Besluit (EU) 2019/767 van de Commissie van 31 juli 2018 betreffende steunmaatregel SA.36511 (2014/C) (ex 2013/NN) die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd door middel van maximering van de CSPE (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 4975) (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2019/767@2018-07-31/nl
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben verzocht hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt: PROCEDURE
(1) Na inleidende contacten in de loop van 2013 met de diensten van de Commissie heeft Frankrijk op 11 oktober 2013 kennisgeving gedaan van zijn steunregeling voor windenergie aan land, die op die datum gefinancierd werd met een belasting op elektriciteit, de zogenaamde contribution au service public de l'électricité (hierna CSPE genoemd).
(2) Daar de regeling op het moment van de kennisgeving al van kracht was, is het dossier op 29 november 2013 ingeschreven in het register van niet-aangemelde steunmaatregelen.
(3) Bij brief van 27 maart 2014 heeft de Commissie Frankrijk meegedeeld dat zij geen bezwaar had tegen de steun voor windenergie aan land, maar wel betwijfelde of de CSPE-kortingen die aan verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit, grootverbruikers van elektriciteit en elektriciteitsintensieve verbruikers waren verleend, verenigbaar waren met de interne markt. Derhalve heeft de Commissie Frankrijk in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van deze CSPE-kortingen de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna VWEU genoemd) in te leiden.
(4) Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure (hierna het inleidingsbesluit genoemd) is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen te maken over de desbetreffende maatregelen en over een eventuele toepassing van de richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor de periode 2014-2020 (hierna de richtsnoeren van 2014 genoemd) op de CSPE-kortingen in kwestie.
(5) De Commissie heeft van vijf belanghebbenden opmerkingen ter zake ontvangen. i) Air Liquide, bij brief van 3 november 2014; ii) EDF, bij brief van 17 november 2014; iii) de RATP, bij brief van 2 december 2014; iv) de SNCF, bij brief van 3 december 2014, en v) de Union des Industries Utilisatrices d'Energie (UNIDEN), bij brief van 3 november 2014. Deze opmerkingen hadden ten eerste betrekking op de vraag of er sprake was van staatssteun en ten tweede op de vraag of de maatregelen verenigbaar waren met het VWEU enerzijds, en de richtsnoeren van 2014 anderzijds.
(6) Frankrijk heeft zijn opmerkingen op 5 mei 2014 kenbaar gemaakt in een nota, die op 22 oktober 2015 is aangevuld met een brief. Na de verschillende CSPE-kortingen te hebben herhaald, voerde Frankrijk in die correspondentie om te beginnen aan dat de aan zelfopwekkers verleende CSPE-kortingen geen staatssteun waren. Verder was Frankrijk van mening dat het CSPE-maximum per locatie en het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde verenigbaar waren met de regels inzake staatssteun.
(7) In de loop van de formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie zeven keer om inlichtingen verzocht, tussen 21 augustus 2014 en 27 oktober 2017. De Franse autoriteiten hebben tussen 7 mei 2014 en 12 december 2017 elf nota's en documenten met informatie gestuurd. Deze informatie-uitwisselingen hadden betrekking op i) de verduidelijking van de overgemaakte CSPE-bedragen en de kortingen die waren verleend aan bepaalde categorieën begunstigden, ii) de kwalificatie van de maatregelen als staatssteun en de juridische analyse van de overeenstemming van die maatregelen met de regels inzake staatssteun, en iii) de indiening van een aanpassingsplan om de verleende CSPE-kortingen terug te brengen tot een niveau dat verenigbaar is met de geldende regels inzake staatssteun. Het eerste aanpassingsplan is ingediend in de nota van 4 november 2014. De definitieve versie van dat plan is ingediend in de nota van 23 november 2017.
BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN
(8) In dit deel wordt achtereenvolgens ingegaan op de CSPE en de voor de periode 2003-2015 toegekende CSPE-kortingen, waarop dit besluit betrekking heeft.
Uiteenzetting van de CSPE
(9) De CSPE is ingevoerd bij wet nr. 2003-8 van 3 januari 2003 betreffende de gas- en elektriciteitsmarkt en de openbare dienstverlening voor energie (hierna wet nr. 2003-8 genoemd). De in dit besluit beschreven regeling is de regeling die gold vóór de hervorming van de CSPE in 2016, zoals ingevoerd bij de wijzigingswet inzake financiën voor 2015, nr. 2015-1786 van 29 december 2015 (LFR 2015).
(10) De CSPE is bedoeld als vergoeding van de meerkosten verbonden aan de lasten van de openbare dienstverlening voor elektriciteit door de traditionele elektriciteitsleveranciers (EDF en de lokale distributiebedrijven). Die meerkosten vloeien hoofdzakelijk voort uit de financiering van vier soorten beleidsmaatregelen:
(10) a)
ze zijn ten eerste het gevolg van de verplichting voor EDF of de lokale distributiebedrijven om elektriciteit af te nemen die door bepaalde types installaties is opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen (zoals windenergie en zonne-energie). Dit deel vertegenwoordigt 39 % van de geïnde CSPE over de gehele periode waarin de maatregelen van kracht waren, namelijk 2003-2015;
b)
ze komen overeen met de financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, te weten 25 % van de geïnde CSPE over de periode 2003-2015. In zijn nota van 20 december 2016 heeft Frankrijk aangegeven dat de CSPE alleen bedoeld was voor financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling. In die nota heeft Frankrijk aangegeven dat deze steun enerzijds vorm kreeg in een tussen 1997 en 2001 ingevoerde regeling houdende een afnameovereenkomst bij warmte-krachtkoppelingsinstallaties met een energierendement van meer dan 65 %, en anderzijds in steun, vanaf 2013, aan hoogrenderende warmte-krachtkoppelingsinstallaties op aardgas met een rendement van meer dan 12 mw;
c)
ze zijn het gevolg van de vergoeding aan elektriciteitsproducenten in geïsoleerde gebieden (Corsica of overzeese departementen), opdat die geen hogere kosten van opwekking aan de eindverbruiker van elektriciteit doorberekenen dan producenten in continentaal Frankrijk, waar de kosten van opwekking wegens de invloed van kernenergie verhoudingsgewijs lager zijn. Deze post vertegenwoordigt 31 % van de in totaal geïnde CSPE over de gehele beschouwde periode 2003-2015. Dit systeem om in Corsica en de overzeese departementen tarieven voor elektriciteit te handhaven die gelijk zijn aan de tarieven die in continentaal Frankrijk van toepassing zijn, wordt ook wel aangeduid met de benaming tariefnivellering;
d)
ze ontstaan voor 3 % als gevolg van de invoering van het sociaal tarief voor de zogenaamde eerste levensbehoefte, net als een deel van de kosten die door elektriciteitsleveranciers worden gedragen wegens hun financiële bijdrage aan de regeling voor personen die in een onzekere situatie verkeren.
(11) De Commissie wijst erop dat er naast deze met de CSPE gefinancierde beleidsmaatregelen nog andere beleidsmaatregelen met de CSPE worden gefinancierd, zij het in mindere mate. Die maatregelen maken minder dan 2 % van de geïnde CSPE uit. De voornaamste hiervan zijn:
(11)
1. de steun die tussen 2003 en 2015 is toegekend aan installaties die elektriciteit opwekken uit de verbranding van huisvuil. EDF en de lokale distributiebedrijven waren toen verplicht om tegen een bij ministerieel besluit vastgesteld tarief elektriciteit uit deze installaties af te nemen. De meerkosten die deze exploitanten daardoor droegen, werden vergoed uit de CSPE. Frankrijk heeft daarbij in aanmerking genomen dat het aandeel hernieuwbare energie dat door deze installaties wordt opgewekt 50 % bedraagt, overeenkomstig de regels voor energiestatistieken van het IEA en Eurostat;
2. de steun voor installaties die in piekperioden bijdragen aan de voorzieningszekerheid. Deze installaties werken voornamelijk op diesel en zijn in de jaren negentig gebouwd. Ze worden gedurende een beperkt aantal uren ingezet naargelang de behoeften van het elektriciteitssysteem;
3. de steun voor verschillende maatregelen (221 miljoen EUR over de periode 2003-2015), namelijk ten eerste de financiering van zogenaamde vermogensgarantieovereenkomsten om onafhankelijke productie te stimuleren (elektriciteitscentrales met een vermogen van minder dan 8000 kVA, centrales die bedoeld zijn om de calorische waarde van stadsafval te benutten), die door Frankrijk van bijkomend nut voor de openbare dienstverlening voor elektriciteit geacht worden. Ten tweede, de financiering van overeenkomsten met verschillende producenten voor afname van hun productie.
(12) Schommelingen in de geïnde CSPE-bedragen - 2003/2015
Artikel L121-7 van het energiewetboek (Code de l'Énergie) bepaalt dat de lasten die toerekenbaar zijn aan taken van openbare dienstverlening voor elektriciteit vergoed worden uit de bijdragen die zijn verschuldigd door de eindverbruikers van elektriciteit die op het nationale grondgebied verblijven. Al deze componenten samen vormen dus de meerkosten voor Franse verbruikers. De bijdrage wordt betaald door alle eindverbruikers van elektriciteit, daaronder begrepen zelfopwekkers, naar verhouding van het verbruik in kWh (kilowattuur). Tussen 2003 en 2015 heeft de CSPE zich als volgt ontwikkeld: Bron: verslag Cour des Comptes 2017. (in EUR/MWh) 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 CSPE 3,0 3,3 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 4,5 9,0 10,5 13,5 16,5 19,5
(13) De bijdragen van de in aanmerking komende eindverbruikers, die hun rechten hebben uitgeoefend op grond van punt III van artikel 22 van wet nr. 2000-108 van 10 februari 2000 betreffende de modernisering en ontwikkeling van de openbare dienstverlening voor elektriciteit (hierna wet nr. 2000-108 genoemd), en die via het openbaar transportnetwerk of door een openbaar distributienetwerk van stroom worden voorzien, worden geïnd door de exploitant die belast is met het beheer van het netwerk waarop die verbruikers zijn aangesloten, in de vorm van een extra heffing op het gebruikstarief van het netwerk.
(14) De door die exploitant geïnde bijdragen worden via de Caisse des dépôts et consignations overgemaakt aan de exploitanten die de lasten van de openbare dienstverlening dragen. De Caisse des dépôts et consignations maakt die bijdragen viermaal per jaar over aan de exploitanten die de lasten dragen waarvoor de geïnde bedragen bedoeld zijn. Elk jaar op 1 januari maakt de CDC aan de nationale energieombudsman een bedrag over dat gelijk is aan zijn begroting.
(15) De Caisse des dépôts et consignations legt deze verschillende transacties vast in een aparte rekening. De beheerskosten van de Caisse des dépôts et consignations worden elk jaar vastgesteld door de ministers die bevoegd zijn voor economie en energie. Wanneer het totale bedrag van de geïnde bijdragen niet overeenkomt met het vastgestelde bedrag van de lasten van het boekjaar, wordt het tekort het daaropvolgende jaar geregulariseerd via de bijdragen die voor dat jaar verschuldigd zijn. Indien de voor een bepaald jaar verschuldigde bijdragen niet in dat jaar kunnen worden geïnd, worden ze toegevoegd aan de bijdragen die verschuldigd zijn voor het jaar daarop.
(16) De Commission de régulation de l'énergie (afgekort CRE) evalueert elk jaar in haar jaarverslag de werking van de regeling betreffende de lasten van de openbare dienstverlening voor elektriciteit. Decreet nr. 2004-90, zoals gewijzigd (decreet nr. 2004-90 van 28 januari 2004 betreffende vergoeding van de lasten van de openbare dienstverlening voor elektriciteit) regelt de werking van de vergoeding: elk jaar vóór 15 oktober dient de CRE bij de minister van energie een kostenraming voor het volgende jaar in, evenals de benodigde bijdrage per in Frankrijk verbruikte eenheid (kWh) om die kosten te financieren. Het voorstel van de CRE wordt opgesteld op basis van de definitieve kostenopgave van het vorige jaar (N – 1) en de voorlopige kostenopgave voor het volgende jaar (N + 1). De opgaven worden opgesteld door de exploitanten die de kosten dragen. Zoals uitgelegd in de overwegingen 14 en 15, wordt de inning centraal uitgevoerd door de Caisse des dépôts et consignations.
(17) De CRE controleert de werkelijke kosten. De kosten die verband houden met de steun voor hernieuwbare energie zijn gelijk aan het verschil tussen het steunbedrag en de marktprijs die de afnameplichtige exploitanten voor die energie hebben gekregen. De marktprijs dient aldus als ijkpunt om de hoogte van de vergoeding te bepalen. De CRE heeft aangegeven volgens welke methode die marktprijs wordt vastgesteld. Als marktprijs wordt niet de werkelijke marktprijs die de afnameplichtige exploitant heeft gekregen gehanteerd, maar een referentiewaarde die wordt vastgesteld aan de hand van verschillende parameters die het gedrag van een succesvolle marktdeelnemer zo goed mogelijk weerspiegelen (prijs op de termijnmarkt en spotprijs met verschillende wegingen afhankelijk van de productiewijze, prijs op de dagmarkt, prijs voor verrekening van onbalans in het net), om de afnameplichtige exploitant te stimuleren goede resultaten te behalen.
(18) Onverminderd de toepassing van de sancties waarin de wet voorziet indien de bijdrage niet of onvolledig wordt betaald binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop zij is verschuldigd, stuurt de CRE een aanmaning met een vertragingsboete ter hoogte van 10 % van het bedrag van de verschuldigde bijdrage. Als ten slotte de betaling van de voorziene bijdragen door een betalingsplichtige uitblijft, legt de minister van energie een administratieve sanctie op volgens de voorwaarden van dat artikel 41.
(19) Door EDF uit hoofde van de CSPE geïnde bedragen
Tussen 2003 en 2015 is door de netwerkexploitant 36,9 miljard EUR aan CSPE geïnd. Dat bedrag is als volgt onderverdeeld: Bron: nota van de Franse autoriteiten aan de diensten van de Commissie van 20 december 2016. (in miljoen EUR) Hernieuwbare energie Warmte-krachtkoppeling Tariefnivellering Sociale tarieven Diversen Totaal 2003 129 689 332 0 69 1219 2004 261 835 470 0 89 1655 2005 186 810 501 98 99 1694 2006 72 944 540 49 66 1671 2007 (5) 560 921 (12) 2 1466 2008 121 488 995 49 41 1694 2009 293 499 780 42 42 1656 2010 411 769 678 57 21 1936 2011 1231 784 767 32 68 2882 2012 1724 741 1063 70 29 3627 2013 2667 823 1462 134 60 5146 2014 3286 545 1495 251 46 5623 2015 4057 626 1618 304 58 6663 14433 9113 11622 1074 690 36932
(20) Tussen 2003 en 2015 heeft de samenstelling van de CSPE zich als volgt ontwikkeld: Her-nieuwbare energie Warmte-krachtkoppeling SchommelingCSPE — 2003-2015 In miljard EUR Overig Sociale tarieven Tariefnivellering 2015 2014 2013 2012 2011 2010 2009 2008 2007 2006 2005 2004 2003 Bron: Nota van Frankrijk van 20 december 2016.
CSPE-kortingen
(21) De wet kent drie soorten CSPE-kortingen voor bepaalde verbruikers. Die kortingen zijn cumuleerbaar en worden hierna uiteengezet:
(21) a)
voor industriële klanten die meer dan 7 GWh verbruiken, is de bijdrage gemaximeerd op 0,5 % van de toegevoegde waarde van de onderneming (artikel L.121-21 van het energiewetboek);
b)
voor eindverbruikers maximeert artikel L.121-12 van het energiewetboek het bedrag van de verschuldigde bijdrage vervolgens op 627783 EUR per verbruikslocatie. Op dit maximum werd tot in 2013 jaarlijks een inflatiecorrectie uitgevoerd. In 2014 en 2015 is het maximum in hetzelfde tempo gestegen als de bijdrage per eenheid, met ten hoogste 5 % per jaar;
c)
opwekkers van elektriciteit voor eigen gebruik kunnen tot een productie van 240 GWh per jaar en per productielocatie eveneens een CSPE-vrijstelling krijgen (artikel L.121-11 van het energiewetboek).
(22) Tussen 2003 en 2015 bedroegen deze verschillende CSPE-kortingen, vervoersondernemingen uitgezonderd, 6,8 miljard EUR. Dat bedrag is als volgt onderverdeeld: Toegevoegde waarde Locatie Toegevoegde waarde Locatie Uitsplitsing van de toegekende CSPE-kortingen per categorie 2003-2015 (6,8 miljard EUR) Eigen verbruik Eigen verbruik Bron: Nota van Frankrijk van 15 november 2017.
(23) Hierna volgt een gedetailleerde uiteenzetting van deze maxima.
Maximering van de bijdrage op 0,5 % van de toegevoegde waarde (artikel L.121-21 van het energiewetboek, ingevoerd bij artikel 67 van programmawet nr. 2005-781 van 13 juli 2005 tot vaststelling van de richtsnoeren voor energiebeleid)
(24) De maximering op 0,5 % van de toegevoegde waarde, die geldt voor bedrijven met een verbruik van meer dan 7 GWh per jaar, is ingesteld in 2005 in het kader van programmawet nr. 2005-781 van 13 juli 2005 tot vaststelling van de richtsnoeren voor energiebeleid en is in 2006 in werking getreden.
(25) Frankrijk heeft aangegeven dat dit maximum bedoeld was om het concurrentievermogen van elektriciteitsintensieve bedrijven in stand te houden. Deze bedrijven zijn voornamelijk actief in sectoren als de metaalnijverheid, de papierindustrie en de chemische industrie, sectoren dus die blootstaan aan internationale concurrentie, vooral die bedrijven waarin het verbruiksniveau hoger is dan de drempel van 7 GWh per jaar. Dankzij de drempelwaarde van 7 GWh blijft het effect van de maximering op de andere verbruikerscategorieën beperkt.
(26) Van de op 0,5 % van de toegevoegde waarde gemaximeerde CSPE wordt aangifte gedaan bij de CRE, die na controle overgaat tot terugbetaling van de verschuldigde bedragen. Deze bedragen worden pas terugbetaald als de toegevoegde waarde van het bedrijf bekend is (op zijn vroegst in de loop van jaar N + 1 voor bedragen die in jaar N zijn ingehouden).
(27) Frankrijk heeft aangegeven dat het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde 69 % (4,7 miljard EUR) van de totale vrijstellingen uitmaakt, op een totaal van 6,8 miljard EUR aan kortingen dat tussen 2003 en 2015 is verleend. Volgens de door Frankrijk verstrekte informatie gold dit maximum in totaal voor 1636 ondernemingen in de periode 2003-2015.
Maximering van de bijdrage per locatie (artikel L.121-12 van het energiewetboek en artikel 5 van wet nr. 2000-108)
(28) Dit maximum is ingesteld op het moment dat de CSPE werd ingevoerd, bij artikel 37 van de eerdergenoemde wet nr. 2003-8 van 3 januari 2003 (dat artikel 5 van wet nr. 2000-108 wijzigt). Het maximum is ingegaan in 2003. Het CSPE-maximum per locatie was aanvankelijk vastgesteld op 500000 EUR, maar werd later opgetrokken tot 550000 EUR in het kader van artikel 37 van begrotingswet nr. 2010-1657 van 29 december 2010 voor 2011. In dit artikel was bepaald dat dit maximum in gelijke mate kon worden bijgesteld als het geraamde groeipercentage van de consumentenprijzenindex, met uitzondering van tabak, in samenhang met het ontwerp van de jaarlijkse begrotingswet. In 2013 heeft het parlement dit maximum vastgesteld op 569418 EUR en heeft het in het kader van artikel 59 van de wijzigingswet inzake financiën voor 2013 een nieuwe regel voor bijstelling van dit maximum aangenomen: het maximum wordt elk jaar bijgesteld in een mate die gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de CSPE-bijdrage per eenheid, met een maximale stijging van 5 % per jaar. Op 1 januari 2015 bedroeg het maximum 627783 EUR.
(29) Het CSPE-maximum per locatie is volgens Frankrijk afgeleid van het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, maar dan op het niveau van een verbruikslocatie in plaats van op ondernemingsniveau. Frankrijk heeft ook aangegeven dat het door die maximering per locatie bedrijven kan opnemen die op locatieniveau weliswaar veel elektriciteit verbruiken, maar niet elektriciteitsintensief zijn.
(30) Frankrijk heeft aangegeven dat het CSPE-maximum per locatie goed is voor 29 % (2,0 miljard EUR) van het totale kortingsbedrag van 6,8 miljard EUR dat tussen 2003 en 2015 is toegekend. Volgens Frankrijk hebben 522 bedrijven van dit maximum geprofiteerd.
Vrijstellingsdrempel van 240 GWh (artikel L.121-11 van het energiewetboek en artikel 5 van wet nr. 2000-108)
(31) De vrijstelling voor zelf opgewekte elektriciteit is overgenomen uit het fonds van de openbare dienstverlening voor elektriciteitsproductie (Fonds du Service Public de la Production d'Electricité, afgekort FSPPE) (regeling voorafgaand aan de CSPE). Dit fonds is opgericht bij artikel 5 van de wet van 10 februari 2000 betreffende de modernisering en ontwikkeling van de openbare dienstverlening voor elektriciteit. De middelen van het fonds waren afkomstig van de producenten en leveranciers van elektriciteit, de importeurs van elektriciteit en de producenten die elektriciteit voor eigen gebruik opwekken, boven een bepaalde jaarlijks geproduceerde en bij decreet vastgestelde hoeveelheid elektriciteit. Deze hoeveelheid is vastgesteld op 240 GWh in decreet nr. 2001-1157 van 6 december 2001 betreffende het fonds van de openbare dienstverlening voor elektriciteitsproductie, ter uitvoering van artikel 5 van wet nr. 2000-108.
(32) Een elektriciteitsproducent kan dus voor het aantal geproduceerde kWh dat hij zelf heeft verbruikt van de bijdrage worden vrijgesteld, tot het maximum van 240 GWh per productielocatie. Diezelfde producent mag één enkele verbruiker op dezelfde locatie van die vrijstelling laten profiteren, zolang het aantal aan die verbruiker verkochte kWh dat wegens eigen verbruik is vrijgesteld de drempel van 240 GWh per productielocatie niet overschrijdt.
(33) Frankrijk heeft aangegeven dat de vrijstelling van elektriciteit die voor eigen gebruik is opgewekt dient om de belasting te beperken voor verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit, die met de financiering van hun eigen installaties weliswaar ervoor gekozen hebben om niet bij te dragen, maar ook om niet te profiteren van het nationale energiebeleid.
(34) Deze vrijstelling is in 2002 in werking getreden en in 2003 in stand gehouden toen de CSPE werd ingesteld (ter vervanging van het FSPPE), bij artikel 37 van wet nr. 2003-8: De elektriciteit die door een producent voor eigen gebruik is opgewekt of de elektriciteit die door een eindverbruiker voor zijn eigen gebruik is afgenomen van een derde die op de verbruikslocatie een productiefaciliteit exploiteert, wordt pas vanaf 240 miljoen kWh per productielocatie per jaar in aanmerking genomen voor de berekening van de bijdrage. (vertaling Commissie)
(35) Frankrijk heeft aangegeven dat deze vrijstelling in hoofdzaak betrekking had op industrieterreinen waarvan het merendeel is uitgerust met warmte-krachtkoppelingsinstallaties (elektriciteitsproductie niet meegerekend) en dat die vrijstelling bovendien niet gold voor particulieren.
(36) In 2011 hadden 88 locaties van die vrijstelling voor eigen verbruik geprofiteerd, voor een vrijstellingsvolume van 11 TWh. Voor het overige is in 2012, 2013 en 2014 voor respectievelijk 94,8 TWh, 84,6 TWh en 87,4 TWh vrijstelling verleend.
(37) Volgens Frankrijk hebben 88 bedrijven van deze vrijstelling geprofiteerd gedurende de periode 2003-2015. De vrijstelling maakt ongeveer 2 % uit van het totaalbedrag van 6,8 miljard EUR aan verleende kortingen.
Bedrag van de verleende CSPE-kortingen
(38) In de beschouwde periode, 2003-2015, is in totaal 6,8 miljard EUR aan CSPE-kortingen verleend. In de punten 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3 worden deze kortingen uitgesplitst per categorie.
