vervanging van de subsidiëring uit hoofde van de ingetrokken DEPBS door de aangepaste DDS kan dit argument niet worden aanvaard.
(26) Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 29 tot en met 47 van de voorlopige verordening bevestigd.
(27) Daarnaast is gebleken dat de Indiase producent-exporteur KEI in het OT gebruik heeft gemaakt van de DEPBS. Het subsidiepercentage bedroeg 0,50 %.
Regeling voor de terugbetaling van rechten (DDS)
(28) De Indiase overheid voerde aan dat de DDS niet mocht worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie, aangezien de regeling bedoeld was ter compensatie van betaalde invoerrechten en accijnzen op inputs. Zoals uiteengezet in de overwegingen 58, 59 en 60 van de voorlopige verordening, kan deze regeling niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, omdat zij niet voldoet aan de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II en bijlage III van de basisverordening. Meer in het bijzonder is er geen systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs bij de productie van het uitgevoerde product worden verbruikt, dan wel of te veel restitutie werd betaald in de zin van bijlage I, punt i), en bijlagen II en III van de basisverordening. Bovendien komt een exporteur ook als hij geen inputs invoert voor de DDS-voordelen in aanmerking. Om die voordelen te verkrijgen, is het voldoende dat de exporteur goederen gewoonweg uitvoert; hij hoeft niet aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. Het bovenstaande werd bevestigd tijdens de controlebezoeken en blijkt ook uit de relevante nationale wetgeving circulaire nr. 24/2001 zoals uiteengezet in overweging 60 van de voorlopige verordening. Daarnaast gaf de Indiase overheid ook zelf in punt 32 van haar schriftelijke opmerkingen toe dat de DDS tot een te hoge restitutie kan leiden. Het argument van de Indiase overheid moet derhalve worden afgewezen.
(29) De Indiase overheid voerde verder aan dat de verificatieregeling voor de consumptie van inputs weliswaar niet compleet was, met name door het grote aantal begunstigden en de administratieve lasten die de controle van al die begunstigden met zich meebrengt, maar dat het bestaande verificatiemechanisme op basis van steekproeven aanvaardbaar zou moeten zijn. Dit argument moet echter worden afgewezen, omdat artikel 3, lid 1, onder a), ii), bijlage I, punt i), bijlage II en bijlage III van de basisverordening, niet voorzien in het gebruik van steekproeven.
(30) Aangezien geen andere opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 48 tot en met 64 van de voorlopige verordening bevestigd.
(31) Daarnaast is gebleken dat de Indiase producent-exporteur KEI Industries in het OT gebruik heeft gemaakt van de DDS. Het subsidiepercentage bedroeg 0,29 %.
Regeling voorafgaande vergunningen (AAS)
(32) Een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India voerde aan dat de AAS moest worden beschouwd als een regeling voor de terugbetaling van rechten, omdat de ingevoerde materialen voor de productie van uitgevoerde producten werden gebruikt. Zoals uiteengezet in overweging 76 van de voorlopige verordening kan de subregeling waarvan in dit geval gebruik wordt gemaakt, niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Zij voldoet niet aan de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II en bijlage III van de basisverordening. De Indiase overheid heeft niet daadwerkelijk een verificatieregeling of procedure toegepast om na te gaan of, en zo ja in welke mate, de inputs bij de productie van het uitgevoerde product werden verbruikt (bijlage II, punt II.4, van de basisverordening en, in het geval van terugbetalingsregelingen voor vervangende inputs, bijlage III, punt II.2, van de basisverordening). Bovendien zijn de standaard-input-outputnormen (SION’s) voor het betrokken product niet nauwkeurig genoeg en kunnen zij niet voor de verificatie van het werkelijke verbruik worden gebruikt. De Indiase overheid kan aan de hand van deze standaardnormen niet met voldoende nauwkeurigheid vaststellen hoeveel inputs bij de productie van de uitgevoerde producten zijn verbruikt. De Indiase overheid doet ook geen verder onderzoek naar de werkelijk verbruikte inputs, zoals uiteengezet in overweging 73 van de voorlopige verordening, hoewel dit normaliter vereist is als er geen effectieve verificatieregeling is (bijlage II, punt II.5, en bijlage III, punt II.3, van de basisverordening). De subregeling geeft daarom aanleiding tot compenserende maatregelen, en het argument wordt verworpen.
(33) Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 65 tot en met 80 van de voorlopige verordening bevestigd.
(34) De Indiase producent-exporteur KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van de AAS.
Regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering (EPCGS)
(35) Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen diende een van de Indiase producenten-exporteurs een opmerking in betreffende een rekenfout. Deze opmerking was deels terecht en er is rekening mee gehouden bij de berekening van het subsidiebedrag. Aangezien de totale subsidiemarge voor deze onderneming zelfs vóór deze correctie reeds onder de de-minimisdrempel lag, heeft deze aanpassing geen invloed op de uiteindelijke hoogte van het compenserend recht voor deze onderneming, en ook niet op de gemiddelde subsidiemarge voor de medewerkende niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, noch ook op de subsidiemarge voor het hele land.
(36) Afgezien van het bovenstaande, worden de overwegingen 81 tot en met 91 van de voorlopige verordening bevestigd.
