Uitvoeringsverordening (EU) 2020/526 van de Commissie van 15 april 2020 tot het opnieuw instellen van een definitief compenserend recht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), van oorsprong uit India, wat Jindal Saw Limited betreft, naar aanleiding van het arrest van het Gerecht in zaak T-300/16
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2020/526@2020-04-15/nl
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, en met name artikel 15 en artikel 24, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt: PROCEDURE
(1) Op 17 maart 2016 heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2016/387 tot instelling van een definitief compenserend recht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), van oorsprong uit India (de litigieuze verordening), vastgesteld.
Arrest van het Gerecht van de Europese Unie
(2) Jindal Saw Limited (Jindal) en haar verbonden importeur, Jindal Saw Italia SpA (samen: verzoeksters), hebben tegen de litigieuze verordening beroep ingesteld bij het Gerecht. Op 10 april 2019 wees het Gerecht zijn arrest in zaak T-300/16 betreffende de litigieuze Verordening (het arrest).
(3) Het Gerecht stelde vast dat de berekening van het voordeel dat Jindal trekt uit de levering van ijzererts voor een ontoereikende prijs, in strijd was met artikel 6, onder d), van de antisubsidiebasisverordening die van kracht was ten tijde van het oorspronkelijke onderzoek (de antisubsidiebasisverordening). Het Gerecht overwoog met name dat de werkelijk door Jindal gemaakte kosten voor vervoer van de mijn naar haar fabriek in India hoger waren dan die welke de Commissie bij de berekening van de gemiddelde aankoopprijs van ijzererts in India in aanmerking heeft genomen. Volgens het Gerecht houdt dat verschil in vervoerskosten in dat de prijs waartegen Jindal op de Indische markt ijzererts aankocht in werkelijkheid hoger was dan de gemiddelde aankoopprijs die de Commissie heeft gebruikt om het niveau van de vergoeding te berekenen, hetgeen onvermijdelijk impact heeft gehad op het voordeel dat aan die producent-exporteur kon worden toegekend. Dienovereenkomstig heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie artikel 3, lid 2, en artikel 6, onder d), van de antisubsidiebasisverordening heeft geschonden door ten onrechte willekeurig bepaalde posten in de leveringskosten van Jindal te selecteren voor de berekening van de gemiddelde standaardvervoerskosten, en artikel 15, lid 1, derde alinea, van de antisubsidiebasisverordening door het compenserend recht vast te stellen op een niveau dat hoger is dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.
(4) Het Gerecht was ook van oordeel dat de Commissie bij de berekening van de prijsonderbieding door verzoeksters een fout had gemaakt. Enerzijds baseerde de Commissie zich in dit geval voor de bedrijfstak van de Unie op de prijzen af fabriek van de productiemaatschappijen wanneer deze rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers verkochten, of op de prijzen op het niveau af fabriek van de verkoopmaatschappijen. Anderzijds gebruikte de Commissie met betrekking tot de verkopen van Jindal op de markt van de Unie, teneinde een vergelijkbare eindprijs bij invoer in de EU te verkrijgen, als startprijs de uitvoerprijs zoals berekend bij de vaststelling van de dumpingmarge (waardoor de VAA-kosten plus de winst van de verbonden verkoopmaatschappijen van Jindal in de EU buiten beschouwing bleven). Het Gerecht overwoog dat wanneer producten niet rechtstreeks door de producent maar door tussenkomst van verkoopmaatschappijen op de markt worden gebracht, daardoor voor deze maatschappijen kosten en een eigen winstmarge ontstaan, zodat de door deze maatschappijen tegenover onafhankelijke afnemers toegepaste prijzen over het algemeen hoger zijn dan de prijzen die de producenten in rekening brengen bij rechtstreekse verkopen aan dergelijke afnemers, en dus niet kunnen worden gelijkgesteld met deze laatste prijzen. Bijgevolg was het Gerecht van oordeel dat de Commissie, door bij de prijsvergelijking in het kader van de berekening van de onderbieding uitsluitend voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie over te gaan tot de gelijkstelling van de prijzen die de verkoopmaatschappijen hanteerden tegenover onafhankelijke afnemers met de prijzen die de producenten bij hun rechtstreekse verkopen aan dergelijke afnemers hanteerden, voor dit product een hogere prijs in overweging heeft genomen en, bijgevolg, een prijs die ongunstig was voor Jindal Saw, die het overgrote deel van haar verkopen in de Unie door tussenkomst van verkoopmaatschappijen sloot. Volgens het Gerecht leverde dit een fout op bij de berekening van de prijsonderbieding van het betrokken product, aangezien de berekening van de onderbieding niet heeft plaatsgevonden door de prijzen in hetzelfde handelsstadium te vergelijken. Derhalve heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie de verkoopkosten en de winst van de verbonden verkoopmaatschappijen van Jindal in de Unie ten onrechte in mindering had gebracht op de verkoop aan de eerste onafhankelijke koper, terwijl de verkoopkosten en de winst van de verbonden verkoopmaatschappijen van de bedrijfstak van de Unie niet in mindering waren gebracht op de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie aan de eerste onafhankelijke afnemer. Volgens het Gerecht waren de twee prijzen niet symmetrisch in hetzelfde handelsstadium vergeleken.
(5) Bijgevolg heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie ook artikel 8, lid 1, van de antisubsidiebasisverordening had geschonden. Aangezien de prijsonderbieding, zoals berekend in de litigieuze verordening, ten grondslag lag aan de conclusie dat de invoer van het betrokken product de oorzaak was van de schade voor de bedrijfstak van de Unie, was het Gerecht van oordeel dat het bestaan van een causaal verband tussen de invoer met subsidiëring en de schade van de bedrijfstak van de Unie, als noodzakelijke voorwaarde voor de instelling van een antisubsidierecht overeenkomstig artikel 8, lid 5, van de antisubsidiebasisverordening, ook onzeker was.
(6) Bovendien was het Gerecht van oordeel dat niet kon worden uitgesloten dat indien de prijsonderbieding correct zou zijn berekend, de schademarge van de bedrijfstak van de Unie op een lager niveau dan het subsidiepercentage zou zijn vastgesteld. In dat geval moet het bedrag van het compenserend recht overeenkomstig artikel 15, lid 1, derde alinea, van de antisubsidiebasisverordening worden verlaagd tot een bedrag dat voldoende is om die schade weg te nemen.
(7) Bijgevolg verklaarde het Gerecht de litigieuze verordening nietig voor zover deze betrekking had op Jindal Saw Limited.
