Gelex

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1994 van de Commissie van 21 november 2022 tot wijziging van de in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 vastgestelde technische uitvoeringsnormen wat betreft eigen vermogen, activabezwaring, liquiditeit en rapportage ten behoeve van de identificatie van mondiaal systeemrelevante instellingen (Voor de EER relevante tekst)

In forceVersion 2022-11-21from 2023-01-11
Grade B

mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.

Ask Gelex about this law

Address https://gelex.eu/eli/EU/act/2022/1994@2022-11-21/nl

Contents
  1. Preamble
    1. Artikel 1
  2. Artikel 1
  3. 1)
    1. Artikel 18 Individuele en geconsolideerde rapportage over de extra maatstaven voor het monitoren van de liquiditeit
    1. Artikel 1
  4. 3)
    1. Artikel 20 Aanvullende rapportage om MSI’s te identificeren en MSI-bufferpercentages toe te wijzen
    1. Artikel 1
    2. Artikel 2 Inwerkingtreding en toepassing
  5. ANNEX
  6. BIJLAGE I
  7. BIJLAGE II
  8. DEEL I ALGEMENE INSTRUCTIES
  9. 1.
  10. 1.1.1. a)
  11. 1.2.4.5.6.7.8.
  12. DEEL II INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES
  13. 1.
  14. 1.1.11.12.13.14.15.
  15. 1.1.11. a)
  16. 1.1.11.12.13.14. a)
  17. 1.2.
  18. 1.3.
  19. 1.4
  20. 1.4.1
  21. 1.5.
  22. 1.5.1 a)
  23. 1.6
  24. 1.6.116.17.18.19.20.
  25. 1.6.116.17. a)
  26. 1.6.221.22.23.24.25.
  27. 1.6.326.
  28. 2.
  29. 2.1.27.28.29.
  30. 2.1.27. a)
  31. 2.3.32.33.34.35.36.37.38.
  32. 2.5. a)
  33. 3.
  34. 3.1.39.
  35. 3.1.140.41.42.43.
  36. 3.2.
  37. 3.2.145. a)
  38. 3.2.246.47.48.49.50.51.52.53.54.55.
  39. 3.2.246.47.48. a)
  40. 3.2.246.47.48.49. a)
  41. 3.2.246.47.48.49.50.51.52. a)
  42. 3.2.356.57.58.59.60.61.62.63.64.65.
  43. 3.2.356. a)
  44. 3.2.356.57.58.59.60.61.62.
  45. 3.2.4
  46. 3.2.4.166.67.68.
  47. 3.2.4.269.70.
  48. 3.2.5
  49. 3.3.
  50. 3.3.172.73.74.75.
  51. 3.3.172. i.
  52. 3.3.172.73.74. i.
  53. 3.3.276.
  54. 3.3.3
  55. 3.3.1.
  56. 3.3.2.
  57. 3.3.2.1.78.79.
  58. 3.3.3.
  59. 3.3.3.2. a)
  60. 3.3.4.
  61. 3.3.5.
  62. 3.3.5.1.82.
  63. 3.3.6.
  64. 3.3.6.1.83.84.
  65. 3.4.85.86.87.
  66. 3.4.1
  67. 3.4.2
  68. 3.4.3
  69. 3.4.3.188.89.90.91.
  70. 3.4.3.2
  71. 3.5.
  72. 3.5.192.93.94.95.96.97.
  73. 3.5.192.93.94. a)
  74. 3.6.
  75. 3.6.199.100.101.102.103.104.105.
  76. 3.7.
  77. 3.7.1106.107.108.
  78. 3.7.2109.110.
  79. 3.7.2
  80. 3.8.
  81. 3.8.1111.112.113.114.115.
  82. 3.8.1111.112. a.
  83. 3.8.2116.117.
  84. 3.8.3 i)
  85. 3.8.4118.
  86. 3.9.
  87. 3.9.1.119.120.121.
  88. 3.9.2.
  89. 3.9.2.1.122.123.
  90. 3.9.3.
  91. 3.9.4.
  92. 3.9.5.
  93. 3.9.6.
  94. 3.9.7.
  95. 3.9.7.1.126.127.
  96. 3.9.7.2. i)
  97. 3.9.8.
  98. 3.9.8.1.128.129.130.
  99. 3.9.9.
  100. 3.9.10.
  101. 3.9.11.
  102. 3.9.11.1.132.
  103. 3.9.12.
  104. 3.9.12.1.133.134.135.
  105. 4.
  106. 4.1
  107. 4.1.1136.137.138.139.140.141.
  108. 4.2.
  109. 4.2.1142.143.144.145.146.147.148.149.150.
  110. 4.2.2
  111. 4.2.2.1151.152.153.154.
  112. 4.2.2.2 i)
  113. 4.2.3
  114. 4.2.3.1155.156.157.
  115. 4.2.3.1155.156. a)
  116. 5.158.159.
  117. 5.1.
  118. 5.1.1160.161.
  119. 5.2.
  120. 5.2.1162.163.164.
  121. 5.3.
  122. 5.3.1165.166.167.168.
  123. 5.4.
  124. 5.4.1169.170.
  125. 5.5.
  126. 5.5.1171.172.
  127. 5.5.2
  128. 5.6.
  129. 5.7.
  130. 5.7.1174.175.
  131. 5.8.
  132. 6.
  133. 6.1.
  134. 6.1.1176.177.
  135. 6.2.
  136. 6.2.1178.179.180.
  137. 6.2.1178.179. a)
  138. 6.3.
  139. 6.3.1181.182.183.184.185.
  140. 6.4
  141. 6.4.1186.187.188.189.190.
  142. 7.
  143. 7.1.191.192.193.194.195.196.
  144. 7.2.197.198.199.
  145. 8.
  146. 8.1.200.201.202.203.204.205.
  147. 8.1.200.201. a)
  148. 8.2.
  149. 8.3.
  150. 8.4.
  151. BIJLAGE III
  152. BIJLAGE XVI RAPPORTAGETEMPLATES BETREFFENDE ACTIVABEZWARING F 32.01 – ACTIVA VAN DE RAPPORTERENDE INSTELLING (AE-ASS) F 32.02 – ONTVANGEN ZEKERHEDEN (AE-COL) F 32.03 – UITGEGEVEN EN NOG NIET IN PAND GEGEVEN EIGEN GEDEKTE OBLIGATIES EN SECURITISATIES (AE-NPL) F 32.04 – BRONNEN VAN BEZWARING (AE-SOU) F 33.00 – LOOPTIJDGEGEVENS (AE-MAT) F 34.00 — VOORWAARDELIJKE BEZWARING (AE-CONT) A.B. F 35.00 – UITGIFTE VAN GEDEKTE OBLIGATIES (AE-CB) F 36.01 - GEAVANCEERDE GEGEVENS. DEEL I (AE-ADV-1) F 36.02 - GEAVANCEERDE GEGEVENS. DEEL II (AE-ADV-2) z-as Identificatiecode cover pool (open)
  153. BIJLAGE IV
  154. BIJLAGE XVII INSTRUCTIES VOOR RAPPORTAGE OVER ACTIVABEZWARING
  155. ALGEMENE INSTRUCTIES
  156. 1.
  157. 1.1.1.
  158. INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES
  159. 2.12.13.
  160. 2.1.
  161. 2.1.1.14.
  162. 2.1.2. Activa van de rapporterende instelling
  163. a)
  164. b)
  165. c)
  166. 2.1.3. Boekwaarde bezwaarde activa
  167. 2.2.
  168. 2.2.1.15.16.17.
  169. 2.2.2. Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden
  170. a)
  171. b)
  172. 2.2.3. Reële waarde bezwaarde ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels
  173. 2.3.
  174. 2.3.1.18.
  175. 2.3.2. Uitgegeven en nog niet verpande eigen gedekte obligaties en securitisaties
  176. 2.3.3. Boekwaarde onderliggende activapool
  177. a)
  178. b)
  179. c)
  180. 2.4.
  181. 2.4.2. Boekwaarde geselecteerde financiële verplichtingen
  182. a)
  183. b)
  184. 2.4.3. Matchende verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen of uitgeleende effecten
  185. 3.
  186. 3.2.
  187. 3.2.1. Bezwaarde activa
  188. 3.2.2. Open looptijd
  189. > 1jaar ≤ 2jaar
  190. > 2jaar ≤ 3jaar
  191. > 3jaar ≤ 5jaar
  192. > 5jaar ≤ 10jaar
  193. 4.
  194. 4.1.22.23.24.25.
  195. 4.1.22.23.24.
  196. 4.1.2.28.29.30.
  197. 4.2.
  198. 4.2.2. Matchende verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen of uitgeleende effecten
  199. 5.