(37) De Indiase producent-exporteur KEI bleek in het OT met betrekking tot het betrokken product geen voordeel te hebben verkregen uit de EPCGS.
Regeling exportkredieten (ECS)
(38) De Indiase overheid merkte op dat de Commissie in overweging 92 van de voorlopige verordening de rechtsgrond van de ECS verkeerd had aangehaald. De Indiase overheid gaf aan dat Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 01/04.02.02/2007-2008 (MC 07-08) en Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 09/04.02.02/2008-2009 (MC 08-09) waren herzien en na de herziening als volgt moesten worden aangehaald: Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 06/04.02.002/2010-2011 (MC 10-11) en Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 04/04.02.002/2011-2012 (MC 11-12); deze herziene versies vormden in het OT de rechtsgrond van de ECS. De opmerking van de Indiase overheid is dan ook terecht.
(39) De Indiase overheid voerde verder aan dat wanneer de Commissie de geactualiseerde rechtsgrond in aanmerking had genomen, zij vastgesteld zou hebben dat het maximumrentetarief voor exportkredieten die de Reserve Bank of India (nationale centrale bank) voor alle handelsbanken verplicht had gesteld, al vóór het OT niet meer voor exportkredieten in roepies werd toegepast. Bijgevolg zou deze regeling, voor zover het exportkredieten in roepies betreft, niet langer als subsidie kunnen worden beschouwd. Uit het onderzoek is gebleken dat twee in de steekproef opgenomen ondernemingen van private banken exportkredieten kregen tegen een lagere rente dan de door de centrale bank vastgestelde referentierentevoet. Uit het onderzoek is niet gebleken van een commercieel motief voor het verstrekken van kredieten tegen een lagere en kennelijk verliesgevende rente. Bijgevolg duiden deze kredietverleningspraktijken erop dat nog steeds sprake is van overheidsbemoeienis. Het onderzoek heeft echter niet de in de WTO-regels vereiste mate van bewijs opgeleverd om te kunnen vaststellen dat de overheid nog steeds opdrachten of instructies geeft aan de handelsbanken. Vandaar dat de Commissie bij ontstentenis van voldoende bewijs van een gezagsverhouding tussen overheid en banken en/of van een financiële bijdrage van de Indiase overheid aan de banken, heeft besloten om de verlaagde rentetarieven niet aan te merken als subsidie uit hoofde van deze subregeling.
(40) Ten slotte voerde de Indiase overheid aan dat de laatste gewijzigde versie van Master Circular — DBOD No. DIR(Exp.) BC. 06/04.02.002/2012-2013 (MC 12-13), die twee maanden na het einde van het OT van kracht is geworden, de maximale rentetarieven voor exportkredieten heeft opgeheven, ook voor kredieten in buitenlandse valuta. onder verwijzing naar artikel 15, lid 1, van de basisverordening stelde de Indiase overheid dat tegen dit onderdeel van de ECS geen compenserende maatregelen zouden moeten worden ingesteld, omdat de overheid niet langer aanwijzingen geeft aan banken. Hoewel de overgelegde MC 12-13 een bepaling bevat die handelsbanken met ingang van mei 2012 de vrijheid geeft om zelf de rentetarieven voor exportkredieten in buitenlandse valuta te bepalen, zoals gesteld door de Indiase overheid, zou een dergelijke verandering van instructies van de RBI aan particuliere banken gedurende het onderzoek op zichzelf onvoldoende grond zijn om deze regeling uit te sluiten, aangezien de overheid nog steeds op informele wijze instructies kan geven, hetgeen nader zou moeten worden onderzocht. Gezien deze conclusie over exportkredieten in roepies uit hoofde van de subregeling, heeft de Commissie echter besloten om in dit stadium geen compenserende maatregelen tegen deze subregeling in te stellen voor zover hieruit exportkredieten in buitenlandse valuta worden verstrekt.
(41) Gezien het bovenstaande worden de rechten, voor zover van toepassing, gecorrigeerd.
Focus Market Scheme (FMS)
(42) Naar aanleiding van mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Indiase overheid enkele opmerkingen gemaakt over de FMS-regeling. Zij voerde aan dat deze regeling geografisch gerelateerd is aan landen die geen deel uitmaken van de Unie en dat er dus geen aanleiding is voor de Unie om compenserende maatregelen in te stellen. De Indiase overheid kon echter niet ontkennen dat deze regeling in de praktijk wordt toegepast en dat de FMS-steun gebruikt kan worden voor het betrokken product, en met name dat de FMS-kredietpunten vrij verhandelbaar zijn en gebruikt kunnen worden om douanerechten te betalen op later ingevoerde inputs of goederen, met inbegrip van kapitaalgoederen. Dit argument moest dus worden afgewezen, aangezien uit het onderzoek bleek dat het betrokken product van deze regeling kan profiteren en het ook inderdaad daarvan profiteert wanneer het naar de Unie wordt uitgevoerd.
(43) Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 101 tot en met 111 van de voorlopige verordening bevestigd.
(44) De Indiase producent-exporteur KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van de FMS.