Uitvoering van het arrest van het Gerecht
(8) Ingevolge artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten de instellingen van de Unie de maatregelen nemen die nodig zijn om het arrest van het Gerecht uit te voeren. Indien een door de instellingen van de Unie in het kader van een bestuurlijke procedure, zoals het antisubsidieonderzoek in casu, vastgestelde handeling nietig wordt verklaard, wordt aan een arrest van het Gerecht uitvoering gegeven door de nietig verklaarde handeling te vervangen door een nieuwe waarin de door het Gerecht vastgestelde onwettigheid wordt opgeheven.
(9) Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie mag de procedure ter vervanging van een nietig verklaarde handeling worden hervat op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan. Dit houdt met name in dat wanneer een handeling tot afsluiting van een bestuurlijke procedure nietig wordt verklaard, de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op de voorbereidende handelingen, zoals die tot inleiding van de antisubsidieprocedure. Wanneer bijvoorbeeld een verordening tot instelling van definitieve compenserende rechten nietig wordt verklaard, blijft de procedure hangende omdat alleen de handeling tot afsluiting van de procedure uit de rechtsorde van de Unie is verdwenen, tenzij de onwettigheid al in het stadium van de inleiding is ontstaan. De hervatting van de administratieve procedure en het opnieuw instellen van compenserende rechten op goederen die tijdens de toepassingsperiode van de nietig verklaarde verordening zijn ingevoerd, kan niet worden geacht in strijd te zijn met het verbod van terugwerkende kracht.
(10) In casu heeft het Gerecht de litigieuze verordening ten aanzien van Jindal Saw Limited nietig verklaard op grond van het feit dat de Commissie met betrekking tot de levering van ijzererts het bedrag van de subsidie aan Jindal onjuist had berekend en bij de vaststelling van het bestaan van aanzienlijke onderbieding een fout had gemaakt. Die fout zou mogelijk de analyse van het oorzakelijk verband alsook de schademarge kunnen aantasten.
(11) De bevindingen van de litigieuze verordening die niet zijn betwist of die zijn betwist maar waarvan de betwisting door het Gerecht is afgewezen of niet is onderzocht, en die derhalve niet tot de nietigverklaring van de litigieuze verordening hebben geleid, blijven ten volle geldig.
(12) Na het arrest van het Gerecht van 10 april 2019 in zaak T-300/16 heeft de Commissie bij een bericht (het bericht van heropening) besloten het antisubsidieonderzoek betreffende de invoer van buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) naar aanleiding waarvan de litigieuze verordening is vastgesteld, ten dele te heropenen en te hervatten op het punt waarop de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden. De heropening was beperkt tot de uitvoering van het arrest van het Gerecht met betrekking tot Jindal Saw Limited.
(13) Vervolgens heeft de Commissie op 22 juli 2019 besloten de invoer van bepaalde buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India en geproduceerd door Jindal Saw Limited aan registratie te onderwerpen, en de nationale douaneautoriteiten verzocht de bekendmaking van de uitvoeringsverordening van de Commissie tot het opnieuw instellen van de rechten af te wachten alvorens een besluit te nemen over verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding van compenserende rechten voor zover die betrekking hebben op invoer die in verband staat met Jindal Saw Limited (de registratieverordening).
(14) De Commissie heeft de belanghebbenden van de heropening in kennis gesteld en hen verzocht opmerkingen te maken.
OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
(15) De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van de bedrijfstak van de Unie en van twee producenten-exporteurs.
(16) Met betrekking tot de subsidieberekening herinnerde de klager (SG PAM) eraan dat het Gerecht enkel heeft vastgesteld dat de Commissie het aan Jindal toegekende voordeel bij de aankoop van ijzererts voor een ontoereikende prijs had overschat door een onjuiste beoordeling van de vervoerskosten, maar dat het Gerecht de redenering van de Commissie voor het overige heeft aanvaard en alle andere vorderingen heeft afgewezen. De uitvoering van het arrest vereist dus alleen dat de Commissie bij haar herberekening van het voordeel in kwestie de vervoerskosten opnieuw beoordeelt.
(17) Jindal stelde dat de Commissie de nationale douaneautoriteiten niet kan gelasten de op grond van de litigieuze verordening geïnde rechten niet terug te betalen en/of kwijt te schelden. Zij stelde dat de situatie in deze zaak verschilt van die in het arrest Deichmann. Jindal betoogde ook dat de rechten niet met terugwerkende kracht opnieuw kunnen worden ingesteld. Volgens Jindal is de litigieuze verordening in haar geheel nietig verklaard, zodat zij met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie is verdwenen, terwijl er in de zaak Deichmann geen feiten of omstandigheden waren die de geldigheid van de definitieve verordening konden aantasten. Voorts stelde Jindal dat de geconstateerde onwettigheid met betrekking tot de analyse van de prijsonderbieding tot gevolg heeft dat de gehele analyse van het oorzakelijk verband door de Commissie ongeldig is. Volgens Jindal betekent dit dat de rechten in hun geheel niet hadden mogen worden opgelegd noch opnieuw mogen worden opgelegd, aangezien de gehele analyse van de schade en het oorzakelijk verband onjuist was. Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde Jindal dat betoog zonder daarvoor verdere argumenten aan te voeren.
(18) De Commissie herinnerde eraan dat volgens vaste rechtspraak, wanneer het Hof een verordening waarbij rechten zijn opgelegd, ongeldig verklaart, moet worden aangenomen dat die rechten niet wettelijk verschuldigd waren in de zin van artikel 236 van het douanewetboek en in beginsel onder de daartoe gestelde voorwaarden moeten worden terugbetaald door de nationale douaneautoriteiten. Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat de juiste draagwijdte van een arrest van het Hof tot ongeldigverklaring — en dus de precieze omvang van de eruit voortvloeiende verplichtingen — per geval moet worden bepaald. Daarbij moet niet alleen met het dictum van dat arrest rekening worden gehouden, maar ook met de rechtsoverwegingen, die er de noodzakelijke steun aan bieden.
(19) In de onderhavige zaak heeft het Gerecht vastgesteld dat een fout is gemaakt bij de berekening van het voordeel met betrekking tot de levering van ijzererts voor een ontoereikende prijs. Die fout had slechts betrekking op een van de subsidies die in het kader van het oorspronkelijke onderzoek aanleiding hebben gegeven tot compenserende rechten (3,91 %, op totale ad-valoremrechten van 8,7 %). De fout kon het niveau van de rechten dus niet onder de de minimis-drempels brengen.