Begunstigden van de maatregelen
(39) De ondernemingen die profiteren van CSPE-kortingen zijn grootverbruikers van elektriciteit uit ongeveer 227 sectoren volgens de NACE-indeling. Deze ondernemingen zijn voornamelijk actief in de metaalnijverheid, de chemische en petrochemische industrie, de gasindustrie, de papierindustrie, de kernindustrie, de luchtvaart, de productie van elektronica, de autoproductie, de voedingsmiddelensector en de transportsector. Een onderneming kan gelijktijdig aan verschillende vrijstellingscriteria voldoen.
(40) Deze begunstigden komen in aanmerking voor een of meer CSPE-maxima. Volgens de door Frankrijk verstrekte informatie hebben 1664 bedrijven gedurende de periode 2003-2015 geprofiteerd van CSPE-kortingen, die als volgt kunnen worden onderverdeeld: 1636 op grond van het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, 552 op grond van het CSPE-maximum per locatie, 88 op grond van de vrijstelling wegens verbruik van zelf opgewekte elektriciteit. Sommige bedrijven konden verschillende kortingscategorieën combineren.
Duur van de maatregelen en hervorming van 2016
(41) De CSPE is ingevoerd in 2003. Het bedrag en de verdeling ervan zijn uiteengezet in de punten 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3.
(42) In 2015 is de CSPE vervangen door een nieuwe regeling. Met de wijzigingswet inzake financiën voor 2015, nr. 2015-1786 van 29 december 2015 (LFR 2015), is een hervorming van de energiebelastingen ingevoerd die met name betrekking heeft op de financiering van de lasten van de openbare dienstverlening voor elektriciteit en gas. Voor verbruik na 31 december 2015 is de CSPE afgeschaft.
(43) Sinds 1 januari 2016 wordt het beleid gefinancierd uit de staatsbegroting en niet langer uit de CSPE.
Uitsluiting van het toepassingsgebied van het besluit van CSPE-kortingen verleend aan vervoersondernemingen
(44) Gezien de specifieke regelgeving voor spoorvervoersondernemingen worden CSPE-kortingen die aan spoorvervoersondernemingen zijn verleend van deze procedure uitgesloten. Hierover zal de Commissie een apart besluit nemen. Bijgevolg vallen ze buiten de werkingssfeer van dit besluit.
(45) Het bedrag van de CSPE-kortingen, die in punt 2.2 zijn uiteengezet, omvat dus niet de kortingen die aan spoorvervoersondernemingen zijn verleend.
Beschrijving van de redenen die tot inleiding van de procedure hebben geleid
(46) In haar inleidingsbesluit sprak de Commissie de mening uit dat de maatregelen gelijkstonden aan staatssteun, waarvan de verenigbaarheid met de interne markt niet voldoende was aangetoond.
Is er sprake van steun?
(47) De Commissie was van mening dat de verleende CSPE-kortingen staatssteun vormden.
(48) Zij was ten eerste van oordeel dat de verschillende CSPE-kortingen waarin de wet voorzag, een selectief voordeel vormden voor ondernemingen die elektriciteit opwekken voor eigen verbruik, grootverbruikende ondernemingen en elektriciteitsintensieve ondernemingen. Ten eerste is de CSPE-vrijstelling die verleend is aan bedrijven die elektriciteit voor eigen verbruik opwekken, zoals uiteengezet in overweging 144 van het inleidingsbesluit, een selectieve steunmaatregel. Ten tweede concludeerde de Commissie dat de begunstigden van een CSPE-maximum per locatie een voordeel genoten dat in feite alleen voor bepaalde economische sectoren gold. Ten slotte is het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde slechts van toepassing op industriële bedrijven die een bepaalde verbruiksdrempel overschrijden en houdt dit maximum voor die ondernemingen dus ook een voordeel in.
(49) De Commissie merkte verder op dat de voordelen die uit de CSPE-kortingen voortvloeiden, net als de CSPE zelf gefinancierd werden met staatsmiddelen en ten laste van de staat kwamen. Daar de CSPE een staatsmiddel is, gaat het bij de CSPE-kortingen a fortiori om een derving van staatsmiddelen.
(50) Ten slotte was de Commissie tevens van mening dat de verschillende CSPE-kortingen invloed konden hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten en concurrentievervalsing konden veroorzaken vanwege het verschil in behandeling tussen de begunstigden van de maatregelen en hun concurrenten, die niet van de maatregelen konden profiteren.
Verenigbaarheid van de steun
(51) Wat betreft de verenigbaarheid van de maatregelen met de interne markt, merkte de Commissie op dat de CSPE op de datum van het inleidingsbesluit noch een geharmoniseerde milieubelasting was in de zin van punt 153 van de richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming, noch een niet-geharmoniseerde milieubelasting in de zin van punt 151, gelezen in samenhang met punt 70, onder 14, van die richtsnoeren uit 2008.
(52) In dat verband merkte de Commissie op dat de bijzondere belastinggrondslag niet per se een negatief effect op het milieu had, aangezien de CSPE ten dele verschuldigd is over hernieuwbare energie. Ook daarom kan niet aangenomen worden dat de belastinggrondslag bedoeld is om milieukosten in het CSPE-bedrag op te nemen. Bovendien wordt met de belastinggrondslag niet beoogd de fabrikanten of de eindverbruiker tot milieuvriendelijkere activiteiten te bewegen. Een daling van het verbruik zou integendeel een verhoging van de CSPE noodzakelijk maken om de kosten van elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen te dekken. Bijgevolg is hoofdstuk 4 van de richtsnoeren van 2008 niet van toepassing.
(53) De Commissie was echter van oordeel dat de maatregelen ter beperking van de CSPE getoetst konden worden aan artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, mits Frankrijk de voorwaarden ervan aangaf.
(54)(180)(181)
De Commissie tekende ook aan dat het proces voor herziening van de richtsnoeren van 2008 gaande was en dat de ontwerprichtsnoeren van 2014 de volgende punten bevatten: Energie uit hernieuwbare energiebronnen steunen via financiering uit heffingen zet, als dusdanig, niet in op negatieve externaliteiten en heeft dus ook geen direct milieueffect. Die heffingen kunnen niettemin tot hogere elektriciteitstarieven leiden. De stijging van elektriciteitskosten kan expliciet zijn door een specifieke heffing die elektriciteitsverbruikers moeten betalen bovenop het elektriciteitstarief, of indirect door bijkomende kosten waarmee elektriciteitsleveranciers te maken krijgen door verplichtingen om hernieuwbare energie in te kopen en die vervolgens worden doorberekend aan hun klanten, de verbruikers van elektriciteit. Een typisch voorbeeld zou zijn dat elektriciteitsleveranciers verplicht worden een bepaald percentage hernieuwbare energie in te kopen via groenestroomcertificaten waarvoor de leverancier geen vergoeding ontvangt. In beginsel dienen alle energieverbruikers de kosten van de financiering van steun voor hernieuwbare energie te dragen. Toch kunnen bepaalde verminderingen nodig zijn om een voldoende financieringsbasis voor steun ten behoeve van hernieuwbare energie te verzekeren 84. Om te vermijden dat ondernemingen die bijzonder worden getroffen door de financieringskosten van de steun voor hernieuwbare energie in een lastige concurrentiepositie worden gebracht, willen lidstaten bijkomende kosten misschien gedeeltelijk compenseren, om zo de algemene financiering van de steun voor hernieuwbare energiebronnen te ondersteunen en koolstoflekkage te voorkomen. Zonder compensatie voor bijzonder getroffen ondernemingen kan het publieke draagvlak voor het opzetten van ambitieuze maatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie beperkt zijn. Daartegenover staat dat, indien die compensatie te hoog is of aan te veel elektriciteitsverbruikers wordt verleend, het publieke draagvlak voor steun ten behoeve van hernieuwbare energie evenzeer wordt aangetast..
(55) Ten slotte wees de Commissie erop dat steun in de vorm van kortingen op financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen volgens de ontwerprichtsnoeren van 2014 (punt 229) zou worden beoordeeld overeenkomstig de nieuwe richtsnoeren inzake milieu- en energiesteun, als die richtsnoeren waren goedgekeurd (ook al was de steun verleend voordat de richtsnoeren van 2014 waren ingegaan).
(56) Aangezien Frankrijk zeer weinig heeft meegedeeld over het doel en de rechtvaardiging van de kortingen, uitte de Commissie haar twijfels over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt. Zij verzocht Frankrijk nader aan te geven: i) welke doelstelling van gemeenschappelijk belang met de maatregel wordt gediend, ii) waarom de maatregel gepast is, iii) welk stimulerend effect er van de maatregel uitgaat en iv) of de maatregel negatieve en ongewenste effecten op het handelsverkeer voldoende verhindert.
(57) In haar inleidingsbesluit oordeelde de Commissie dan ook dat Frankrijk niet voldoende had aangetoond dat de maatregelen om de CSPE voor bepaalde begunstigden te verlagen, verenigbaar waren met de interne markt.
Goedkeuring van de richtsnoeren van 2014
(58) De richtsnoeren van 2014 zijn op 1 juli 2014 in werking getreden. Nieuw in die richtsnoeren is het onderdeel 3.7.2. betreffende steun in de vorm van kortingen op de financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.
(59) In dit onderdeel wordt in de eerste plaats erkend dat belastingen die geïnd worden ter financiering van energiebeleid geen direct effect op het milieu hebben en strikt genomen geen milieubelastingen zijn, aangezien een milieubelasting erop gericht is de kosten van milieuschadelijk gedrag te verhogen. Deze belastingen kunnen niettemin indirect aan de bescherming van het milieu bijdragen omdat er steunregelingen voor milieubescherming mee gefinancierd kunnen worden.
(60) In de tweede plaats geven deze richtsnoeren aan dat de financiering van deze steunmaatregelen middels een belasting op elektriciteit alleen overwogen mag worden als kortingen kunnen worden verleend aan de ondernemingen die bijzonder door de financieringskosten van de steun voor hernieuwbare energie worden getroffen.
(61) In de derde plaats bepalen deze richtsnoeren de kortingsniveaus die ter behoud van de financiële aanvaardbaarheid van de steunmaatregelen aanvaardbaar geacht worden, om te verhinderen dat er te veel kosten op de andere verbruikers worden afgewenteld.
(62) Ten slotte voorziet onderdeel 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014 in de mogelijkheid een aanpassingsplan aan te nemen om de door een nationale maatregel bepaalde kortingsniveaus geleidelijk te laten overgaan in kortingsniveaus die verenigbaar zijn met de richtsnoeren en evenredig zijn ten aanzien van de regelgeving inzake staatssteun.
OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
(63) Afgezien van vervoersondernemingen, die apart worden behandeld, zijn ten aanzien van het inleidingsbesluit de volgende opmerkingen gemaakt.
EDF
(64) EDF heeft zijn opmerkingen op 17 november aan de Commissie kenbaar gemaakt. Naar eigen zeggen hadden de aan deze groep verleende vrijstellingen voor bijna […] % betrekking op het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit ten behoeve van elektriciteitsproductie voor het openbaar net. Volgens EDF heeft dit eigen verbruik enerzijds betrekking op het elektriciteitsverbruik van de hulpinrichtingen van de centrales, en anderzijds op het verbruik van door kerncentrales geleverde elektriciteit door pompstations voor energieoverdracht in waterkrachtcentrales.
(65) De groep is van mening dat dit verbruik van zelf opgewekte elektriciteit volledig van de CSPE moet worden vrijgesteld, enerzijds overeenkomstig de in punt 51 aangehaalde Richtlijn 2003/96/EG van de Raad, waarvan artikel 14, lid 1, onder a), bepaalt dat de lidstaten energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren, worden vrijgesteld van accijnzen, en anderzijds krachtens het staatssteunbesluit dat de in de Duitse wet EEG 2014 vastgestelde regeling inzake een EEG-toeslag bekrachtigt.
(66) Ter aanvulling benadrukt EDF dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun systemen voor vrijstelling van energiebelasting, die in het bijzonder ten goede komt aan elektriciteitsintensieve bedrijfstakken, met elkaar overeenstemmen. Wanneer deze vrijstellingen per lidstaat verschillen, kunnen de bestaande verschillen in concurrentievermogen op de verschillende markten daardoor nog vergroot worden.
ALFI
(67) ALFI (Air Liquide France Industrie) heeft zijn opmerkingen op 3 november 2014 aan de Commissie kenbaar gemaakt. De groep benadrukt ten eerste dat de energiekosten die zij maakt […] tot […] % van de productiekosten bedragen. Ten tweede voert ALFI aan dat een te sterke verhoging van de elektriciteitskosten zou aanzetten tot internalisering van de productie van industriële gassen door de verschillende bedrijfstakken die ze gebruiken (chemische industrie, staalindustrie, petrochemie, glasindustrie), maar op kleinere schaal, wat zou leiden tot een wereldwijde toename van het energieverbruik.
(68) ALFI betwist vervolgens dat de CSPE-kortingen een voordeel voor de begunstigden inhouden. Volgens deze groep zijn die CSPE-kortingen vanzelfsprekend omdat de elektriciteitsvoorziening een taak van openbare dienstverlening is. De kortingen zouden daarom geen steunmaatregel kunnen zijn, echter zonder dat hiervoor een precieze juridische grondslag wordt aangevoerd.
(69) Zonder afbreuk te doen aan het in de vorige overweging aangevoerde argument dat er geen sprake is van steun, meent ALFI ten slotte dat die CSPE-kortingen, indien ze wel als staatssteun worden aangemerkt, verenigbaar zijn met onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014, waarin erkend wordt dat differentiatie en gerichte kortingen ten bate van elektriciteitsintensieve industriële ondernemingen onder bepaalde voorwaarden verenigbaar zijn. Derhalve zou terugvordering van de steun, als zou blijken dat het inderdaad steun betrof, hoe dan ook uitgesloten moeten worden.
UNIDEN
(70) UNIDEN, een vereniging die de belangen van industriële energiegrootverbruikers in Frankrijk behartigt, heeft haar opmerkingen op 3 november 2014 bij de Commissie ingediend. Volgens deze vereniging worden met de CSPE-kortingen verschillende doelstellingen van gemeenschappelijk belang nagestreefd, waardoor de maatregelen verenigbaar zijn met artikel 107, lid 3, VWEU en de richtsnoeren van 2014.
(71) Ten eerste wordt met de maatregelen beoogd het concurrentievermogen te behouden van de industriesectoren die aan wereldwijde concurrentie zijn blootgesteld. Ten tweede wordt met de maatregelen een doelstelling van sociale aard nagestreefd. Ten derde wordt met de maatregelen economische, sociale en territoriale samenhang nagestreefd, die met name bestaat in bescherming van de meest benadeelde verbruikers. Ten slotte wordt met de maatregelen energie-efficiëntie nagestreefd, in volkomen overeenstemming met het recht van de Europese Unie.
OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK
(72) Frankrijk heeft opmerkingen ingediend over zowel de kwalificatie van de maatregelen als de verenigbaarheid van die maatregelen met de interne markt.
Het CSPE-maximum per locatie en het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde zijn geen staatssteun
(73) De voornaamste argumenten die Frankrijk aanvoert om de kwalificatie staatssteun te ontkrachten, zijn het ontbreken van selectiviteit enerzijds, en het ontbreken van concurrentievervalsing anderzijds.
Ontbreken van selectiviteit
(74) Volgens Frankrijk zijn de maatregelen om drie hoofdredenen niet selectief:
(75) Ten eerste is de rechtspraak tot het oordeel gekomen dat instelling van kortingen op toeslagen door de lidstaten niet volstaat om selectiviteit vast te stellen als de ondernemingen die de vastgestelde drempels overschrijden zich niet in dezelfde feitelijke situatie bevinden als de andere ondernemingen. De rechtspraak van het Hof heeft aldus geoordeeld dat het maximum per locatie niet volstaat om de maatregel selectief te maken en dat belastingmaxima mogelijk inderdaad geen selectieve steun zijn. Wat betreft het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, beroept Frankrijk zich op een uitspraak van de Conseil constitutionnel, die de CSPE in overeenstemming met het beginsel van gelijkheid voor de belastingen acht en daarmee erkent dat de begunstigden van dit maximum zich in een andere feitelijke situatie bevonden dan de overige ondernemingen. Bijgevolg is er geen sprake van selectieve steun.
(76) Met betrekking tot het eigen verbruik is Frankrijk ten tweede van mening dat de CSPE-vrijstelling die aan verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit is verleend geen selectieve steun is, omdat deze begunstigden zich in een andere feitelijke situatie bevinden dan de overige CSPE-betalers.
(77) Ten derde is selectiviteit uitgesloten vanwege de niet-selectieve aard van het Franse belastingstelsel waaruit de maatregelen voortvloeien. Volgens Frankrijk zijn de CSPE-maxima inherent aan het belastingstelsel, omdat bij het bepalen van de belastingdruk rekening gehouden moet worden met ieders financiële draagkracht.
(78) Ten slotte benadrukt Frankrijk dat elektriciteit die voor eigen verbruik uit hernieuwbare energiebronnen of uit warmte-krachtkoppeling is opgewekt door ondernemingen die voornamelijk actief zijn in de chemische industrie, de staalindustrie en de petrochemische industrie, vanzelfsprekend vrijgesteld moet worden van het deel van de CSPE waarmee de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen of de steun voor warmte-krachtkoppeling gefinancierd wordt, aangezien die elektriciteit zonder enige door de CSPE gefinancierde staatssteun wordt opgewekt, maar op dezelfde wijze bijdraagt aan het milieubeschermingsdoel dat met de steun voor hernieuwbare energie en de uit de CSPE gefinancierde warmte-krachtkoppeling wordt beoogd als de elektriciteit die aan het net wordt teruggeleverd (en die wel met financiële steun uit de CSPE wordt opgewekt). Frankrijk benadrukt dat de vrijstelling van verbruikers die voor eigen verbruik elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of warmte-krachtkoppeling opwekken daarom geen selectief voordeel is.
Ontbreken van concurrentievervalsing
(79) Frankrijk voert aan dat er een soortgelijke maatregel bestond voordat de CSPE in 2003 van kracht werd. Bijgevolg is Frankrijk van mening dat de steun slechts weinig invloed op de economische situatie en concurrentiepositie van in Frankrijk gevestigde ondernemingen heeft gehad.
Mocht de maatregel als steun worden aangemerkt, dan vormen het CSPE-maximum per locatie en het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde verenigbare steun
(80) Mocht de maatregel toch als steun worden aangemerkt, dan stelt Frankrijk voor de verenigbaarheid van de CSPE op drie manieren te toetsen:
(81) Ten eerste vloeit de verenigbaarheid van de maatregelen voort uit het feit dat ze voldoen aan de bepalingen van Richtlijn 2003/96/EG (zie punt 4.2.1).
(82) Ten tweede zijn de kortingen op de CSPE, die als milieubelasting beschouwd kan worden, uit dien hoofde volledig verenigbaar met de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (hierna de richtsnoeren van 2001 genoemd), de richtsnoeren van 2008 en die van 2014 (zie punt 4.2.2).
(83) Ten derde geldt dat als de CSPE niet als milieubelasting aangemerkt kan worden, de CSPE-maxima verenigbaar zijn met de richtsnoeren van 2014 voor het deel van de CSPE waarmee hernieuwbare energie wordt gefinancierd, en met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU voor de overige delen van de CSPE (zie punt 4.2.3).
De verenigbaarheid van de maatregelen vloeit voort uit de naleving van Richtlijn 2003/96/EG
(84) Frankrijk benadrukt dat Richtlijn 2003/96/EG bepaalde vrijstellingen toestaat.
(85) Ten eerste geeft deze richtlijn in artikel 14, lid 1, onder a), toestemming om belastingvrijstelling te verlenen voor elektriciteit die gebruikt wordt om elektriciteit te produceren of de productiecapaciteit in stand te houden. Deze vrijstelling omvat grotendeels de vrijstelling voor verbruik van zelf opgewekte elektriciteit zoals voorzien in de maatregelen in kwestie.
(86) Ten tweede geeft die richtlijn in artikel 15, lid 1, onder e), toestemming om belastingvrijstelling te verlenen voor het eigen verbruik van elektriciteit die de belastingplichtige uit warmte-krachtkoppeling heeft opgewekt.
(87) Ten slotte staat de richtlijn in artikel 17, lid 1, onder a), gedeeltelijke vrijstellingen toe voor energie-intensieve bedrijven, die gedefinieerd worden als bedrijven waar de aankoop van energieproducten en elektriciteit ten minste 3,0 % van de productiewaarde uitmaakt, of de verschuldigde energiebelasting ten minste 0,5 % van de toegevoegde waarde bedraagt.
Indien de CSPE een milieubelasting is, dan zijn de CSPE-maxima verenigbaar met de regels die op staatssteun van toepassing zijn
(88) In zijn correspondentie met de Commissie is Frankrijk van mening dat de CSPE gezien kan worden als een milieubelasting in de zin van punt 70, onder 14, van de richtsnoeren van 2008. Frankrijk meent namelijk dat de belastinggrondslag een negatief effect heeft op het milieu, ook al is die belastinggrondslag bedoeld om hernieuwbare energie te financieren, en dat deze steunregeling bijgevolg gunstig voor het milieu is. Deze kwalificatie leidt ertoe dat de verenigbaarheid van de maatregelen met de interne markt achtereenvolgens wordt beoordeeld op drie verenigbaarheidscriteria.
(89) In de eerste plaats moet de verenigbaarheid van de CSPE-kortingen van 2003 tot 2008 worden beoordeeld volgens de richtsnoeren van 2001. Volgens Frankrijk wordt die verenigbaarheid gewaarborgd door het feit dat de begunstigden een aanzienlijk deel, namelijk ten minste 20 %, van de CSPE betalen, overeenkomstig punt 51.1, onder a) en b), van de richtsnoeren van 2001.
(90) In de tweede plaats is Frankrijk van mening dat de maatregelen voor de periode 2008-2014 voldoen aan de richtsnoeren van 2008. Enerzijds beschouwt Frankrijk de CSPE als milieubelasting. Anderzijds bepalen de richtsnoeren van 2008 in punt 4 dat milieubelastingen verenigbaar zijn met de interne markt. Bijgevolg is voldoende aangetoond dat de maatregelen verenigbaar zijn met de interne markt.
(91) Ten slotte is Frankrijk van mening dat de twee CSPE-maxima verenigbaar zijn met de richtsnoeren van 2014, die van kracht waren tussen 1 juli en het einde van de maatregelen in 2015, en dat ze met name voldoen aan punt 170 van die richtsnoeren.
Deze verenigbaarheid blijkt enerzijds uit onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 en anderzijds uit artikel 107, lid 3, onder c), VWEU
(92) In zijn kennisgeving van 22 oktober 2015 heeft Frankrijk echter de mogelijkheid aanvaard om de CSPE niet als milieubelasting te beschouwen en daar consequenties aan te verbinden voor de toetsing van de verenigbaarheid met de interne markt in het licht van onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 enerzijds, en artikel 107, lid 3, onder c), VWEU anderzijds.
Korting op de CSPE ter financiering van hernieuwbare energie
(93) Volgens Frankrijk is aangetoond dat de maatregelen verenigbaar zijn met de richtsnoeren van 2014. Frankrijk verwijst uitdrukkelijk naar onderdeel 3.7.2 als rechtsgrondslag om de verenigbaarheid van de betrokken maatregelen met de interne markt te beoordelen.
(94) Ten eerste tekent Frankrijk aan dat alle steun die vóór 1 januari 2011 is toegekend in de vorm van een korting op de financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, met de interne markt verenigbaar kan worden verklaard, zoals bepaald in punt 248 van de richtsnoeren van 2014.
(95) Ten tweede meent Frankrijk dat de steun voor de periode na 2011 kan worden toegekend voor zover daarbij een aanpassingsplan in acht wordt genomen om de in het kader van de maatregelen in kwestie toegekende kortingsniveaus volgens objectieve criteria af te stemmen op de kortingsniveaus die volgens onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 toelaatbaar zijn.
(96) Frankrijk onderstreept dat 50 % van de steun voor afvalverbranding aangemerkt moet worden als steun voor de productie van hernieuwbare energie, daar volgens de statistieken van het IEA en Eurostat 50 % van het verbrande afval biologisch afbreekbaar is.
Korting op de CSPE ter financiering van warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven
(97) Voor het deel van de CSPE dat geen betrekking heeft op de financiering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, heeft Frankrijk een gedetailleerde toetsing van de verenigbaarheid van de maatregelen verstrekt, die de Commissie hieronder uiteenzet.