Regeling exportgerichte bedrijven (EOUS)
(45) Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen diende de enige onderzochte producent-exporteur die gebruik maakte van EOUS opmerkingen in met betrekking tot deze regeling. De onderneming stelde dat de Commissie een andere methode zou moeten gebruiken om de uit hoofde van EOUS ontvangen steun te berekenen. Zij voerde aan dat bepaalde steun uit hoofde van EOUS beschouwd zou moeten worden als een toelaatbare regeling voor de terugbetaling van rechten in de zin van bijlagen II en III van de basisverordening en dat daarop om die reden geen compenserend recht zou moeten worden toegepast.
(46) Het bleek echter dat ongeacht de wijze van berekening het subsidiepercentage uit hoofde van deze regeling niet meer dan 0,95 % zou bedragen, zodat de totale subsidiemarge voor deze onderneming onder de de-minimisdrempel zou blijven. Het werd daarom niet noodzakelijk geacht deze claim verder te analyseren in de context van dit onderzoek.
(47) Aangezien geen verdere opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 112 van de voorlopige verordening bevestigd.
(48) De Indiase producent-exporteur KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van deze regeling.
Hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies
(49) Na de beslissing om de steun uit hoofde van de ESC niet als een subsidie te beschouwen, zoals beschreven in de overwegingen 38 tot en met 41, en na correctie van de berekening van de EPCGS-steun voor een van de ondernemingen, zoals beschreven in overweging 35, zijn de rechten waar nodig aangepast. De definitieve subsidiemarges die tot compenserende maatregelen aanleiding geven, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening en uitgedrukt ad valorem, variëren nu van 0,79 % tot 3,72 %. Regeling Onderneming Raajratna Venus Group Viraj KEI DEPBS 0,58 % 0,93 %, 1,04 %, 1,32 %, 2,04 % — 0,50 % DDS 0,61 % 1,14 %, 1,77 %, 1,68 %, 1,91 % — 0,29 % AAS 2,43 % 0,15 %, 0 %, 0 %, 0 % — — EPCGS 0,09 % 0,02 %, 0 %, 0 %, 0 % 0,03 % — ECS — — — — FMS — 0,13 %, 0,71 %, 0,07 %, 0 % — — EOU — — 0,95 % — Totaal 3,72 % 3,03 % 0,98 % 0,79 %
(50) De opnieuw berekende subsidiemarge voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen is 3,41 %.
(51) De opnieuw berekende voor het gehele land geldende subsidiemarge is 3,72 %.
BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE Bedrijfstak van de Unie
(52) Sommige gebruikers zetten vraagtekens bij het aantal producenten in de Unie dat in overweging 116 van de voorlopige verordening wordt genoemd. Zij stellen dat dit aantal onjuist is en dat er in werkelijkheid minder producenten op de markt van de Unie zijn.
(53) De Commissie wijst erop dat deze stelling niet is onderbouwd en bevestigt de in overweging 116 van de voorlopige verordening gegeven informatie, namelijk dat het betrokken product in het OT door 27 producenten in de Unie werd vervaardigd. Dit is het aantal dat is vastgesteld op basis van de klacht, in de representativiteitsfase en gedurende het onderzoek. De Commissie heeft zich in verbinding gesteld met alle bekende producenten en de gegevens die naar aanleiding daarvan werden ontvangen, voor het huidige onderzoek gebruikt.
Productie in de Unie en steekproef van producenten in de Unie
(54) Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 117, 118 en 119 van de voorlopige verordening bevestigd.
SCHADE Verbruik in de Unie
(55) Enkele gebruikers stelden dat de gegevens voor 2009 niet in de schadeanalyse hadden moeten worden meegenomen, omdat de financiële crisis van dat jaar verstorende effecten had, met name op het verbruik in de Unie. Maar zelfs als de gegevens voor dat jaar niet waren meegenomen, dan nog zouden de verbruikscijfers een stijgende trend hebben laten zien (+ 5 %), wat duidt op een verbeterende markt. Bovendien worden de negatieve effecten van de financiële crisis in overweging 120 van de voorlopige verordening expliciet genoemd, maar wordt desalniettemin geconcludeerd dat de marktsituatie was verbeterd. Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 120 van de voorlopige verordening bevestigd.
Invoer in de Unie uit het betrokken land
(56) De voor KEI Industries vastgestelde subsidiemarge ligt onder de de-minimisdrempel van artikel 14, lid 5, van de basisverordening (zie overweging 49 hierboven). Vandaar dat deze producent-exporteur wordt geacht tijdens het OT geen voordeel te hebben verkregen uit subsidieregelingen in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening. Bijgevolg werd de omvang van de invoer afkomstig van die onderneming niet opgenomen in de totale omvang van de invoer met subsidiëring uit India. Eén producent-exporteur, de Venus Group, merkte op dat bepaalde transacties bij vergissing dubbel waren geteld. De Commissie was het hiermee eens en bracht de invoer in verband met die transacties in mindering op de totale omvang van de invoer met subsidiëring uit India. De omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijs van de invoer met subsidiëring werden dienovereenkomstig gecorrigeerd.
