Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/709 van de Commissie van 26 januari 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden voor de toepassing van de afwijkingen voor valuta's met beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheid van liquide activa (Voor de EER relevante tekst)
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2016/709@2016-01-26/nl
Contents
- Preamble
- Artikel 1 Onderwerp
- Artikel 2 Kennisgeving van de afwijking
- Artikel 3 Beoordeling van de gerechtvaardigde behoeften
- Artikel 4 Toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013
- Artikel 5 Toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013
- Artikel 6 Vergoeding voor een toegekende kredietlijn
- Artikel 7 Beperking van het gebruik van afwijkingen
- Artikel 8 Slotbepalingen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, en met name artikel 419, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Het Bazels Comité voor bankentoezicht heeft internationale normen vastgesteld voor de liquiditeitsdekkingsratio en voor monitoringinstrumenten voor het liquiditeitsrisico (BCBS-normen).
(2) Om ervoor te zorgen dat de BCBS-normen worden gevolgd en een doeltreffend toezicht op en een doeltreffende toepassing van de afwijkingen in het kader van artikel 419, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en een doeltreffende monitoring van de naleving door de instellingen van de voor deze afwijkingen geldende eisen gewaarborgd zijn, moeten de instellingen die deze afwijkingen willen toepassen of een materiële wijziging in de toepassing van deze afwijkingen willen doorvoeren, de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis stellen.
(3) De BCBS-normen bevatten een aantal leidende beginselen voor toezichthouders in rechtsgebieden met onvoldoende hoogwaardige liquide activa. Overeenkomstig beginsel 3 van deze leidende beginselen voor toezichthouders moeten instellingen, om aan te tonen dat er sprake is van gerechtvaardigde behoeften, vóór de toepassing van een afwijking redelijke, haalbare stappen zetten om ervoor te zorgen dat hoogwaardige liquide activa worden gebruikt, en moeten zij hun algehele liquiditeitsrisico beperken met het oog op een betere naleving van het liquiditeitsdekkingsvereiste.
(4) Overeenkomstig de beginselen 1 en 4 van de leidende beginselen voor toezichthouders zoals vastgelegd in de BCBS-normen, moet ervoor worden gezorgd dat instellingen de afwijkingen niet als een economische keuzemogelijkheid toepassen waarmee hun winsten worden gemaximaliseerd door een selectie van alternatieve hoogwaardige liquide activa die primair op rendementsoverwegingen berust. Overeenkomstig die beginselen moet ook een beperkingsmechanisme voor het gebruik van de afwijkingen worden vastgesteld om het gevaar van niet-presteren van de alternatieve activa te limiteren. Rekening houdend met de BCBS-normen moeten voorts passende reductiefactoren worden vastgesteld bij toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en moeten voorschriften worden vastgesteld voor de vergoeding bij toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van die verordening. Wat de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreft, moet de vergoeding uit twee elementen bestaan die waarborgen dat een instelling een billijke prijs voor een kredietlijn van een centrale bank betaalt. Het eerste element moet het hogere rendement op de ter dekking van de kredietlijn aangehouden activa neutraliseren, zodat in de prijszetting rekening wordt gehouden met de baten die ongeacht het daadwerkelijk opgenomen bedrag worden genoten. Het tweede element moet afhangen van het opgenomen bedrag van de kredietlijn.
(5) Overeenkomstig beginsel 2 van de leidende beginselen voor toezichthouders zoals vastgelegd in de BCBS-normen, moet het gebruik van de afwijkingen voor alle instellingen met blootstellingen in de betrokken valuta worden beperkt. Krachtens artikel 419, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten de afwijkingen omgekeerd evenredig met de beschikbaarheid van de betrokken activa worden toegepast. Om die redenen moet het gebruik van de afwijkingen beperkt blijven tot een percentage van de nettoliquiditeitsuitstromen van een kredietinstelling in de betrokken valuta dat overeenkomt met het relevante tekort aan liquide activa in die valuta.
(6) Deze verordening is gebaseerd op de technische ontwerpreguleringsnormen die door de Europese Bankautoriteit (EBA) bij de Commissie zijn ingediend.
(7) De EBA heeft openbare raadplegingen gehouden over de technische ontwerpreguleringsnormen waarop deze verordening gebaseerd is, de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen.