Maxima als doelstelling van gemeenschappelijk belang
(98) Frankrijk is van mening dat het Verdrag een toereikende rechtsgrondslag biedt om de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt te rechtvaardigen, wat betreft het deel van de CSPE-maxima dat betrekking heeft op ander beleid dan de ontwikkeling van hernieuwbare energie, aangezien de maxima voor het deel van de CSPE waarmee de ontwikkeling van hernieuwbare energie wordt gefinancierd […] geregeld worden door de […] richtsnoeren van 2014.
(99) Frankrijk tekent in de eerste plaats aan dat het op grond van Europese wetgeving gerechtvaardigd is dat elektriciteitsintensieve bedrijven geen buitensporige lasten voor elektriciteitsvoorziening dragen, wegens doelstellingen van gemeenschappelijk belang, namelijk: i) warmte-krachtkoppeling; ii) territoriale samenhang en bescherming van ultraperifere gebieden, en iii) sociale samenhang en bestrijding van sociale uitsluiting.
(99)
1. Ten eerste is steun voor warmte-krachtkoppeling gerechtvaardigd, enerzijds op grond van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad, en anderzijds op grond van het besluit van de Europese Raad van 7 en 8 maart 2007 tot vaststelling van de doelstelling om het energieverbruik omlaag te brengen, waarbij warmte-krachtkoppeling een belangrijke rol speelt. Frankrijk merkt op dat het deel van de CSPE dat betrekking heeft op de steun voor warmte-krachtkoppeling de steun voor verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval kan omvatten, aangezien deze voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling wordt gebruikt.
2. Ten tweede draagt de tariefnivellering bij aan de communautaire doelstelling van territoriale samenhang, die erkend is in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Frankrijk voert ook aan dat de doelstelling van gemeenschappelijk belang van dit beleid berust op artikel 174 VWEU, artikel 349 VEU en artikel 107, lid 3, onder a), VWEU.
3. Ten derde wordt de doelstelling van gemeenschappelijk belang van de sociale tarieven volgens Frankrijk geschraagd door artikel 3 VEU en artikel 174 VWEU. Frankrijk wijst erop dat de doelstelling van dit beleid ook een rechtvaardiging kan vinden in artikel 1 van het Handvest van de grondrechten. Voorts vermeldt Frankrijk overweging 45 bij Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad, volgens welke de lidstaten de nodige maatregelen [moeten] nemen om kwetsbare afnemers in de context van de interne markt voor elektriciteit te beschermen. Frankrijk merkt op dat sociale elektriciteitstarieven de bescherming van de menselijke waardigheid dienen, omdat ze de toegang tot een essentieel goed waarborgen.
(100) Volgens Frankrijk dienen de twee CSPE-maxima, namelijk per locatie en van 0,5 % van de toegevoegde waarde, in de tweede plaats om het concurrentievermogen van bedrijven in stand te houden, zoals bepaald in artikel 173, lid 1, VWEU. Frankrijk voert ter aanvulling aan dat Richtlijn 2003/96/EG lidstaten tevens de mogelijkheid biedt om grootverbruikende ondernemingen vrijstelling te verlenen teneinde hun concurrentievermogen in stand te houden, een mogelijkheid die in de richtsnoeren van 2014 (onderdeel 3.7.2) ook wordt erkend voor de financiering van hernieuwbare energie. Ook al is het behoud van concurrentievermogen op zichzelf geen doelstelling van gemeenschappelijk belang, het draagt volgens Frankrijk wel aan die doelstelling van gemeenschappelijk belang bij.
Noodzaak
(101) De noodzaak van de maatregelen is volgens Frankrijk naar behoren onderbouwd, daar ze bijdragen aan het versterken van het concurrentievermogen van de begunstigde bedrijven en dus bedrijfsverplaatsingen helpen voorkomen. Bovendien zijn de maatregelen niet discriminerend, omdat ze op de juiste doelgroep gericht zijn en op de juiste wijze gemaximeerd zijn. Frankrijk wijst in dat verband op de samenhang van de gekozen drempels voor twee categorieën vrijstellingen per locatie en naargelang de toegevoegde waarde, aangezien het maximum per locatie slechts een afleiding per locatie is van het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde. Ten slotte worden de begunstigden gekozen op basis van transparante en objectieve criteria, die bedoeld zijn om de ondernemingen met het grootste risico op verlies van concurrentievermogen te selecteren.
(102) Frankrijk onderbouwt de noodzaak van de maatregelen ook met het feit dat het ongedaan maken van die kortingen zou leiden tot bijkomende kosten, die op 12 tot 24 % van de toegevoegde waarde worden geschat. Frankrijk voert voorts aan dat een verhoging van 2 EUR/MWh van de energiefactuur gelijkstaat aan een verhoging met 2 % van de productiekosten, wat meer is dan de nettomarge van die ondernemingen. Tegen die achtergrond zouden de bijkomende financiële lasten veroorzaakt door intrekking van de CSPE-kortingen volgens Frankrijk het risico op verplaatsing van elektriciteitsintensieve ondernemingen vergroten, en de financiering van het beleid in kwestie op het spel zetten, omdat de lasten op de overige verbruikers afgewenteld zouden worden.
Is de steunmaatregel een geschikt instrument?
(103) Evenzo is Frankrijk van mening dat de geschiktheid van de maatregelen blijkt uit Richtlijn 2003/96/EG, waarin erkend wordt dat ondernemingen die 0,5 % van hun toegevoegde waarde aan energiebelasting betalen, recht hebben op vrijstelling boven die drempel, omdat er geen belastingharmonisatie is en omdat zij anders het risico lopen aan concurrentievermogen in te boeten.
(104) Gezien het ontbreken van een volledige harmonisatie van belastingen en rekening houdend met een aanzienlijke verslechtering van de concurrentiepositie in Europees verband, zijn de CSPE-kortingen volgens Frankrijk dus een geschikt instrument.
Evenredigheid
(105) Frankrijk benadrukt voorts dat de CSPE-kortingen evenredig zijn. Ze bedragen gemiddeld 31 tot 34 % van het totale heffingsbedrag, ofwel 5,1 tot 5,6 EUR/MWh (schatting van 2014) op een CSPE van 16,5 EUR/MWh op dezelfde datum. Frankrijk tekent aan dat dit tarief van 31 tot 34 % hoger is dan het minimumtarief dat toegestaan is in de richtsnoeren van 2008 en in de onderdelen 3.7.1 en 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014, en dat het bijgevolg evenredig is.
(106) Volgens Frankrijk kunnen de kortingen dan ook als evenredig worden beschouwd voor zover er voor de begunstigden een te betalen CSPE-aandeel overblijft dat groot genoeg is.
(107) Frankrijk heeft voor 2014 de CSPE-bedragen per begunstigde doorgegeven. De Commissie heeft daaruit opgemaakt dat alleen al in 2014 ten minste 124 begunstigden minder CSPE hebben betaald dan het in punt 188 van de richtsnoeren van 2014 aangegeven tarief van 15 %.
Stimulerend karakter van de maatregelen
(108) Naar de mening van Frankrijk is deze voorwaarde in casu niet van toepassing. Frankrijk merkt op dat de maatregelen niet bedoeld zijn om de begunstigden aan te zetten tot gedragsverandering, maar veeleer om te voorkomen dat hun concurrentievermogen wordt aangetast.
Beperking van concurrentievervalsing en positieve kosten-batenverhouding
(109) Frankrijk voert in dit verband aan dat de CSPE-vrijstellingen concurrentievervalsing juist beperken. In zijn opmerkingen wijst Frankrijk erop dat het prijsverschil tussen Frankrijk en Noord-Amerika ondanks de voor de CSPE geldende maxima aanzienlijk blijft, namelijk 10 EUR/MWh voor elektriciteitsintensieve bedrijven. Frankrijk haalt ook een onderzoek van het ICF aan om erop te wijzen dat Frankrijk minder vrijstellingen verleent dan Duitsland, Italië en Denemarken.
Verenigbaarheid van de CSPE-maxima wanneer ze worden gebruikt voor andere doeleinden dan de financiering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling of steun voor tariefnivellering en sociale tarieven
(110) Wat ten slotte de andere delen van de CSPE betreft, die beschreven zijn in overweging 11, punten 1, 2 en 3, heeft Frankrijk de volgende informatie verstrekt.
(110)
1. Aangaande de steun voor verbranding van biologisch afbreekbaar afval, onderstreept Frankrijk allereerst dat er sprake is van een gemeenschappelijk belang wat betreft het deel dat bedoeld is voor hernieuwbare energie. Met betrekking tot de verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval, onderstreept Frankrijk voorts dat de steun daarvoor gericht is op verbetering van de energie-efficiëntie. Frankrijk heeft uitgelegd dat de maatregelen evenredig waren voor zover het afnametarief zodanig was dat er een rendementspercentage van 6 tot 7 % gehaald kon worden. Ten slotte hebben de maatregelen geen verstorend effect voor zover alle verbrandingsinstallaties voor de regeling in aanmerking komen.
2. De steun voor piekinstallaties dient het gemeenschappelijk belang van voorzieningszekerheid. De steun is nodig om investeringen te kunnen doen. Ten slotte is Frankrijk van mening dat het beperkte vermogen van de betrokken installaties (78 MW in 2014) het verstorende effect ervan beperkt.
3. Wat ten slotte de financiering van vermogensgarantieovereenkomsten betreft, heeft Frankrijk noch de noodzaak noch de gepastheid van die steun verduidelijkt.
De CSPE-vrijstellingen voor verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit zijn geen staatssteun
(111) Allereerst tekent Frankrijk aan dat deze vrijstelling, wanneer het eigen verbruik ten behoeve van elektriciteitsproductie betreft, volkomen verenigbaar is met Richtlijn 2003/96/EG, waarin bepaald is dat kleine elektriciteitsproducenten van elektriciteitsbelasting vrijgesteld mogen worden voor zover de producten die voor de productie van die elektriciteit worden gebruikt, wel belast worden.
(112) Betreffende de vraag of er sprake is van staatssteun, legt Frankrijk ten eerste uit dat deze CSPE-vrijstellingen geen selectieve steun vormen. Frankrijk merkt op dat deze vrijstelling losstaat van de soort activiteit die de begunstigden verrichten en dat zij in beginsel op alle ondernemingen van toepassing is, tot een capaciteit van maximaal 240 GWh. Bovendien belasten deze begunstigden het elektriciteitssysteem geenszins voor het zelf verbruikte deel. Het is dus gerechtvaardigd dat zij anders behandeld worden dan verbruikers die al hun elektriciteit aankopen.
(113) Frankrijk is verder van mening dat de CSPE-vrijstelling voor ondernemingen die zelf opgewekte elektriciteit verbruiken geen concurrentievervalsing veroorzaakt, aangezien meerdere landen, met name lidstaten van de Europese Unie, dezelfde soort vrijstelling hanteren. Bijgevolg kan deze vrijstelling geen staatssteun zijn.
(114) Wat betreft de verenigbaarheid van de vrijstelling, is Frankrijk van mening dat, mocht het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit staatssteun inhouden, dat verbruik een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient omdat het de effecten van pieken in het elektriciteitsverbruik afzwakt en daardoor bijdraagt aan de voorzieningszekerheid.
Aanpassingsplan naar aanleiding van de richtsnoeren van 2014
(115) Na de verenigbaarheid met de interne markt aan onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 en artikel 107, lid 3, onder c), VWEU te hebben getoetst (zie punt 4.2.3), heeft Frankrijk daar consequenties aan verbonden in een aan de Commissie gerichte brief van 27 oktober 2017. In die brief heeft Frankrijk een nieuwe versie van het aanpassingsplan meegedeeld, bij toepassing van onderdeel 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014, die beoogt de uit hoofde van de maatregelen verleende kortingen volgens objectieve regels te laten overgaan in vrijstellingsniveaus die verenigbaar zijn met onderdeel 3.7.2 van die richtsnoeren.
(116) Met deze stap in de berekening van de aan de verschillende doelstellingen toegewezen CSPE kan het bedrag worden berekend dat de begunstigden van de CSPE-kortingen moeten betalen in het kader van het aanpassingsplan. Dat bedrag ligt tussen het reeds betaalde CSPE-bedrag en het bedrag dat overeenkomstig de richtsnoeren is berekend. Het te betalen CSPE-bedrag wordt voor elk deel van de CSPE anders berekend, zoals aangegeven in punt 4.4.1.
Directe toepassing van onderdeel 3.7.3 op het CSPE-deel financiering van hernieuwbare energie
(117) Voor het deel van de CSPE dat dient om hernieuwbare energie te financieren, daaronder begrepen verbranding van biologisch afbreekbaar afval, overweegt Frankrijk een aanpassingsplan om het CSPE-bedrag vanaf 1 januari 2016, de datum waarop de CSPE is afgeschaft, tot aan de theoretische datum 1 januari 2019 geleidelijk aan zo te berekenen dat het op 1 januari 2019 voldoet aan de richtsnoeren van 2014.
(118) Als de onderneming i) tot een in bijlage 3 bij de richtsnoeren van 2014 genoemde activiteitssector behoort en een elektriciteitsintensiteit van meer dan 20 % heeft, of ii) een elektriciteitsintensiteit van ten minste 20 % en tegelijkertijd een blootstelling aan het internationale handelsverkeer van meer dan 4 % heeft (of in bijlage 5 bij die richtsnoeren vermeld is), moet die onderneming 15 % van de belasting betalen, of 0,5 % van haar toegevoegde waarde, als dat minder is.
(119) Als de onderneming tot een in bijlage 3 bij de richtsnoeren van 2014 genoemde activiteitssector behoort en een elektriciteitsintensiteit van minder dan 20 % heeft, moet die onderneming 15 % van de belasting betalen, of 4 % van haar toegevoegde waarde, als dat minder is.
(120) Als de onderneming i) tot een activiteitssector behoort die niet in bijlage 3 bij de richtsnoeren genoemd is, of ii) tot een activiteitssector behoort die in bijlage 5 genoemd is, maar een elektriciteitsintensiteit van minder dan 20 % heeft, en iii) steun genoten heeft vóór 1 juli 2014, moet die onderneming in de andere gevallen ten minste 20 % van de belasting betalen.
(121) Voor alle andere gevallen ten slotte moet het CSPE-niveau op 1 januari 2019 100 % bedragen.
Overeenkomstige toepassing van onderdeel 3.7.3 op de delen warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven van de CSPE
(122) Voor warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven leidt het aanpassingsplan ertoe dat uiterlijk in 2019 het betaalde CSPE-bedrag:
15 % bedraagt als de onderneming elektriciteitsintensief is in de zin van de punten 185 en 186 van de richtsnoeren van 2014. Als de onderneming een elektriciteitsintensiviteit van meer dan 20 % heeft en tot een sector behoort die in bijlage 3 of bijlage 5 bij de genoemde richtsnoeren vermeld is, kan het CSPE-bedrag beperkt worden tot 0,5 % van de toegevoegde waarde van de onderneming en tot 4 % als de elektriciteitsintensiviteit van de onderneming lager is dan 20 %;
100 % bedraagt voor de overige ondernemingen.
(123) Frankrijk is van mening dat dit aanpassingsplan om dezelfde redenen die uiteengezet zijn in punt 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014, gerechtvaardigd is voor verlaging van de lasten die dienen ter financiering van hernieuwbare energie. Meer in het bijzonder voorkomt dit aanpassingsplan een te abrupte lastenstijging die zou voortvloeien uit een onmiddellijke toepassing van de in de punten 185 tot en met 189 van de richtsnoeren van 2014 genoemde criteria. In die zin draagt het plan bij aan de financiële houdbaarheid van de CSPE, omdat het de aanvaardbaarheid van de steun en de manieren waarop die gefinancierd wordt waarborgt.
Niet-toepassing van het aanpassingsplan op de andere delen van de CSPE
(124) De CSPE-kortingen die zijn toegekend voor de in overweging 110, punten 1 en 2, beschreven doelstellingen, neemt Frankrijk echter niet op in het aanpassingsplan. Frankrijk heeft bevestigd dat de CSPE die in de beschouwde periode, 2003-2015, aan die doelstellingen is toegekend, volledig moest worden betaald. De verleende kortingen op de aan die doelstellingen toegekende CSPE zullen volledig worden teruggevorderd.
Aanvangsdatum van de aanpassingsplannen
(125) Voor de delen hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling laat Frankrijk het aanpassingsplan in 2011 aanvangen. Frankrijk baseert zich in dit verband op punt 248 van de richtsnoeren van 2014 en op de besluiten van de Commissie van 15 juni 2017 (SA.38635) en 21 september 2017 (SA.47887).
(126) Voor de overige uit de CSPE gefinancierde delen laat Frankrijk het aanpassingsplan aanvangen in 2004 naar aanleiding van de door de Commissie in haar inleidingsbesluit geuite twijfels. Frankrijk meent dat die datum gegrond is vanwege de verjaring na tien jaar die in casu uit hoofde van de in artikel 17 van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad bepaalde tienjarige verjaringstermijn van toepassing is.
Aanpak van eigen verbruik in het kader van het aanpassingsplan Vrijstelling van de CSPE voor elektriciteitsverbruik ten behoeve van elektriciteitsproductie
(127) Overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2003/96/EG, waarin bepaald is dat elektriciteitsverbruik ten behoeve van elektriciteitsproductie en tot instandhouding van de elektriciteitsproductiecapaciteit volledig is vrijgesteld van belastingen, meent Frankrijk dat de door de vrijstelling voor eigen verbruik begunstigde elektriciteitsproducenten (NACE-code 3511) wel degelijk van de CSPE mogen worden vrijgesteld voor het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit. Frankrijk is van mening dat deze begunstigden daarom niet in het aanpassingsplan opgenomen hoeven te worden.
Voor eigen verbruik geproduceerde elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen
(128) Voor vrijstellingsgerechtigden die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceren, kan de geproduceerde en zelf verbruikte energie worden vrijgesteld van het CSPE-deel waarmee hernieuwbare energie wordt gefinancierd, voor zover er voor die elektriciteit geen overheidssteun is aangewend terwijl de CSPE ten dele gebruikt werd om de steun voor hernieuwbare energie te financieren.
(129) Frankrijk heeft de vrijstelling voor het resterende deel van de CSPE echter wel in het aanpassingsplan opgenomen, behalve als het daarmee samenhangende voordeel lager is dan het plafond voor de-minimissteun.
Voor eigen verbruik geproduceerde elektriciteit uit warmte-krachtkoppeling
(130) Op analoge wijze kunnen vrijstellingsgerechtigden die elektriciteit via warmte-krachtkoppeling produceren, voor de elektriciteit die zij zelf produceren en verbruiken worden vrijgesteld van het CSPE-deel waarmee warmte-krachtkoppeling wordt gefinancierd, voor zover er voor die elektriciteit geen overheidssteun is aangewend.
(131) Frankrijk heeft de vrijstelling voor het resterende deel van de CSPE echter wel in het aanpassingsplan opgenomen, behalve als het daarmee samenhangende voordeel lager is dan het plafond voor de-minimissteun.
Verdeelmethode voor de theoretisch verschuldigde CSPE per beleidslijn, vrijstelling uitgezonderd
(132) Met uitzondering van vrijstelling berekent Frankrijk de te betalen CSPE voor elke onderneming afzonderlijk op basis van het jaarlijkse tarief en het verbruik van de onderneming. Dit theoretische CSPE-bedrag wordt over de beleidslijnen verdeeld volgens de door de CRE verstrekte verdeelsleutel, die op 20 december 2016 aan de Commissie is doorgegeven: Hernieuwbare erngie (%) Afvalverbranding (%) Warmte-krachtkoppeling (%) Tariefnivellering (%) Sociale tarieven (%) Piekproductie (%) Diversen (%) 2003 11 2 57 27 0 2 1 2004 16 3 50 28 0 2 1 2005 11 2 48 30 6 3 1 2006 4 1 57 32 3 2 1 2007 0 – 3 38 63 – 1 2 1 2008 7 – 1 29 59 3 3 1 2009 18 0 30 47 3 1 1 2010 21 – 1 40 35 3 1 1 2011 43 1 27 27 1 0 1 2012 48 0 20 29 2 0 0 2013 52 1 16 28 3 0 0 2014 58 1 10 27 4 0 0 2015 61 1 9 24 5 0 0 Totaal 41,9 0,6 23,0 30,5 2,9 0,7 0,5 Jaarlijks gewicht van elke beleidslijn, nota van de Franse autoriteiten van 20 december 2016
(133) Frankrijk benadrukt dat hernieuwbare energie, warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven 98,2 % uitmaken van de CSPE die sinds 2003 is betaald.
(134) Wat betreft afvalverbranding, wijst Frankrijk erop dat de energie die door UIOM (Unité d'Incinération d'Ordures Ménagères) wordt geproduceerd en in de vorm van warmte of elektriciteit wordt geëxploiteerd, op grond van de statistieken van het Internationaal Energieagentschap en Eurostat voor de helft als hernieuwbaar kan worden aangemerkt. Bijgevolg wordt 50 % van de CSPE die voor de steun aan afvalverbranding is bestemd, in het deel hernieuwbare energie opgenomen. Bovendien is de steun voor verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval, dat gebruikt wordt voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, toegewezen aan het deel warmte-krachtkoppeling van de CSPE. Dit uitgangspunt brengt Frankrijk tot de volgende verdeling: Hernieuwbare erngie (%) Warmte-krachtkoppeling (%) Nivellering + sociale regelingen (%) Verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval (%) Diversen (%) 2003 12 57 27 1 3 2004 17 50 28 2 2 2005 12 48 35 1 4 2006 5 57 35 1 3 2007 – 2 38 62 – 2 3 2008 6 29 62 – 1 4 2009 18 30 50 0 2 2010 21 40 38 – 1 2 2011 43 27 28 1 1 2012 48 20 31 0 1 2013 52 16 31 0 0 2014 59 10 31 0 0 2015 61 9 29 0 0
Toepassing van de de-minimisdrempels
(135) Frankrijk geeft aan dat voor elke toegekende CSPE-korting de in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie voorziene de-minimisdrempel is toegepast: voor elke begunstigde wordt het steunbedrag dat in de afgelopen drie jaar is toegekend vergeleken met het bedrag van 200000 EUR. Als het steunbedrag dat in de afgelopen drie jaar is toegekend lager is dan 200000 EUR, hoeft er over die drie jaar niets te worden terugbetaald. Frankrijk geeft aan dat het ook rekening houdt met Besluit N 7/09 van de Commissie, waarin een verhoging van de de-minimisdrempel tot 500000 EUR is voorzien voor de jaren 2009 en 2010 wegens de economische crisis die toen heerste.
Geleidelijkheid van het aanpassingsplan
(136) Voor begunstigden die niet kunnen worden aangemerkt als elektriciteitsintensieve ondernemingen in de zin van de punten 185, 186 en 187 van de richtsnoeren van 2014 of die niet helemaal voldoen aan de bepalingen van onderdeel 3.7.2 van die richtsnoeren, heeft Frankrijk een aanpassingsplan ingediend dat leidt tot een geleidelijke verhoging van hun bijdrage (zie de overwegingen 117 en 118).
(137) Dit aanpassingsplan geldt voor alle delen van de CSPE. Het plan behelst een correctie van alle maxima en vrijstellingen die in het kader van de maatregel zijn toegekend. Het heeft tevens betrekking op alle beleidsmaatregelen die uit de CSPE zijn gefinancierd.
(138) Het aanpassingsplan gaat uit van de CSPE die door de begunstigden werkelijk is betaald tijdens het aanvangsjaar van het plan (naargelang het geval 2004 of 2011).
(139) Dit plan ter aanpassing van de verschillende verleende CSPE-kortingen moet ertoe leiden dat de betaalde bedragen uiterlijk op 1 januari 2019 gelijk zijn aan de minimale bijdrageniveaus overeenkomstig de regelgeving inzake staatssteun. Het vereiste CSPE-bedrag moet worden bereikt volgens de regels die zijn beschreven in de overwegingen 118 tot en met 122.
(140) Deze geleidelijke verhoging wordt bereikt door toepassing van de volgende regel:
(141) Te betalen bedrag per jaar per gefinancierde beleidslijn = betaald bedrag
(142) + (te betalen bedrag – betaald bedrag) × [(e^n) – 1]/[(e^N) – 1] waarbij n staat voor het jaarnummer van het aanpassingsplan (voor een plan dat van start is gegaan in 2011 en in 2019 volledig toegepast moet zijn, geldt bijvoorbeeld n = 0 in 2011, n = 1 in 2012, …, n = 8 in 2019) en N de looptijd van het plan in jaren is (voor het plan uit het vorige voorbeeld is N = 8).