(20) Bovendien heeft het Gerecht in de punten 255 tot en met 259 van het arrest vraagtekens gezet bij de methode voor de berekening van de prijsonderbieding door Jindal en de gevolgen daarvan voor het oorzakelijk verband alsmede de mogelijke gevolgen ervan voor de schademarge van Jindal. Dat deed echter geen afbreuk aan de geldigheid van alle andere bevindingen in de litigieuze verordening, die de geldigheid van de uiteindelijke bevindingen van de Commissie met betrekking tot de schade kunnen ondersteunen, zoals nader wordt uiteengezet in overweging 30. Zelfs als het heropende onderzoek tot de conclusie zou leiden dat niet opnieuw compenserende rechten hoeven te worden ingesteld, zouden de douaneautoriteiten hoe dan ook de mogelijkheid hebben het gehele bedrag aan rechten dat sinds de vaststelling van de litigieuze verordening is geïnd, terug te betalen.
(21) Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 10, lid 1, van de antidumpingbasisverordening niet in de weg staat aan het opnieuw instellen van antidumpingrechten op de invoer die heeft plaatsgevonden tijdens de periode waarin ongeldig verklaarde verordeningen van toepassing waren. Volgens de Commissie is dat evenzeer van toepassing op compenserende rechten, aangezien ook artikel 16 van de thans geldende antisubsidiebasisverordening niet in de weg staat aan het opnieuw instellen van compenserende rechten op de invoer die heeft plaatsgevonden tijdens de periode waarin de ongeldig verklaarde verordeningen van toepassing waren. Zoals in overweging 15 van de registratieverordening is uiteengezet, kan de hervatting van de administratieve procedure en het eventuele opnieuw instellen van rechten niet worden geacht in strijd te zijn met het verbod van terugwerkende kracht. Het bericht van heropening stelde de belanghebbenden, met inbegrip van de importeurs, er immers reeds van in kennis dat eventueel verschuldigde toekomstige rechten zullen voortvloeien uit de bevindingen van dit nieuwe onderzoek. Bijgevolg werd het argument van Jindal dat de rechten na de heropening van het oorspronkelijke onderzoek niet opnieuw kunnen worden ingesteld, afgewezen.
(22) Jindal stelde ook dat de Commissie, om aan het arrest van het Gerecht te voldoen, de werkelijke prijzen van Jindal voor haar eerste onafhankelijke afnemers moet gebruiken. Zij benadrukte dat de Commissie de prijzen van de met de verkoop belaste dochterondernemingen van de bedrijfstak van de Unie niet mag berekenen. Dat zou namelijk indruisen tegen punt 251 van het arrest, waarin het Gerecht overwoog dat voor de berekening van de prijsonderbieding de met de onafhankelijke afnemers overeengekomen prijzen moesten worden gebruikt, namelijk de prijzen die deze onafhankelijke afnemers in overweging hadden kunnen nemen teneinde te bepalen of zij de producten van de bedrijfstak van de Unie of de producten van de betrokken producenten-exporteurs kochten, en niet de prijzen in een tussenstadium. Dienaangaande meende de Commissie dat het Gerecht in het arrest Kazchrome, dat wil zeggen de door het Gerecht in het arrest Jindal aangehaalde bron, niet zo ver is gegaan als de categorische conclusie die Jindal thans trekt (namelijk dat wat in alle gevallen waarin de prijsonderbieding wordt berekend van belang is, de werkelijke prijzen zijn die de verbonden verkoopmaatschappijen van de producent-exporteur in de EU in rekening brengen). In het arrest Kazchrome was het Gerecht namelijk zo voorzichtig te stellen dat de uit voornoemd onderzoek voortvloeiende conclusie slechts betrekking heeft op de onderhavige zaak. Volgens de Commissie kunnen de eindprijzen bij invoer in de havens van inklaring worden gebruikt bij het onderzoek naar de prijseffecten van de invoer met subsidiëring door middel van specifieke berekeningen van de prijsonderbieding. Het is namelijk op dat niveau dat de invoer gewoonlijk concurreert met de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, omdat handelaren op dat niveau kiezen of zij het product betrekken van de bedrijfstak van de Unie dan wel van de producenten-exporteurs. Een poging om voor de berekening van de prijsonderbieding te ramen wat deze eindprijzen bij invoer zijn in een context waarin de producent-exporteur verkoopt via verbonden entiteiten in de Unie, verschilt niet van een situatie waarin de Commissie voor de vergelijking rechtstreeks gebruikmaakt van de eindprijzen bij invoer van producenten-exporteurs die rechtstreeks in de Unie verkopen. De verwijzing naar overeengekomen prijzen in het arrest Kazchrome en vervolgens in het arrest Jindal moet dus in haar juiste context worden begrepen.
(23) Jindal stelde ook dat de Commissie andere vergissingen en rekenfouten die na de vaststelling van de litigieuze verordening aan het licht zijn gekomen, moet corrigeren. Zoals in het bericht van heropening is uiteengezet, blijven de bevindingen in de litigieuze verordening die niet zijn aangevochten, die zijn aangevochten maar in het arrest van het Gerecht zijn verworpen of die niet door het Gerecht zijn onderzocht, en die derhalve niet tot de nietigverklaring van de litigieuze verordening hebben geleid, ten volle geldig. De Commissie hoeft beweringen over andere kwesties dan hetgeen het Gerecht onwettig heeft bevonden derhalve niet te onderzoeken.
(24) De andere producent-exporteur, Electrosteel Castings Ltd (ECL), betoogde dat indien de Commissie vaststelt dat de van Jindal afkomstige invoer niet de oorzaak was van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, zij opnieuw moet beoordelen of de maatregelen moeten worden gehandhaafd ten aanzien van de van ECL afkomstige invoer. Zij stelde ook dat indien de Commissie de marges van Jindal corrigeert, ook haar marges moeten worden gecorrigeerd. Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft ECL, ondersteund door de regering van India, deze argumenten herhaald en gesteld dat de herberekening van haar marges een noodzakelijk gevolg is van de heropening van deze procedure. De Commissie moet dat dan ook ambtshalve doen.
(25) Aangaande het eerste argument van ECL merkte de Commissie op dat, zoals opgemerkt in overweging 30, zij de prijsonderbiedingsmarge van ECL in dit geval niet opnieuw hoefde te berekenen. Zelfs na de herberekening van de prijsonderbieding voor Jindal, heeft de Commissie volgens de in punt 4.2 beschreven benadering hoe dan ook vastgesteld dat er nog steeds een oorzakelijk verband was tussen de invoer met subsidiëring en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, zoals uiteengezet in punt 4.4. Dit argument is dan ook zonder voorwerp geraakt. De Commissie heeft ook het tweede argument afgewezen, aangezien een eventuele herberekening van de marges van ECL buiten de onderhavige procedure valt. Zelfs indien het argument van ECL dat haar prijsonderbiedingsmarge vergelijkbaar was met de marge die volgens de in punt 4.2 beschreven benadering is vastgesteld voor Jindal, correct is, merkte de Commissie op dat er voor alle invoer uit India nog steeds sprake zou zijn van een (weliswaar lagere) prijsonderbieding. Een dergelijk niveau van onderbieding zou, gezien de specifieke marktomstandigheden van het betrokken product, volstaan om te kunnen vaststellen dat de betrokken invoer uit India een echte en belangrijke oorzaak van de vastgestelde schade was. De Commissie gaat hier in punt 4.4 nader op in.