(8) Overeenkomstig de procedure van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 heeft de Commissie de ontwerpreguleringsnorm van de EBA in geamendeerde vorm bekrachtigd na het ontwerp eerst te hebben teruggezonden naar de EBA met een toelichting op de redenen voor de amendementen. De EBA heeft een formeel advies uitgebracht waarin deze amendementen zijn overgenomen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1 Onderwerp
In deze verordening wordt nadere invulling gegeven aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 419, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde afwijkingen voor valuta's met beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheid van liquide activa
Artikel 2 Kennisgeving van de afwijking
1. Een kredietinstelling stelt de bevoegde autoriteit in kennis van haar voornemen om één of beide afwijkingen in het kader van artikel 419, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toe te passen. De kennisgeving wordt dertig dagen vóór de datum van eerste toepassing van de afwijking schriftelijk gedaan. Wanneer een instelling een materiële wijziging wil doorvoeren in haar toepassing van de afwijking(en) als gemeld overeenkomstig de eerste alinea, dan stelt zij de bevoegde autoriteit dertig dagen vóór de datum van eerste toepassing van een dergelijke wijziging daarvan in kennis. In uitzonderlijke omstandigheden, waarin het door onverwachte marktontwikkelingen, idiosyncratische gebeurtenissen of andere factoren waarover de instelling geen controle heeft, niet mogelijk is om de bevoegde autoriteiten dertig dagen vóór de eerste toepassing van een materiële wijziging in kennis te stellen van die wijziging, zenden de instellingen vóór de toepassing van een materiële wijziging een voorlopige kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten toe. De voorlopige kennisgeving bevat een beschrijving van de aard van de materiële wijziging met vermelding van de mate waarin de beoogde afwijking wordt toegepast, uitgedrukt in een percentage van de liquide activa die een instelling moet aanhouden om aan haar liquiditeitsdekkingsvereiste te voldoen. Op de voorlopige kennisgeving volgt binnen dertig dagen na de eerste toepassing van de afwijking een kennisgeving die met de tweede alinea in overeenstemming is. De instellingen delen de bevoegde autoriteiten jaarlijks mee of zij de overeenkomstig de eerste alinea gemelde afwijking willen blijven toepassen.
2. In de in lid 1, eerste alinea, bedoelde kennisgeving wordt:
a) aangegeven of de kennisgeving betrekking heeft op de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of op de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van die verordening of op beide;
b) bevestigd dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 419, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan artikel 3 van de onderhavige verordening;
c) indien de kennisgeving betrekking heeft op de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, bevestigd dat aan artikel 4 van de onderhavige verordening is voldaan;
d) indien de kennisgeving betrekking heeft op de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, bevestigd dat aan de artikelen 5 en 6 van de onderhavige verordening is voldaan;
e) een raming gegeven van de toekomstige toepassing door de instelling van de afwijking(en): de toe te passen afwijking, uitgedrukt in een percentage en de variatie ervan in de tijd, alsmede een vergelijking tussen enerzijds de liquiditeitspositie van de instelling bij toepassing van de afwijking(en) in het kader van artikel 419, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en anderzijds haar liquiditeitspositie zonder toepassing van de afwijking(en) in het kader van dat artikel.
Artikel 3 Beoordeling van de gerechtvaardigde behoeften
Een instelling wordt alleen geacht gerechtvaardigde behoeften aan liquide activa in de zin van artikel 419, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te hebben wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de instelling heeft met een solide liquiditeitenbeheer de behoefte aan liquide activa in het gehele door haar uitgeoefende bedrijf beperkt;
b) de door haar aangehouden liquide activa zijn consistent met de beschikbaarheid van die activa in de betrokken valuta.
Artikel 4 Toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013
1. Een instelling zet alle redelijke stappen om aan het liquiditeitsdekkingsvereiste van artikel 412 van Verordening (EU) nr. 575/2013 te voldoen, voordat zij de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van die verordening toepast.
2. Een instelling zorgt ervoor dat zij de liquide activa die worden gebruikt om aan de liquiditeitsdekkingsvereisten voor de buitenlandse valuta te voldoen, en de liquide activa die worden aangehouden als gevolg van de toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, te allen tijde operationeel kan identificeren.
3. Een instelling zorgt ervoor dat haar beheerskader voor het wisselkoersrisico aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) valutamismatches als gevolg van het gebruik van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden adequaat gemeten, gemonitord, gecontroleerd en verantwoord;
b) liquide activa die niet consistent zijn met de verdeling naar valuta van liquiditeitsuitstromen na aftrek van instromen, kunnen in de valuta van de lidstaat van de ter zake bevoegde autoriteit worden geliquideerd wanneer zulks noodzakelijk is;
c) historische gegevens over stressperioden staven de conclusie dat de instelling in staat is om de onder b) bedoelde activa terstond te liquideren.