(143) Deze regel leidt ertoe dat het te betalen CSPE-bedrag in de loop der tijd gelijk wordt aan het theoretische CSPE-niveau dat tegen 2019 betaald moet worden. Daar de CSPE in 2016 is afgeschaft, wordt het aanpassingsplan na 2015 echter niet ten uitvoer gelegd.
(144) Om van dit beginpunt tot het theoretische eindpunt te geraken, wordt een progressieve functie gebruikt.
Berekening van de terug te vorderen bedragen
(145) Het aanpassingsplan schrijft voor dat het bedrag waarmee de CSPE-vrijstelling het door het plan toegestane niveau overschrijdt, wordt teruggevorderd.
(146) Het terug te betalen bedrag is gelijk aan het verschil tussen i) de te betalen CSPE zoals beschreven in de punten 4.4.1 tot en met 4.4.7, en ii) de CSPE die daadwerkelijk door de begunstigden is betaald. Dit bedrag wordt elk jaar per begunstigde berekend.
(147) Voor begunstigden van de vrijstelling die elektriciteit voor eigen verbruik produceren uit hernieuwbare energiebronnen of warmte-krachtkoppeling, is het minimale CSPE-niveau nul voor de CSPE waarmee respectievelijk hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling wordt gefinancierd.
(148) Als het bedrag dat een begunstigde in een gegeven jaar voor een bepaalde beleidslijn heeft betaald hoger dan of gelijk aan het minimaal te betalen CSPE-niveau is, dient voor het aanpassingsplan het minimaal te betalen CSPE-niveau voor dat jaar te worden genomen. In dat geval wordt het teveel betaalde niet in mindering gebracht op het door de begunstigde verschuldigde terugvorderingsbedrag, dat volgt uit de berekening voor de andere jaren.
(149) In zijn nota van 11 oktober heeft Frankrijk een voorlopige schatting van de terug te vorderen bedragen gegeven, van ongeveer 31 miljoen EUR. Bij ongeveer 700 ondernemingen zou een terugvorderingsprocedure lopen. Frankrijk heeft echter aangegeven dat dit bedrag nog definitief moet worden vastgesteld wanneer de gegevens over de kortingen per begunstigde voor alle jaren zijn verzameld.
BEOORDELING DOOR DE COMMISSIE Is er sprake van steun?
(150) Volgens artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van de staten in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
(151) De Commissie heeft aan de hand van deze bepalingen onderzocht of de verschillende CSPE-kortingen als staatssteun kunnen worden aangemerkt.
Kwalificatie staatssteun voor het CSPE-maximum per locatie en het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde Aan de staat toerekenbare steun die met staatsmiddelen wordt bekostigd
(152) In punt 3.1.1 van het inleidingsbesluit van 2014 had de Commissie geconcludeerd dat de CSPE een staatsmiddel is.
(153) De Commissie merkt allereerst op dat geen enkele belanghebbende de in de vorige overweging vermelde conclusie van de Commissie betwist.
(154) De Commissie merkt op dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen voordelen die direct of indirect met staatsmiddelen worden bekostigd als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU beschouwd kunnen worden.
(155) Het enkele feit dat een voordeel niet direct uit staatsmiddelen wordt bekostigd volstaat niet om uit te sluiten dat daarmee staatsmiddelen gemoeid zijn. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt namelijk dat niet in alle gevallen behoeft te worden aangetoond dat staatsmiddelen zijn overgedragen om het aan een of meer ondernemingen verleende voordeel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan te kunnen merken.
(156) Krachtens de rechtspraak en de vaste beschikkingspraktijk van de Commissie vormen middelen die afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de lidstaat verplichte bijdragen die overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld, staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, of ze nu door een publieke of particuliere entiteit worden beheerd (Essent, Vent de Colère!).
(157) Wat nu de CSPE aangaat, heeft het Hof al eerder bevestigd dat er sprake is van een staatsmiddel. In de zaak Association Vent de Colère!, die betrekking had op de in overweging 10, onder a), beschreven verplichting om met de CSPE gefinancierde elektriciteit uit windenergie af te nemen, heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 19 december 2013 namelijk geconcludeerd dat de CSPE een staatsmiddel vormt.
(158) In de derde plaats merkt de Commissie op dat het voordeel aan de staat toerekenbaar is, daar de maxima voortvloeien uit de wet en de bestuurlijke uitvoeringshandelingen die er de regeling en de wijzen van toepassing van bepalen.
(159) Het staatskarakter van de CSPE wordt verder bevestigd door de regeling die Frankrijk heeft ingesteld om de CSPE te innen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 14 en 15, wordt de CSPE centraal geïnd door de Caisse des Dépôts et Consignations, een publieke entiteit, zodat het financieel beheer van de CSPE door een publieke entiteit wordt uitgevoerd en door de staat wordt gecontroleerd, wat de kwalificatie staatssteun bevestigt.
(160) Bijgevolg bevestigt de Commissie de conclusies die ze in haar inleidingsbesluit heeft uiteengezet. De CSPE, en bijgevolg de voor de CSPE geldende maxima, zijn aan de staat toerekenbaar en worden met staatsmiddelen bekostigd.
Economisch voordeel en selectiviteit
(161) Daar beoordeeld moet worden of er sprake is van een voordeel, tekent de Commissie aan dat maatregelen van verschillende vorm die de door een onderneming gedragen lasten verzachten en, zonder strikt genomen subsidies te zijn, in wezen vergelijkbaar zijn met staatssteun, op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie als staatssteun beschouwd worden.
(162) De Commissie merkt op dat artikel 5 van wet nr. 2000-108 (zoals gewijzigd bij artikel 37 van wet nr. 2003-8) in casu het beginsel instelt dat de CSPE door de op het grondgebied van Frankrijk verblijvende eindverbruikers van elektriciteit verschuldigd is en dat het CSPE-bedrag wordt berekend naar verhouding van de verbruikte hoeveelheid elektriciteit. Door vrijstelling van de CSPE te verlenen voor alle verbruikte elektriciteit die het maximum per locatie overschrijdt of 0,5 % van de toegevoegde waarde van elektriciteitsintensieve bedrijven te boven gaat, heeft de staat de CSPE-lasten die die begunstigde bedrijven anders hadden moeten betalen, verlicht. Het maximum per locatie en het maximum naargelang de toegevoegde waarde houden voor de begunstigde bedrijven dus een voordeel in.
(163) Aangezien vastgesteld moet worden of er van een selectief voordeel sprake is, heeft het Hof er in zijn arrest van 21 december 2016, in de zaken Commissie/World Duty Free Group, enerzijds, en Commissie/Banco Santander en Santusa, anderzijds, aan herinnerd dat, om vast te stellen of een fiscale maatregel of een last selectief is, nagegaan moet worden of die maatregel of last tussen ondernemers die zich ten aanzien van het doel van de betrokken algemene belastingregeling in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, een verschil maakt dat niet wordt gerechtvaardigd door de aard en de opzet van die regeling.
(164) Het begrip steun ziet echter niet op maatregelen die tussen ondernemingen ten aanzien van lasten een verschil met zich meebrengen wanneer dat verschil het gevolg is van de aard en de opzet van het betrokken lastenstelsel. Het staat in dat geval aan de lidstaat die dit onderscheid tussen ondernemingen inzake lasten heeft gemaakt, te bewijzen dat het daadwerkelijk gerechtvaardigd wordt door de aard en de opzet van het betrokken stelsel.
(165) De Commissie merkt op dat artikel 5 van wet nr. 2000-108 (zoals gewijzigd bij artikel 37 van wet nr. 2003-8) het beginsel instelt dat de CSPE door de op het grondgebied van Frankrijk verblijvende eindverbruikers van elektriciteit verschuldigd is en dat het CSPE-bedrag wordt berekend naar verhouding van de verbruikte hoeveelheid elektriciteit. De CSPE dient om de volgende maatregelen te financieren:
(165) a)
verplichting voor EDF of de lokale distributiebedrijven om elektriciteit af te nemen die door bepaalde types installaties uit hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt;
b)
financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling;
c)
vergoeding aan elektriciteitsproducenten in geïsoleerde gebieden (Corsica of overzeese departementen), opdat die geen hogere kosten van opwekking aan de eindverbruiker doorberekenen dan producenten in continentaal Frankrijk, waar de kosten van opwekking lager zijn (tariefnivellering);
d)
invoering van het sociaal tarief voor de zogenaamde eerste levensbehoefte, net als een deel van de kosten die door elektriciteitsleveranciers worden gedragen wegens hun financiële bijdrage aan de regeling voor personen die in een onzekere situatie verkeren;
e)
andere doelstellingen, voornamelijk steun voor afvalverbranding en voor de productie in piekperioden, voor minder dan 2 % van de geïnde CSPE.
(166) De Commissie wijst erop dat ondernemingen die van het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde en het CSPE-maximum per locatie profiteren, zich ten aanzien van de doelen van de CSPE in dezelfde feitelijke situatie bevinden als de andere eindverbruikers. Enerzijds zijn ook zij verbruikers van elektriciteit en ten aanzien van de beoogde financiering van steun voor hernieuwbare energie, warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven rechtvaardigt niets de gedachte dat de verbruikers die van deze maxima profiteren anders zouden zijn dan de verbruikers die er niet van profiteren. Deze begunstigden zouden dus in dezelfde mate als de andere eindverbruikers aan de financiering van de openbare dienstverlening voor elektriciteit moeten bijdragen.
(167) Bovendien leiden de criteria om in aanmerking te komen voor de maxima van 0,5 % van de toegevoegde waarde en per locatie tot extra discriminatie in de groep ondernemingen waarop die maxima betrekking kunnen hebben.
(168) Ten eerste is het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, dat betrekking zou moeten hebben op elektriciteitsintensieve bedrijven, in feite uitsluitend gereserveerd voor de grootste ondernemingen, vanwege de minimale verbruiksdrempel van 7 GWh per jaar. Daardoor komen elektriciteitsintensieve ondernemingen waarvoor de CSPE hoger is dan 0,5 % van de toegevoegde waarde en die dezelfde elektriciteitsintensiteit hebben en in dezelfde sector actief zijn, toch niet in aanmerking voor het maximum op de toegevoegde waarde omdat zij een lager verbruik hebben. Bovendien is het maximum naargelang de toegevoegde waarde gereserveerd voor industriële ondernemingen, met uitsluiting van elektriciteitsintensieve ondernemingen die bijvoorbeeld actief zijn in de dienstensector. De Commissie concludeert daaruit dat geen van de verschillen te verklaren is door de aard en het doel van de CSPE.
(169) Wat ten tweede het maximum per locatie betreft, maximeert wet nr. 2000-108 (zoals gewijzigd bij artikel 37 van wet nr. 2003-8) de CSPE op het aanvankelijke bedrag van 500000 EUR per verbruikslocatie. De Commissie merkt op dat dit maximum volgens de door Frankrijk verstrekte aanvullende informatie en uitgaande van de waarde van het maximum en van de CSPE in 2013, overeenkomt met een jaarverbruik van 42 GWh (gigawattuur). Een dergelijk verbruik wordt slechts door enkele economische sectoren bereikt. Frankrijk bevestigt dit in de informatie die het over de betrokken sectoren heeft verstrekt. Dit maximum verschaft sommige ondernemingen of sommige sectoren dus een selectief voordeel en kan niet uit de opzet van de CSPE worden verklaard. Voor dit tweede maximum concludeert de Commissie daaruit dat geen van de verschillen die de wet met zich meebrengt, te verklaren is uit de aard en het doel van de CSPE.
(170) Wat betreft het door Frankrijk in overweging 77 aangevoerde argument dat de voor de CSPE geldende maxima berusten op het beginsel dat bij het bepalen van de belastingdruk rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van de belastingplichtige, tekent de Commissie aan dat Frankrijk niet heeft aangetoond dat dit een onderliggend beginsel van de CSPE is. Frankrijk heeft evenmin aangetoond dat de ondernemingen waarvoor geen maximum geldt, de CSPE wel kunnen betalen. Dit is nochtans noodzakelijk om te bewijzen dat die maxima binnen de opzet van de regeling passen. Ten slotte heeft Frankrijk niet aangetoond dat de ondernemingen waarvoor een maximum geldt, geen van alle in staat zijn een hoger CSPE-bedrag te betalen.
(171) Bovendien wordt het maximum per locatie zonder enig verband met de financiële draagkracht van de belastingplichtige toegepast. Hoewel kan worden toegegeven dat er een verband bestaat tussen de financiële draagkracht en de omzet of de toegevoegde waarde van een onderneming, wordt bij het maximum per locatie een CSPE-vrijstelling verleend boven dat maximum, los van het feit of de omzet of de toegevoegde waarde groeit. Bijgevolg is het door Frankrijk in overweging 77 aangevoerde argument niet ontvankelijk.
(172) Wat ten slotte het maximum naargelang de toegevoegde waarde betreft, merkt de Commissie op dat dit inderdaad verband lijkt te houden met de financiële draagkracht van de betrokken onderneming. Maar zelfs als wordt aangenomen dat de CSPE berust op het draagkrachtbeginsel, wat Frankrijk niet heeft aangetoond, is dat maximum naargelang de toegevoegde waarde er niet minder selectief om, omdat het niet zonder onderscheid geldt voor alle ondernemingen die zich feitelijk en juridisch in dezelfde situatie bevinden. Het maximum naargelang de toegevoegde waarde geldt namelijk alleen voor industriële ondernemingen, met uitsluiting van niet-industriële ondernemingen. Niet-industriële ondernemingen kunnen echter wel een zodanig elektriciteitsverbruik hebben dat het voordeel van het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde gerechtvaardigd zou zijn. Voorts is dat maximum naargelang de toegevoegde waarde beperkt tot ondernemingen die voldoende groot zijn om een jaarverbruik van 7 GWh te bereiken. Het geldt niet voor kleinere ondernemingen die die verbruiksdrempel niet halen, ook al bereikt de CSPE 0,5 % van hun toegevoegde waarde.
(173) Om die redenen concludeert de Commissie dat de verschillende maxima waarin de wet voorziet, een selectief voordeel vormen voor bepaalde ondernemingen of sectoren en bevestigt zij haar analyse zoals uiteengezet in het inleidingsbesluit van 16 september 2014. De maatregelen vormen namelijk een voordeel voor de begunstigden ten opzichte van de referentieregeling die erin voorziet dat alle eindverbruikers aan de regeling moeten deelnemen om de doelstellingen van de CSPE te financieren. In die zin deelt de Commissie noch het in overweging 68 uiteengezette standpunt van ALFI, noch het in de overwegingen 74 tot en met 78 uiteengezette standpunt van Frankrijk.
(174) Ten slotte heeft Frankrijk niet aangetoond dat deze verschillende behandeling een gevolg is van het lastenstelsel, zoals uiteengezet in overweging 164. De bewijslast berust in casu bij de lidstaat.
Invloed op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten
(175) De ondernemingen die door het CSPE-maximum per locatie en het CSPE-maximum naargelang de toegevoegde waarde worden begunstigd, concurreren met ondernemingen van andere lidstaten (metaalnijverheid, papierindustrie, voedingsmiddelensector, chemische industrie enz.). Bijgevolg kunnen de maxima per locatie en naargelang de toegevoegde waarde invloed hebben op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten.
(176) Bijgevolg deelt de Commissie niet het in overweging 79 uiteengezette standpunt van Frankrijk.
Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun
(177) Om de in de overwegingen 48, 49 en 50 vermelde redenen bevestigt de Commissie de conclusies uit haar inleidingsbesluit en is zij van oordeel dat de maxima per locatie en naargelang de toegevoegde waarde staatssteun vormen.
CSPE-vrijstellingen wegens eigen verbruik ten behoeve van elektriciteitsproductie Aan de staat toerekenbare steun die met staatsmiddelen wordt bekostigd
(178) Om dezelfde redenen als uiteengezet in punt 5.1.1.1, bevestigt de Commissie dat deze vrijstellingen aan de staat toerekenbaar zijn en met staatsmiddelen worden bekostigd.
Invloed op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten
(179) De ondernemingen die profiteren van deze CSPE-vrijstellingen (voornamelijk elektriciteitsproducenten die gebruikmaken van kerncentrales en waterkrachtcentrales met pompstations) concurreren met ondernemingen van andere lidstaten. Bijgevolg kunnen deze vrijstellingen invloed hebben op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten.
(180) Frankrijk is verder van mening dat de CSPE-vrijstelling voor ondernemingen die zelf opgewekte elektriciteit verbruiken geen concurrentievervalsing veroorzaakt, aangezien meerdere landen, met name lidstaten van de Europese Unie, dezelfde soort vrijstelling hanteren, zoals uitgelegd in overweging 79.
(181) Volgens vaste rechtspraak wordt een door een staat ten uitvoer gelegde maatregel als verstorend beschouwd wanneer die maatregel de concurrentiepositie van een begunstigde onderneming tegenover haar concurrenten verbetert. Dat is het geval als de maatregel de lasten die normaal gesproken door een onderneming worden gedragen, vermindert. Bovendien heeft het Hof al geoordeeld dat bij individuele maatregelen waarmee een lidstaat de concurrentievoorwaarden van een sector aanpast aan de concurrentievoorwaarden in andere lidstaten, in voorkomend geval de kwalificatie als staatssteun niet kan worden uitgesloten.
Economisch voordeel en selectiviteit
(182) De Commissie tekent aan dat de vrijstelling op het eerste gezicht een voordeel voor verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit inhoudt. Zoals reeds vermeld in overweging 162, is de CSPE verschuldigd door de op het grondgebied van Frankrijk verblijvende eindverbruikers en wordt het CSPE-bedrag berekend naar verhouding van de hoeveelheid verbruikte elektriciteit. Door een deel van het eigen verbruik vrij te stellen van de CSPE, heeft de staat de CSPE-lasten die de begunstigde bedrijven anders hadden moeten betalen, verlicht.
(183) De Commissie heeft voorts onderzocht of dit voordeel selectief was. In de eerste plaats onderstreept de Commissie het feit dat de referentieregeling, de CSPE, in overweging 165 is beschreven. Het is een belasting die door alle eindverbruikers van elektriciteit over hun elektriciteitsverbruik verschuldigd is. De belasting wordt geïnd om steunmaatregelen te financieren waarmee specifieke doelstellingen worden nagestreefd.
(184) Ten tweede moet de Commissie controleren of de vrijstelling voor eigen verbruik ten behoeve van elektriciteitsproductie binnen de opzet van een regeling voor elektriciteitsbelasting past. Het elektriciteitsverbruik ten behoeve van elektriciteitsproductie is (eind)verbruik van elektriciteit. Om die reden verschilt het elektriciteitsverbruik van een elektriciteitsproducent niet van het elektriciteitsverbruik van een andere verbruiker wat betreft de doelstellingen van de CSPE en de gedeeltelijke vrijstelling van eigen verbruik van elektriciteit ten behoeve van elektriciteitsproductie lijkt een onderscheid met zich mee te brengen dat ten aanzien van het doel van de CSPE niet gerechtvaardigd is. De Commissie concludeert dan ook dat de maatregel op het eerste gezicht selectief lijkt, omdat deze onderscheid maakt tussen ondernemingen die zich ten aanzien van het doel van de CSPE in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.
(185) Frankrijk voert echter aan dat de vrijstelling bedoeld is om dubbele belasting te vermijden, wat voor belastingstelsels een algemeen aanvaard beginsel is.
(186) Zonder vrijstelling zou over de door de eindverbruiker verbruikte elektriciteit namelijk twee keer de CSPE worden geheven: eenmaal over elektriciteit A, die gebruikt wordt om elektriciteit B te produceren, en eenmaal over elektriciteit B, die met behulp van elektriciteit A is opgewekt.
(187) De Commissie heeft al erkend dat vermijding van dubbele belasting een beginsel is dat gewoonlijk deel uitmaakt van stelsels voor belasting van elektriciteitsverbruik, maar ook van andere belastingstelsels. Het gaat hier ook om het beginsel dat geleid heeft tot goedkeuring van artikel 14, lid 1, onder a), van Richtlijn 2003/96/EG. De Commissie onderschrijft dan ook het argument dat Frankrijk in overweging 111 heeft aangevoerd.
(188) De Commissie is van oordeel dat de vrijstellingen gezien de aard en de opzet van het belastingstelsel van de CSPE gerechtvaardigd zijn, daar ze verleend zijn aan ondernemingen die zelf opgewekte elektriciteit verbruiken om elektriciteit te produceren.
(189) Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat de vrijstellingen voor het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit ten behoeve van elektriciteitsproductie geen selectief voordeel vormen. Zij concludeert dat de CSPE-vrijstellingen die verleend zijn aan locaties waar zelf opgewekte elektriciteit wordt gebruikt ten behoeve van elektriciteitsproductie geen staatssteun zijn.
Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun
(190) Om de in de overwegingen 178 tot en met 189 genoemde redenen concludeert de Commissie dat de CSPE-vrijstellingen die verleend zijn voor eigen verbruik ten behoeve van elektriciteitsproductie geen staatssteun vormen.
(191) De Commissie bevestigt aldus de in overweging 127 uiteengezette conclusies van Frankrijk dat er voor deze begunstigden geen aanpassingsplan nodig is.
CSPE-vrijstellingen wegens het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit uit hoogrenderende warmte-krachtkoppeling en hernieuwbare energiebronnen, voor het deel van de CSPE dat voor financiering van deze doelstellingen bestemd is Aan de staat toerekenbare steun die met staatsmiddelen wordt bekostigd
(192) Om dezelfde redenen als uiteengezet in punt 5.1.2.1, bevestigt de Commissie dat deze vrijstellingen aan de staat toerekenbaar zijn en met staatsmiddelen worden bekostigd.
Economisch voordeel en selectiviteit
(193) Zoals al vermeld in de overwegingen 182 tot en met 189, was de Commissie aanvankelijk van oordeel dat de gedeeltelijke vrijstelling van CSPE die aan verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit is verleend, een voordeel voor hen vormde.
(194) De Commissie heeft voorts onderzocht of dit voordeel selectief was en alleen gold voor het verbruik van zelf uit warmte-krachtkoppeling en hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie.
(195) Ten eerste is de referentieregeling beschreven in overweging 165. De referentieregeling, de CSPE, is een belasting die specifieke doelen dient en door alle elektriciteitsleveranciers wordt opgebracht.
(196) Ten tweede, wat betreft de CSPE-vrijstelling voor eigen verbruik van elektriciteit uit installaties die hernieuwbare energiebronnen of hoogrenderende warmte-krachtkoppeling gebruiken, voor het deel van de CSPE dat dient om hernieuwbare energiebronnen en hoogrenderende warmte-krachtkoppeling te financieren, is de Commissie van oordeel dat de begunstigden van deze vrijstelling zich feitelijk en juridisch in dezelfde situatie bevinden als de andere betalers van de CSPE ten aanzien van het doel van de CSPE, namelijk dat alle eindverbruikers van elektriciteit aan het stelsel moeten bijdragen om de doelstellingen van de CSPE te verwezenlijken.
(197) De Commissie merkt op dat zelfopwekkers die voor hun eigen elektriciteitsverbruik gebruikmaken van hernieuwbare energie of hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, direct bijdragen aan twee financieringsdoelstellingen van de CSPE, namelijk steun voor de productie van hernieuwbare energie en steun voor de productie van elektriciteit uit hoogrenderende warmte-krachtkoppelingsinstallaties. Frankrijk heeft echter bevestigd dat er voor zelfopwekkers geen steunmaatregelen gelden voor het zelf verbruikte deel. Alleen voor elektriciteit die aan het net wordt teruggeleverd, kan via de CSPE gefinancierde steun worden verkregen. Daar zelfopwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of hoogrenderende warmte-krachtkoppeling net als teruglevering van elektriciteit aan het net bijdraagt aan de milieubescherming en energie-efficiëntie die met de uit de CSPE gefinancierde steunmaatregelen wordt beoogd, is de Commissie van oordeel dat het in de aard en de opzet van de CSPE ligt om zelfopwekkers die voor hun eigen elektriciteitsverbruik gebruikmaken van hernieuwbare energie of hoogrenderende warmte-krachtkoppeling (en voor die elektriciteit geen via de CSPE gefinancierde steun krijgen) vrij te stellen van het deel van de CSPE dat bestemd is ter financiering van de steunmaatregelen voor respectievelijk hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling. Deze vrijstelling vormt dus geen selectief voordeel.