  200. 5.1.32.33.34.
  201. 5.2.
  202. 5.2.1. Identificatiecode van de cover pool (open)
  203. 5.2.2. Nominale waarde
  204. 5.2.3. Naleving van artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013? [JA/NEE]
  205. Ratingbureau 1
  206. Ratingbureau 2 en ratingbureau 3
  207. Rating 2 en rating 3
  208. 6.
  209. 6.2.
  210. 6.2.1. Centralebankfinanciering (van alle soorten, met inbegrip van repo’s)
  211. 6.2.2. Onmiddellijk opeisbare leningen
  212. 6.3.
  213. 6.3.2. Onmiddellijk opeisbare leningen
  214. BIJLAGE V
  215. BIJLAGE XVIII C 67.00 – CONCENTRATIE VAN FINANCIERING PER TEGENPARTIJ 1.2. C 68.00 – CONCENTRATIE VAN FINANCIERING PER PRODUCTSOORT C 69.00 – PRIJZEN VOOR DIVERSE FINANCIERINGSTERMIJNEN C 70.00 — DOORROLLEN VAN FINANCIERING Totale en significante valuta Totale en significante valuta Totale en significante valuta Totale en significante valuta
  216. ANNEX VI
  217. BIJLAGE XIX INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN DE TEMPLATE VOOR ADDITIONELE MONITORINGINSTRUMENTEN VAN BIJLAGE XVIII
  218. 1.
  219. 1.1.1.2.3.4.5.6.7.8.9.
  220. 1.2.1.2.3.4.5.6.7.8.
  221. 1.3.1.1.1.1.2.1.3.1.4.1.4.1.1.4.2.2.1.2.1.1.2.1.2.2.1.3.2.2.2.2.1.2.2.2.2.2.3.2.2.4.3.4.5.6.
  222. 1.3.1.
  223. 1.3.1.1.1.1.2.1.3.1.4.1.4.1.1.4.2.
  224. 1.4.1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.13.14.15.16.17.
  225. 1.4.1.
  226. 1
  227. 1.5.1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.
  228. 1.5.1.2.
  229. > 14 dagen ≤ één maand
  230. BIJLAGE VII
  231. BIJLAGE XX RAPPORTAGE OVER NEUTRALISERENDE CAPACITEIT C 71.00 — CONCENTRATIE VAN NEUTRALISERENDE CAPACITEIT PER UITGEVENDE INSTELLING 1.2. Totale en significante valuta
  232. BIJLAGE VIII
  233. BIJLAGE XXI INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN DE TEMPLATE INZAKE CONCENTRATIE VAN NEUTRALISERENDE CAPACITEIT (C 71.00) VAN BIJLAGE XX
  234. Concentratie van neutraliserende capaciteit per uitgevende instelling/tegenpartij (CCC) (C 71.00) 1.2.3.4.5.6.
  235. BIJLAGE IX
  236. BIJLAGE XXII RAPPORTAGE OVER AMM-LOOPTIJDKLASSEN C 66.01 – LOOPTIJDKLASSEN Totaal en significante valuta
  237. BIJLAGE X
  238. BIJLAGE XXIII INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN DE LOOPTIJDKLASSENTEMPLATE VAN BIJLAGE XXII
  239. DEEL I ALGEMENE INSTRUCTIES 1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.13.14.15.16.17.18.19.20.21.
  240. a)
  241. b)
  242. c)
  243. d)
  244. e)
  245. f)
  246. DEEL II INSTRUCTIES VOOR BEPAALDE RIJEN
  247. 1.1 Verplichtingen voortvloeiend uit uitgegeven effecten (indien niet behandeld als retaildeposito’s)
  248. 1.1.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS
  249. 1.1.1 Vervallen ongedekte obligaties
  250. 1.1.2. Gereglementeerde gedekte obligaties
  251. 1.1.3 Vervallen securitisaties
  252. 1.1.4 Overige
  253. 1.2 Verplichtingen voortvloeiend uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door (tegenpartij is geen centrale bank):
  254. 1.2.0.1 waarvan: intragroeps of IPS
  255. 1.2.1 Verhandelbare activa van niveau 1
  256. 1.2.1.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties
  257. 1.2.1.1.1 Niveau 1 — centrale bank
  258. 1.2.1.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)
  259. 1.2.1.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 2 of 3)
  260. 1.2.1.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+)
  261. 1.2.1.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)
  262. 1.2.2 Verhandelbare activa van niveau 2A
  263. 1.2.2.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1)
  264. 1.2.2.2 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)
  265. 1.2.2.3 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)
  266. 1.2.3 Verhandelbare activa van niveau 2B
  267. 1.2.3.1 Door activa gedekte effecten (ABS) van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1)
  268. 1.2.3.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-6)
  269. 1.2.3.3 Bedrijfsobligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-3)
  270. 1.2.3.4 Aandelen van niveau 2B
  271. 1.2.3.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 3-5)
  272. 1.2.4 Overige verhandelbare activa
  273. 1.2.5 Overige activa
  274. 1.2a Verplichtingen voortvloeiend uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door (tegenpartij is centrale bank):
  275. 1.2.a.1 Verhandelbare activa van niveau 1
  276. 1.2.a.2 Verhandelbare activa van niveau 2A
  277. 1.2.a.3 Verhandelbare activa van niveau 2B
  278. 1.2a.4 Overige verhandelbare activa
  279. 1.2a.5 Overige activa
  280. 1.3 Niet in 1.2 gerapporteerde verplichtingen voortvloeiend uit ontvangen deposito’s (met uitsluiting van als zekerheid ontvangen deposito’s)
  281. 1.3.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS
  282. 1.3.1 Stabiele retaildeposito’s
  283. 1.3.2 Overige retaildeposito’s
  284. 1.3.3 Operationele deposito’s
  285. 1.3.4 Niet-operationele deposito’s van kredietinstellingen
  286. 1.3.5 Niet-operationele deposito’s van andere financiële cliënten
  287. 1.3.6 Niet-operationele deposito’s van centrale banken
  288. 1.3.7 Niet-operationele deposito’s van niet-financiële vennootschappen
  289. 1.3.8 Niet-operationele deposito’s van andere tegenpartijen
  290. 1.4 Vervallende valutaswaps
  291. 1.5 Uit hoofde van derivaten te betalen bedragen andere dan die gerapporteerd in 1.4
  292. 1. a)
  293. 2. a)
  294. i)
  295. ii)
  296. 1.6 Overige uitstromen
  297. 1.7 Totale uitstromen
  298. 2.1 Opeisbare gelden uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door:
  299. 2.1.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS
  300. 2.1.1 Verhandelbare activa van niveau 1
  301. 2.1.1.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties
  302. 2.1.1.1.1 Niveau 1 — centrale bank
  303. 2.1.1.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)
  304. 2.1.1.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 2 of 3)
  305. 2.1.1.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+)
  306. 2.1.1.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)
  307. 2.1.2 Verhandelbare activa van niveau 2A
  308. 2.1.2.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1)
  309. 2.1.2.2 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)
  310. 2.1.2.3 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)
  311. 2.1.3 Verhandelbare activa van niveau 2B
  312. 2.1.3.1 ABS van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1)
  313. 2.1.3.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-6)
  314. 2.1.3.3 Bedrijfsobligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-3)
  315. 2.1.3.4 Aandelen van niveau 2B
  316. 2.1.3.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 3-5)
  317. 2.1.4 Overige verhandelbare activa
  318. 2.1.5 Overige activa
  319. 2.2 Niet in post 2.1 gerapporteerde opeisbare gelden voortvloeiend uit leningen en voorschotten aan:
  320. 2.2.1 Retailcliënten
  321. 2.2.2 Niet-financiële vennootschappen
  322. 2.2.3 Kredietinstellingen
  323. 2.2.3.1 Waarvan: intragroeps of IPS
  324. 2.2.4 Overige financiële cliënten
  325. 2.2.5 Centrale banken
  326. 2.2.6 Overige tegenpartijen
  327. 2.3 Vervallende valutaswaps
  328. 2.4. Te ontvangen bedragen uit derivaten, andere dan in 2.3 gerapporteerd
  329. 1.
  330. 2. a)
  331. i)
  332. ii)
  333. 2.5 Vervallend papier in eigen portefeuille
  334. 2.6 Overige instromen
  335. 2.6.1 Waarvan: intragroeps of IPS
  336. 2.7 Totale instromen
  337. 2.8 Netto contractueel verschil
  338. 2.9 Gecumuleerd netto contractueel verschil
  339. 3 NEUTRALISERENDE CAPACITEIT
  340. 3.1 Munten en bankbiljetten
  341. 3.2 Opvraagbare reserves bij centrale banken
  342. 3.3 Verhandelbare activa van niveau 1
  343. 3.3.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties
  344. 3.3.1.1 Niveau 1 — centrale bank
  345. 3.3.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)
  346. 3.3.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 2 of 3)
  347. 3.3.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+)
  348. 3.3.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)
  349. 3.4 Verhandelbare activa van niveau 2A
  350. 3.4.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1)
  351. 3.4.3 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)
  352. 3.4.4 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)
  353. 3.5 Verhandelbare activa van niveau 2B
  354. 3.5.1 ABS van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1)
  355. 3.5.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-6)
  356. 3.5.3 Bedrijfsobligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-3)
  357. 3.5.4 Aandelen van niveau 2B
  358. 3.5.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 3-5)
  359. 3.6 Overige verhandelbare activa
  360. 3.6.1 Centrale overheid (kredietkwaliteitscategorie 1)
  361. 3.6.2 Centrale overheid (kredietkwaliteitscategorie 2-3)
  362. 3.6.3 Aandelen
  363. 3.6.4. Gedekte obligaties
  364. 3.6.6 Overige verhandelbare activa
  365. 3.7 Niet-verhandelbare activa toelaatbaar voor een centrale bank
  366. 3.7a Voor centrale banken toelaatbare eigen uitgiften
  367. 3.8 Ongebruikte ontvangen gecommitteerde faciliteiten
  368. 3.8.1 Faciliteiten van niveau 1
  369. 3.8.2 Faciliteiten voor beperkt gebruik van niveau 2B
  370. 3.8.3 IPS-faciliteiten van niveau 2B
  371. 3.8.4 Overige faciliteiten
  372. 3.8.4.1 Van tegenpartijen binnen een groep
  373. 3.8.4.2 Van andere tegenpartijen
  374. 3.9 Nettowijziging neutraliserende capaciteit
  375. 3.10 Gecumuleerde neutraliserende capaciteit
  376. 4 VOORWAARDELIJKE UITSTROMEN
  377. 4.1 Uitstromen uit hoofde van gecommitteerde faciliteiten
  378. 4.1.0.1 waarvan: Intragroeps of IPS
  379. 4.1.1 Gecommitteerde kredietfaciliteiten
  380. 4.1.1.1 Door de ontvanger als niveau 2B beschouwd
  381. 4.1.1.2 Overige
  382. 4.1.2 Liquiditeitsfaciliteiten
  383. 4.1a Uitstromen uit hoofde van niet-gecommitteerde faciliteiten
  384. 4.2 Uitstromen als gevolg van ratingverlagingstriggers
  385. PRO-MEMORIEPOSTEN
  386. 13 Voor centrale bank beleenbare HQLA — Verhandelbare activa
  387. 14 In 3.6 gerapporteerde activa die geen voor een centrale bank beleenbare HQLA zijn
  388. 17 Gedragsgebaseerde uitstromen van deposito’s
  389. 18 Gedragsgebaseerde instromen van leningen en voorschotten
  390. 19 Gedragsgebaseerde opvragingen van gecommitteerde faciliteiten
  391. BIJLAGE XI
  392. BIJLAGE XXVI AANVULLENDE RAPPORTAGE-INSTRUCTIES OM MSI’S TE IDENTIFICEREN EN MSI-BUFFERPERCENTAGES TOE TE KENNEN G 01.00 - MSI-indicatoren en EBU-posten
  393. ANNEX XII
  394. BIJLAGE XXVII RAPPORTAGE-INSTRUCTIES OM MSI’S TE IDENTIFICEREN EN MSI-BUFFERPERCENTAGES TOE TE KENNEN
  395. DEEL I ALGEMENE INSTRUCTIES
  396. 1.
  397. DEEL II INSTRUCTIES IN VERBAND MET DE TEMPLATES
  398. 2. MSI-indicatoren
  399. a)
  400. b)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, en met name artikel 415, lid 3, eerste alinea, artikel 415, lid 3 bis, eerste alinea, artikel 430, lid 7, eerste alinea, en artikel 430, lid 9, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie stelt technische normen voor toezichtsrapportage vast en bepaalt de concrete voorwaarden waaraan instellingen zich moeten houden bij het rapporteren van informatie met betrekking tot de naleving van Verordening (EU) nr. 575/2013. Die uitvoeringsverordening moet worden gewijzigd om de elementen tot uiting brengen die met Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn ingevoegd.