4. Een instelling die liquide activa in een andere valuta dan de valuta van de lidstaat van de ter zake bevoegde autoriteit gebruikt voor de dekking van liquiditeitsbehoeften in de laatstbedoelde valuta, past een reductiefactor van 8 % op de waarde van die activa toe, naast reductiefactoren die overeenkomstig artikel 418 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden toegepast. Wanneer de liquide activa luiden in een valuta die niet actief op mondiale wisselkoersmarkten wordt verhandeld, bedraagt de extra reductiefactor de hoogste van de volgende waarden: 8 % of de grootste maandelijkse wisselkoersbeweging tussen beide munten in de tien jaar vóór de relevante referentiedatum voor de rapportage. Wanneer de valuta van de lidstaat van de ter zake bevoegde autoriteit formeel gekoppeld is aan een andere valuta in het kader van een mechanisme waarin de centrale banken van beide valuta's de koppeling van de wisselkoers moeten ondersteunen, mag de instelling een reductiefactor toepassen die gelijk is aan de bandbreedte waarbinnen de wisselkoers mag fluctueren.
Artikel 5 Toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013
1. Een instelling zet alle redelijke stappen om aan het liquiditeitsdekkingsvereiste van artikel 412 van Verordening (EU) nr. 575/2013 te voldoen, voordat zij de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van die verordening toepast.
2. Een instelling verkrijgt bij de centrale bank voor de valuta met beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheid van liquide activa een kredietlijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) in de kredietlijn is vastgelegd dat de instelling een juridisch bindend recht op toegang tot de kredietfaciliteiten heeft; dat recht is in een schriftelijke overeenkomst verankerd;
b) na het besluit tot toekenning van een kredietlijn is voor de toegang tot de kredietfaciliteiten geen kredietbesluit van de centrale bank nodig;
c) de kredietinstelling kan de kredietfaciliteiten onverwijld en uiterlijk één dag na kennisgeving aan de centrale bank aanspreken;
d) de kredietlijn is te allen tijde beschikbaar voor een periode die langer is dan de periode van dertig dagen die in artikel 412, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in het kader van het liquiditeitsdekkingsvereiste is vastgesteld.
3. Een instelling stort bij de centrale bank ten volle zekerheden die na de toepassing door de centrale bank van een reductiefactor te allen tijde gelijk zijn aan of groter zijn dan het maximumbedrag dat in de kredietlijn kan worden opgenomen.
Artikel 6 Vergoeding voor een toegekende kredietlijn
1. Een instelling betaalt een door de centrale bank vastgestelde vergoeding. De vergoeding voor de in artikel 5, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde kredietlijn bestaat uit twee componenten en zorgt ervoor dat uit de toepassing van de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 geen economisch voordeel of nadeel voortvloeit ten opzichte van instellingen die de afwijking niet toepassen.
2. De vergoeding die een instelling voor de kredietlijn betaalt, is de som van de volgende componenten: Het in de eerste alinea, onder b), bedoelde bedrag kan worden gecorrigeerd voor materiële verschillen in kredietrisico tussen de in dat punt bedoelde reeksen activa.
a) een bedrag dat van het opgenomen bedrag van de kredietlijn afhangt;
b) een bedrag dat het verschil tussen de volgende twee elementen benadert:
i) het rendement op de activa die ter dekking van de kredietlijn zijn gebruikt;
ii) het rendement op een representatieve portefeuille van de categorieën activa als genoemd in artikel 416, lid 1, onder a) tot en met d), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
Artikel 7 Beperking van het gebruik van afwijkingen
1. Bij de toepassing van de afwijkingen in het kader van artikel 419, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen de instellingen het relevante percentage dat in de technische uitvoeringsnormen uit hoofde van artikel 419, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor een valuta is vastgesteld, niet overschrijden.
2. Voor de toepassing van lid 1 berekenen de instellingen bij de toepassing van de afwijkingen in het kader van artikel 419, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 het percentage als het procentuele aandeel van X in Y, waarbij:
a) X de som van de waarde van alle liquide activa is waarop de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is, na de toepassing van reductiefactoren, plus het maximumbedrag dat mag worden opgenomen in een kredietlijn waarop de afwijking in het kader van artikel 419, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is;
b) Y het bedrag van de liquide activa is die een instelling moet aanhouden om aan haar liquiditeitsdekkingsvereiste uit hoofde van artikel 412 van Verordening (EU) nr. 575/2013 te voldoen.
Artikel 8 Slotbepalingen
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 26 januari 2016. Voor de Commissie De voorzitter Jean-Claude Juncker