(26) De bedrijfstak van de Unie stelde in zijn schadeanalyse dat de Commissie rekening moet houden met het feit dat de invoer een neerwaartse druk uitoefent op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Na de mededeling van feiten en overwegingen stelde ECL daarentegen dat een dergelijke analyse buiten deze heropende procedure valt en niet mag worden uitgevoerd. De Commissie heeft vastgesteld dat de analyse van de neerwaartse druk op de prijzen een integrerend deel uitmaakt van de analyse van het oorzakelijk verband, die volgens het Gerecht door de betrokken fout op losse schroeven kan staan. Daarom heeft de Commissie in punt 4.5 de neerwaartse druk op de prijzen nader geanalyseerd.
SUBSIDIEBEREKENING
(27) Het Gerecht heeft met betrekking tot de levering van ijzererts voor een ontoereikende prijs vastgesteld dat de Commissie het voordeel voor Jindal onjuist had berekend. Het overwoog meer bepaald dat de Commissie, om een aankoopprijs op het niveau af mijn vast te stellen, de aankoopprijs van ijzererts ten onrechte heeft gecorrigeerd aan de hand van de gemiddelde vervoerskosten. In plaats daarvan had de Commissie de aankoopprijs moeten corrigeren aan de hand van de werkelijk door Jindal gemaakte vervoerskosten.
(28) De Commissie heeft het voordeel dat Jindal behaalde uit de levering van ijzererts tegen een ontoereikende prijs herberekend door de aankoopprijs van ijzererts te corrigeren aan de hand van de daadwerkelijk gemaakte vervoerskosten. Als gevolg daarvan werd de herberekende subsidiemarge voor ijzererts naar beneden bijgesteld, van 3,91 % tot 1,23 %.
(29) Het arrest van het Gerecht in zaak T-300/16 heeft geen betrekking op andere bevindingen in de litigieuze verordening die relevant zijn voor de vaststelling van de aan Jindal toegekende subsidie, en die dus geldig blijven. Bijgevolg wordt het herberekende bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, uitgedrukt in procenten, vastgesteld op 6,0 % (tegenover 8,7 %).
HERONDERZOEK VAN DE PRIJSONDERBIEDING/NEERWAARTSE DRUK OP DE PRIJZEN DOOR DE INVOER IN KWESTIE EN VAN DE SCHADEMARGE TEN AANZIEN VAN JINDAL SAW LIMITED Gevolgen van de verkoop van Jindal voor de vaststelling van de schade
(30) De Commissie herinnerde eraan dat de van Jindal afkomstige invoer in het onderzoektijdvak ongeveer 20 % van de totale invoer uit India vertegenwoordigde. Het arrest van het Gerecht heeft geen betrekking op de overige invoer. Met andere woorden, zelfs indien de van Jindal afkomstige invoer van de beoordeling van de prijseffecten werd uitgesloten, zouden de bevindingen inzake aanzienlijke onderbieding met betrekking tot een zeer belangrijk deel van de invoer in kwestie ongewijzigd blijven. In dit verband herinnerde de Commissie eraan dat zowel de inaanmerkingneming van de prijseffecten als de vaststelling dat de invoer in kwestie schade heeft berokkend aan de bedrijfstak van de Unie is gebaseerd op de invoer uit het betrokken land/de betrokken landen als geheel (en niet op basis van elke producent-exporteur afzonderlijk). Daarom was de Commissie van mening dat een herziening van de berekening van de prijsonderbieding door Jindal niet afdeed aan de conclusie dat er over het geheel genomen sprake was van een aanzienlijke prijsonderbieding door de invoer uit India. De door het Gerecht vastgestelde fout heeft dus geen wezenlijke invloed gehad op de algemene bevindingen inzake onderbieding in het oorspronkelijke onderzoek. Daarom worden alle schadebevindingen in de oorspronkelijke verordening hierbij overgenomen en bevestigd.
Vaststelling van de prijsonderbieding ten aanzien van Jindal
(31) Ook al vond de Commissie, zoals vermeld in overweging 30, dat het effect van de door het Gerecht vastgestelde fout haar bevindingen met betrekking tot de prijsonderbieding en de schade niet aantast, toch heeft zij meer in detail onderzocht of er met betrekking tot Jindal nog sprake was van onderbieding, mede gelet op de specifieke marktomstandigheden in deze zaak.
(32) Het Gerecht overwoog dat de in artikel 8, lid 1, van de antisubsidiebasisverordening opgenomen verplichting om een objectief onderzoek in te stellen naar de gevolgen van de invoer met subsidiëring tot gevolg heeft dat er een billijke vergelijking moet worden gemaakt tussen de prijs van het betrokken product en de prijs van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie bij de verkopen op het grondgebied van de Unie. Om de billijkheid van deze vergelijking te waarborgen, moeten de prijzen in hetzelfde handelsstadium worden vergeleken (zie arrest in zaak T-300/16, punt 239).
(33) In deze zaak zijn er een aantal significante specifieke marktkenmerken met betrekking tot het betrokken product, die hieronder worden beschreven.
Het betrokken product en de betrokken ondernemingen
(34) Het betrokken product betreft buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) (nodulaire buizen), met uitzondering van buizen en pijpen van nodulair gietijzer zonder inwendige en uitwendige bekleding (kale buizen), van oorsprong uit India, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex73030010 en ex73030090 (Taric-codes 7303001010 en 7303009010).
(35) De Commissie herinnerde eraan dat twee (van de drie) groepen ondernemingen die het betrokken product vervaardigen, hebben meegewerkt als de bedrijfstak van de Unie (die goed is voor ongeveer 96 % van de totale productie). De eerste groep producenten in de Unie, SG PAM Group (SG PAM) verkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie via haar drie productiebedrijven in Frankrijk, Duitsland en Spanje en via tal van verkoopvestigingen in verschillende lidstaten. De tweede groep producenten in de Unie, Duktus Rohrsysteme GmbH, verkocht via haar Duits productiebedrijf en via één verkoopvestiging. Jindal daarentegen verkocht het betrokken product in de Unie via drie verkoopvestigingen in Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk.