(57)Bron: Omvang en marktaandeel van de invoer met subsidiëring: Eurostat en antwoorden op de vragenlijst. 2009 2010 2011 OT Volume (Mt) 11620 20038 25326 24415 Index (2009 = 100) 100 172 218 210 Marktaandeel 8,8 % 10,7 % 12,9 % 12,4 % Index (2009 = 100) 100 121 146 140
(58) Omdat KEI tijdens het OT maar beperkte hoeveelheden van het betrokken product uitvoerde en bovengenoemde transacties van de Venus-groep maar op de invoer van een beperkte hoeveelheid van het betrokken product betrekking hadden, heeft de aftrek van de betreffende invoerhoeveelheden geen gevolgen voor de in de overwegingen 123 en 124 van de basisverordening beschreven trends. Deze overwegingen van de voorlopige verordening worden bijgevolg bevestigd.
(59)Bron: Gemiddelde prijs van de invoer met subsidiëring: Eurostat en antwoorden op de vragenlijst. 2009 2010 2011 OT Gemiddelde prijs (EUR/Mt) 2419 2856 3311 3259 Index (2009 = 100) 100 118 137 135
(60) Zoals hierboven uiteengezet, voerde KEI tijdens het OT maar beperkte hoeveelheden uit en had de verwijdering van bepaalde transacties van de Venus Group maar beperkte gevolgen voor de totale omvang van de invoer van het betrokken product. Het niet meenemen van de invoer afkomstig van KEI en van de invoer in verband met bovengenoemde transacties van de Venus Group heeft derhalve geen significante gevolgen voor de gemiddelde prijs van de invoer met subsidiëring uit India en evenmin voor de marge van de prijsonderbieding. De opnieuw berekende prijsonderbiedingsmarge is 11,7 %. Voor het overige worden de conclusies die zijn getrokken uit de in de overwegingen 128, 129 en 130 van de voorlopige verordening beschreven bevindingen bevestigd.
(61) In antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Indiase overheid aan dat de Commissie de prorata-reductie van invoer met subsidie alleen had toegepast op de importvolumes van medewerkende producenten-exporteurs teneinde rekening te houden met de de-minimisbevindingen betreffende KEI en de correcties betreffende dubbel getelde transacties van de Venus Group. Dit argument is gebaseerd op een misverstand. De Commissie heeft de prorata-reductie toegepast op het gehele invoervolume, ook van niet-medewerkende importeurs. Het argument moet daarom worden verworpen.
Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
(62) Sommige partijen merkten op dat de resultaten van de bedrijfstak van de Unie gezien de wereldwijde economische crisis toch redelijk positief waren en dat behalve de schade-indicator marktaandeel geen enkele van de andere indicatoren op het bestaan van schade wees.
(63) Eén partij merkte op dat de gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode veel meer was gestegen dan de productiekosten, respectievelijk 34 % en 13 %. In dit verband wordt opgemerkt dat in het begin van de beoordelingsperiode, in 2009, de bedrijfstak van de Unie onder de kostprijs verkocht en de bedrijfstak er pas vanaf 2011 in slaagde om boven de kostprijs te verkopen.
(64) Uit het onderzoek is gebleken dat sommige schade-indicatoren, zoals productieomvang en bezettingsgraad, weliswaar een positieve trend voor de beoordelingsperiode laten zien, of een stabiele trend, zoals werkgelegenheid, maar dat een aantal andere, die verband houden met de financiële situatie van de bedrijfstak, namelijk winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen, voor die periode geen bevredigende trend tonen. De indicator betreffende investeringen verbeterde in 2010, maar viel in 2011 en in het OT weer beneden het peil van 2009. Het is juist dat het rendement van investeringen verbeterde in 2009-2011 en 6,7 % bereikte, maar het daalde weer tot 0,8 % in het OT. Ook de indicatoren betreffende winstgevendheid en kasstroom verbeterden tot 2011 maar verslechterden weer in het OT. Geconcludeerd kan dus worden dat de bedrijfstak van de Unie na 2009 verbetering vertoonde, maar dat dit herstel daarna vertraagd werd door de invoer met subsidiëring vanuit India.
(65) Op verzoek van een belanghebbende partij wordt bevestigd dat de in overweging 153 van de voorlopige verordening genoemde voorraadniveaus betrekking hebben op de activiteiten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de Unie.
(66) De bedrijfstak van de Unie stelde dat de in het voorlopige stadium vastgestelde streefwinstmarge van 5 % te laag was. Deze stelling werd onvoldoende onderbouwd. In overweging 148 van de voorlopige verordening wordt aangegeven waarom voor deze winstmarge is gekozen. Uit het onderzoek is niet gebleken van enige reden om deze winstmarge te veranderen. Vandaar dat de winstmarge van 5 % voor de definitieve bevindingen wordt gehandhaafd.
(67) Eén producent-exporteur stelde dat de moeilijkheden van de bedrijfstak van de Unie grotendeels het gevolg waren van structurele problemen. De streefwinstmarge van 5 % zou daarom niet realistisch zijn.