(198) Hoewel het gerechtvaardigd is een zelfopwekker die hoogrenderende warmte-krachtkoppeling gebruikt vrijstelling te verlenen voor het deel van de CSPE waarmee de steun voor warmte-krachtkoppeling wordt gefinancierd, geldt dat niet voor het deel van de CSPE waarmee de steun voor hernieuwbare energie wordt gefinancierd, behalve als de warmte-krachtkoppelingsinstallatie ook hernieuwbare energie gebruikt. Op analoge wijze geldt dat het weliswaar gerechtvaardigd is een zelfopwekker die hernieuwbare energie gebruikt vrijstelling te verlenen voor het deel van de CSPE waarmee de steun voor hernieuwbare energie wordt gefinancierd, maar niet voor het deel van de CSPE waarmee de steun voor warmte-krachtkoppeling wordt gefinancierd, behalve als de installatie zelf een hoogrenderende warmte-krachtkoppelingsinstallatie is.
(199) Bovendien is het evenmin gerechtvaardigd een zelfopwekker die gebruikmaakt van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling of hernieuwbare energie vrijstelling te verlenen voor het deel van de CSPE waarmee de andere doelstellingen worden gefinancierd (namelijk sociale tarieven en tariefnivellering). Wat de financiering van de andere doelstellingen betreft, bevinden de zelfopwekkers die gebruikmaken van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling of hernieuwbare energie zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie als de andere elektriciteitsverbruikers, daar hun productie voor eigen verbruik niet aan die andere doelstellingen bijdraagt.
(200) De Commissie onderstreept eveneens dat de CSPE-vrijstellingen die verleend zijn aan locaties waar energie voor eigen verbruik wordt opgewekt niet te rechtvaardigen zijn uit een oogpunt van gemeenschappelijk belang in verband met het opvangen van pieken in de vraag, zoals Frankrijk aanvoert, daar die doelstelling van gemeenschappelijk belang niet samenhangt met de referentieregeling die de CSPE is. Bovendien, zelfs al zou de CSPE op een dergelijke doelstelling berusten, dan zou het door de vrijstelling voor het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit op zichzelf nog niet mogelijk worden de verbruikspieken op te vangen. Verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit zijn namelijk altijd aangesloten op het net, niet alleen om het productieoverschot aan het net terug te leveren, maar ook om de elektriciteit van het net te gebruiken in geval van pech aan hun installaties of om hun zelfopwekkingsinstallatie van aanvullende stroom te voorzien. De vrijstelling wordt echter niet verleend op voorwaarde dat er geen elektriciteit van het net wordt gebruikt in geval van pieken in het verbruik.
(201) Frankrijk heeft ook aangevoerd dat de gedeeltelijke vrijstelling voor zelfopwekking te rechtvaardigen is op grond van het feit dat de zelfopwekkers ervoor gekozen hebben geen gebruik te maken van de openbare dienstverlening voor elektriciteit. De Commissie merkt echter om te beginnen op dat Frankrijk niet heeft aangetoond dat de CSPE werd vastgesteld volgens de mate waarin de openbare dienstverlening voor elektriciteit werd gebruikt. Zo heeft Frankrijk bevestigd dat alle zelfopwekkers die wegens zelfopwekking een gedeeltelijke vrijstelling genoten op het openbaar net waren aangesloten, zodat zij allen de mogelijkheid hebben het net zo nodig te gebruiken om er hun productieoverschot aan terug te leveren of om elektriciteit van het net te gebruiken als hun installatie defect of in onderhoud is. De Commissie merkt voorts op dat de zelfopwekkers en eindverbruikers in continentaal Frankrijk zich in dezelfde situatie bevinden ten aanzien van het deel van de CSPE dat bestemd is om de tariefnivellering met de overzeese gebieden te financieren, omdat zij geen van beide van deze dienst profiteren maar hem uit solidariteit wel financieren.
(202) Ten slotte meent Frankrijk dat deze (gedeeltelijke) vrijstelling haar rechtvaardiging vindt in Richtlijn 2003/96/EG, waarin bepaald is dat kleine elektriciteitsproducenten van elektriciteitsbelasting vrijgesteld mogen worden voor zover de producten die voor de productie van die elektriciteit worden gebruikt wel belast zijn (zie de overwegingen 76 en 111). De Commissie merkt ten aanzien van dit punt op dat Richtlijn 2003/96/EG als zodanig niet van toepassing is op de CSPE, hetgeen Frankrijk al in zijn documenten had aangegeven voordat de formele onderzoeksprocedure was ingeleid. Maar zelfs als dat wel zo was of als de grondbeginselen van Richtlijn 2003/96/EG mutatis mutandis op de CSPE konden worden toegepast, dan zou niettemin geconcludeerd moeten worden dat de vrijstelling ongegrond is. Daar de CSPE alleen over het elektriciteitsverbruik wordt geheven, is de heffing niet van toepassing op de producten (andere dan elektriciteit) die voor de productie van die elektriciteit worden gebruikt. Bijgevolg zou toepassing van Richtlijn 2003/96/EG in werkelijkheid leiden tot de bevestiging dat de CSPE wel degelijk over elektriciteit moet worden geheven.
Invloed op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten
(203) Ondernemingen die door deze CSPE-vrijstellingen zijn begunstigd, concurreren met ondernemingen in andere lidstaten De hier behandelde verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit zijn geen elektriciteitsproducenten maar industriële ondernemingen die voornamelijk actief zijn in de chemische industrie, de staalindustrie en de petrochemische industrie, zoals aangegeven door Frankrijk en herhaald in overweging 78. Bijgevolg kunnen deze vrijstellingen invloed hebben op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten.
Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun
(204) De Commissie concludeert dat de CSPE-vrijstellingen voor verbruik van zelf opgewekte elektriciteit uit respectievelijk hernieuwbare energiebronnen en hoogrenderende warmte-krachtkoppeling ten behoeve van elektriciteitsproductie geen staatssteun vormen voor wat betreft het deel van de CSPE dat bestemd is voor financiering van respectievelijk hernieuwbare energie en hoogrenderende warmte-krachtkoppeling. Daarentegen vormt de vrijstelling van het deel van de CSPE dat niet bestemd is voor de financiering van respectievelijk hernieuwbare energie en hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, wel staatssteun.
(205) De Commissie onderschrijft bijgevolg de conclusies die Frankrijk in de overwegingen 128 tot en met 131 heeft geformuleerd.
Vrijstellingen wegens het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit uit andere bronnen dan hoogrenderende warmte-krachtkoppeling en hernieuwbare energie Aan de staat toerekenbare steun die met staatsmiddelen wordt bekostigd
(206) Om dezelfde redenen als uiteengezet in punt 5.1.2.1 bevestigt de Commissie dat deze vrijstellingen aan de staat toerekenbaar zijn en met staatsmiddelen worden bekostigd.
Economisch voordeel en selectiviteit
(207) Zoals al vermeld in overweging 193, is de Commissie van oordeel dat de gedeeltelijke vrijstelling van de CSPE die aan verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit is verleend een voordeel voor hen vormt.
(208) De Commissie is tevens van oordeel dat wanneer i) het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit niet dient om elektriciteit te produceren, of ii) de zelf opgewekte en zelf verbruikte elektriciteit niet uit hernieuwbare energiebronnen of hoogrenderende warmte-krachtkoppeling voortkomt, verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit door de hun toegekende vrijstelling een selectief voordeel genieten ten opzichte van andere CSPE-betalers, die zich nochtans in eenzelfde feitelijke situatie bevinden.
(209) De referentieregeling is beschreven in overweging 165. Ter herinnering, de CSPE is een belasting die in beginsel van toepassing is op al het elektriciteitsverbruik in Frankrijk en dient om maatregelen ter nastreving van specifieke doelen te financieren.
(210) Wanneer de begunstigde van de vrijstelling een verbruiker is van zelf opgewekte elektriciteit die hij niet gebruikt om elektriciteit te produceren, of wanneer de zelf geproduceerde en zelf verbruikte elektriciteit niet voortkomt uit hernieuwbare energiebronnen of hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, bevindt hij zich ten aanzien van het doel van de CSPE feitelijk en juridisch in dezelfde situatie als de andere verbruikers. Meer in het bijzonder verbruikt hij elektriciteit en draagt zijn eigen productie aan geen van de doelstellingen van de met de CSPE gefinancierde maatregelen bij.
(211) De Commissie onderstreept eveneens dat de CSPE-vrijstellingen die verleend zijn aan locaties waar energie voor eigen verbruik wordt opgewekt niet te rechtvaardigen zijn uit een oogpunt van gemeenschappelijk belang in verband met het opvangen van pieken in de vraag, zoals Frankrijk aanvoert, daar die doelstelling van gemeenschappelijk belang niet samenhangt met de referentieregeling die de CSPE is. Bovendien, zelfs al zou de CSPE op een dergelijke doelstelling berusten, dan zou het door de vrijstelling voor het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit op zichzelf nog niet mogelijk worden de verbruikspieken op te vangen. Verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit zijn namelijk altijd aangesloten op het net, niet alleen om het productieoverschot aan het net terug te leveren, maar ook om de elektriciteit van het net te gebruiken in geval van pech aan hun installaties of om hun zelfopwekkingsinstallatie van aanvullende stroom te voorzien. De vrijstelling wordt echter niet verleend op voorwaarde dat er geen elektriciteit van het net wordt gebruikt in geval van pieken in het verbruik.
(212) Frankrijk heeft ook aangevoerd dat de gedeeltelijke vrijstelling voor zelfopwekking te rechtvaardigen is op grond van het feit dat de zelfopwekkers ervoor gekozen hebben geen gebruik te maken van de openbare dienstverlening voor elektriciteit. De Commissie merkt echter om te beginnen op dat Frankrijk niet heeft aangetoond dat de CSPE werd vastgesteld volgens de mate waarin de openbare dienstverlening voor elektriciteit werd gebruikt. Bovendien heeft Frankrijk bevestigd dat alle zelfopwekkers die wegens zelfopwekking een gedeeltelijke vrijstelling genoten op het openbaar net waren aangesloten, zodat zij allen de mogelijkheid hebben het net zo nodig te gebruiken om er hun productieoverschot aan terug te leveren of om elektriciteit van het net te gebruiken als hun installatie defect of in onderhoud is. De Commissie merkt voorts op dat de CSPE ook bedoeld is om de tariefnivellering ten opzichte van de overzeese gebieden te financieren. Wat de beoogde financiering van de tariefnivellering betreft, bevinden de zelfopwekkers en eindverbruikers in continentaal Frankrijk zich echter in dezelfde situatie, omdat zij geen van beide van deze dienst profiteren maar hem uit solidariteit wel financieren. Bovendien dragen de hier bedoelde verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit evenmin bij aan de doelstelling om hernieuwbare energie of warmte-krachtkoppeling te ontwikkelen. Hun productie, die per definitie van fossiele oorsprong is en zonder warmte-krachtkoppeling tot stand komt, gaat zelfs tegen die doelstelling in.
(213) Frankrijk heeft ook aangevoerd dat de gedeeltelijke vrijstelling voor zelfopwekking, tot 240 GWh, algemeen van toepassing was. Op dat punt merkt de Commissie enerzijds op dat Frankrijk heeft bevestigd dat de vrijstelling feitelijk alleen betrekking had op bepaalde sectoren van de economie (zie de overwegingen 35 en 36). Anderzijds heeft het Hof er in zijn arrest van 21 december 2016 (Commissie/World Duty Free Group) op gewezen dat een belastingmaatregel of belasting selectief is als deze tussen marktdeelnemers die zich ten aanzien van het doel van de betrokken algemene belastingregeling in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, een verschil maakt dat niet wordt gerechtvaardigd door de aard en de opzet van die regeling en in de overwegingen 161 en 162 is aangetoond dat de vrijstelling tussen marktdeelnemers die zich ten aanzien van het doel van de betrokken algemene belastingregeling in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, een verschil maakt dat niet wordt gerechtvaardigd door de aard en de opzet van die regeling.
(214) De Commissie deelt dus niet het door Frankrijk verdedigde en in de overwegingen 111 en 112 aangehaalde standpunt.
Invloed op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten
(215) Ondernemingen die door deze CSPE-vrijstellingen zijn begunstigd, concurreren met ondernemingen in andere lidstaten. De hier behandelde verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit zijn geen elektriciteitsproducenten maar industriële ondernemingen die voornamelijk actief zijn in de chemische industrie, de staalindustrie en de petrochemische industrie, zoals aangegeven door Frankrijk en herhaald in overweging 78 van dit besluit. Bijgevolg kunnen deze vrijstellingen invloed hebben op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten.
Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun
(216) De Commissie concludeert dat de CSPE-vrijstellingen voor het verbruik van zelf opgewekte elektriciteit die niet dient om elektriciteit te produceren en niet geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen of hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, staatssteun zijn.
Algemene conclusie met betrekking tot de vraag of er bij de verschillende delen van de CSPE sprake is van staatssteun en met betrekking tot de geschatte hoogte van die steun
(217) Het CSPE-maximum per locatie en het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde zijn staatssteun.
(218) De vrijstellingen die verleend zijn aan locaties waar energie voor eigen verbruik wordt opgewekt, vormen steun, behalve als die zelf opgewekte elektriciteit gebruikt is voor de productie van elektriciteit en behalve als de vrijstelling betrekking heeft op elektriciteit die de verbruiker zelf heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen of door middel van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, voor wat betreft het deel van de CSPE waaruit respectievelijk hernieuwbare energie en hoogrenderende warmte-krachtkoppeling gefinancierd wordt.
Onrechtmatigheid van de steun
(219) Daar de CSPE-kortingen ten uitvoer zijn gelegd voordat de Commissie daarvan in kennis is gesteld, hebben de Franse autoriteiten hun uit artikel 108, lid 3, VWEU voortvloeiende verplichtingen niet vervuld.
(220) Bijgevolg concludeert de Commissie dat het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde en het CSPE-maximum per locatie, alsook de aan verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit verleende vrijstellingen die als staatssteun kunnen worden aangemerkt, onrechtmatige steun vormen.
Analyse van de steunmaatregelen op basis van de richtsnoeren die van toepassing zijn op kortingen op milieubelasting
(221) De Commissie heeft eerst gecontroleerd of de CSPE gezien kan worden als milieubelasting in de zin van onderdeel 3.7.1 van de richtsnoeren van 2014, punt 151 van de richtsnoeren van 2008 en punt 6 van de richtsnoeren van 2001.
De CSPE is geen milieubelasting in de zin van onderdeel 3.7.1 van de richtsnoeren van 2014, punt 151 van de richtsnoeren van 2008 en punt 6 van de richtsnoeren 2001
(222) Milieubelastingen in de zin van punt 167 van de richtsnoeren van 2014 dienen om de kosten van milieuschadelijk gedrag te verhogen teneinde dat gedrag te ontmoedigen (en zo het milieubeschermingsniveau te verhogen). De kwalificatie milieubelasting in de zin van punt 167, gelezen in samenhang met punt 19, onder 15, van de richtsnoeren van 2014 houdt dus in dat de maatregelen het gedrag in een milieuvriendelijkere richting bijsturen en de milieukosten van het product of de dienst in kwestie dekken. Een soortgelijke definitie van het begrip milieubelasting wordt eveneens gegeven in de richtsnoeren van 2008 (zie punt 70, onder 14, gelezen in samenhang met punt 151 van de richtsnoeren) en in de richtsnoeren van 2001 (punt 6).
(223) In casu wordt het CSPE-bedrag niet bepaald door een stimulerend effect dat bedoeld is om milieuvervuiling te beperken of de kosten te dekken van de milieueffecten die het elektriciteitsverbruik met zich meebrengt. De bijzondere heffingsgrondslag hoeft geen nadelig effect op het milieu te hebben, voor zover de CSPE ook verschuldigd is over de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. In werkelijkheid is de CSPE verschuldigd over het totale elektriciteitsverbruik, ongeacht het effect van dat elektriciteitsverbruik op het milieu. Verder is de CSPE niet bedoeld om fabrikanten of verbruikers tot milieuvriendelijker gedrag aan te sporen. Een daling van het verbruik zou integendeel een verhoging van de verschuldigde CSPE noodzakelijk maken om de kosten van elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen en de andere beleidsmaatregelen te dekken.
(224) Bovendien merkt de Commissie op dat punt 181 van de richtsnoeren van 2014 uitdrukkelijk het volgende bepaalt: Energie uit hernieuwbare energiebronnen steunen via financiering uit heffingen zet, als dusdanig, niet in op negatieve externaliteiten en heeft dus ook geen direct milieueffect.
(225) De CSPE is dus geen milieubelasting in de zin van punten 167 en 181 van de richtsnoeren van 2014, noch in de zin van punt 70, onder 14, en punt 151 van de richtsnoeren van 2008 en deel E.3.2 van de richtsnoeren van 2001, ook al leidt de CSPE tot een verhoging van de elektriciteitsprijs.
(226) Bijgevolg deelt de Commissie niet het in overweging 82 aangehaalde standpunt van Frankrijk inzake de aard van de CSPE.
Frankrijk heeft niet aangetoond dat de CSPE een geharmoniseerde milieubelasting was in de zin van Richtlijn 2003/96/EG
(227) De Commissie benadrukt in de eerste plaats dat Frankrijk op geen enkel moment verklaard of aangetoond heeft dat de CSPE een geharmoniseerde milieubelasting was in de zin van Richtlijn 2003/96/EG Integendeel, volgens Frankrijk zouden de bepalingen van Richtlijn 2003/96/EG mutatis mutandis van toepassing zijn, waarmee het, zoals eerder bij de inleiding van de procedure, toegeeft dat de CSPE geen geharmoniseerde energiebelasting is in de zin van Richtlijn 2003/96/EG.
(228) Bovendien merkt de Commissie op dat de CSPE niet als geharmoniseerde belasting in de zin van Richtlijn 2003/96/EG beschouwd kan worden omdat de geïnde ontvangsten niet aan de algemene begroting worden toegerekend.
(229) De Commissie bevestigt aldus de conclusies die zij in overweging 155 van het inleidingsbesluit heeft geformuleerd. Verder bevestigt de Commissie niet de door Frankrijk in de overwegingen 81 en 84 tot en met 87 geformuleerde opmerkingen.
Niet-toepasselijkheid van onderdeel 3.7.1 van de richtsnoeren van 2014 en de vorige richtsnoeren als grondslag voor de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt Niet-toepasselijkheid van onderdeel 3.7.1 van de richtsnoeren van 2014 en de vorige richtsnoeren als grondslag voor de verenigbaarheid van de maatregel
(230) Aangezien de CSPE geen milieubelasting is, is onderdeel 3.7.1 van de richtsnoeren van 2014 betreffende kortingen op milieubelastingen niet van toepassing.
(231) Punt 151 van de richtsnoeren van 2008, waarin de voorwaarden voor verenigbaarheid van kortingen op milieubelastingen vóór de inwerkingtreding van de richtsnoeren van 2014 zijn vastgelegd, is evenmin van toepassing.
(232) De Commissie deelt dus niet de door Frankrijk in de overwegingen 88 en 90 geformuleerde opmerkingen.
Niet-toepasselijkheid, rechtstreeks of mutatis mutandis, van de punten 173, 174 en 175 van de richtsnoeren van 2014, de punten 152 en 153 van de richtsnoeren van 2008 en punt 49 van de richtsnoeren van 2001 als grondslag voor de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt
(233) Aangezien niet is aangetoond dat de CSPE een geharmoniseerde milieubelasting, of zelfs maar een milieubelasting, is, zoals uiteengezet in punt 5.3.2, zijn de punten 173, 174 en 175 van de richtsnoeren van 2014, de punten 152 en 153 van de richtsnoeren van 2008 en punt 49 van de richtsnoeren van 2001 niet op de CSPE van toepassing, daar deze punten uitsluitend op geharmoniseerde milieubelastingen van toepassing zijn.
(234) Zelfs als de CSPE als milieubelasting aangemerkt zou worden, zou het een niet-geharmoniseerde milieubelasting zijn waarvoor de richtsnoeren van 2014 in de punten 176, 177 en 178 specifieke verenigbaarheidscriteria voorschrijven. De punten 173, 174 en 175 van de richtsnoeren van 2014 kunnen dus in geen geval mutatis mutandis worden toegepast.
(235) Om dezelfde redenen kunnen de punten 152 en 153 van de vóór 1 juli 2014 geldende richtsnoeren van 2008 betreffende kortingen op geharmoniseerde belastingen geen grondslag bieden voor verenigbaarheid met de interne markt van de CSPE-kortingen, die geen geharmoniseerde milieubelasting vormen. De richtsnoeren van 2008 bevatten tevens verenigbaarheidscriteria voor niet-geharmoniseerde milieubelastingen. Dus zelfs indien de CSPE als milieubelasting beschouwd zou kunnen worden, zou deze niet mutatis mutandis op grond van de punten 152 en 153 van de richtsnoeren van 2008 beoordeeld moeten worden, maar op grond van de punten 154 tot en met 159 van de richtsnoeren van 2008, omdat het een niet-geharmoniseerde milieubelasting betreft.
Niet-overeenstemming van de maatregelen met de punten 176, 177 en 178 van de richtsnoeren van 2014 en de vorige richtsnoeren indien de CSPE als niet-geharmoniseerde milieubelasting beschouwd wordt
(236) De Commissie constateert dat de CSPE-kortingen evenmin als verenigbaar beschouwd zouden kunnen worden indien de CSPE werd aangemerkt als niet-geharmoniseerde milieubelasting, wat in casu niet door Frankrijk is aangetoond.
Gebrek aan overeenstemming met de punten 176, 177 en 178 van de richtsnoeren van 2014
(237) Ten eerste is niet aangetoond, zoals aangegeven in punt 177, onder a), van de richtsnoeren van 2014, dat de steun voor alle concurrenten in dezelfde sector op dezelfde wijze van toepassing is indien deze zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden. Met name het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, dat alleen geldt voor industriële klanten die meer dan 7 GWh verbruiken, maakt onderscheid tussen concurrenten die in hetzelfde marktsegment actief zijn: hoewel de CSPE in dezelfde verhouding tot de toegevoegde waarde staat, wordt de vrijstelling pas verleend als het verbruik een bepaalde drempel bereikt, zodat kleinere ondernemingen in een bepaalde sector feitelijk van die vrijstelling zijn uitgesloten.
(238) Ten tweede is het effect van de niet-gekorte milieutoeslag op de stijging van de productiekosten, uitgedrukt als percentage van de bruto toegevoegde waarde per begunstigde, zoals aangegeven in punt 177, onder b), van de richtsnoeren van 2014, voor de gehele periode 2003-2015 in casu niet voldoende gekwantificeerd. In het algemeen is niet aangetoond dat die kostenstijging niet aan klanten kon worden doorberekend zonder dat dit leidt tot aanzienlijk omzetverlies, zoals aangegeven in punt 177, onder c), van de richtsnoeren van 2014.
(239) Ten derde vormen de CSPE-kortingen geen garantie voor de in punt 178, onder a), vereiste minimale betaling van 20 %. Het blijkt integendeel dat het minimum van 20 % in een groot aantal gevallen niet is betaald. Bij wijze van voorbeeld blijkt uit de gegevens die Frankrijk heeft verstrekt dat 203 begunstigden in 2014 minder dan 20 % CSPE hebben betaald.
(240) Zelfs als de CSPE als niet-geharmoniseerde energiebelasting zou worden aangemerkt, dan is daarmee niet aangetoond dat de CSPE-kortingen verenigbaar zijn met onderdeel 3.7.1-2 van de richtsnoeren van 2014.
Gebrek aan overeenstemming met de richtsnoeren van 2008
(241) Ten eerste meent de Commissie dat de in punt 155 van die richtsnoeren geformuleerde bepalingen, volgens welke Frankrijk voor elke begunstigde een lijst van sectoren met een nauwkeurige beschrijving van die sectoren alsook een beschrijving van de situatie van de begunstigden moet verstrekken, niet zijn nageleefd.
(242) Ten tweede is niet aangetoond, zoals aangegeven in punt 158, onder a), van de richtsnoeren van 2008, dat de verleende steun voor alle concurrenten in dezelfde sector die zich in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden op dezelfde wijze wordt toegekend. Met name het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, dat alleen geldt voor industriële klanten die meer dan 7 GWh verbruiken, maakt onderscheid tussen concurrenten die in dezelfde sector of op dezelfde markt actief zijn (zie ook overweging 237).