(2) Verordening (EU) 2019/876 heeft Verordening (EU) nr. 575/2013 gewijzigd om onder meer de mate van evenredigheid van de vereisten inzake liquiditeitsrapportage te vergroten. Daarom moet de herziene reikwijdte worden bepaald van de rapportagevereisten van de extra maatstaven voor het monitoren van de liquiditeit die, overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451, gelden voor kleine en niet-complexe instellingen in de Unie. In overeenstemming met de aanbevelingen in het eindverslag van de Europese Bankautoriteit (EBA) over de kosten van de naleving van de in artikel 430, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde rapportagevereisten, moeten instellingen die geen kleine en niet-complexe instellingen zijn, maar evenmin grote instellingen, in zekere mate ook een toegenomen mate van evenredigheid kunnen krijgen wat betreft extra maatstaven voor het monitoren van de liquiditeit.

(3) Verordening (EU) 2021/558 van het Europees Parlement en de Raad heeft, samen met Verordening (EU) 2021/557 van het Europees Parlement en de Raad, respectievelijk Verordening (EU) nr. 575/2013 en Verordening (EU) 2017/2402 gewijzigd om gerichte aanpassingen aan te brengen in het securitisatieraamwerk. Die gerichte aanpassingen moeten tot uiting komen in de rapportagevereisten van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451.

(4) Verordening (EU) 2019/876 heeft Verordening (EU) nr. 575/2013 gewijzigd wat betreft de behandeling van prudent gewaardeerde softwareactiva. Op dit punt heeft Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2176 van de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 gewijzigd om duidelijkheid te verschaffen over de vrijstelling van de softwareactiva wat betreft de aftrekking daarvan van tier 1-kernkapitaalbestanddelen. Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 moet worden gewijzigd om bevoegde autoriteiten informatie te verschaffen over de toepassing van de vereisten van die gedelegeerde verordening door de instellingen.

(5) Het eindverslag van de EBA over de nalevingskosten deed de aanbeveling om kleine en niet-complexe instellingen vrij te stellen van de rapportage van templates van bepaalde activabezwaringen en om de definitie van de mate van activabezwaring aan te passen. De Commissie is het eens met de aanbeveling in dat verslag wat betreft het verminderen van de nalevingskosten. Daarom moeten de overeenkomstige bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 worden gewijzigd wat betreft rapportage over activabezwaring op individuele en op geconsolideerde basis.

(6) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 legt de vereisten vast voor de rapportage van kerninformatie voor het identificeren van mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI’s) en voor het toewijzen van MSI-bufferpercentages overeenkomstig een Uniespecifieke methodiek vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1222/2014 van de Commissie. De indiciatoren waarmee de systeemrelevantie wordt gemeten, gelden evenzeer voor bankgroepen als voor stand-alone instellingen. Daarom moeten de rapportageverplichtingen worden uitgebreid tot stand-alone instellingen die voldoen aan de criteria om te worden opgenomen in de MSI-beoordelingsexercitie.

(7) Om bevoegde autoriteiten meer mogelijkheden te bieden voor het daadwerkelijk monitoren en beoordelen van het risicoprofiel van instelling, alsmede de naleving van prudentiële vereisten door de instellingen, en voor het identificeren van de risico’s die instellingen voor de financiële sector kunnen inhouden, moet een aantal bijlagen bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 worden gewijzigd.

(8) Om duidelijkheid te geven en voldoende tijd te bieden om de uitvoering van de met deze verordening ingevoerde rapportagevereisten voor te bereiden, moeten instellingen overeenkomstig artikel 430, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 pas zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig deze verordening beginnen te rapporteren.

(9) De bepalingen in deze verordening houden onderling nauw verband, aangezien artikel 415, lid 3, eerste alinea, en artikel 415, lid 3 bis, eerste alinea, rapportageverplichtingen van instellingen betreffen die grotendeels zijn afgestemd op rapportageverplichtingen van andere instellingen overeenkomstig artikel 430 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Om de samenhang tussen die bepalingen te borgen, moeten de betrokken technische uitvoeringsnormen in één verordening worden opgenomen.

(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11) Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de EBA bij de Commissie heeft ingediend.