(68) De Commissie roept in herinnering dat volgens de jurisprudentie, de instellingen een winstmarge moeten vaststellen die de bedrijfstak van de Unie onder normale concurrentievoorwaarden, zonder invoer met subsidiëring, redelijkerwijs mag verwachten. Het uitvoeren van een dergelijke analyse bleek in onderhavige zaak om de volgende redenen onmogelijk. Alleen voor de periode na 2007 is voldoende informatie beschikbaar voor het berekenen van de winstmarges voor het betrokken product. In 2007 was de winstmarge 3,7 %; vanaf 2008 was de winstmarge negatief als gevolg van de financiële en economische crisis. In de klacht wordt aangevoerd, en het onderzoek heeft dit bevestigd, dat de invoer met subsidiëring in 2007 begon: de omvang van de invoer steeg dat jaar van 17727 ton naar 24811,3 ton. Vandaar dat de instellingen de streefwinstmarges hebben vastgesteld op basis van de werkelijke winsten in sectoren van de staalindustrie die geen schade door invoer met dumping of subsidiëring hebben geleden.
Conclusie over schade
(69) De Commissie concludeert derhalve dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden tijdens het OT.
OORZAKELIJK VERBAND Gevolgen van invoer met subsidiëring
(70) Eén producent-exporteur voerde aan dat in de voorlopige verordening voorbij werd gegaan aan het feit dat de bedrijfstak van de Unie sinds 2009 kon profiteren van een stijging van het verbruik en dat de Commissie er niet van uit kon gaan dat de bedrijfstak zijn marktaandeel voor eeuwig zou handhaven.
(71) Als reactie op deze argumenten wordt opgemerkt dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat het marktaandeel van de invoer met subsidiëring uit India sneller groeide dan het verbruik in de Unie. De omvang van de invoer met subsidiëring uit India steeg met 110 %, terwijl het verbruik in de Unie in dezelfde periode met 50 % steeg. Bovendien bleek uit het onderzoek ook dat de gemiddelde Indiase prijs constant onder de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode lag, en dat de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie met 11,7 % onderboden werd gedurende het OT. Het resultaat was dat de bedrijfstak van de Unie inderdaad in zekere mate van de toegenomen consumptie profiteerde, en zijn verkoopvolume met 40 % kon opvoeren, maar zijn marktaandeel niet kon handhaven, zoals te verwachten zou zijn geweest bij een positieve ontwikkeling van de markt en gezien de beschikbare productiecapaciteit.
Gevolgen van andere factoren Invoer zonder subsidiëring
(72) Enkele belanghebbende partijen stelden dat het effect van de invoer zonder subsidiëring opnieuw beoordeeld zou moeten worden in het licht van het feit dat KEI Industries een de-minimissubsidiemarge werd toegekend en het feit dat bepaalde dubbeltellingen betreffende transacties van de Venus Group uit de analyse waren verwijderd. Zij voerden verder aan dat de prijzen van de invoer zonder subsidiëring lager waren dan de prijzen van de invoer met subsidiëring.
(73)Bron: De tabel hieronder laat de ontwikkeling van het volume van de uitvoer zonder subsidiëring en van de prijzen in de beoordelingsperiode zien. Dit volume vertegenwoordigde ongeveer een derde van de uitvoer van India gedurende het OT en volgde dezelfde trend als de invoer met subsidiëring. Antwoorden op vragenlijst en Eurostat. 2009 2010 2011 OT Volume (Mt) 5227 9015 11394 10938 Volume (index) 100 172 218 210 Gemiddelde prijs (EUR/MT) 2268 2678 3105 3056 Gemiddelde prijs (index) 100 118 137 135
(74) Het is dus juist dat de prijzen van invoer zonder subsidiëring lager waren dan de prijzen van invoer met subsidiëring. Het volume van de invoer zonder subsidiëring bedraagt echter slechts een derde van het volume van de invoer met subsidiëring. De schade veroorzaakt door invoer zonder subsidiëring verbreekt daarom niet het oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring vanuit India en de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT heeft geleden.
Invoer uit derde landen
(75) Een producent-exporteur in India en de Indiase overheid herhaalden de stelling dat de Volksrepubliek China in het onderzoek had moeten worden meegenomen en dat de gevolgen van de invoer uit de VRC voor de markt en de bedrijfstak van de Unie waren onderschat.
(76) Zoals opgemerkt in overweging 170 van de voorlopige verordening is er noch in de inleidingsfase noch in de definitieve fase van het onderzoek enig bewijs van subsidiëring gevonden dat de inleiding van een antisubsidieprocedure met betrekking tot invoer van oorsprong uit de VRC gerechtvaardigd zou hebben. De stelling dat het onderzoek tot de VRC had moeten worden uitgebreid, is derhalve ongegrond en wordt verworpen.
(77) Dat neemt niet weg dat de invoer uit de VRC in de beoordelingsperiode een stijgende trend vertoonde en aan het einde van het OT een marktaandeel van 8,3 % vertegenwoordigde, zoals vermeld in punt 168 van de voorlopige verordening. Verder waren de prijzen van de invoer uit de VRC lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en ook van de prijzen van de Indiase producenten-exporteurs op de markt van de Unie. Vandaar dat nader werd onderzocht of de invoer uit de VRC aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade had kunnen bijdragen en zo het oorzakelijk verband tussen die schade en de invoer met subsidiëring uit India had verbroken.
(78) De informatie die in de voorlopige fase van het onderzoek beschikbaar was, duidt er echter op dat de invoer uit de VRC uit een andere productmix bestond en tot andere productcategorieën behoorde dan de producten van de bedrijfstak van de Unie of de producten van oorsprong uit India die op de markt van de Unie werden verkocht.