(243) Ten derde is niet aangetoond, zoals aangegeven in punt 158, onder b), van de richtsnoeren van 2008, dat de niet-gekorte belasting voor elke sector of voor elke categorie individuele begunstigden die van het maximum per locatie profiteerden een aanzienlijke stijging van de productiekosten met zich mee zou brengen.
(244) Ten vierde is niet aangetoond, zoals aangegeven in punt 158, onder c), van de richtsnoeren van 2008, dat de kostenstijging als gevolg van de toepassing van de CSPE niet in de verkoopprijs verrekend zou kunnen worden zonder dat dat zou leiden tot een aanzienlijke omzetdaling.
(245) Ten vijfde is niet aangetoond, zoals aangegeven in punt 159, onder a), van de richtsnoeren van 2008, dat het door de begunstigden van de steun overgemaakte CSPE-bedrag equivalent is aan de milieuprestatie van elke individuele begunstigde in vergelijking met de prestatie van de best presterende techniek, noch dat alle begunstigden ten minste 20 % van de CSPE betalen. Het is integendeel gebleken dat sommige begunstigden minder dan 20 % van de CSPE hebben betaald, in strijd met de bepalingen van punt 178, onder a). Zo blijkt uit de door Frankrijk verstrekte informatie dat een aanzienlijk aantal begunstigden in 2014 minder dan 20 % CSPE heeft betaald.
(246) Derhalve deelt de Commissie de door Frankrijk in overweging 90 geformuleerde opmerkingen niet.
Gebrek aan overeenstemming met de richtsnoeren van 2001
(247) Gezien de door de begunstigden betaalde, soms zeer lage CSPE-niveaus, is de Commissie ten eerste van oordeel dat de CSPE-kortingen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van punt 51, onder 1, onder b), van die richtsnoeren, waarin aangegeven is dat de begunstigden van de verlaging niettemin een aanmerkelijk deel van de nationale heffing moeten betalen. Zo blijkt dat in de jaren waarover Frankrijk gedetailleerde gegevens per begunstigde heeft verstrekt, 202 begunstigden minder dan 20 % van de CSPE hebben betaald.
(248) Ten tweede moet de belasting in kwestie een positief effect hebben op de bescherming van het milieu, zoals bepaald in punt 51, onder 2, onder b). De CSPE, of tenminste een deel van die belasting, dient echter om tariefnivellering en sociale tarieven te financieren en beoogt dus niet uitsluitend een positief effect op de bescherming van het milieu. Bovendien wordt het positieve effect op het milieu niet veroorzaakt door de belasting als zodanig, maar door de maatregelen die ten dele met de CSPE worden gefinancierd, zodat de punten 51 en verder van de richtsnoeren van 2001 in casu niet van toepassing zijn.
(249) Wat ten derde het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde betreft, dat na invoering van de CSPE is ingevoerd, heeft Frankrijk niet aangetoond dat de vrijstelling tijdens de uitwerking van de CSPE is bepaald, noch dat zij te rechtvaardigen is door een aanzienlijke wijziging van de economische situatie waardoor de ondernemingen zich in een bijzonder lastige concurrentiepositie bevonden. Het bedrag van de CSPE-korting is niet hoger dan de lastenstijging als gevolg van de wijziging in de economische situatie na invoering van de belasting. Bijgevolg is niet aangetoond dat de door Frankrijk in de periode 2003-2011 verleende CSPE-kortingen overeenstemmen met punt 51, onder 2, onder b), van de richtsnoeren van 2001. Bovendien was het CSPE-maximum per locatie niet beperkt tot tien jaar, zoals bepaald in punt 51, onder 1, van de richtsnoeren van 2001.
(250) Derhalve deelt de Commissie de door Frankrijk in overweging 89 geformuleerde opmerkingen niet.
Overeenstemming van de CSPE-kortingen met onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 en artikel 107, lid 3, onder c), VWEU
(251) Voor zover de CSPE dient om hernieuwbare energie te financieren, heeft de Commissie beoordeeld of de korting overeenstemt met de onderdelen 3.7.2 (Steun in de vorm van kortingen op de financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen) en 3.7.3 (Overgangsregels voor steun ter vermindering van de lasten met betrekking tot financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen) van de richtsnoeren van 2014. Zij heeft tevens beoordeeld of de korting overeenstemt met artikel 107, lid 3, VWEU voor zover de CSPE dient om andere steunmaatregelen dan steun voor hernieuwbare energie te financieren.
Overeenstemming van de CSPE-kortingen voor zover de CSPE de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen financiert
(252) In onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 is uiteengezet hoe de Commissie de verenigbaarheid met de interne markt van steun in de vorm van kortingen op de financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen beoordeelt. Voor zover de CSPE ten dele de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen financiert, heeft de Commissie beoordeeld of de ter financiering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen toegekende CSPE-kortingen verenigbaar zijn met de onderdelen 3.7.2 en 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014.
(253) In punt 182 van de richtsnoeren van 2014 wordt uitgelegd dat, voor zover de kosten van de financiële steun voor hernieuwbare energie worden teruggevorderd bij energieverbruikers, daarbij geen onderscheid tussen energieverbruikers mag worden gemaakt. Bij die terugvordering moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat bepaalde gerichte verminderingen van deze kosten nodig kunnen zijn om een voldoende financieringsbasis te verzekeren voor steun aan energie uit hernieuwbare energiebronnen en dus te helpen om de op Unieniveau vastgestelde doelstellingen op het gebied van hernieuwbare energie te bereiken. Om te vermijden dat ondernemingen die bijzonder worden getroffen door de financieringskosten van de steun voor hernieuwbare energie een aanzienlijk concurrentienadeel ondervinden, willen lidstaten deze bijkomende kosten misschien gedeeltelijk compenseren. Zonder deze compensatie is de financiële steun voor hernieuwbare energie misschien onhoudbaar en kan het publieke draagvlak voor het opzetten van ambitieuze maatregelen voor het ondersteunen van hernieuwbare energie beperkt zijn.
Kortingen op het deel van de CSPE waarmee hernieuwbare energie gefinancierd wordt
(254) Ter inleiding merkt de Commissie op dat de steun voor elektriciteitsopwekking uit afvalverbranding volgens Frankrijk 50 % moet bedragen om als steun voor hernieuwbare energie beschouwd te worden. De Commissie is het met die zienswijze eens, daar Frankrijk dat percentage baseert op gepubliceerde statistieken (Internationaal Energieagentschap en Eurostat), zoals vermeld in overweging 134, volgens welke het verbrande afval voor 50 % uit biologisch afbreekbaar afval bestaat en bijgevolg een hernieuwbare energiebron is in de zin van punt 19, onder 5 en 6, van de richtsnoeren van 2014.
(255) In punt 184 van de richtsnoeren van 2014 is bepaald dat de lidstaten moeten aantonen dat de bijkomende kosten, die tot uiting komen in de hogere elektriciteitstarieven waarmee de begunstigden te maken krijgen, uitsluitend het gevolg zijn van de steun voor energie uit hernieuwbare energiebronnen, om te waarborgen dat de steun dient om de steun voor hernieuwbare energie te faciliteren. De bijkomende kosten die het deel van de CSPE waarmee hernieuwbare energie wordt gefinancierd met zich meebrengt, mogen de bijdragen ter financiering van de steun aan hernieuwbare energie dus niet overschrijden.
(256) De CRE zag er in casu op toe dat de bij de eindverbruikers geïnde bijdragen ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie niet hoger waren dan de kosten van de steun voor hernieuwbare energie (en voor alle andere met de CSPE gefinancierde beleidsmaatregelen), zoals uitgelegd in de overwegingen 14 en 15. Meer in het bijzonder verifieerde de CRE dat de kosten die de afnameplichtige kopers uit hoofde van de financieringssteun voor hernieuwbare energiebronnen opgaven, niet hoger waren dan de kosten van de steun, zijnde het verschil tussen de door de afnameplichtige kopers aan de producenten van hernieuwbare energie overgemaakte bedragen en de marktprijs die de afnameplichtige kopers kregen voor de door hen verkochte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. De CRE heeft zelfs een methode ter bepaling van de tot referentie dienende marktprijs ontwikkeld die exploitanten stimuleert de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zo rendabel mogelijk te verkopen. Bijgevolg concludeert de Commissie dat de bepalingen van punt 184 van de richtsnoeren van 2014 zijn nageleefd.
Beperkte steun aan elektriciteitsintensieve sectoren en ondernemingen die aan het internationale handelsverkeer blootstaan
(257) In de punten 185 en 186 van de richtsnoeren van 2014 is bepaald dat de steun beperkt dient te worden tot sectoren die door de financieringskosten van elektriciteit uit hernieuwbare energie risico lopen hun marktpositie kwijt te raken.
(258) Bovendien kan de steun pas worden verleend als de onderneming tot een van de in bijlage 3 bij de richtsnoeren van 2014 genoemde sectoren behoort of als de onderneming zowel een elektriciteitsintensiteit van ten minste 20 % als een blootstelling aan internationale handel van ten minste 4 % van het niveau van de Europese Unie heeft.
(259) Bijlage 5 bij de richtsnoeren van 2014 bevat een lijst met bedrijfstakken uit de mijnbouw en de be- en verwerkende industrie met een blootstelling aan internationale handel van ten minste 4 % die niet in de lijst van bijlage 3 bij de richtsnoeren van 2014 zijn opgenomen.
(260) De Commissie merkt op dat Frankrijk erkend heeft dat ondernemingen een CSPE-korting of -vrijstelling hebben genoten terwijl zij daar niet voor in aanmerking kwamen gezien de criteria die in de richtsnoeren van 2014 zijn bepaald, of omdat zij in geen van de in de bijlagen 3 en 5 bij de richtsnoeren van 2014 genoemde sectoren actief waren, of omdat zij weliswaar in een van de sectoren van bijlage 5 bij de richtsnoeren van 2014 actief waren, maar geen elektriciteitsintensiteit van ten minste 20 % bereikten.
Evenredigheid in het licht van onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014
(261) Volgens punt 188 van de richtsnoeren van 2014 wordt de steun evenredig geacht als de begunstigden ten minste 15 % van de heffing betalen, zonder korting.
(262) In punt 189 van de richtsnoeren van 2014 wordt bovendien erkend dat een bijdrage van 15 % van de heffing, gezien de aanzienlijke verhoging van die heffing ter financiering van hernieuwbare energie, misschien meer is dan wat de ondernemingen waarop deze lasten bijzonder drukken, kunnen dragen. Bijgevolg mogen de lidstaten de heffing beperken tot 4 % van de toegevoegde waarde van een onderneming als die onderneming een elektriciteitsintensiteit van minder dan 20 % heeft, en tot 0,5 % van de toegevoegde waarde als de elektriciteitsintensiteit van die onderneming ten minste 20 % bedraagt.
(263) De Commissie constateert in casu dat alleen al in 2014 ten minste 124 begunstigden minder dan 15 % CSPE (bedoeld ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie) hebben betaald en zich bijgevolg niet aan punt 188 van de richtsnoeren van 2014 hebben gehouden. Bovendien heeft Frankrijk CSPE-kortingen van 0,5 % van de toegevoegde waarde verleend volgens een verbruikscriterium, en niet volgens een expliciet criterium van elektriciteitsintensiteit. Ook het CSPE-maximum per locatie voldoet niet aan het criterium van elektriciteitsintensiteit uit de richtsnoeren van 2014. Bijgevolg concludeert de Commissie dat Frankrijk niet heeft aangetoond dat de in de richtsnoeren van 2014 vastgestelde evenredigheidsregels volledig zijn nageleefd. De Commissie onderschrijft derhalve niet de door Frankrijk geformuleerde en in de overwegingen 105 en 106 samengevatte opmerkingen.
Aanpassingsplan
(264) In de punten 193 en 194 van de richtsnoeren van 2014 is bepaald dat de lidstaten de in onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 vastgestelde subsidiabiliteits- en verenigbaarheidscriteria uiterlijk op 1 januari 2019 moeten toepassen. De Commissie merkt op dat Frankrijk een aanpassingsplan heeft ingediend dat voorziet in een geleidelijke verhoging van de verplichte minimale bijdrage, zodat de korting op het CSPE-deel dat ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie dient uiterlijk op 1 januari 2019 overeenstemt met de voorschriften in onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014. Bovendien heeft Frankrijk besloten de CSPE in 2016 af te schaffen.
(265) Volgens punt 195 van de richtsnoeren van 2014 mag het aanpassingsplan zodanig zijn opgesteld dat de uit de toepassing van de in onderdeel 3.7.2 bepaalde subsidiabiliteits- en verenigbaarheidscriteria volgende steunniveaus geleidelijk worden bereikt, om een abrupte stijging van de bijkomende kosten voor individuele ondernemingen te vermijden.
(266) Bovendien is in punt 196 van de richtsnoeren van 2014 aangegeven dat het aanpassingsplan, indien de steun is verleend voor een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de richtsnoeren van 2014, ook voor die voorafgaande periode moet voorzien in een geleidelijke toepassing van de subsidiabiliteits- en evenredigheidscriteria.
(267) Indien de steun, in de vorm van een korting op of vrijstelling van de belasting ter financiering van elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energie, vóór de ingangsdatum van de richtsnoeren van 2014 is toegekend aan ondernemingen die daar op grond van de in onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 bepaalde criteria niet voor in aanmerking kwamen, kan die steun krachtens punt 197 van de richtsnoeren van 2014 niettemin verenigbaar worden verklaard, mits het aanpassingsplan erin voorziet dat de bijdrage uiterlijk op 1 januari 2019 minimaal 20 % bedraagt.
(268) Uit de informatie die Frankrijk heeft verstrekt over de jaren waarvoor het over statistieken beschikt, blijkt dat in die jaren een aanzienlijk aantal begunstigden een hogere korting heeft gekregen dan op grond van de richtsnoeren van 2014 toelaatbaar was. Zo hebben in 2004 124 begunstigden van de CSPE-korting van 0,5 % van de toegevoegde waarde minder dan 15 % aan CSPE betaald en hebben er 202 minder dan 20 % van het maximale CSPE-niveau betaald. Bovendien hebben 27 begunstigden van het maximum per locatie minder dan 15 % van de CSPE betaald en hebben 39 begunstigden van dat maximum minder dan 20 % CSPE betaald. Voorts tekent de Commissie aan dat 934 begunstigden van het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde tot 135 verschillende sectoren (131 NACE-codes) behoren, wat meer is dan volgens bijlage 3 (68 NACE-codes) van de richtsnoeren van 2014 is toegestaan.
(269) Bijgevolg heeft Frankrijk een aanpassingsplan ingediend om de in het kader van de betrokken maatregelen verleende kortingen terug te brengen tot een niveau dat overeenstemt met de richtsnoeren van 2014 en om de hoogte van de te betalen CSPE vast te stellen. De bijzonderheden en voorwaarden van dit aanpassingsplan zijn uiteengezet in punt 4.4. De Commissie is in de eerste plaats van oordeel dat dit aanpassingsplan voldoet aan de bepalingen van artikel 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014. Frankrijk heeft zich er met name toe verbonden te verifiëren dat de begunstigden die tot een van de in bijlage 3 bij de richtsnoeren van 2014 genoemde sectoren behoren en de begunstigden die gezamenlijk een elektriciteitsintensiteit van ten minste 20 % hebben en tevens tot een van de in bijlage 5 bij de richtsnoeren van 2014 genoemde sectoren behoren, een bedrag aan CSPE ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie betalen dat ten minste gelijk is aan een van de volgende waarden:
15 % van het CSPE-bedrag dat bestemd is ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie;
4 % van de toegevoegde waarde van het bedrijf als dat bedrijf een elektriciteitsintensiteit van minder dan 20 % heeft;
0,5 % van de toegevoegde waarde van het bedrijf als dat bedrijf een elektriciteitsintensiteit van ten minste 20 % heeft.
(270) Als dat niet het geval is, heeft Frankrijk zich ertoe verbonden te verifiëren dat het betaalde CSPE-bedrag ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie ten minste het niveau van de door het aanpassingsplan vereiste bijdrage bereikt, op basis van de in overweging 140 vermelde formule voor geleidelijke aanpassing. Ten slotte heeft Frankrijk uitgelegd dat het verschil tussen de reeds betaalde bijdrage en de bijdrage die op grond van het aanpassingsplan is verschuldigd, wordt teruggevorderd indien de bijdrage die een begunstigde heeft betaald niet overeenkomt met het bedrag dat volgens het aanpassingsplan betaald moet worden.
(271) Overeenkomstig punt 197 van de richtsnoeren van 2014 heeft Frankrijk zich ertoe verbonden te verifiëren dat de begunstigden die op grond van onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 niet in aanmerking komen, maar vóór 1 juli 2014 toch een CSPE-korting hebben genoten, ten minste 20 % van de CSPE ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie betalen. Indien dat het geval is, is er geen verdere aanpassing vereist. Indien dat niet het geval is, wordt er een progressief aanpassingsplan toegepast om het jaarlijks te betalen CSPE-bedrag geleidelijk te verhogen totdat het uiterlijk op 1 januari 2019 20 % bedraagt van de CSPE die dient ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie. Als de door een begunstigde betaalde bijdrage niet overeenkomt met de bijdrage die op grond van het aanpassingsplan betaald moet worden, is Frankrijk voornemens het verschil tussen de reeds betaalde bijdrage en de volgens het aanpassingsplan verschuldigde bijdrage terug te vorderen. Daar Frankrijk besloten heeft de CSPE in 2016 af te schaffen, kan de toepassing van het aanpassingsplan op 31 december 2015 worden beëindigd.
(272) Begunstigden die op grond van onderdeel 3.7.2 van de richtsnoeren van 2014 niet in aanmerking komen en vóór 1 juli 2014 geen CSPE-korting hebben genoten, moeten uiterlijk op 1 januari 2019 100 % van de CSPE ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie betalen.
(273) De Commissie merkt op dat de versie van het aanpassingsplan die door Frankrijk op 23 november 2017 is ingediend en in punt 4.4 is uiteengezet, berust op een uitgebreide en gedetailleerde analyse van de situatie van elke begunstigde ten aanzien van de CSPE. Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat Frankrijk de punten 198, 199 en 200 van de richtsnoeren van 2014 heeft nageleefd.
(274) Ten slotte merkt de Commissie op dat het volgens punt 248 van de richtsnoeren van 2014 is toegestaan het aanpassingsplan in 2011 te laten ingaan. Op grond van datzelfde punt is de Commissie van oordeel dat de kortingen die vóór 1 januari 2011 zijn toegekend voor het deel van de CSPE dat dient ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie, verenigbaar met de interne markt kunnen worden verklaard.
Conclusie over de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt
(275) Op basis van de elementen die in de overwegingen 115 tot en met 148 uiteengezet zijn, concludeert de Commissie dat het door Frankrijk ingediende en in punt 4.4 beschreven aanpassingsplan verenigbaar is met onderdeel 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014 voor zover het betrekking heeft op het deel van de CSPE dat bestemd is ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie. Op dezelfde wijze zijn de CSPE-vrijstellingen voor zover de CSPE de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen financiert verenigbaar met onderdeel 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014 en met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, mits de toegekende kortingen niet hoger zijn dan de kortingen die volgens het aanpassingsplan toelaatbaar zijn en het minimale CSPE-bedrag ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie, zoals aangegeven in de overwegingen 269 tot en met 272, is betaald.
(276) Daarentegen concludeert de Commissie dat steunbedragen die hoger zijn dan volgens het aanpassingsplan is toegestaan, onverenigbaar zijn met de interne markt en teruggevorderd moeten worden. De Commissie bekrachtigt uit dien hoofde de uitvoeringsbepalingen van dit aanpassingsplan zoals ze door Frankrijk in punt 4.4 van dit besluit zijn neergelegd.
Verenigbaarheid van de CSPE-kortingen met de interne markt voor zover de CSPE dient ter financiering van andere beleidsmaatregelen dan de ontwikkeling van elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen
(277) De Commissie merkt in de eerste plaats op dat noch aan de hand van onderdeel 3.7.1 van de richtsnoeren van 2014, noch aan de hand van de onderdelen 3.7.2 en 3.7.3 van diezelfde richtsnoeren beoordeeld kan worden of de CSPE-kortingen, voor zover die dienen ter financiering van andere steunregelingen dan de steun voor elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen, verenigbaar zijn met de interne markt.
(278) Enerzijds is de Commissie van oordeel dat de CSPE-kortingen ten behoeve van steun voor warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven niet als milieubelasting aangemerkt kunnen worden om de redenen die al in de overwegingen 223, 224 en 225 uiteengezet zijn.
(279) Anderzijds gelden de onderdelen 3.7.2 en 3.7.3 van de richtsnoeren van 2014 alleen voor kortingen op belastingen die bedoeld zijn om de steun voor hernieuwbare energie te financieren. Ze strekken zich dus niet uit tot kortingen op de heffing die bedoeld is om steunmaatregelen voor warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven te financieren.
(280) Daar er geen andere richtsnoeren van toepassing zijn op de kortingen die voor die delen van de CSPE zijn toegekend, heeft de Commissie de verenigbaarheid van die maatregelen met de interne markt getoetst aan artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. De Commissie kan een steunmaatregel volgens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU rechtstreeks verenigbaar verklaren als die maatregel bijdraagt aan een doelstelling van gemeenschappelijk belang, passend en noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken, evenredig is en als de positieve effecten groter zijn dan de negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer.
(281) De Commissie heeft al geconcludeerd dat vrijstellingen van andere belastingen dan die welke bedoeld zijn ter financiering van hernieuwbare energie geacht kunnen worden een gemeenschappelijk belang na te streven. Meer in het bijzonder heeft de Commissie in haar besluiten SA.38635 en SA.42393 opgemerkt dat ervan uitgegaan mag worden dat de kortingen op de elektriciteitsbelasting waarmee hoogrenderende warmte-krachtkoppeling wordt gefinancierd een doelstelling van gemeenschappelijk belang dienen en ter verwezenlijking van die doelstelling passend en noodzakelijk zijn, als de belasting ter financiering van de steun voor dat beleid, dat zelf een gemeenschappelijk belang dient, zonder die kortingen niet gehandhaafd zou kunnen worden.
(282) De Commissie heeft gecontroleerd of de CSPE die dient ter financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient en of de kortingen voor de stabiliteit van de financiering van dat beleid noodzakelijk waren.
Doelstelling van gemeenschappelijk belang
(283) Artikel 38 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad definieert hoogrenderende warmte-krachtkoppeling als een manier om een volgens bijlage II bij die richtlijn berekende energiebesparing te verwezenlijken. Volgens bijlage II moet die hoogrenderende warmte-krachtkoppeling aan twee criteria voldoen. Ten eerste dient de warmte-krachtkoppelingsproductie een besparing op primaire energie van ten minste 10 % ten opzichte van de referenties voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit op te leveren. Ten tweede kan de productie afkomstig van kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppelingseenheden die een besparing op primaire energie oplevert, worden aangemerkt als hoogrenderende warmte-krachtkoppeling.
(284) Zoals uiteengezet in overweging 10, onder b), heeft Frankrijk uitgelegd dat in casu de uit de CSPE gefinancierde warmte-krachtkoppelingsinstallaties enerzijds warmte-krachtkoppelingsinstallaties met een energierendement van meer dan 65 % waren, en anderzijds hoogrenderende warmte-krachtkoppelingsinstallaties op aardgas met een rendement van meer dan 12 MW. Frankrijk heeft bevestigd dat al die installaties voldeden aan de criteria voor hoogrenderende installaties zoals bepaald in Richtlijn 2012/27/EU.
(285) De Commissie deelt voorts de zienswijze van Frankrijk dat de steun voor verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval waarbij warmte-krachtkoppeling wordt gebruikt ook als steun voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling kan worden aangemerkt (zie ook overweging 134).
(286) De Commissie constateert dat bevordering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling als doelstelling van gemeenschappelijk belang wordt erkend omdat hoogrenderende warmte-krachtkoppeling de efficiëntie van de energieproductie vergroot en de uitstoot van koolstofdioxide verlaagt en omdat deze positieve externaliteiten niet volledig in de prijs worden doorberekend, zodat hoogrenderende warmte-krachtkoppeling zonder extra steun over het algemeen niet spontaan tot ontwikkeling komt (zie punt 51 van de richtsnoeren van 2008). Daarom staat de Commissie exploitatiesteun voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling toe (zie de punten 138, 139 en 151 van de richtsnoeren van 2014, punt 3.1.7 van de richtsnoeren van 2008 en punt E.3.4 van de richtsnoeren van 2001). De Commissie sluit zich dus aan bij de opmerkingen die Frankrijk in overweging 99, onder 1, heeft geformuleerd.