Specifieke kenmerken van de markt voor nodulair ijzeren buizen in de Unie Verkoopkanalen/soorten afnemers
(36) Nodulaire buizen worden vooral gebruikt voor het vervoer van water en afvalwater. Bijgevolg komt het grootste deel van de vraag naar het betrokken product uiteindelijk van watervoorzienings- en waterbehandelingsbedrijven. Die bedrijven gebruiken nodulaire buizen in grote infrastructuurprojecten en hun aankopen zijn direct of indirect het gevolg van overheidsopdrachten via openbare aanbestedingen. Zoals is uiteengezet in de klacht, worden nodulaire buizen ofwel direct verkocht aan aannemers of waterbedrijven (d.w.z. verkopen aan gebruikers) of indirect via handelaren (d.w.z. verkopen aan distributeurs). Ook als een groot deel van de nodulaire buizen eerst aan bouwondernemingen wordt verkocht, nemen deze ondernemingen deel aan aanbestedingen van watervoorzienings- en waterbehandelingsbedrijven, zodat druk op de inschrijvingsprijs uiteindelijk bijna altijd aanwezig is. De meeste verkopen van nodulaire buizen in de markt van de Unie hangen dus direct of indirect samen met aanbestedingen in de verschillende lidstaten.
(37) SG PAM verkocht ongeveer 75 % van haar productie aan gebruikers en de resterende 25 % aan niet-verbonden distributeurs. Duktus had een andere verkoopstructuur; zij verkocht voornamelijk aan niet-verbonden distributeurs (bijna 90 % van de verkoop). Aangezien de verkoop van Duktus slechts een klein deel van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie uitmaakte, bevestigde de Commissie dat niet minder dan 65 % van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie rechtstreeks naar de gebruikers ging.
(38) Jindal had een soortgelijke verkoopstructuur als de bedrijfstak van de Unie: zij verkocht meer dan 70 % aan gebruikers en ongeveer 30 % aan niet-verbonden distributeurs.
(39) Daarom concludeerde de Commissie dat Jindal en de bedrijfstak van de Unie het betrokken product in vergelijkbare mate verkochten aan vergelijkbare soorten afnemers.
Rechtstreekse verkoop door de producenten versus verkoop via verkoopvestigingen
(40) SG PAM had een territoriale verkoopstructuur waarbij haar entiteiten zich richtten op de lokale markten waar zij aanwezig waren. Dit gold zowel voor de producenten als de verkoopvestigingen van SG PAM. Zo was SG PAM Frankrijk de enige entiteit van SG PAM die rechtstreeks verkocht aan eindgebruikers in Frankrijk. Zelfs wanneer een bepaalde productsoort werd vervaardigd door SG PAM Duitsland of Spanje, werd deze eerst intern doorverkocht aan SG PAM Frankrijk en pas daarna door SG PAM Frankrijk verkocht aan de eindgebruiker. Zo was SG PAM België de enige verkoopmaatschappij in België [en Luxemburg]; SG PAM UK in het Verenigd Koninkrijk [en Ierland]; SG PAM Italië alleen in Italië enz. De drie producerende entiteiten verkochten met andere woorden niet rechtstreeks aan gebruikers op de markten waar andere producerende entiteiten of een verkoopvestiging aanwezig waren. Deze structuur weerspiegelt het feit dat de markt wordt aangedreven door aanbestedingen van gemeenten/openbare nutsbedrijven in de lidstaten, en dat dienovereenkomstig op elke markt een passende vertegenwoordiger voor de verkoop nodig is.
(41) Ook Duktus had een plaatsgebonden verkoopstructuur, aangezien zij meer dan 50 % van haar productie verkocht op haar thuismarkt Duitsland. Duktus had slechts één verkoopvestiging, Duktus Tsjechië (Duktus CZ), die alleen in Tsjechië en Slowakije verkocht. De verkoop van Duktus CZ was vrij bescheiden (ongeveer 10 % van alle verkopen van Duktus). Jindal had op deze twee markten slechts een minimaal aandeel in de verkoop (minder dan 1 %).
(42) De Commissie heeft de prijzen van SG PAM in detail geanalyseerd om de prijspatronen van de rechtstreekse verkopen vanuit de fabriek en de onrechtstreekse verkopen via haar verkoopvestigingen te achterhalen. SG PAM is veruit de grootste producent in de Unie en vertegenwoordigt 80 % van de verkoop van de medewerkende producenten in de Unie en 90 % van de productie. De Commissie vergeleek de verkoopprijzen van de 10 meest verkochte productsoorten voor de drie productiebedrijven van SG PAM en haar twee grootste verkoopvestigingen die vergelijkbare hoeveelheden verkopen. De vergelijking gaf aanzienlijke prijsverschillen binnen één productsoort te zien. In het bijzonder waren de prijzen van de verkoopvestigingen vaak lager dan die van de producenten, maar het omgekeerde was ook het geval. Dit kan worden verklaard doordat de markt voor het betrokken product, zoals reeds uiteengezet, lijkt te worden beïnvloed door het gebruik van aanbestedingen. Afhankelijk van de geografische markt kan de prijs van de betrokken productsoort variëren. Wat de geografische markten betreft, merkte de Commissie dat in beginsel slechts één verkoopkanaal werd gebruikt op elke geografische markt, zoals beschreven in overweging 40. Bijgevolg kon geen vergelijking worden gemaakt tussen representatieve volumes verkopen door productiebedrijven en verkopen via binnenlandse verkoopentiteiten op dezelfde geografische markt.
(43) De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de directe verkoop door de producent of de verkoop via de verkoopentiteiten van de producent geen merkbare invloed had op het prijsniveau bij verkoop aan de afnemer. Met name werd niet vastgesteld dat de verkoop via een verbonden entiteit leidde tot hogere prijzen dan de directe verkoop door de producent, omdat de prijsdruk bij aanbestedingen en het verschillende prijsniveau afhankelijk is van de geografische locatie. Zelfs als bij de bedrijfstak van de Unie sprake was van eindverkopen door productiebedrijven op de binnenlandse markten, gebeurden deze verkopen aan hetzelfde soort afnemers als de verkopen door verkoopvestigingen in de andere lidstaten. Op basis van deze gedetailleerde analyse van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie achtte de Commissie het dan ook passend de directe verkoop en de indirecte verkoop via verkoopvestigingen te behandelen alsof zij in hetzelfde handelsstadium plaatsvonden.