(79) Na publicatie van de voorlopige maatregel ontving de Commissie verschillende opmerkingen die wezen op de mogelijkheid dat Chinese laaggeprijsde invoer gedurende het OT het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit India en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade had kunnen verbreken.
(80)Bron: Uit een analyse van de invoerstatistieken voor de producten die onder de betreffende twee GN-codes vallen, is naar voren gekomen dat 29 % van de invoer uit China was bedoeld voor het lagere marktsegment (producten die vallen onder GN-code 72230099). Dit verklaart deels waarom de prijzen van de invoer uit de VRC gemiddeld lager waren dan die van de bedrijfstak van de Unie en van de producenten-exporteurs in India. De statistieken voor producten die onder de GN-code 72230099 vallen, laten ook zien dat de afnemers van Chinese producenten waren geconcentreerd in het Verenigd Koninkrijk, waar de bedrijfstak van de Unie nauwelijks was vertegenwoordigd. Eurostat. Gemiddelde prijs (EUR/Mt) 2009 2010 2011 OT 72230019 2974 3286 3436 2995 72230099 765 1458 1472 1320
(81) Wat betreft de producten onder GN-code 72230019, bleek uit een analyse op PCN-basis dat zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs in India vooral in het hogere marktsegment actief waren, waar de prijzen soms wel vier keer hoger waren dan in het lagere marktsegment, voor producten uit dezelfde GN-categorie. Uit het onderzoek bleek ook dat prijsverschillen in het algemeen verband hielden met verschillen in productsoort en nikkelgehalte. Verder bleek dat Chinese exporteurs op de markt van de Unie hoofdzakelijk productsoorten van lagere kwaliteit verkochten, die vallen onder bovengenoemde GN-code. De productmix is dus een bepalende factor bij het beoordelen van de invoer vanuit China.
(82)Bron: Wat het prijspeil van de invoer vanuit de Volksrepubliek China betreft, zij erop gewezen dat van 2009 tot het OT de gemiddelde prijs van de Chinese invoer hoger lag dan die van de gesubsidieerde Indiase producenten-exporteurs, zoals blijkt uit de volgende tabel die de gemiddelde prijs weergeeft van onder GN-code 72230019 vallende Indiase uitvoer met subsidiëring. Eurostat. Gemiddelde prijs (EUR/Mt) 2009 2010 2011 OT OT + 1 73320019 2974 3286 3436 2995 3093
(83) Tijdens het OT daalde de gemiddelde prijs van de invoer uit China voor het eerst onder die van de Indiase invoerprijs voor invoer met subsidiëring. Deze waarneming bleek echter van tijdelijke aard te zijn aangezien het Chinese prijspeil in het jaar na het OT weer steeg en hoger was dan de Indiase prijzen.
(84) Voorts bleek uit een vergelijking van de omvang van de invoer uit India en die uit de VRC dat over de gehele beoordelingsperiode en met name in het OT de invoer uit de VRC veel lager was dan die uit India. De omvang van de invoer uit de VRC bedroeg minder dan de helft van die uit India.
(85) Op basis van het bovenstaande wordt bevestigd dat in het OT een significant deel van de invoer uit de VRC verschilde van de productmix van de bedrijfstak van de Unie en dat van directe concurrentie met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte producten maar beperkt sprake was.
(86) De invoer vanuit de VRC kan dus de situatie van de bedrijfstak van de Unie niet zodanig beïnvloed hebben dat daardoor het oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring vanuit India en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade werd verbroken. Overweging 168 van de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd.
Concurrentie van andere producenten in de Unie
(87) Een partij voerde aan dat de zwakke financiële prestaties van de producenten van de Unie te wijten zouden kunnen zijn aan concurrentie van andere producenten in de Unie die zich niet bij de klacht hadden aangesloten en geen steun hadden uitgesproken voor de inleiding van het onderzoek.
(88)Bron: Het marktaandeel van andere producenten in de Unie ontwikkelde zich als volgt: Klacht. 2009 2010 2011 OT Volume (Mt) 34926 55740 55124 55124 Index (2009 = 100) 100 160 158 158 Marktaandeel van andere producenten in de Unie 26,6 % 29,8 % 28,1 % 27,9 %
(89) De producenten in de Unie die geen klacht hadden ingediend en niet uitdrukkelijk hun steun hadden uitgesproken voor het onderzoek, vertegenwoordigden 44 % van het totale verkoopvolume van de Unie dat in overweging 139 van de voorlopige verordening wordt vermeld. Hun verkoopvolume steeg in de beoordelingsperiode met 58 %: van naar schatting 34926 ton in 2009 tot 55124 ton aan het einde van het OT. Vergeleken met de groei van de invoer met subsidiëring uit India in dezelfde periode (+ 110 %), is deze groei echter relatief bescheiden. Bovendien bleef het marktaandeel van deze producenten gedurende de beoordelingsperiode vrij stabiel en duidt niets erop dat hun prijzen lager waren die van de in de steekproef opgenomen producenten. Bijgevolg wordt geconcludeerd dat hun afzet op de markt van de Unie niet bijdroeg aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade.
Conclusie inzake oorzakelijk verband
(90) Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 176 tot en met 179 van de voorlopige verordening bevestigd.