(287) De Commissie merkt in de eerste plaats op dat de financiering van maatregelen die bedoeld zijn om de energiekosten in afgelegen regio's te beperken inderdaad een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient. Die financiering is ten eerste te rechtvaardigen wegens de noodzaak van regionale samenhang, zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, VEU. Bovendien bepaalt artikel 174 VWEU dat de Europese Unie haar optreden gericht op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang [ontwikkelt en vervolgt]. De Unie stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen. Wat betreft die regio's wordt bijzondere aandacht besteed aan de plattelandsgebieden, de regio's die een industriële overgang doormaken, en de regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden. Ten slotte wordt in artikel 349 VWEU benadrukt dat de kenmerken en beperkingen van de meest perifere gebieden in aanmerking moeten worden genomen.
(288) Wat betreft de meest perifere gebieden, die aanzienlijk voordeel genieten van de tariefnivellering, beklemtoont de Commissie zelf in haar recente mededeling over de ultraperifere gebieden dat [e]r duidelijk behoefte [is] aan meer inspanningen om de ultraperifere gebieden ten volle profijt te laten trekken van de voordelen van EU-lidmaatschap en de globalisering in goede banen te leiden. Wat betreft de energiesector, wordt in de mededeling uitdrukkelijk het probleem erkend dat de aansluiting op de continentale elektriciteitsnetten ontoereikend is en dat subsidies dus nodig zijn om hoge elektriciteitstarieven te voorkomen.
(289) Bovendien heeft de Commissie al goedkeuring verleend voor door de lidstaten gefinancierde maatregelen om de elektriciteitstarieven in onvoldoende aangesloten gebieden te maximeren teneinde een te groot verschil met de continentale tarieven te vermijden.
(290) Bijgevolg oordeelt de Commissie dat het deel van de CSPE dat bedoeld is om tariefnivellering te financieren een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient.
(291) De Commissie sluit zich dus aan bij de opmerkingen die Frankrijk in overweging 99, onder 2, heeft geformuleerd.
(292) De Commissie benadrukt in de eerste plaats dat het deel van de CSPE dat bedoeld is om sociale tarieven te financieren een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient. Die doelstelling is duidelijk uitgedrukt in artikel 3 VEU en artikel 174 VWEU, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat sociale en economische samenhang doelstellingen van de Europese Unie zijn.
(293) Die doelstellingen zijn ook overgenomen in de secundaire wetgeving van de Europese Unie die van toepassing is op elektriciteit. In het bijzonder bepaalt Richtlijn 2009/72/EG (Energierichtlijn) in overweging 45 dat de lidstaten ervoor [moeten] zorgen dat huishoudelijke afnemers en […] kleine bedrijven het recht hebben om tegen duidelijk vergelijkbare, transparante en redelijke prijzen van elektriciteit van een bepaalde kwaliteit te worden voorzien. In overweging 53 bij die richtlijn wordt gewezen op het belang van maatregelen en nationale actieplannen om energiearmoede te bestrijden. Bovendien verplicht artikel 3, lid 7, van de richtlijn lidstaten uitdrukkelijk om passende maatregelen te nemen ter bescherming van eindverbruikers, en met name kwetsbare afnemers. Ten slotte wordt ook in de mededeling van de Commissie Schone energie voor alle Europeanen benadrukt dat de meest kwetsbare afnemers beschermd moeten worden.
(294) Bijgevolg oordeelt de Commissie dat het deel van de CSPE dat bedoeld is om sociale tarieven te financieren een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient.
(295) De Commissie sluit zich dus aan bij de opmerkingen van de vereniging UNIDEN, zoals uiteengezet in overweging 71, en de opmerkingen die Frankrijk in overweging 99, onder 3, heeft geformuleerd.
Geschiktheid en noodzaak
(296) De Commissie heeft vervolgens gecontroleerd of de CSPE-kortingen noodzakelijk geacht kunnen worden om de financiering van de steunmaatregelen voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven in stand te houden.
(297) De Commissie erkent dat aan elektriciteitsintensieve ondernemingen verleende CSPE-kortingen waarmee sociale tarieven gefinancierd worden te rechtvaardigen zijn met het argument dat er voldoende financiering voor de maatregel gewaarborgd moet worden door te voorkomen dat ondernemingen die bijzonder gevoelig zijn voor de heffing op elektriciteitsverbruik, namelijk elektriciteitsintensieve ondernemingen die zich in het internationale handelsverkeer bewegen, de lasten ten gevolge van een hoog CSPE-tarief niet kunnen dragen. Te hoge lasten zouden kunnen leiden tot bedrijfssluitingen en zouden afbreuk kunnen doen aan de duurzaamheid van de financiering van de steunmaatregelen en uiteindelijk de door de steunmaatregelen beoogde doelen.
(298) Om te voorkomen dat elektriciteitsverbruikers die bijzonder door de financieringskosten van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven worden getroffen, namelijk ondernemingen die zowel elektriciteitsintensief als aan internationale concurrentie blootgesteld zijn, failliet gaan of zich buiten de Europese Unie moeten vestigen, kan het nodig blijken korting te verlenen op de belasting op elektriciteitsverbruik. Faillissement of verplaatsing van een te groot aantal bedrijven kan de financiële grondslag namelijk aantasten. In plaats van minder te betalen zouden deze bedrijven dan helemaal niet meer aan de financiering van de CSPE bijdragen, waardoor de andere verbruikers een hoger tarief zouden moeten betalen om de steun voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven te financieren. Daardoor zou de aanvaardbaarheid van de maatregelen voor de overgebleven CSPE-betalers afnemen.
(299) De Commissie merkt in dat verband op dat in Richtlijn 2012/27/EU een doelstelling van 20 % energie-efficiëntie en nationale doelstellingen zijn vastgelegd, die met behulp van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling aanzienlijk gemakkelijker kunnen worden verwezenlijkt. Op 23 oktober 2014 heeft de Europese Raad bovendien voor 2030 een doelstelling van 27 % meer energie-efficiëntie vastgesteld.
(300) Bijgevolg kan de financieringsbehoefte van de steun voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling aanzienlijk zijn. Dat is het geval in Frankrijk, aangezien de CSPE voor 25 %, ofwel 1,7 miljard EUR, voor de financiering van warmte-krachtkoppeling is bestemd. Bovendien moet de heffing ter financiering van warmte-krachtkoppeling in Frankrijk opgeteld worden bij de andere delen van de CSPE, waaronder het deel dat bestemd is ter financiering van hernieuwbare energie (2,7 miljard EUR).
(301) De lastendruk wordt nog verzwaard door de financiering van de tariefnivellering en de sociale tarieven, die opgeteld moet worden bij de andere delen van de CSPE. De CSPE-delen tariefnivellering en sociale tarieven maakten in de periode 2003-2014 samen 34 % van de CSPE uit, ofwel 12,7 miljard EUR.
(302) De Commissie begrijpt dat Frankrijk het gezien het relatief hoge CSPE-bedrag (CSPE-tarief van 19,5 EUR/MWh, in vergelijking met een day-aheadprijs van 38,8 MWh in hetzelfde jaar) en de sterke verhoging (550 %) die de CSPE in de periode 2003-2015 heeft ondergaan, nodig heeft gevonden CSPE-kortingen in te stellen voor de ondernemingen die voor die lastenverhoging het meest gevoelig zijn.
(303) De Commissie merkt tevens op dat de maatregelen geschikt zijn om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te bereiken. De Commissie tekent in dat opzicht aan dat alle steunmaatregelen betrekking hebben op de openbare dienstverlening voor elektriciteit in Frankrijk: bevordering van warmte-krachtkoppeling om de energie-efficiëntie van de Franse elektriciteitsproductie en het milieueffect daarvan te verbeteren, bestrijding van energiearmoede door instelling van sociale elektriciteitstarieven, garantie op toegang tot gelijk geprijsde elektriciteit voor minder goed aangesloten overzeese gebieden die niet beschikken over opwekkingsfaciliteiten die gelijkwaardig zijn aan die van continentaal Frankrijk. Het ligt daarom voor de hand dat Frankrijk de financiering van de betrokken maatregelen veilig wil stellen door middel van een verplichte bijdrage die wordt geheven over het elektriciteitsverbruik in Frankrijk.
(304) Op basis van die elementen concludeert de Commissie dat de CSPE-kortingen die bedoeld zijn ter financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven, geacht kunnen worden bij te dragen aan de doelstelling van gemeenschappelijk belang, omdat ervan uitgegaan kan worden dat ze noodzakelijk zijn om die delen van de CSPE in stand te houden en daarmee de steun voor die beleidslijnen te waarborgen.
(305) De Commissie sluit zich dus aan bij de opmerkingen van Frankrijk zoals die in overweging 99, onder 1, 2 en 3, zijn uiteengezet.
(306) Niettemin moet erop worden gewezen dat het streven om energie-efficiëntie, bestrijding van energiearmoede en behoud van territoriale samenhang te bereiken via een nivellering van de elektriciteitstarieven in continentaal Frankrijk en de overzeese gebieden weliswaar als doelstelling van gemeenschappelijk belang gezien kan worden, maar op zichzelf en in het algemeen beschouwd is verbetering of behoud van het concurrentievermogen van een onderneming geen doelstelling van gemeenschappelijk belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.
(307) De Commissie benadrukt dat de waardering voor doelstellingen van gemeenschappelijk belang geen algemene en systematische erkenning van kortingen op belastingen of heffingen voor elektriciteitsintensieve ondernemingen inhoudt.
(308) Voor een CSPE-korting is een doelstelling van gemeenschappelijk belang alleen maatgevend voor zover er met die korting kan worden gezorgd voor een stabiele financiering van steunmaatregelen die een bewezen en met het energiebeleid van de Unie samenhangende doelstelling van gemeenschappelijk belang dienen.
(309) In die zin neemt de Commissie afstand van de opmerkingen van ALFI, zoals uiteengezet in overweging 67, van UNIDEN, zoals uiteengezet in overweging 71, en van Frankrijk, zoals uiteengezet in de overwegingen 100, 101 en 102, die erop lijken te wijzen dat het vermijden van een risico voor het concurrentievermogen en van bedrijfsverplaatsingen als doelstelling van gemeenschappelijk belang wordt gezien. Verbetering van het concurrentievermogen van bepaalde ondernemingen ten nadele van hun concurrenten kan op zichzelf echter niet als doelstelling van gemeenschappelijk belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU worden beschouwd.
Stimulerend effect, evenredigheid en uitblijven van niet-gerechtvaardigd effect op concurrentievervalsing
(310) De Commissie merkt op dat als de kortingen op de heffing ter financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven te groot zijn of aan een te groot aantal sectoren of begunstigden worden verleend, de totale belastingopbrengst waaruit die maatregelen worden gefinancierd onder druk kan komen te staan en de publieke aanvaarding van die maatregelen kan afnemen. Tevens kunnen die kortingen tot concurrentievervalsing leiden en aanzienlijke invloed hebben op het handelsverkeer.
(311) Om de verenigbaarheid van dit soort kortingen met de interne markt te beoordelen, heeft de Commissie in haar besluiten SA.42393 en SA.38635 aangegeven dat de bepalingen in de punten 185, 186 en 187 van de richtsnoeren van 2014 een relevant uitgangspunt verschaffen om te bepalen welke ondernemingen het gevoeligst zijn voor de invoering van een hoge belasting op elektriciteitsverbruik en het stimulerende effect van de steun vast te stellen. Dit lijkt vooral relevant omdat enerzijds de steun voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven gefinancierd wordt uit de CSPE en die steun net als de steun voor hernieuwbare energie doelstellingen van gemeenschappelijk belang in verband met de energiesector dient, en anderzijds het deel van de CSPE dat is toegekend aan hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven bij het CSPE-deel voor hernieuwbare energie moet worden opgeteld. Alle delen van de CSPE zijn op dezelfde wijze opgebouwd en worden op dezelfde wijze geheven. Aangezien de CSPE wordt geheven naar verhouding van het elektriciteitsverbruik, treft deze heffing vooral ondernemingen waarvan de energiekosten een aanzienlijk deel van hun toegevoegde waarde uitmaken en die deze kosten niet eenvoudig aan de eindverbruiker kunnen doorberekenen zonder marktaandeel te verliezen, omdat de sectoren waarin zij actief zijn aan de internationale handel zijn blootgesteld. Om welke ondernemingen het gaat, kan worden vastgesteld aan de hand van de in de punten 185, 186 en 187 van de richtsnoeren van 2014 vermelde criteria.
(312) De Commissie heeft in haar besluiten SA.42393 en SA.38635 tevens aangegeven dat zij van de punten 188 en 189 van de richtsnoeren van 2014 kan uitgaan om de evenredigheid van de kortingen op de heffing ter financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven te beoordelen. Dit lijkt passend, enerzijds omdat met hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven net als met de eveneens uit de CSPE gefinancierde steun voor hernieuwbare energie doelstellingen van gemeenschappelijk belang voor de energiesector worden nagestreefd, en anderzijds omdat de kortingen verleend zijn om de financiering van die steunmaatregelen draaglijk te houden door de lastendruk te beperken voor ondernemingen die bijzonder door de energieheffing worden getroffen, waarbij van die ondernemingen toch een toereikende bijdrage wordt verlangd. Daarom dienen de in punten 188 en 189 van de richtsnoeren van 2014 vastgestelde criteria om dit evenwicht nader te bepalen.
(313) De Commissie merkt in dat verband op dat een groot aantal in aanmerking komende begunstigden elektriciteitsintensieve ondernemingen in de zin van de punten 185, 186 en 187 van de richtsnoeren van 2014 zijn en dat een zeker aantal begunstigden de minimaal vereiste bijdrage van 15 % van de heffing betaalt.
Aanpassingsplan
(314) Voor begunstigden die niet als elektriciteitsintensieve ondernemingen in de zin van de punten 185, 186 en 187 van de richtsnoeren van 2014 kunnen worden aangemerkt en ondernemingen die weliswaar elektriciteitsintensief in de zin van die punten zijn maar niet minstens 15 % van de CSPE of 0,5 % van de toegevoegde waarde hebben betaald, heeft Frankrijk een aanpassingsplan ingediend om hun eigen bijdrage (zie punt 4.4) geleidelijk te verhogen totdat die uiterlijk op 1 januari 2019 gelijk is aan 15 % (voor elektriciteitsintensieve ondernemingen in de zin van de punten 185, 186 en 187 van de richtsnoeren van 2014) of 100 % (voor niet-elektriciteitsintensieve ondernemingen). Daar de CSPE op 1 januari 2016 is afgeschaft, wordt het aanpassingsplan slechts tot en met 31 december 2015 ten uitvoer gelegd.
(315) Dit aanpassingsplan behelst een cumulatieve aanpassing van alle CSPE-kortingen, waarmee hernieuwbare energie, warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven worden gefinancierd en waarvan de verenigbaarheid met de interne markt al door de Commissie is beoordeeld in de punten 5.4.1 en 5.4.2.
(316) De Commissie is van oordeel dat het aanpassingsplan gegrond is om dezelfde redenen die zijn aangevoerd voor het CSPE-deel dat betrekking heeft op hernieuwbare energie. Meer in het bijzonder wordt met dit aanpassingsplan voorkomen dat de financiële lasten voor de verbruikers die vanwege de in punten 185 en 189 van de richtsnoeren van 2014 bepaalde evenredigheidscriteria niet meer van de CSPE-kortingen kunnen profiteren te sterk en te abrupt stijgen. In die zin draagt het plan bij aan de houdbaarheid van de steun voor hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven doordat het de aanvaardbaarheid van de steun waarborgt en de financiering van de steun blijvend veiligstelt.
(317) De Commissie stemt in met de aanvangsdata van de aanpassingsplannen.
(318) Wat betreft hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, is de Commissie van oordeel dat het aanvangspunt van het aanpassingsplan, dat voor de CSPE-kortingen ter financiering van hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling in 2011 is vastgesteld, gerechtvaardigd is. In juni 2010 heeft de Europese Raad namelijk de doelstelling om tegen 2020 een energie-efficiëntie van 20 % te bereiken aanvaard. In de loop van 2010 en 2011 heeft de Europese Unie verschillende actieplannen en mededelingen goedgekeurd waarin gewezen wordt op het belang van energie-efficiëntie en de noodzaak om de inspanningen op het gebied van al dan niet met belastinggeld gefinancierde elektriciteitsopwekking te intensiveren om die energie-efficiëntie te vergroten. Wanneer deze actieplannen en mededelingen worden gelezen in samenhang met de richtlijn betreffende energie-efficiëntie, die de lidstaten oproept hun steunmaatregelen uit te breiden en daarmee de financieringskosten van die belastingen te verhogen, is een aanvang van dit plan in 2011 gerechtvaardigd.
(319) Gezien de beperkte voortgang van deze maatregelen vóór 2011 (vóór de invoering van het doel van 20 %) is de Commissie bovendien van oordeel dat de kortingen die vóór die referentiejaren zijn verleend, niet voldoen aan de criteria van artikel 107, lid 1, VWEU, maar aan artikel 2 van Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad die destijds van toepassing was (de-minimissteun), of aan artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, aangezien die tussen december 2008 en december 2010 verleende kortingen onder de toepassing vielen van de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (met name punt 4.2.2 van die regeling), en van besluit N 7/09 van de Commissie.
(320) Wat de andere uit de CSPE gefinancierde delen betreft, is de Commissie van oordeel dat het aanvangspunt van het aanpassingsplan, dat voor de CSPE-kortingen ter financiering van tariefnivellering en sociale tarieven in 2004 is vastgesteld, eveneens gerechtvaardigd is, ditmaal vanwege de in casu geldende verjaringstermijn van tien jaar zoals bepaald in artikel 17 van Verordening (EU) 1589/2015.
(321) Voor een aantal begunstigden die als elektriciteitsintensieve ondernemingen in de zin van de punten 185, 186 en 187 van de richtsnoeren van 2014 zijn aangemerkt, heeft Frankrijk aangetoond dat zij ten minste 15 % van de CSPE, of 4 dan wel 0,5 % van hun toegevoegde waarde hebben betaald. Voor begunstigden die een bedrag lager dan deze drempels betalen, heeft Frankrijk voorgesteld een aanpassingsplan in te voeren om hun bijdrage geleidelijk op te trekken tot de vereiste minima (zie punt 4.4), zodat zij op de theoretische datum 1 januari 2019 ten minste 15 % van de CSPE of 0,5 dan wel 4 % van de toegevoegde waarde betalen.
(322) Op basis van de uiteengezette informatie, vooral de belofte een aanpassingsplan ten uitvoer te leggen, concludeert de Commissie dat Frankrijk heeft aangetoond dat de kortingen op de CSPE-lasten die bedoeld zijn om hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven te financieren noodzakelijk en geschikt zijn, een stimulerend effect hebben, de mededinging niet ongegrond verstoren en derhalve verenigbaar zijn met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, in zoverre ze niet hoger zijn dan de kortingen die in het aanpassingsplan zijn bepaald.
(323) De Commissie voegt daaraan toe dat de bijdrage van de onderneming in alle andere gevallen op 1 januari 2019 100 % van de belasting moet bedragen. De CSPE-kortingen die in die andere gevallen zijn verleend, zullen dus moeten worden teruggevorderd. In dat opzicht onderschrijft de Commissie het standpunt van Frankrijk zoals uiteengezet in de overwegingen 122 en 124.
(324) Bijgevolg hecht de Commissie haar goedkeuring aan de nadere bepalingen voor de toepassing van het aanpassingsplan zoals uiteengezet in de overwegingen 117 tot en met 124 en in de punten 4.4.5 tot en met 4.4.8.
Verenigbaarheid van de CSPE-kortingen met de interne markt voor zover de CSPE andere doelen dient dan ontwikkeling van hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en financiering van sociale tarieven
(325) De Commissie is van oordeel dat Frankrijk niet heeft aangetoond dat met de overige delen van de CSPE steunmaatregelen worden gefinancierd die een doelstelling van gemeenschappelijk belang dienen, noch dat de heffingskortingen noodzakelijk zijn voor het nastreven van die doelstellingen of dat ze evenredig zijn met wat er nodig is om het nagestreefde doel te bereiken.
(326) Wat meer in het bijzonder het CSPE-deel ter financiering van de steun voor energieproductie door verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval zonder hoogrenderende warmte-krachtkoppeling betreft, merkt de Commissie op dat zij steun voor elektriciteitsproductie uit afvalverbranding over het algemeen alleen toestaat wanneer het afval biologisch afbreekbaar is of wanneer er gebruikgemaakt wordt van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling. De elektriciteitsproductie uit verbranding van fossiel afval heeft over het algemeen namelijk geen steun nodig om rendabel te zijn en kan een probleem vormen met betrekking tot de afvalhiërarchie. Meer in het bijzonder leidt het stimuleren van elektriciteitsopwekking uit afval van fossiele herkomst tot CO2-uitstoot en kan het ten koste gaan van de stimulans om het desbetreffende afval te recyclen of hergebruiken. Bovendien kan het ten koste gaan van de stimulans om de warmte rechtstreeks te gebruiken in plaats van die in elektriciteit om te zetten, terwijl het gebruik van warmte met het oog op het milieu meer voor de hand ligt omdat het een beter energierendement oplevert. Frankrijk heeft niet aangetoond dat de steun voor elektriciteitsproductie uit verbranding van fossiel afval (en ander niet biologisch afbreekbaar afval) geen stimulans inhield om de afvalhiërarchie, en met name het recyclen van afval, te omzeilen. In ieder geval heeft Frankrijk niet aangetoond dat er gezien de marktomstandigheden uit de CSPE te financieren steunmaatregelen nodig waren om verbranders van fossiel afval ertoe aan te zetten elektriciteit te produceren.
(327) Frankrijk heeft overigens in zijn nota van 23 november 2017 erkend dat het deel van de CSPE dat dient ter financiering van verbrandingsinstallaties die niet biologisch afbreekbare middelen gebruiken, niet voor korting in aanmerking kan komen.
(328) Ten tweede heeft Frankrijk niet aangetoond dat het, gezien alle maatregelen die het al ter waarborging van de voorzieningszekerheid had genomen en de van 2003 tot en met 2015 heersende marktomstandigheden, nodig was om door de CSPE gefinancierde steun te voorzien voor piekinstallaties om de voorzieningszekerheid te waarborgen. Voorts heeft Frankrijk niet aangetoond dat het veronderstelde positieve effect van de steun op de betrokken piekvoorzieningen opwoog tegen het concurrentievervalsende effect van de steun voor die productiemiddelen (vooral wat betreft in de jaren negentig gebouwde dieselgeneratoren). Frankrijk is bovendien tot de slotsom gekomen dat het CSPE-deel dat aan deze doelstelling is toegekend in zijn geheel moet worden betaald, wat door de Commissie wordt bevestigd.
(329) Ten slotte heeft Frankrijk niet voldoende aangetoond dat de kortingen op het CSPE-deel dat bestemd is voor het stimuleren van maatregelen voor onafhankelijke productie die van bijkomend nut is voor de openbare dienstverlening voor elektriciteit, zoals uiteengezet in overweging 11, onder 3, een doelstelling van gemeenschappelijk belang dienen. In het algemeen is niet duidelijk vastgesteld welke doelstelling er wordt nagestreefd. Ook de noodzaak van steun is niet aangetoond en het staat nog minder vast dat de veronderstelde positieve effecten van die steunmaatregelen opwegen tegen de negatieve invloed ervan op de mededinging. Bijgevolg is evenmin zeker dat de kortingen op dit deel van de CSPE geschikt en noodzakelijk zijn. Frankrijk heeft in zijn nota van 23 november 2017 bovendien bevestigd dat de CSPE die aan deze doelstelling is toegekend in zijn geheel moet worden betaald, wat door de Commissie wordt bevestigd.
(330) De Commissie bevestigt dan ook de door Frankrijk voorgestelde analyse, die in overweging 124 is uiteengezet.
Transparantie
(331) Krachtens onderdeel 3.2.7 van de richtsnoeren van 2014 moeten de lidstaten vanaf 1 juli 2016 bepaalde informatie over de begunstigden van de steun publiceren. Daar de maatregelen sinds 1 januari 2016 niet meer van toepassing zijn, is onderdeel 3.2.7 van de richtsnoeren van 2014 niet van toepassing.