(12) De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 wordt als volgt gewijzigd:

1) Artikel 18 wordt vervangen door:

Artikel 1

1)

Artikel 18 Individuele en geconsolideerde rapportage over de extra maatstaven voor het monitoren van de liquiditeit

Bij het rapporteren van informatie over de extra maatstaven voor het monitoren van de liquiditeit overeenkomstig artikel 430, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 op individuele en op geconsolideerde basis, verstrekken instellingen als volgt informatie:

a) grote instellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 146), van Verordening (EU) nr. 575/2013 verstrekken maandelijks de informatie in template 66.1 van bijlage XXII bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XXIII bij deze verordening, in de templates 67, 68, 69 en 70 van bijlage XVIII bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XIX bij deze verordening en in template 71 van bijlage XX bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XXI bij deze verordening;

b) kleine en niet-complexe instellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 145), van Verordening (EU) nr. 575/2013 verstrekken per kwartaal de informatie in template 66.1 van bijlage XXII bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XXIII bij deze verordening, in template 67 van bijlage XVIII bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XIX bij deze verordening en in template 71 van bijlage XX bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XXI bij deze verordening;

c) instellingen die niet onder de punten a) en b) vallen, verstrekken maandelijks de informatie in template 66.1 van bijlage XXII bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XXIII bij deze verordening, in de templates 67, 68 en 69 van bijlage XVIII bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XIX bij deze verordening en in template 71 van bijlage XX bij deze verordening volgens de instructies in bijlage XXI bij deze verordening..

Artikel 1

2) Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a) de leden 2 en 3 worden vervangen door: De instap- en uitstapcriteria van artikel 4, lid 3, zijn van toepassing.

2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt met de volgende frequentie verstrekt:

a) de in bijlage XVI, delen A, B en D, gespecificeerde informatie: per kwartaal;

b) de in bijlage XVI, deel C, gespecificeerde informatie: jaarlijks;

c) de in bijlage XVI, deel E, gespecificeerde informatie: halfjaarlijks.

3. De in lid 1 bedoelde informatie wordt als volgt verstrekt:

a) instellingen verstrekken de in bijlage XVI, deel A, gespecificeerde informatie;

b) grote instellingen verstrekken de in bijlage XVI, delen B, C en E, gespecificeerde informatie;

c) instellingen die geen grote instellingen of kleine en niet-complexe instellingen zijn, verstrekken de in bijlage XVI, delen B, C en E, gespecifieerde informatie indien de mate van activabezwaring van de instelling, als berekend volgens bijlage XVII, punt 1.6, subpunt 9, gelijk is aan of groter dan 15 %;

d) instellingen rapporteren de in bijlage XVI, deel D, gespecificeerde informatie alleen in indien zij obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad uitgeven.

b) lid 4 wordt geschrapt.

3) Artikel 20 wordt vervangen door:

Artikel 1

3)

Artikel 20 Aanvullende rapportage om MSI’s te identificeren en MSI-bufferpercentages toe te wijzen

1. Bij het rapporteren van aanvullende informatie ten behoeve van de identificatie van MSI’s en het toewijzen van MSI-bufferpercentages overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, verstrekken EU-moederinstellingen, financiële EU-moederholdings of gemengde financiële EU-moederholdings op kwartaalbasis de in bijlage XXVI bij deze verordening gespecificeerde informatie op geconsolideerde basis, overeenkomstig de instructies in bijlage XXVII bij de verordening, indien de beide volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) de maatstaf van totale blootstelling van de groep, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen, bedraagt ten minste 125000000000 EUR;

b) de EU-moederinstelling of een van haar dochterondernemingen of een door de moederinstelling of een dochteronderneming geëxploiteerd bijkantoor is gevestigd in een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad.

2. Voor de rapportage van aanvullende informatie ten behoeve van de identificatie van MSI’s en de toewijzing van MSI-bufferpercentages overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU verstrekken instellingen op kwartaalbasis de in bijlage XXVI bij deze verordening gespecificeerde informatie op individuele basis, overeenkomstig de instructies in bijlage XXVII bij deze verordening, indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) de maatstaf van totale blootstelling van de instelling bedraagt ten minste 125000000000 EUR;

b) de instelling is gevestigd in een deelnemende lidstaat als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 806/2014;

c) de instelling maakt geen deel uit van een groep die onder geconsolideerd toezicht staat overeenkomstig hoofdstuk 1, titel II, deel één, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (stand-alone instelling).

3. In afwijking van artikel 3, lid 1, punt b), wordt de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde informatie aan het eind van de werkdag verstrekt op de volgende inzenddata: 1 juli, 1 oktober, 2 januari en 1 april.

4. In afwijking van artikel 4 is met betrekking tot de in lid 1, punt a), en lid 2, punt a), van dit artikel bepaalde drempels het volgende van toepassing:

a) de EU-moederinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-holding of de stand-alone instelling, al naargelang, begint onmiddellijk de informatie overeenkomstig dit artikel te rapporteren indien haar blootstellingsmaatstaf voor de berekening van de hefboomratio aan het einde van het boekjaar de vastgestelde drempel overschrijdt, en rapporteert deze informatie ten minste vóór het einde van dat boekjaar en de daaropvolgende drie kwartaalreferentiedata;

b) de EU-moederinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-moederholding of de stand-alone instelling zet onmiddellijk de rapportage overeenkomstig dit artikel stop indien haar blootstellingsmaatstaf voor de berekening van de hefboomratio aan het einde van haar boekjaar onder de vastgestelde drempel daalt.

Artikel 1

4) Bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze verordening.

5) Bijlage II wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

6) Bijlage XVI wordt vervangen door de tekst in bijlage III bij deze verordening.

7) Bijlage XVII wordt vervangen door de tekst in bijlage IV bij deze verordening.

8) Bijlage XVIII wordt vervangen door de tekst in bijlage V bij deze verordening.

9) Bijlage XIX wordt vervangen door de tekst in bijlage VI bij deze verordening.

10) Bijlage XX wordt vervangen door de tekst in bijlage VII bij deze verordening.

11) Bijlage XXI wordt vervangen door de tekst in bijlage VIII bij deze verordening.

12) Bijlage XXII wordt vervangen door de tekst in bijlage IX bij deze verordening.

13) Bijlage XXIII wordt vervangen door de tekst in bijlage X bij deze verordening.

14) Bijlage XXVI wordt vervangen door de tekst in bijlage XI bij deze verordening.

15) Bijlage XXVII wordt vervangen door de tekst in bijlage XII bij deze verordening.