BELANG VAN DE UNIE Algemene overwegingen
(91) Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 180 van de voorlopige verordening bevestigd.
Belang van de bedrijfstak van de Unie
(92) Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 181 tot en met 188 van de voorlopige verordening bevestigd.
Belang van gebruikers
(93) Na de instelling van voorlopige maatregelen lieten zeven gebruikers en één vereniging van gebruikers weten hun medewerking aan het onderzoek te willen verlenen. Naar aanleiding van hun verzoek stuurde de Commissie hen in april 2013 een vragenlijst. Deze vragenlijst werd echter slechts door slechts twee gebruikers volledig ingevuld teruggestuurd. Alle medewerkende gebruikers samen vertegenwoordigden in het OT 12 % van de totale invoer uit India en 2,5 % van het totale verbruik in de Unie. Op basis van de nieuwe gegevens uit de ingevulde vragenlijsten en de bevindingen van een controlebezoek aan twee gebruikers voor het verifiëren van de verstrekte gegevens, werden de economische gevolgen van de maatregelen voor gebruikers opnieuw beoordeeld.
(94) De gebruikers stelden dat het winstgevendheidspercentage van 9 % dat in overweging 191 van de voorlopige verordening wordt genoemd, te hoog was en niet representatief voor de verwerkende ondernemingen. Na ontvangst van de antwoorden op een aanvullende vragenlijst werd de gemiddelde winstgevendheid van alle medewerkende gebruikers opnieuw berekend en vastgesteld op 2 % van de omzet.
(95) Ook bleek dat de medewerkende gebruikers gemiddeld 44 % van hun aankopen van het betrokken product uit India betrokken en dat voor twee van hen India de enige voorzieningsbron was. De omzet van het product waarin het betrokken product werd opgenomen, bedroeg in het OT gemiddeld 14 % van de omzet van de medewerkende gebruikers.
(96) Uitgaande van het worst-casescenario voor de markt van de Unie, namelijk dat eventuele prijsstijgingen niet aan de distributieketen kunnen worden doorberekend en de gebruikers dezelfde hoeveelheden uit India blijven betrekken als voorheen, zou de instelling van het recht voor gebruikers tot gevolg hebben dat de winstgevendheid van activiteiten waarvoor het betrokken product wordt gebruikt, met gemiddeld 0,25 procentpunten afneemt tot 1,75 %.
(97) De Commissie erkent dat de gevolgen op individueel niveau groter zijn voor gebruikers die hun volledige invoer uit India betrekken. Dit betreft echter een relatief klein aantal (twee van de medewerkende gebruikers). Verder kan krachtens artikel 21 van de basisverordening om terugbetaling van de rechten worden verzocht als aan alle voorwaarden voor een dergelijke terugbetaling is voldaan. Daarvoor is wel de medewerking van de Indiase producent vereist.
(98) Enkele gebruikers gaven opnieuw uiting aan de zorg dat compenserende maatregelen gevolgen zouden hebben voor bepaalde typen draad die niet in Europa worden geproduceerd, namelijk typen van de zogeheten serie 200, zoals beschreven in overweging 194 van de voorlopige verordening. Volgens die gebruikers zouden die typen draad niet in de Unie worden geproduceerd omdat er in de Unie maar een beperkte vraag naar bestaat en het heel specifieke productieprocessen betreft.
(99) Uit het onderzoek is echter gebleken dat dergelijke typen draad van roestvrij staal wel degelijk door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd en een beperkt aandeel van de markt van de Unie vertegenwoordigen. Daarnaast zijn er voor gebruikers alternatieve voorzieningsbronnen in landen waartegen geen antidumping- of antisubsidiemaatregelen zijn ingesteld. Bovendien zal voor twee producenten-exporteurs in India een compenserend recht van 0 % gelden, waardoor de maatregelen geen aanzienlijke gevolgen zullen hebben voor leveringen van die producenten-exporteurs. Verder kunnen voor dezelfde doeleinden ook andere typen draad van roestvrij staal worden gebruikt. Vandaar dat het instellen van de maatregelen geen aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de markt van de Unie of voor deze gebruikers. Dit argument wordt derhalve afgewezen.
(100) Enkele gebruikers wezen erop dat voor de levering van het soortgelijk product door producenten in de Unie een langere leveringstijd geldt dan voor de levering van het betrokken product door producenten-exporteurs in India. Het feit dat handelaren een voorraad van de producten kunnen aanleggen en de producten snel beschikbaar kunnen zijn, doet evenwel geen afbreuk aan het feitelijk bewijs voor de negatieve gevolgen van de invoer met subsidiëring uit India. Dit argument wordt derhalve afgewezen.
(101) Gelet op het bovenstaande en ondanks het feit dat sommige gebruikers vermoedelijk meer negatieve gevolgen van de maatregelen tegen de invoer uit India zullen ondervinden dan andere, wordt aangenomen dat de markt van de Unie per saldo profijt zal hebben van de instelling van de maatregelen. Het is met name te verwachten dat het herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie de bedrijfstak van de Unie in staat zal stellen om de prijzen aan te passen aan de productiekosten; productie en werkgelegenheid in stand te houden; het verloren marktaandeel te heroveren en te profiteren van meer schaalvoordelen. Het zou de bedrijfstak in staat stellen om redelijke winstmarges te behalen die het mogelijk maken om op de middellange en lange termijn efficiënt te functioneren. Tegelijkertijd zal ook de algehele financiële situatie van de bedrijfstak worden verbeterd. Verder is uit het onderzoek gebleken dat de maatregelen in het algemeen maar beperkte negatieve gevolgen voor gebruikers en niet-verbonden importeurs zullen hebben. Derhalve wordt geconcludeerd dat de voordelen van de maatregelen de negatieve gevolgen voor gebruikers van het betrokken product op de markt van de Unie compenseren.