Algemene conclusie en prijsonderbiedingsmarge van Jindal
(44) In het licht van het voorgaande heeft de Commissie vastgesteld dat de sector van de nodulaire buizen verschillende specifieke kenmerken heeft, waardoor zij kan aannemen dat de verkoop van de bedrijfstak van de Unie en die van Jindal in hetzelfde handelsstadium plaatsvonden:
zowel de bedrijfstak van de Unie als Jindal had een vergelijkbaar aandeel rechtstreekse verkopen aan gebruikers en onrechtstreekse verkopen via handelaren/distributeurs (respectievelijk ongeveer 70 %/30 %);
de rechtstreekse verkoop van de producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers vertoonde in het algemeen geen ander prijspatroon dan de verkoop via hun verkoopvestigingen;
de markt wordt aangedreven door aanbestedingen en daardoor is er bijna altijd een aanzienlijke druk op de prijzen. De extra kosten die verbonden zijn aan het bestaan van verbonden verkoopentiteiten voor zowel producenten-exporteurs als de bedrijfstak van de Unie, konden niet noodzakelijkerwijs worden doorberekend aan de onafhankelijke afnemers, zoals blijkt uit het feit dat er geen duidelijke prijspatronen waren voor rechtstreekse en onrechtstreekse verkopen.
(45) Gezien de bevindingen van het Gerecht in zaak T-300/16, en met name de overwegingen in punt 248 van het arrest zoals uiteengezet in overweging 4, kon de Commissie om de in de overwegingen 42 en 43 genoemde redenen geen bewijs vinden dat de extra kosten en winstmarges van de verkoopentiteiten van de producenten in de Unie doorgaans tot hogere prijzen voor onafhankelijke afnemers hebben geleid. De marktkenmerken in bepaalde gevallen tonen aan dat kosten die door intermediaire verkoopentiteiten worden gegenereerd en winsten, zoals hier, niet altijd automatisch tot uiting komen in de prijs, zoals het Gerecht door de toevoeging van de woorden over het algemeen ook impliciet heeft erkend.
(46) Om aan het arrest en in het bijzonder aan de overwegingen van het Gerecht in punt 248 daarvan te voldoen, heeft de Commissie niettemin onderzocht of er zelfs sprake zou zijn van onderbieding bij een vergelijking van de prijzen voor de eerste onafhankelijke afnemer op het niveau van de verkoopentiteiten, of het nu de productiebedrijven zelf of de verkoopvestiging betreft. Dit laat de bovenstaande bevindingen onverlet.
(47) De Commissie heeft derhalve gebruikgemaakt van de gecorrigeerde eindprijs bij verkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie van beide partijen (bedrijfstak van de Unie en Jindal). In voorkomend geval heeft de Commissie de eindprijs voor de eerste onafhankelijke afnemer gecorrigeerd voor vervoer, verzekering, laden, lossen, overladen, verpakking, krediet, garantiekosten en commissies tussen de onderneming die verkoopt en de niet-verbonden afnemer. Dit resulteerde in een prijsonderbiedingsmarge van 3,1 %.
(48) Uit het nieuwe onderzoek van de specifieke situatie van Jindal bleek dus dat de verkoopprijzen van Jindal de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie onderboden, zij het in mindere mate dan in het oorspronkelijke onderzoek was vastgesteld. Zoals hieronder wordt uiteengezet, kan deze onderbieding als significant worden beschouwd in een marktsituatie waarin de prijsgevoeligheid groot is.
Neerwaartse druk op de prijzen
(49) Zelfs als de herziene prijsonderbiedingsmarge van Jindal als marginaal of ongeschikt zou worden beschouwd, zou de betrokken invoer volgens de Commissie hoe dan ook nog steeds negatieve prijseffecten op de verkoop in de Unie hebben.
(50) Invoer met subsidiëring kan een grote invloed hebben op de markt, met name wanneer de producten homogeen zijn en de prijsgevoeligheid groot is. Nodulaire buizen zijn producten met een hoge prijsgevoeligheid en voor dit soort producten kan zelfs een klein prijsverschil een grote invloed hebben op de markt.
(51) Nodulaire buizen zijn een product dat wordt gedefinieerd door technische normen. Voor dezelfde productsoort is er dus vrij weinig verschil in kwaliteit, waardoor de prijzen bij aankoopbeslissingen een overwegende rol spelen. Bovendien zijn de belangrijkste verkoopkanalen directe en indirecte aanbestedingen, waar de logica van het laagste bod zeer sterk is. Die logica geldt voor de rechtstreekse deelneming van de fabrikanten en hun verkoopvestigingen aan aanbestedingen, maar ook voor indirecte deelneming, wanneer zij producten leveren aan andere ondernemingen die aan de aanbesteding deelnemen. Die ondernemingen zijn doorgaans bouwbedrijven die inschrijven op aanbestedingen van aanbestedende diensten (gemeentebesturen, watervoorzieningsbedrijven enz.). Die aanbestedingen betreffen zowel de levering als de installatie van de buizen. Aangezien aanbestedingen doorgaans openstaan voor alle inschrijvers, stonden alle ondernemingen onder druk om hun prijzen te verlagen tot het niveau van die van de laagste bieder om een opdracht in de wacht te kunnen slepen.
(52) In deze specifieke omstandigheden stonden de prijzen van het betrokken product onder druk door de snelle toename van de invoer met subsidiëring uit India, zoals uiteengezet in overweging 57, en bleken de negatieve gevolgen van de invoer met subsidiëring voor de prijs van de bedrijfstak van de Unie niet alleen uit de prijsonderbieding. In de litigieuze verordening is reeds uiteengezet dat, terwijl de Indiase verkoop en het Indiase marktaandeel tijdens het onderzoektijdvak aanzienlijk zijn gestegen, het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie veel meer daalde dan het verbruik, de verkoop van de bedrijfstak van de Unie zakte met 11 %, en zijn marktaandeel terugliep met 4 %. Een aanhoudende druk van laaggeprijsde invoer met subsidiëring belette dat de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijzen kon aanpassen.
(53) Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat, ook als het bestaan van de onderbieding zou worden betwist, de invoer van de betrokken producten in dit geval een neerwaartse druk op de prijzen zou hebben uitgeoefend.
Oorzakelijk verband
(54) De Commissie heeft verder onderzocht of er, gezien de herziene prijsonderbiedingsmarge voor Jindal en/of de alternatieve bevindingen inzake de neerwaartse druk op de prijzen, nog steeds een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer met subsidiëring en de schade. In dat verband herinnerde de Commissie eraan dat de van Jindal afkomstige invoer goed was voor ongeveer 20 % van de invoer met subsidiëring. De Commissie heeft ook vastgesteld dat de herberekende lagere prijsonderbiedingsmarge voor de verkoop van Jindal, zoals uiteengezet in overweging 25, niets veranderde aan het feit dat ook de overige invoer uit India de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood, aangezien de bevindingen van het Gerecht geen betrekking hadden op die invoer. De herziene prijsonderbiedingsmarge van Jindal en de aanzienlijke onderbiedingsmarge die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld voor het grootste deel van de invoer uit India, bevestigen de oorspronkelijke bevinding van de Commissie over het bestaan van aanmerkelijke schade en het oorzakelijk verband in deze zaak.