Artikel 2 Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 11 juli 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 21 november 2022. Voor de Commissie De voorzitter Ursula VON DER LEYEN

ANNEX

BIJLAGE I

BIJLAGE I RAPPORTAGE INZAKE EIGEN VERMOGEN EN EIGENVERMOGENSVEREISTEN C 01.00 – EIGEN VERMOGEN (CA1) C 02.00 – EIGENVERMOGENSVEREISTEN (CA2) C 03.00 – KAPITAALRATIO’S EN KAPITAALNIVEAUS (CA3) C 04.00 – PRO-MEMORIEPOSTEN (CA4) C 05.01 – OVERGANGSBEPALINGEN (CA5.1) C 05.02 – INSTRUMENTEN WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN: INSTRUMENTEN DIE GEEN STAATSSTEUN BEHELZEN (CA5.2) C 06.01 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN – TOTAAL (GS TOTAL) C 06.02 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN (GS) C 07.00 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: STANDAARDBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (CR SA) C 08.01 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (CR IRB 1) C 08.02 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: UITSPLITSING NAAR DEBITEURENKLASSE OF -GROEP (CR IRB 2) C 08.03 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: UITSPLITSING NAAR PD-BANDBREEDTEN (CR IRB 3) C 08.04 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: RWEA-STROOMOVERZICHTEN (CR IRB 4) C 08.05 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: BACK-TESTING VAN DE PD (CR IRB 5) C 08.05.1 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: BACK-TESTING PD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 180, LID 1, PUNT F), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 (CR IRB 5B) C 08.06 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: SLOTTINGBENADERING GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING (CR IRB 6) C 08.07 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: REIKWIJDTE GEBRUIK VAN INTERNERATING- EN DE STANDAARDBENADERING (CR IRB 7) C 09.01 – GEOGRAFISCHE UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR VESTIGINGSPLAATS VAN DE DEBITEUR: BLOOTSTELLINGEN IN HET KADER VAN DE STANDAARDBENADERING (CR GB 1) C 09.02 – GEOGRAFISCHE UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR VESTIGINGSPLAATS VAN DE DEBITEUR: BLOOTSTELLINGEN IN HET KADER VAN DE INTERNERATINGBENADERING (CR GB 2) C 09.04 — UITSPLITSING VAN BETROKKEN KREDIETBLOOTSTELLINGEN TEN BEHOEVE VAN DE BEREKENING VAN DE CONTRACYCLISCHE BUFFER PER LAND EN HET INSTELLINGSSPECIFIEKE CONTRACYCLISCHE BUFFERPERCENTAGE (CCB) C 10.01 – KREDIETRISICO: AANDELEN – INTERNERATINGBENADERINGEN KAPITAALVEREISTEN (CR EQU IRB 1) C 10.02 – KREDIETRISICO: AANDELEN – INTERNERATINGBENADERINGEN KAPITAALVEREISTEN UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR DEBITEURENKLASSE IN HET KADER VAN DE PD/LGD-BENADERING (CR EQU IRB 2) C 11.00 – AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO (CR SETT) C 13.01 – KREDIETRISICO: SECURITISATIES (CR SEC) C 14.00 – NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES (SEC Details) C 14.01 – NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES VOLGENS BENADERING (SEC Details Approach) C 34.01 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: OMVANG VAN DE DERIVATENACTIVITEITEN (CCR 1) C 34.02 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: CCR-BLOOTSTELLINGEN PER BENADERING (CCR 2) C 34.03 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: CCR-BLOOTSTELLINGEN BEHANDELD MET STANDAARDBENADERINGEN: SA-CCR of VEREENVOUDIGDE SA-CCR (CCR 3) C 34.04 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: CCR-BLOOTSTELLINGEN BEHANDELD MET DE OORSPRONKELIJKEBLOOTSTELLINGSMETHODE (OEM) (CCR 4) C 34.05 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: CCR-BLOOTSTELLINGEN BEHANDELD MET DE INTERNEMODELLENMETHODE (IMM) (CCR 5) C 34.06 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: TOP TWINTIG TEGENPARTIJEN (CCR 6) C 34.07 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: INTERNERATINGBENADERING — CCR-BLOOTSTELLINGEN NAAR BLOOTSTELLINGSCATEGORIE EN PD-SCHAAL (CCR 7) C 34.08 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: SAMENSTELLING VAN ZEKERHEDEN VOOR CCR-BLOOTSTELLINGEN (CCR 8) C 34.09 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: BLOOTSTELLINGEN IN KREDIETDERIVATEN (CCR 9) C 34.10 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT CTP's (CCR 10) i)ii)iii)iv)i)ii)iii)iv) C 34.11 – TEGENPARTIJKREDIETRISICO: RWEA-STROOMOVERZICHTEN VAN CCR-BLOOTSTELLINGEN IN HET KADER VAN DE IMM (CCR 11) C 16.00 – OPERATIONEEL RISICO (OPR) 1.2.3. C 17.01 – OPERATIONEEL RISICO: VERLIEZEN EN GOEDGEMAAKTE VERLIEZEN PER BEDRIJFSONDERDEEL EN SOORTEN GEBEURTENISSEN IN HET LAATSTE JAAR (OPR DETAILS 1) C 17.02 – OPERATIONEEL RISICO: GROTE VERLIESGEBEURTENISSEN (OPR DETAILS 2) C 18.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VAN POSITIERISICO’S IN VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN (MKR SA TDI) C 19.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO IN SECURITISATIES (MKR SA SEC) C 20.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO IN DE CORRELATIEHANDELSPORTEFEUILLE (MKR SA CTP) C 21.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR POSITIERISICO IN AANDELEN (MKR SA EQU) C 22.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR VALUTARISICO (MKR SA FX) C 23.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR GRONDSTOFFEN (MKR SA COM) C 24.00 – INTERNE MODELLEN VOOR MARKTRISICO (MKR IM) C 25.00 – RISICO VAN AANPASSING VAN KREDIETWAARDERING (CVA) C 32.01 – Prudente waardering: Tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen (PRUVAL 1) C 32.02 – Prudente waardering: Kernbenadering (PRUVAL 2) C 32.03 – Prudente waardering: AWA in verband met modelrisico (PRUVAL 3) C 32.04 – Prudente waardering: AWA in verband met geconcentreerde risico’s (PRUVAL 4) C 33.00 – BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT ALGEMENE OVERHEDEN PER LAND VAN DE TEGENPARTIJ (GOV) C 35.01 – NPE-VERLIESDEKKING: BEREKENING VAN AFTREKKINGEN VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE LC1) C 35.02 – NPE-VERLIESDEKKING: MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN MET UITSLUITING VAN RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VKV VALLEN (NPE LC2) C 35.03 – NPE-VERLIESDEKKING: MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VKV VALLEN (NPE LC3) Blootstellingscategorieën volgens de standaardbenadering IRB-blootstellingscategorie: Eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren: IRB-blootstellingscategorie: Eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren: IRB-blootstellingscategorie: Eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren: IRB-blootstellingscategorie: Eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren: IRB-blootstellingscategorie: Eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren: Soort gespecialiseerde kredietverlening: Land: Land: Land: Benadering: Blootstellingen CCR-benadering IRB-blootstellingscategorie Eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren: Valuta: Nationale markt: Land:

