Besluit van de Commissie (EU) 2019/2140 van 21 oktober 2019 betreffende steunmaatregel SA.52194 — 2019/C (ex 2018/FC) — Slowaakse Republiek — Slowaakse omzetbelasting op de detailhandel (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 7474) (Slechts de tekst in de Slowaakse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2019/2140@2019-10-21/nl
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt: PROCEDURE
(1) Op 13 december 2018 heeft het Slowaakse parlement de wet betreffende de bijzondere heffing op detailhandelsketens (de wet betreffende de belasting op de detailhandel) aangenomen, waarbij een belasting wordt ingevoerd op de omzet van detailhandelaren die voeding aan eindverbruikers verkopen (de belasting op de detailhandel). De wet betreffende de belasting op de detailhandel is op 1 januari 2019 in werking getreden. De eerste periode waarover de belasting verschuldigd was, was januari-maart 2019, waarbij de belasting uiterlijk eind april moest worden betaald.
(2) De Commissie kreeg kennis van de belasting op de detailhandel door marktinformatie die zij vanaf oktober 2018 heeft ontvangen. Op 21 december 2018 heeft de Commissie een klacht ontvangen waarin werd betoogd dat vrijstellingen van de belasting op grond van de wet betreffende de belasting op de detailhandel neerkwamen op staatssteun aan bepaalde detailhandelaren.
(3) Op 11 januari 2019 hebben de diensten van de Commissie Slowakije een brief gestuurd waarin zij om informatie over de belasting op de detailhandel verzochten. Op 22 januari 2019 hebben de diensten van de Commissie de klacht aan de Slowakije doorgestuurd om het land in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken.
(4) Op 7 februari 2019 heeft de Commissie het antwoord van Slowakije op haar brief van 11 januari 2019 en de opmerkingen van Slowakije naar aanleiding van de klacht ontvangen.
(5) Op 13 februari 2019 hebben de diensten van de Commissie een brief aan Slowakije gestuurd waarin zij hun voorlopige standpunt in deze zaak uiteenzetten, Slowakije ervan in kennis stellen dat de Commissie overweegt een opschortingsbevel uit te vaardigen overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad, en Slowakije de gelegenheid geven opmerkingen in te dienen.
(6) Op 5 maart 2019 heeft Slowakije geantwoord op de brief van de Commissie van 13 februari 2019.
(7) Bij brief van 2 april 2019 heeft de Commissie Slowakije ervan in kennis gesteld dat zij had besloten ten aanzien van de bij de wet betreffende de belasting op de detailhandel ingevoerde maatregel de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in te leiden (het inleidingsbesluit). De Commissie gaf voorts bevel tot onmiddellijke opschorting van de maatregel overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2015/1589.
(8) Het inleidingsbesluit is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de steunmaatregel te maken.
(9) Bij brief van 13 mei 2019 heeft Slowakije opmerkingen over het inleidingsbesluit ingediend en de Commissie meegedeeld dat de wet betreffende de belasting op de detailhandel was ingetrokken.
(10) Naar aanleiding van de op 13 mei 2019 door Slowakije ingediende informatie hebben de diensten van de Commissie Slowakije bij brief van 29 mei 2019 om aanvullende informatie over de juridische status van de wet betreffende de belasting op de detailhandel verzocht. Op 10 juni 2019 heeft Slowakije zijn antwoord bij de Commissie ingediend.
(11) De Commissie heeft ten aanzien van het inleidingsbesluit geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen.
BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL
(12) Bij de wet betreffende de belasting op de detailhandel werd een belasting met de volgende hoofdkenmerken ingevoerd:
(12) a)
het tarief van de belasting is 2,5 % op de netto-omzet van detailhandelaren die voeding verkopen (dus inclusief verkopen van andere artikelen dan voeding);
b)
als ten minste 25 % van hun omzet wordt gegenereerd door de verkoop van voeding aan eindverbruikers;
c)
als zij actief zijn in ten minste 15 % van de Slowaakse administratieve districten;
d)
de leden/aangesloten ondernemingen van franchiseketens en handelsallianties worden als afzonderlijke belastingplichtigen behandeld bij de beoordeling of aan de voorwaarden voor de toepassing van de belasting op de detailhandel is voldaan;
e)
de volgende detailhandelaren zijn van de belasting vrijgesteld:
1) kleine en middelgrote ondernemingen zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie;
2) faciliteiten voor collectieve catering;
3) detailhandelaren die voedingsproducent (of bij een voedingsproducent aangesloten) zijn, wanneer ten minste 80 % van hun netto-omzet voortkomt uit de verkoop van de door hen geproduceerde voeding aan eindverbruikers;
4) detailhandelaren bij wie ten minste 80 % van hun omzet uit de verkoop van voeding van één categorie voortkomt;
5) detailhandelaren bij wie de verschuldigde belasting niet meer dan 5000 EUR per kwartaal bedraagt;
f)
de belastinggrondslag omvat niet de netto-omzet van de detailhandelszaken die zijn gevestigd in:
1) de minst ontwikkelde districten in Slowakije en die ten hoogste 10 werknemers hebben;
2) gemeenten met niet meer dan drie handelszaken die voeding aan eindverbruikers verkopen.
(13) Volgens de wet betreffende de belasting op de detailhandel zal het ministerie van Landbouw de netto-opbrengst van de belasting op de detailhandel met name gebruiken om de landbouw- en de levensmiddelensector te steunen. De netto-opbrengst is het verschil tussen a) de ontvangsten uit de belasting op de detailhandel en b) het bedrag aan vennootschapsbelasting dat wordt gederfd als gevolg van de aftrek van de belasting op de detailhandel.
INTREKKING VAN DE MAATREGEL
(14) Bij brief van 13 mei 2019 heeft Slowakije de Commissie meegedeeld dat de wet betreffende de belasting op de detailhandel was ingetrokken bij Wet nr. 88/2019 van 9 april 2019 (de intrekkingswet) (zie overweging 9). Slowakije heeft derhalve te kennen gegeven dat het door de Commissie ingeleide formele onderzoek niet langer relevant was.
(15) In antwoord op een verzoek om nadere informatie heeft Slowakije de Commissie bij brief van 10 juni 2019 meegedeeld dat de wet betreffende de belasting op de detailhandel niet met terugwerkende kracht is ingetrokken, omdat een fundamenteel rechtsbeginsel in Slowakije verbiedt dat belastingwetgeving met terugwerkende kracht van toepassing is. De intrekkingswet trad op 9 april 2019 in werking, en de wet betreffende de belasting op de detailhandel werd met ingang van die datum ingetrokken.
(16) Voorts heeft Slowakije op verzoek van de diensten van de Commissie meegedeeld dat entiteiten waarop de ingetrokken wet betreffende de belasting op de detailhandel van toepassing was toen zij van kracht was, niet verplicht waren de belasting op de detailhandel te betalen en dat Slowakije niet het recht had om de betaling van deze belasting af te dwingen. Tot slot heeft Slowakije bevestigd dat geen enkele entiteit de belasting op de detailhandel heeft betaald.
(17) De wet betreffende de belasting op de detailhandel is volgens de door Slowakije verstrekte informatie dus ingetrokken en heeft niet geleid tot enige betaling van de belasting of tot het ontstaan van enige belastingschuld voor de periode waarin zij van kracht was.
(18) Gezien de intrekking van de wet betreffende de belasting op de detailhandel door Slowakije heeft de formele onderzoeksprocedure die ten aanzien van de steunmaatregel op grond van die wet is ingeleid, geen voorwerp meer.
CONCLUSIE
(19) De procedure van artikel 108, lid 2, VWEU heeft als gevolg van de intrekking van de wet betreffende de belasting op de detailhandel door Slowakije geen voorwerp meer en dient te worden beëindigd,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Als gevolg van de intrekking van de wet betreffende de belasting op de detailhandel door de Slowaakse Republiek heeft de op 2 april 2019 ingeleide formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geen voorwerp meer en wordt derhalve beëindigd.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Slowaakse Republiek
Gedaan te Brussel, 21 oktober 2019. Voor de Commissie Margrethe Vestager Lid van de Commissie