(55) De Commissie heeft vervolgens een algemene analyse gemaakt van het oorzakelijk verband tussen de vastgestelde schade en alle invoer met subsidiëring uit India, mede gelet op de alternatieve bevindingen inzake de neerwaartse druk op de prijzen.
(56) De Commissie heeft vastgesteld dat de verkoop van de bedrijfstak van de Unie aan onafhankelijke afnemers zeer weinig winstgevend was. De concurrentiedruk van de invoer met subsidiëring maakte het de bedrijfstak van de Unie onmogelijk zijn prijzen voldoende te verhogen om zijn financiële situatie te verbeteren. De lage winstgevendheid toont aan dat de invoer met subsidiëring de prijzen van de bedrijfstak van de Unie heeft gedrukt en hem heeft belet deze te verhogen om tot een duurzaam niveau van winstgevendheid te komen.
(57) Zoals in de litigieuze Verordening (overwegingen 288 en 289) is uiteengezet, is de invoer met subsidiëring, ondanks een krimpende markt, aanzienlijk toegenomen. De invoer met subsidiëring steeg in de beoordelingsperiode met meer dan 10 %. In dit verband is in artikel 8, lid 5, van de antisubsidiebasisverordening bepaald dat het volume van de invoer met subsidiëring alleen al verantwoordelijk kan zijn voor de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie.
(58) De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat ondanks het lagere niveau van de opnieuw berekende prijsonderbiedingsmarge voor Jindal alle invoer de verkoop van de bedrijfstak van de Unie onderbood. Er is dus nog steeds een oorzakelijk verband tussen alle invoer met subsidiëring uit India en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Zelfs indien de bevindingen inzake prijsonderbieding met betrekking tot de invoer in kwestie in twijfel konden worden getrokken, heeft de Commissie bovendien geconcludeerd dat de invoer uit India een aanzienlijke neerwaartse druk op de prijzen uitoefende; de oorspronkelijke bevindingen inzake de schade en het oorzakelijk verband worden dan ook bevestigd.
Schademarge
(59) Het Gerecht overwoog in punt 258 van het arrest in zaak T-300/16 dat indien de Commissie de prijsonderbieding juist had berekend, niet kon worden uitgesloten dat de schademarge van de bedrijfstak van de Unie lager zou zijn vastgesteld dan het subsidiepercentage.
(60) In de eerste plaats merkt de Commissie op dat de regels voor de vaststelling van de schademarge die van toepassing waren ten tijde van het onderzoek dat tot de maatregelen heeft geleid, zijn gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/1037. De nieuwe regels vereisen alleen in uitzonderlijke omstandigheden dat een schademarge wordt berekend.
(61) In de tweede plaats herinnerde de Commissie eraan dat de analyse van de prijsonderbieding en de vaststelling van de schademarge verschillende doelstellingen hebben. Het onderzoek van de prijsonderbieding dient om te bepalen of de betrokken invoer een weerslag heeft op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. De bevindingen inzake prijsonderbieding zijn een van de elementen die de Commissie bij de analyse van de schade en het oorzakelijk verband in aanmerking neemt. Het doel van de vaststelling van een schademarge is daarentegen te onderzoeken of een recht dat lager is dan de vastgestelde subsidie volstaat om de schade weg te nemen. Anders dan in het kader van de vaststelling van de schade en de gedetailleerde verplichtingen van artikel 8 van de antisubsidiebasisverordening, heeft de wetgever geen uitgebreide reeks regels vastgesteld over de wijze waarop de Commissie de hoogte van een dergelijk recht moet ramen. Destijds bepaalde artikel 15, lid 1, slechts: Het compenserende recht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en moet lager zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Unie lijdt.. In het onderhavige geval heeft de Commissie een prijs berekend die volstaat om de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie te dekken, vermeerderd met een redelijke winstmarge (de zogenoemde geen schade veroorzakende prijs). Deze prijs werd vergeleken met de invoerprijs. Dit prijsverschil werd uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs van het ingevoerde product, zodat dit percentage of die marge kon worden vergeleken met de vastgestelde subsidie (ook uitgedrukt op basis van cif-prijzen). Ongeacht of het recht wordt gebaseerd op de schademarge of op het subsidiebedrag, zal het immers altijd worden toegepast op de cif-prijs van de ingevoerde producten, wanneer die producten door de douane in de Unie worden ingeklaard.
(62) Bovendien verschillen de methoden en cijfers die in de context van de onderbieding worden gebruikt, van die voor de berekening van het prijsbederf. Een prijsonderbiedingsmarge wordt per productsoort berekend als een verschil tussen de werkelijke invoerprijzen van de producent-exporteur en de werkelijke prijzen van de producenten in de Unie, uitgedrukt als percentage van de prijs van de bedrijfstak van de Unie. De totale gewogen prijsonderbiedingsmarge wordt vervolgens berekend als het verschil tussen de werkelijke invoerprijzen van de producent-exporteur en de werkelijke prijzen van de producenten in de Unie, uitgedrukt als percentage van de theoretische omzet van de producent-exporteur, d.w.z. het bedrag dat de producent-exporteur zou hebben ontvangen als hij de ingevoerde hoeveelheden tegen dezelfde prijs had verkocht als de producenten in de Unie. De schademarge wordt daarentegen (ook op basis van de productsoort) berekend als het verschil tussen de geen schade veroorzakende prijs van de bedrijfstak van de Unie en de werkelijke invoerprijs, uitgedrukt als percentage van de werkelijke cif-prijs van de producent-exporteur (dus de eigenlijke in plaats van de theoretische omzet).
(63) Een fout bij de vaststelling van het bestaan en de grootte van de prijsonderbieding voor een bepaalde producent-exporteur heeft dus niet noodzakelijkerwijs automatisch gevolgen voor de vaststelling van de schademarge voor die producent-exporteur.
(64) Hoe dan ook heeft de Commissie in het licht van punt 258 van het arrest van het Gerecht de schademarge van Jindal opnieuw onderzocht.
(65) In normale omstandigheden wordt de geen schade veroorzakende prijs van de bedrijfstak van de Unie gebaseerd op de productiekosten per productsoort, inclusief VAA-kosten, plus een redelijke winst, en vastgesteld op het niveau af fabriek. In dit specifieke geval beschikte de Commissie echter niet over voldoende gedetailleerde en gecontroleerde informatie over de productiekosten per productsoort, die noodzakelijk is voor de hierboven beschreven berekening van de schademarge. De Commissie beschikte daarentegen wel over informatie die ook de verkoopkosten en de winst van de verkoopmaatschappijen van de producenten in de Unie omvatte. Gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, en met name de vele variaties in de productsoorten en de specifieke technische normen/specificaties die voortvloeien uit het bestek van aanbestedingen, werd de geen schade veroorzakende prijs uitzonderlijk gebaseerd op de definitieve verkoopprijs per productsoort, gecorrigeerd zoals beschreven in overweging 47, waarvan de feitelijke winst werd afgetrokken en waaraan daarna een redelijke winst werd toegevoegd. Om aan het arrest te voldoen, werd het, gezien deze bijzondere omstandigheden, uitzonderlijk passend geacht die prijs symmetrisch te vergelijken met de uiteindelijke verkoopprijs van Jindal, dat wil zeggen op het niveau van de verbonden importeurs, en enkel gecorrigeerd zoals beschreven in overweging 47, maar inclusief VAA-kosten en eventuele winst.