Conclusie over de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt
(332) In de eerste plaats concludeert de Commissie dat het CSPE-deel dat bestemd is ter financiering van diverse doelstellingen andere dan de opwekking van hernieuwbare energie uit verbranding van biologisch afbreekbaar afval, verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval met gebruikmaking van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven, in zijn geheel moet worden betaald en niet voor kortingen in aanmerking komt. In voorkomend geval zullen verleende kortingen moeten worden teruggevorderd.
(333) Wat ten tweede de maatregelen en het ingediende plan betreft, concludeert de Commissie op basis van de in de overwegingen 251 tot en met 274 naar voren gebrachte informatie dat Frankrijk voldoende heeft aangetoond dat een deel van de CSPE-kortingen noodzakelijk en geschikt is, een stimulerend effect heeft, de mededinging niet vervalst en dus verenigbaar is met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.
(334) Daarentegen concludeert de Commissie dat steunbedragen die hoger zijn dan volgens het aanpassingsplan is toegestaan, onverenigbaar zijn en door de begunstigden van de maatregel terugbetaald moeten worden. De Commissie bekrachtigt uit dien hoofde de uitvoeringsbepalingen van dit aanpassingsplan zoals ze door Frankrijk in punt 4.4 van dit besluit zijn neergelegd.
Toepassing van de-minimisdrempels
(335) De Commissie merkt op dat Frankrijk, zoals uiteengezet in overweging 135, heeft meegedeeld voornemens te zijn voor elke korting de-minimisdrempels volgens Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1046 van de Commissie toe te passen wanneer het steunbedrag gedurende drie opeenvolgende jaren lager is dan 200000 EUR.
(336) De Commissie verduidelijkt dat de maatregelen aan alle bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1046 moeten voldoen om als toepasselijk beschouwd te worden.
Algemene conclusie
(337) Zoals uiteengezet in de punten 5.4.1 en 5.4.2, concludeert de Commissie op basis van de informatie die in de overwegingen 252 tot en met 334 naar voren is gebracht en die zowel betrekking heeft op de maatregelen als op het ingediende aanpassingsplan, dat Frankrijk voldoende heeft aangetoond dat een deel van de CSPE-kortingen een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient, noodzakelijk en geschikt is, een stimulerend effect heeft, evenredig is, de mededinging niet in strijd met het gemeenschappelijke belang vervalst en dus verenigbaar is met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.
(338) Daarentegen heeft Frankrijk niet aangetoond dat de steun die het in het aanpassingsplan bepaalde steunbedrag overschrijdt een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient, noodzakelijk en geschikt is, een stimulerend effect heeft, evenredig is en de mededinging niet in strijd met het gemeenschappelijk belang vervalst. Deze steun is dus onverenigbaar met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. Hetzelfde geldt voor kortingen op het deel van de CSPE dat bestemd is voor steunmaatregelen andere dan steun voor hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven.
(339) Bovendien stemt de Commissie in met de uitvoeringsbepalingen van het aanpassingsplan die door Frankrijk in punt 4.4 zijn beschreven en in de overwegingen 329 en 334 nader zijn uitgewerkt.
OVEREENKOMST MET DE ARTIKELEN 30 EN 110 VWEU
(340) Volgens vaste rechtspraak van het Hof vallen heffingen niet binnen de werkingssfeer van de verdragsbepalingen betreffende staatssteun tenzij ze worden aangewend voor de financiering van een steunmaatregel en bijgevolg integrerend deel uitmaken van die maatregel.
(341) Bovendien is in punt 29 van de richtsnoeren van 2014 bepaald dat een staatssteunmaatregel of de daaraan gekoppelde voorwaarden, daaronder begrepen de financieringsmethode als die een integrerend onderdeel van de maatregel is, niet met de interne markt verenigbaar kunnen worden verklaard als ze leiden tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht, met name de artikelen 30 en 110 VWEU.
(342) De Commissie heeft gecontroleerd of de CSPE als integrerend onderdeel van de steunmaatregel beschouwd moest worden, en of zij bijgevolg moest controleren of de CSPE, bijvoorbeeld, overeenstemt met de artikelen 30 en 110 VWEU.
(343) Uit de rechtspraak blijkt dat een belasting als integrerend onderdeel van een steunmaatregel wordt beschouwd, indien er krachtens de relevante nationale regeling een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing en de steun, dat wil zeggen de gefinancierde steunmaatregelen. De opbrengst van de heffing moet bestemd worden voor de financiering van die steunmaatregelen en de omvang daarvan, en dientengevolge de waardering van de verenigbaarheid van die steun met de interne markt, rechtstreeks beïnvloeden.
(344) De Commissie is van oordeel dat dit in casu niet zo is, en wel om twee redenen.
(345) Enerzijds is de CSPE een verplichte bijdrage die dient om de steun voor hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling en andere beleidsmaatregelen te financieren. De CSPE is niet ingesteld om de in dit besluit onderzochte vrijstellingen te financieren.
(346) Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een bijdrage die ter financiering van een steunmaatregel dient geen integrerend onderdeel van die maatregel is als het bedrag van die maatregel niet van de inkomsten uit de verplichte bijdragen afhangt. Wanneer derhalve naast de verplichte bijdrage een bijdrage uit de begrotingsmiddelen wordt gebruikt om de financiering van een steunmaatregel rond te krijgen, vormt die bijdrage geen integrerend onderdeel van de steunmaatregel.
(347) De Commissie constateert dat er in casu geen dwingend bestemmingsverband tussen de CSPE en de steunregeling bestaat. De CSPE is weliswaar inderdaad bestemd ter financiering van de steunregeling, maar de Commissie is daarentegen van oordeel dat er geen sprake is van een dwingende correlatie tussen het belastingbedrag en het steunbedrag. Er kan namelijk niet aangevoerd worden dat de opbrengsten van de CSPE rechtstreeks van invloed zijn op de omvang van de steun. In de onderstaande grafiek is te zien dat er geen sprake is van een dwingend bestemmingsverband en dat de opgelegde bijdrage per eenheid de werkelijke financieringskosten van de ondersteunde maatregelen vanaf 2007 niet meer dekt. €/MWh Contribution unitaire appliqée Contribution unitaire nécessaire pour les charges de service public 2014 2015 2013 2012 S2 2012 S1 2011 S2 2011 S1 2010 2009 2008 2007 2006 2005 2004 2003 2002 Évolution de la contribution unitaire Bron: CRE.
(348) Het verschil is rechtstreeks door EDF gefinancierd. Elk jaar heeft de CRE vastgesteld welke bijdrage er nodig was om de werkelijke kosten te dekken van de maatregelen die met die bijdrage gefinancierd moesten worden.
(349) Verschillen tussen de door EDF geïnde CSPE en de werkelijke kosten van de gefinancierde beleidsmaatregelen
Vanuit technisch oogpunt wordt de CSPE overigens geïnd door EDF, die belast is met de financiering van beleidsmaatregelen die in theorie gedekt moeten worden door de CSPE. Het verschil tussen de geïnde CSPE en de door EDF uitgegeven bedragen loopt op tot meer dan 5,3 miljard EUR. Dat verschil is als volgt onderverdeeld (per jaar en per beleidsmaatregel): Bron: nota van de Franse autoriteiten aan de diensten van de Commissie van 20 december 2016. Hernieuwbare energie Afvalverbranding Warmte-krachtkoppeling Tariefnivellering Sociale tarieven Piekproductie Diversen Totaal 2003 26 6 138 66 0 4 3 243 2004 5 1 17 10 0 1 0 34 2005 (22) (4) (98) (60) (12) (5) (3) (204) 2006 (3) (1) (38) (22) (2) (1) (1) (68) 2007 1 6 (70) (115) 1 (4) (1) (182) 2008 (5) 1 (19) (39) (2) (2) (1) (67) 2009 128 3 219 341 18 10 5 724 2010 119 (6) 223 197 17 7 5 562 2011 578 17 368 360 15 6 9 1353 2012 514 2 221 317 21 3 3 1081 2013 381 5 118 209 19 2 1 735 2014 708 7 117 322 54 2 1 1211 2015 (19) 0 (3) (8) (1) 0 0 (31) 2411 37 1193 1578 128 23 21 5391
(350) Het tekort van EDF is terugbetaald uit de staatsbegroting (zie artikel 5 van de wijzigingswet inzake financiën voor 2015, nr. 2015-1786 voor de samenstelling van de speciale verzamelrekening).
(351) Aangezien er geen sprake is van een bestemmingsverband tussen de CSPE en de gesteunde maatregelen, hoeft niet te worden beoordeeld of de CSPE overeenstemt met de artikelen 30 en 110 VWEU.
TERUGVORDERING VAN DE STEUN
(352) Wanneer de Commissie heeft vastgesteld dat een steunmaatregel onverenigbaar is met de interne markt, is zij volgens het VWEU en vaste rechtspraak van het Hof bevoegd te besluiten dat de betrokken lidstaat die maatregel moet intrekken of wijzigen. Evenzo heeft het Hof consequent het standpunt ingenomen dat de op een lidstaat rustende plicht om een door de Commissie als onverenigbaar met de interne markt beschouwde steunmaatregel in te trekken bedoeld is om de eerdere situatie te herstellen.
(353) Tegen die achtergrond is het Hof van oordeel dat die doelstelling is bereikt wanneer de begunstigde de reeds verleende onverenigbare steunbedragen heeft terugbetaald. In dat verband heeft het Hof verklaard dat die doelstelling wordt gehaald wanneer de begunstigde de uit hoofde van onrechtmatige steun verstrekte bedragen heeft terugbetaald, en zo het marktvoordeel verliest dat hij ten opzichte van zijn concurrenten genoot, waardoor de toestand van vóór de steunverlening wordt hersteld.
(354) In lijn met die rechtspraak is in artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2015/1589 het volgende bepaald: Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen […].
(355) Aangezien de maatregelen in kwestie in strijd met artikel 108 VWEU ten uitvoer zijn gelegd, vormen ze onrechtmatige steun. Bovendien zijn ze onverenigbaar en moet de steun bijgevolg worden teruggevorderd om de marktsituatie van voor de steunverlening te herstellen. De terugvordering moet betrekking hebben op de periode vanaf het moment waarop het voordeel aan de begunstigde is verleend, dus het moment waarop de steun aan de begunstigde ter beschikking is gesteld, tot het moment waarop de steun daadwerkelijk is terugbetaald, en de terug te betalen bedragen moeten rente dragen tot aan het moment waarop ze daadwerkelijk zijn terugbetaald.
(356) Bijgevolg moet de door Frankrijk verleende steun worden teruggevorderd voor zover die steun onverenigbaar is met de interne markt. De terugvordering heeft alleen betrekking op de CSPE-kortingen die zijn verleend tussen 2004 en 2015, voor wat betreft de CSPE-kortingen ter financiering van tariefnivellering en sociale tarieven, en tussen 2011 en 2015 voor wat betreft de CSPE-kortingen ter financiering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen en hoogrenderende warmte-krachtkoppeling.
(357) Het terug te vorderen bedrag moet elk jaar per begunstigde worden berekend. Dit bedrag moet voor elk jaar in kwestie worden beperkt tot het verschil tussen het bedrag dat voor dat jaar verenigbaar is en het CSPE-bedrag dat daadwerkelijk is betaald. Wanneer het gaat om de CSPE die bedoeld is ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven, wordt het verenigbare CSPE-bedrag bepaald in overeenstemming met het aanpassingsplan. Voor het deel van de CSPE dat dient ter financiering van andere doelstellingen dan de steun voor hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven, komt het te betalen verenigbare CSPE-bedrag overeen met het gehele CSPE-deel dat aan die doelstellingen is toegewezen.
(358) Voor elke begunstigde, elk jaar en elke beleidsmaatregel worden twee bedragen berekend: het betaalde CSPE-bedrag en het minimaal te betalen CSPE-bedrag op basis van het aanpassingsplan, vermeerderd met het gehele CSPE-bedrag dat dient ter financiering van andere steunmaatregelen dan steun voor hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven.
Berekening van de daadwerkelijk betaalde CSPE-bedragen
(359) Het CSPE-bedrag dat een begunstigde in een bepaald jaar daadwerkelijk heeft betaald, wordt verkregen uit de door de Franse overheidsdiensten verzamelde gegevens. Deze bedragen vloeien voort uit de toepassing van de verschillende CSPE-kortingen. Frankrijk heeft echter meegedeeld dat het nog niet over alle benodigde gegevens beschikt, daar de gegevens over de periode 2003-2010 niet gedigitaliseerd zijn. Een precieze berekening van het terug te betalen bedrag, op basis van papieren archieven, moet dus nog worden uitgevoerd.
(360) Wat betreft de begunstigden van het CSPE-maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, is de daadwerkelijk betaalde CSPE gelijk aan de laagste van de volgende twee waarden: de theoretische CSPE zoals bepaald in het aanpassingsplan en 0,5 % van de toegevoegde waarde. In geval van een negatieve toegevoegde waarde is het CSPE-bedrag dat als betaald wordt beschouwd, gelijk aan nul. Dit bedrag wordt vervolgens verdeeld over de beleidsmaatregelen volgens de tabel in overweging 133.
(361) Wat betreft de begunstigden van het CSPE-maximum per locatie, is de daadwerkelijk betaalde CSPE gelijk aan de laagste van de volgende twee waarden: de theoretische CSPE zoals bepaald in het aanpassingsplan en het bedrag van het maximum per locatie van het beschouwde jaar. Ook dit bedrag wordt over de beleidsmaatregelen verdeeld volgens de door Frankrijk ingediende tabel in overweging 133.
(362) Voor de begunstigden van de vrijstelling voor eigen verbruik is de daadwerkelijk betaalde CSPE gelijk aan het verschil tussen het totale verbruik en het vrijgestelde verbruik, vermenigvuldigd met het jaarlijks CSPE-tarief per eenheid zoals uiteengezet in overweging 133.
(363) Voor elke locatie waaraan een maximum per locatie is verleend, wordt bepaald of die locatie toebehoort aan een onderneming die ook profiteert van het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde. Voor elke locatie waaraan een vrijstelling voor eigen verbruik is verleend, wordt bepaald of die locatie toebehoort aan een onderneming die ook profiteert van het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde en/of het maximum per locatie.
(364) Wanneer een locatie waaraan een maximum per locatie of een vrijstelling voor eigen verbruik is verleend, toebehoort aan een onderneming die profiteert van het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, wordt alleen het maximum op de toegevoegde waarde in aanmerking genomen om te voorkomen dat het verleende voordeel dubbel geboekt wordt. Als de onderneming inderdaad profiteert van het maximum van 0,5 % van de toegevoegde waarde, die het volgende jaar bekend wordt, is het achteraf vastgestelde terug te betalen bedrag gelijk aan het verschil tussen de betaalde CSPE en 0,5 % van de toegevoegde waarde van de onderneming.
(365) Wanneer voor een locatie die niet toebehoort aan een onderneming die van het maximum naargelang de toegevoegde waarde profiteert, zowel het maximum per locatie als de vrijstelling voor eigen verbruik van toepassing is, wordt alleen het maximum per locatie in aanmerking genomen.
Berekening van de CSPE-bedragen die verschuldigd zijn door toepassing van de regels inzake staatssteun en de aanpassingsplannen Te betalen CSPE die niet in het aanpassingsplan is opgenomen
(366) De Commissie is in de eerste plaats van oordeel dat de CSPE die in zijn geheel door de begunstigden verschuldigd is en niet in het aanpassingsplan is opgenomen, betrekking heeft op het deel van de CSPE dat bestemd is ter financiering van de verbranding van niet biologisch afbreekbaar afval of afval dat niet bestemd is voor verwerking met hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, de steun voor piekinstallaties en de steun voor diverse maatregelen, zoals de financiering van vermogensgarantieovereenkomsten, en dat in overweging 11, punten 1, 2 en 3, en de overwegingen 326 tot en met 331 is uiteengezet. De reeds door de begunstigden betaalde CSPE kan voor de toepassing van het aanpassingsplan en het bepalen van het terug te vorderen bedrag eerst worden bestemd voor de financiering van die andere beleidsmaatregelen.
Aanvangsdatum van de aanpassingsplannen
(367) De Commissie stemt in met de in de overwegingen 275 en 318 tot en met 321 voorgestelde aanvangsdatum van de aanpassingsplannen, enerzijds voor het deel van de CSPE dat bestemd is ter financiering van hernieuwbare energie en hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, en anderzijds voor het deel van de CSPE dat bestemd is ter financiering van tariefnivellering en sociale tarieven.
Berekening van de hoogte en de geleidelijkheid van de te betalen CSPE-bedragen
(368) De Commissie onderschrijft de berekeningsmethode voor de bedragen die voor de verschillende delen van de CSPE zijn verschuldigd, op grond van een aanpassingsplan dat uiteengezet is in de overwegingen 265 tot en met 274 wat betreft het CSPE-deel dat bestemd is ter financiering van hernieuwbare energie, en in de overwegingen 316 en 317 wat betreft het CSPE-deel dat is toegewezen aan de financiering van hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, sociale tarieven en tariefnivellering.
(369) Op grond van een wet inzake statistiek hecht de Commissie haar goedkeuring aan het beginsel en de berekeningsmethode van de geleidelijke betaling van de CSPE-bedragen zoals beschreven in overweging 140.
(370) De Commissie stemt in met de vastgestelde berekeningsmethode voor de door een begunstigde in een bepaald jaar te betalen CSPE, met behulp van de volgende formule: Te betalen bedrag per jaar per gefinancierde beleidslijn = betaald bedrag + (te betalen bedrag – betaald bedrag) × [(e^n) – 1]/[(e^N) – 1] waarbij n het jaarnummer van het plan is (zo geldt voor een plan dat aanvangt in 2011 en afloopt in 2019 dat in 2011 n = 0, in 2012 n = 1 en in 2019 n = 8) en N de looptijd van het plan in jaren is (voor het plan uit het vorige voorbeeld is N = 8).
(371) De Commissie onderschrijft tevens de in overweging 135 uiteengezette methode om de-minimisdrempels in aanmerking te nemen.
Berekening van de terug te vorderen bedragen
(372) Voor elke begunstigde is het terug te betalen bedrag gelijk aan het verschil tussen i) de CSPE-bedragen die op grond van de toepassing van de regels inzake staatssteun verschuldigd zijn, en ii) de CSPE-bedragen die door de in aanmerking komende begunstigden daadwerkelijk zijn betaald.
(373) In dat opzicht onderschrijft de Commissie de door Frankrijk beschreven en in de overwegingen 145 tot en met 148 uiteengezette methode ter berekening van de terug te vorderen bedragen.
CONCLUSIES
(374) De Commissie stelt vast dat Frankrijk, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, de maximering van de CSPE onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De maatregelen tot CSPE-vrijstelling die Frankrijk ten gunste van verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit ten uitvoer heeft gelegd bij wet nr. 2003-8 van 3 januari 2003 betreffende de gas- en elektriciteitsmarkt en de openbare dienstverlening voor energie (hierna wet nr. 2003-8 genoemd), vormen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, wanneer het eigen verbruik van de van CSPE vrijgestelde elektriciteit dient om elektriciteit op te wekken.
Artikel 2
De maatregelen tot CSPE-vrijstelling die Frankrijk ten gunste van verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen ten uitvoer heeft gelegd bij wet nr. 2003-8, vormen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, voor het deel van de CSPE waarmee elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen wordt gefinancierd.
Artikel 3
De maatregelen tot CSPE-vrijstelling die Frankrijk ten gunste van verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit uit hoogrenderende warmte-krachtkoppeling ten uitvoer heeft gelegd bij wet nr. 2003-8, vormen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, voor het deel van de CSPE waarmee hoogrenderende warmte-krachtkoppeling wordt gefinancierd.
Artikel 4
De maatregelen tot CSPE-vrijstelling die Frankrijk, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, ten gunste van verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit ten uitvoer heeft gelegd bij wet nr. 2003-8, vormen met de interne markt verenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU in de andere gevallen dan die welke in de artikelen 1, 2 en 3 van dit besluit zijn bedoeld, voor zover die vrijstellingen zijn verleend ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven en voor zover ze de door het aanpassingsplan toegestane CSPE-kortingen niet hebben overschreden.
Artikel 5
De maatregelen die Frankrijk, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, ten gunste van verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit ten uitvoer heeft gelegd bij wet nr. 2003-8 in de vorm van een CSPE-maximum per locatie of een CSPE-maximum naargelang de toegevoegde waarde, vormen met de interne markt verenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, voor zover die maxima zijn toegekend ter financiering van de steun voor hernieuwbare energie, hoogrenderende warmte-krachtkoppeling, tariefnivellering en sociale tarieven en voor zover ze de door het aanpassingsplan toegestane CSPE-kortingen niet hebben overschreden.
Artikel 6
De Commissie aanvaardt de aanpassingsplannen die Frankrijk heeft aangemeld. Frankrijk is ertoe gehouden de Commissie op de hoogte te brengen van de uitvoering van die plannen volgens de in de artikelen 10 en 11 vastgestelde voorwaarden en de in artikel 12 vastgestelde termijnen.
Artikel 7
De maatregelen tot CSPE-vrijstelling die Frankrijk, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, ten gunste van verbruikers van zelf opgewekte elektriciteit ten uitvoer heeft gelegd bij wet nr. 2003-8 en de maatregelen in de vorm van een CSPE-maximum per locatie of een CSPE-maximum naargelang de toegevoegde waarde die Frankrijk, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, ten uitvoer heeft gelegd en die niet onder de artikelen 1 tot en met 5 van dit besluit vallen, vormen onverenigbare steun. Frankrijk is ertoe gehouden de onrechtmatige en onverenigbare steun van de begunstigden terug te vorderen.
Artikel 8
Alle individuele steun die op grond van de in artikel 7 bedoelde regeling is verleend, vormt geen staatssteun wanneer deze op het moment van de verlening ervan voldeed aan de voorwaarden van de op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 994/98 vastgestelde verordening, die van toepassing was op het moment waarop de steun werd verleend.
Artikel 9
Alle individuele steun die op grond van de in artikel 7 bedoelde regeling is verleend en op het moment van de verlening ervan voldeed aan de voorwaarden van een op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 994/98 vastgestelde verordening of aan de voorwaarden van een andere goedgekeurde steunregeling, is verenigbaar met de interne markt tot de maximaal toegestane steunintensiteit die voor het soort steun in kwestie is toegestaan.
Artikel 10
1. De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop ze de begunstigde ter beschikking zijn gesteld, tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.
2. De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie.
3. Frankrijk annuleert alle uitstaande betalingen van de op grond van de in artikel 7 bedoelde regeling verstrekte steun vanaf de datum van kennisgeving van dit besluit.
Artikel 11
1. De terugvordering van de verstrekte steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.
2. Frankrijk zorgt ervoor dat dit besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 12
1. Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt Frankrijk de volgende inlichtingen:
de definitieve lijst met begunstigden van de steun die op grond van de in artikelen 4, 5 en 7 bedoelde regeling is verleend;
het totale bedrag aan steun dat op grond van de in artikelen 4, 5 en 7 bedoelde regeling is ontvangen;
het totale bedrag aan steun waarop iedere begunstigde op grond van het aanpassingsplan recht heeft;
de CSPE-bedragen die ieder van hen heeft ontvangen en die geen steun in de zin van de artikelen 1, 2 en 3 is;
het totale, van ieder van de begunstigden terug te vorderen bedrag op grond van de in artikel 7 bedoelde regeling;
het totale eindbedrag (hoofdsom plus rente) dat van iedere begunstigde is teruggevorderd;
een gedetailleerde beschrijving van de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen.
2. Binnen vier maanden na kennisgeving van dit besluit dient de terugvorderingsprocedure in gang te zijn gezet. Binnen die termijn verstrekt Frankrijk de Commissie de documenten waaruit blijkt dat de begunstigden tot terugbetaling van de steun zijn aangemaand en de terug te vorderen steun daadwerkelijk hebben terugbetaald.
3. Tot aan het moment waarop de steun die op grond van de in artikel 7 bedoelde regeling is verleend, volledig is teruggevorderd, houdt Frankrijk de Commissie op de hoogte van de voortgang van de nationale maatregelen die ter uitvoering van dit besluit zijn genomen. Op verzoek van de Commissie verstrekt Frankrijk onverwijld informatie over de reeds genomen en voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Het verstrekt eveneens gedetailleerde inlichtingen over de reeds van de begunstigden teruggevorderde steunbedragen en rente.
Artikel 13
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 31 juli 2018 Voor de Commissie Margrethe Vestager Lid van de Commissie