Belang van niet-verbonden importeurs
(102) Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 197, 198 en 199 van de voorlopige verordening bevestigd.
Conclusie inzake het belang van de Unie
(103) Gezien het bovenstaande worden de conclusies in de overwegingen 200 en 201 van de voorlopige verordening bevestigd.
DEFINITIEVE COMPENSERENDE MAATREGELEN Schademarge
(104) Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 203 tot en met 206 van de voorlopige verordening bevestigd.
Conclusie over de schademarge
(105) Omdat de definitieve subsidiemarge voor KEI Industries onder de de-minimisdrempel ligt (zie overweging 49 hierboven), is voor deze onderneming geen individuele schademarge berekend.
(106) De in de voorlopige verordening gebruikte berekeningsmethode wordt bevestigd.
Definitieve maatregelen
(107) Gelet op het bovenstaande moet overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening een definitief compenserend recht worden ingesteld dat hoog genoeg is om de door de invoer met subsidiëring veroorzaakte schade op te heffen, maar dat het niveau van de vastgestelde subsidiemarge niet mag overschrijden.
(108) Daarom zijn de compenserende rechten vastgesteld door de schademarges en de subsidiemarges met elkaar te vergelijken. Bijgevolg worden de volgende compenserende rechten voorgesteld: Onderneming Subsidiemarge Schademarge Compenserend recht Raajratna Metal Industries 3,7 % 17,2 % 3,7 % Venus Group 3,0 % 23,4 % 3,0 % Viraj Profiles Vpl. Ltd 0,9 % n.v.t. 0,0 % KEI Industries Limited 0,7 % n.v.t. 0,0 % Niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen 3,4 % 19,3 % 3,4 % Alle andere ondernemingen 3,7 % 23,4 % 3,7 %
(109) De in dit werkdocument vermelde compenserende rechten voor individuele ondernemingen zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van het onderhavige onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten gelden (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op alle andere ondernemingen) uitsluitend voor de invoer van producten van oorsprong uit India die vervaardigd zijn door de vermelde specifieke juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van dit werkdocument genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen. Op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor alle andere ondernemingen.
(110) Verzoeken in verband met de toepassing van individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening tot instelling van de definitieve compenserende rechten dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.
Definitieve inning van de voorlopige rechten
(111) Wegens de hoogte van de vastgestelde subsidiemarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige compenserende recht, definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Een definitief compenserend recht wordt ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende: momenteel ingedeeld onder de GN-codes 72230019 en 72230099 en van oorsprong uit India.
i) 2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat;
ii) minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat;
2. Het definitieve compenserende recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt: Onderneming Recht (%) Aanvullende Taric-code Raajratna Metal Industries, Ahmedabad, Gujarat 3,7 B775 Venus Wire Industries Pvt. Ltd, Mumbai, Maharashtra 3,0 B776 Precision Metals, Mumbai, Maharashtra 3,0 B777 Hindustan Inox Ltd, Mumbai, Maharashtra 3,0 B778 Sieves Manufacturer India Pvt. Ltd, Mumbai, Maharashtra 3,0 B779 Viraj Profiles Vpl. Ltd, Thane, Maharashtra 0,0 B780 Kei Industries Limited, New Delhi 0,0 B925 In de bijlage opgenomen ondernemingen 3,4 Alle andere ondernemingen 3,7 B999
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
De bedragen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 419/2013 als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige compenserende rechten die zijn ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende: momenteel ingedeeld onder de GN-codes 72230019 en 72230099 en van oorsprong uit India, worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het definitieve bedrag van het compenserend recht overschrijden, worden vrijgegeven.
i) 2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat;
ii) minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat;
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 2 september 2013. Voor de Raad De voorzitter L. Linkevičius
ANNEX
BIJLAGE NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEDEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS IN INDIA
Naam van de onderneming Plaats Aanvullende Taric-code Bekaert Mukand Wire Industries Lonand, Tal. Khandala, Satara District, Maharastra B781 Bhansali Bright Bars Pvt. Ltd Mumbai, Maharashtra B781 Bhansali Stainless Wire Mumbai, Maharashtra B781 Chandan Steel Mumbai, Maharashtra B781 Drawmet Wires Bhiwadi, Rajastan B781 Garg Inox Ltd Bahadurgarh, Haryana B931 Jyoti Steel Industries Ltd Mumbai, Maharashtra B781 Macro Bars and Wires Mumbai, Maharashtra B932 Mukand Ltd Thane B781 Nevatia Steel & Alloys Pvt. Ltd Mumbai, Maharashtra B933 Panchmahal Steel Ltd Dist. Panchmahals, Gujarat B781