(66) De herberekende schademarge werd aldus vastgesteld op 9,0 %.
(67) Na de mededeling van feiten en overwegingen betwistte SG PAM de op dit niveau vastgestelde schademarge. In de eerste plaats stelde SG PAM dat de Commissie, door de schademarge te herberekenen, verder is gegaan dan de bevindingen van het Gerecht vereisten, aangezien het Gerecht volgens haar geen fout bij de berekening van de schademarge heeft vastgesteld. Ten tweede stelde SG PAM dat de voorgestelde schademarge de schade voor de bedrijfstak van de Unie niet zou wegnemen, aangezien het opnieuw ingestelde recht vergelijkbaar zou zijn met dat van ECL. Op basis van marktonderzoek stelde SG PAM dat een dergelijk niveau van rechten niet van invloed was op de volumes en de prijzen van ECL, waardoor SG PAM niet in staat was een niet-schadelijk prijsniveau te bereiken en haar winstgevendheid te verbeteren. De Commissie mag niet de regel van het laagste recht toepassen of moet een andere berekeningsmethode gebruiken.
(68) Wat het eerste argument betreft, herinnerde de Commissie eraan dat het Gerecht, zoals uiteengezet in overweging 6, haar expliciet heeft opgedragen om na te gaan of de herberekening van de prijsonderbiedingsmarge ten gevolge van een mogelijke wijziging van de schademarge ook gevolgen zou hebben voor het definitieve recht.
(69) In de tweede plaats herinnerde de Commissie aan het rechtskader voor het vaststellen van het passende niveau van compenserende maatregelen. Volgens artikel 15, lid 1, derde alinea, mag het compenserende recht niet hoger zijn dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en moet het lager zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Unie lijdt. Er is dus geen algemene regel om het recht vast te stellen op een niveau dat een einde maakt aan de schade voor de Unie. Deze vraag rijst slechts wanneer de schademarge lager is dan de subsidie.
(70) Daarvan is in casu geen sprake. Aangezien de schademarge van 9 % hoger was dan de subsidie van 6 %, dwingt de basisverordening de Commissie ertoe dit laatste vast te stellen als het recht.
(71) In de derde plaats was er geen wettelijke verplichting om de schademarge anders te berekenen. Dit nieuwe onderzoek is beperkt tot het corrigeren van de door het Gerecht vastgestelde fouten. Hoewel dit een correctie van het passende niveau voor de vaststelling van de schademarge inhoudt, betekent dit niet dat de andere stappen in de oorspronkelijk toegepaste methode kunnen worden herzien.
(72) Om die redenen heeft de Commissie deze argumenten afgewezen.
DEFINITIEVE COMPENSERENDE MAATREGELEN
(73) Op grond van de conclusies waartoe de Commissie in dit heropende antisubsidieonderzoek is gekomen inzake subsidiëring, schade en oorzakelijk verband, wordt opnieuw een definitief compenserend recht ingesteld op de invoer van buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), van oorsprong uit India en vervaardigd door Jindal Saw Limited.
(74) Aangezien de opnieuw berekende schademarge (9,0 %) hoger is dan de herberekende subsidie (6,0 %), moet het compenserende recht overeenkomstig de regels die van toepassing waren op het oorspronkelijke onderzoek worden vastgesteld op het niveau van het bedrag van de subsidiëring. Bijgevolg zijn de opnieuw ingestelde compenserende rechten voor Jindal Saw Limited als volgt. Onderneming Hoogte van de subsidie Schademarge Compenserend recht Jindal Saw Limited 6,0 % 9,0 % 6,0 %
(75) Het herziene compenserend recht is van toepassing zonder onderbreking sinds de inwerkingtreding van de litigieuze Verordening (namelijk sinds 19 maart 2016). De douaneautoriteiten wordt opgedragen de passende bedragen te innen bij invoer met betrekking tot Jindal Saw Limited en het overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving eventueel te veel geïnde bedrag terug te betalen.
(76) Indien, op basis van artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, een bedrag moet worden terugbetaald na een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dan geldt als de te betalen rente de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand.
(77) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt met ingang van 19 maart 2016 een definitief compenserend recht ingesteld op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet), met uitzondering van buizen en pijpen van nodulair gietijzer zonder inwendige en uitwendige bekleding (kale buizen), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex73030010 en ex73030090 (Taric-codes 7303001010 en 7303009010), van oorsprong uit India en vervaardigd door Jindal Saw Limited.
2. Het definitieve compenserende recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven product, vervaardigd door Jindal Saw Limited, is 6,0 % (aanvullende Taric-code C054).
Artikel 2
Alle definitieve compenserende rechten die Jindal Saw Limited heeft betaald uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/387 en die het in artikel 1 vastgestelde definitieve compenserende recht overschrijden, worden terugbetaald of kwijtgescholden. De terugbetaling of kwijtschelding wordt overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving bij de nationale douaneautoriteiten aangevraagd. Terugbetalingen die hebben plaatsgevonden na het arrest van het Gerecht in zaak T-300/16, Jindal Saw, worden door de autoriteiten die de terugbetalingen hebben verricht, teruggevorderd tot het in artikel 1, lid 2, vastgestelde bedrag.
Artikel 3
Het bij artikel 1 ingestelde definitieve compenserende recht wordt eveneens geïnd op de invoer die is geregistreerd overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1250 van de Commissie tot onderwerping van de invoer van bepaalde buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India aan registratie naar aanleiding van de heropening van het onderzoek ten einde uitvoering te geven aan de arresten van 10 april 2019 in de zaken T-300/16 en T-301/16 met betrekking tot Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/387 en (EU) 2016/388 tot instelling van een definitief compenserend recht en een definitief antidumpingrecht op buizen en pijpen van nodulair gietijzer (eveneens bekend als gietijzer met bolgrafiet) van oorsprong uit India.
Artikel 4
De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer die is ingesteld bij artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1250, die wordt ingetrokken, te beëindigen.
Artikel 5
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 15 april 2020. Voor de Commissie De voorzitter Ursula von der Leyen