COREP-TEMPLATES Templatenummer Template code Naam van de (groep) template (s) Verkorte naam KAPITAALTOEREIKENDHEID CA 1 C 01.00 EIGEN VERMOGEN CA1 2 C 02.00 EIGENVERMOGENSVEREISTEN CA2 3 C 03.00 KAPITAALRATIO’S CA3 4 C 04.00 PRO-MEMORIEPOSTEN CA4 OVERGANGSBEPALINGEN CA5 5.1 C 05.01 OVERGANGSBEPALINGEN CA5.1 5.2 C 05.02 INSTRUMENTEN WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN: INSTRUMENTEN DIE GEEN STAATSSTEUN BEHELZEN CA5.2 GROEPSSOLVABILITEIT GS 6.1 C 06.01 GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN – TOTAAL GS Totaal 6.2 C 06.02 GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN GS KREDIETRISICO CR 7 C 07.00 KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: STANDAARDBENADERING KAPITAALVEREISTEN CR SA KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN CR IRB 8.1 C 08.01 KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN CR IRB 1 8.2 C 08.02 KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN (uitsplitsing naar debiteurenklasse of -groep) CR IRB 2 8.3 C 08.03 KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: UITSPLITSING NAAR PD-BANDBREEDTEN CR IRB 3 8.4 C 08.04 KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: RWEA-STROOMOVERZICHTEN CR IRB 4 8.5 C 08.05 KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: BACK-TESTING PD CR IRB 5 8.5.1 C 08.05.1 KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: BACK-TESTING PD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 180, LID 1, PUNT F), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 (CR IRB 5B) CR IRB 5B 8.6 C 08.06 KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: SLOTTINGBENADERING GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING CR IRB 6 8.7 C 08.07 KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: REIKWIJDTE GEBRUIK VAN INTERNERATING- EN STANDAARDBENADERING CR IRB 7 GEOGRAFISCHE UITSPLITSING CR GB 9.1 C 09.01 Tabel 9.1 – Geografische uitsplitsing blootstellingen naar vestigingsplaats debiteur (blootstellingen in kader van standaardbenadering) CR GB 1 9.2 C 09.02 Tabel 9.2 – Geografische uitsplitsing van blootstellingen naar vestigingsplaats debiteur (IRB-blootstellingen) CR GB 2 9.4 C 09.04 Tabel 9.4 – Uitsplitsing kredietblootstellingen relevant voor berekening contracyclische buffer per land en instellingsspecifieke contracyclische bufferpercentage CCB KREDIETRISICO: AANDELEN – INTERNERATINGBENADERINGEN KAPITAALVEREISTEN CR EQU IRB 10.1 C 10.01 KREDIETRISICO: AANDELEN – INTERNERATINGBENADERINGEN KAPITAALVEREISTEN CR EQU IRB 1 10.2 C 10.02 KREDIETRISICO: AANDELEN – INTERNERATINGBENADERINGEN KAPITAALVEREISTEN UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR DEBITEURENKLASSE IN HET KADER VAN DE PD/LGD-BENADERING CR EQU IRB 2 11 C 11.00 AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO CR SETT 13.1 C 13.01 KREDIETRISICO: SECURITISATIES CR SEC 14 C 14.00 NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES CR SEC Details 14.1 C 14.01 NADERE INFORMATIE SECURITISATIES VOLGENS BENADERING CR SEC Details 2 TEGENPARTIJKREDIETRISICO CCR 34.01 C 34.01 TEGENPARTIJKREDIETRISICO OMVANG DERIVATENACTIVITEITEN CCR 1 34.02 C 34.02 TEGENPARTIJKREDIETRISICO CCR-BLOOTSTELLINGEN PER BENADERING CCR 2 34.03 C 34.03 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: CCR-BLOOTSTELLINGEN BEHANDELD MET STANDAARDBENADERINGEN: SA-CCR of VEREENVOUDIGDE SA-CCR CCR 3 34.04 C 34.04 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: CCR-BLOOTSTELLINGEN BEHANDELD MET DE OORSPRONKELIJKEBLOOTSTELLINGSMETHODE (OEM) CCR 4 34.05 C 34.05 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: CCR-BLOOTSTELLINGEN BEHANDELD MET DE INTERNEMODELLENMETHODE (IMM) CCR 5 34.06 C 34.06 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: TOP TWINTIG TEGENPARTIJEN CCR 6 34.07 C 34.07 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: INTERNERATINGBENADERING — CCR-BLOOTSTELLINGEN NAAR BLOOTSTELLINGSCATEGORIE EN PD-SCHAAL CCR 7 34.08 C 34.08 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: SAMENSTELLING ZEKERHEDEN VOOR CCR-BLOOTSTELLINGEN CCR 8 34.09 C 34.09 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: BLOOTSTELLINGEN IN KREDIETDERIVATEN CCR 9 34.10 C 34.10 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT CTP’S CCR 10 34.11 C 34.11 TEGENPARTIJKREDIETRISICO: RWEA-STROOMOVERZICHTEN VAN CCR-BLOOTSTELLINGEN IN HET KADER VAN DE IMM CCR 11 OPERATIONEEL RISICO OPR 16 C 16.00 OPERATIONEEL RISICO OPR OPERATIONEEL RISICO VERLIEZEN EN GOEDGEMAAKTE VERLIEZEN 17.1 C 17.01 OPERATIONEEL RISICO: VERLIEZEN EN GOEDGEMAAKTE VERLIEZEN PER BEDRIJFSONDERDEEL EN SOORTEN VERLIESGEBEURTENISSEN IN HET LAATSTE JAAR OPR DETAILS 1 17.2 C 17.02 OPERATIONEEL RISICO: GROTE VERLIESGEBEURTENISSEN OPR DETAILS 2 MARKTRISICO MKR 18 C 18.00 MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING POSITIERISICO’S IN VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN MKR SA TDI 19 C 19.00 MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING SPECIFIEK RISICO IN SECURITISATIES MKR SA SEC 20 C 20.00 MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING SPECIFIEK RISICO IN CORRELATIEHANDELSPORTEFEUILLE MKR SA CTP 21 C 21.00 MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING POSITIERISICO IN AANDELEN MKR SA EQU 22 C 22.00 MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VALUTARISICO MKR SA FX 23 C 23.00 MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN GRONDSTOFFEN MKR SA COM 24 C 24.00 INTERNE MODELLEN MARKTRISICO MKR IM 25 C 25.00 RISICO AANPASSING KREDIETWAARDERING CVA PRUDENTE WAARDERING MKR 32.1 C 32.01 PRUDENTE WAARDERING: TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN PRUVAL 1 32.2 C 32.02 PRUDENTE WAARDERING: KERNBENADERING PRUVAL 2 32.3 C 32.03 PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET MODELRISICO PRUVAL 3 32.4 C 32.04 PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET GECONCENTREERDE POSITIES PRUVAL 4 BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT ALGEMENE OVERHEDEN MKR 33 C 33.00 BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT ALGEMENE OVERHEDEN PER LAND VAN DE TEGENPARTIJ GOV VERLIESDEKKING VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE) NPE LC 35.1 C 35.01 VERLIESDEKKING VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE): BEREKENING AFTREKKINGEN VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN NPE LC1 35.2 C 35.02 VERLIESDEKKING VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE): MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN MET UITSLUITING VAN RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VKV VALLEN NPE LC2 35.3 C 35.03 VERLIESDEKKING VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE): MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VKV VALLEN NPE LC3 Rijen ID Post Bedrag 0010 1 EIGEN VERMOGEN 0015 1.1 TIER 1-KAPITAAL 0020 1.1.1 TIER 1-KERNKAPITAAL 0030 1.1.1.1 Kapitaalinstrumenten die in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaal 0040 1.1.1.1.1 Volgestorte kapitaalinstrumenten 0045 1.1.1.1.1* Waarvan: In noodsituaties bij overheden geplaatste kapitaalinstrumenten 0050 1.1.1.1.2* Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten 0060 1.1.1.1.3 Agio 0070 1.1.1.1.4 (–) Eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten 0080 1.1.1.1.4.1 (–) Direct bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten 0090 1.1.1.1.4.2 (–) Indirect bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten 0091 1.1.1.1.4.3 (–) Synthetisch bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten 0092 1.1.1.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichting tot het kopen van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten 0130 1.1.1.2 Ingehouden winsten 0140 1.1.1.2.1 Ingehouden winsten voorgaande jaren 0150 1.1.1.2.2 In aanmerking komende winsten of verliezen 0160 1.1.1.2.2.1 Aan eigenaren moedermaatschappij toe te rekenen winsten of verliezen 0170 1.1.1.2.2.2 (–) Niet in aanmerking komend deel tussentijdse of jaareinderesultaat 0180 1.1.1.3 Geaccumuleerde overige onderdelen totaalresultaat 0200 1.1.1.4 Andere reserves 0210 1.1.1.5 Fondsen voor algemene bankrisico’s 0220 1.1.1.6 Overgangsaanpassingen als gevolg van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn 0230 1.1.1.7 Als tier 1-kernkapitaal opgenomen minderheidsbelangen 0240 1.1.1.8 Overgangsaanpassingen in verband met aanvullende minderheidsbelangen 0250 1.1.1.9 Aanpassingen aan tier 1-kernkapitaal als gevolg van prudentiële filters 0260 1.1.1.9.1 (–) Toenamen van aandelenkapitaal die voortvloeien uit gesecuritiseerde activa 0270 1.1.1.9.2 Reserve voor kasstroomhedges 0280 1.1.1.9.3 Cumulatieve en tegen reële waarde gewaardeerde winsten of verliezen op verplichtingen instelling die voortvloeien uit veranderingen eigen kredietwaardigheid 0285 1.1.1.9.4 Tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen die voortvloeien uit eigen kredietrisico van de instelling in verband met afgeleide verplichtingen 0290 1.1.1.9.5 (–) Waardeaanpassingen als gevolg van vereisten voor prudente waardering 0300 1.1.1.10 (–) Goodwill 0310 1.1.1.10.1 (–) Goodwill die als immaterieel activum wordt verantwoord 0320 1.1.1.10.2 (–) In de waardering van aanzienlijke deelnemingen vervatte goodwill 0330 1.1.1.10.3 Aan goodwill gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen 0335 1.1.1.10.4 Uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van aan derden toe te rekenen goodwill van dochterondernemingen 0340 1.1.1.11 (–) Andere immateriële activa 0350 1.1.1.11.1 (–) Andere immateriële activa vóór aftrek uitgestelde belastingverplichtingen 0352 1.1.1.11.1.1 (–) Waarvan: softwareactiva opgenomen als andere immateriële activa vóór aftrek uitgestelde belastingverplichtingen 0360 1.1.1.11.2 Aan andere immateriële activa gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen 0362 1.1.1.11.2.1 Waarvan: Aan als immateriële activa opgenomen softwareactiva gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen 0365 1.1.1.11.3 Uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van andere aan derden toe te rekenen immateriële activa van dochterondernemingen 0370 1.1.1.12 (–) Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en die niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen, na aftrek van daaraan gerelateerde belastingverplichtingen 0380 1.1.1.13 (–) Voor interneratingbenadering, het negatieve bedrag na aftrek verwachte verliesposten van kredietrisicoaanpassingen 0390 1.1.1.14 (–) Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds 0400 1.1.1.14.1 (–) Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds 0410 1.1.1.14.2 Aan activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen 0420 1.1.1.14.3 Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds waarvan instelling onbeperkt kan gebruikmaken 0430 1.1.1.15 (–) Wederzijdse deelnemingen in tier 1-kernkapitaal 0440 1.1.1.16 (–) Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt 0450 1.1.1.17 (–) Gekwalificeerde deelnemingen buiten financiële sector die als alternatief in aanmerking komen voor risicogewicht van 1250 % 0460 1.1.1.18 (–) Securitisatieposities die als alternatief in aanmerking komen voor risicogewicht van 1250 % 0470 1.1.1.19 (–) Niet-afgewikkelde transacties (free deliveries) die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1250 % 0471 1.1.1.20 (–) Posities in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht niet met de interneratingbenadering kan bepalen, en die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1250 % 0472 1.1.1.21 (–) Blootstellingen in aandelen volgens een internemodellenbenadering die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1250 % 0480 1.1.1.22 (–) Tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0490 1.1.1.23 (–) Aftrekbare uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen 0500 1.1.1.24 (–) Tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0510 1.1.1.25 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden 0511 1.1.1.25.1 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden in verband met tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0512 1.1.1.25.2 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden in verband met uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit tijdelijke verschillen 0513 1.1.1.25A (–) Ontoereikende dekking voor niet-renderende blootstellingen 0514 1.1.1.25B (–) Tekorten voor de minimumwaardeverplichting 0515 1.1.1.25C (–) Andere te verwachten belastingen 0520 1.1.1.26 Overige overgangsaanpassingen het tier 1-kernkapitaal 0524 1.1.1.27 (–) Aanvullende aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0529 1.1.1.28 Bestanddelen of aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal – overige 0530 1.1.2 AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL 0540 1.1.2.1 Kapitaalinstrumenten die in aanmerking komen als aanvullend-tier 1-kapitaal 0551 1.1.2.1.1 Volgestorte, direct uitgegeven kapitaalinstrumenten 0560 1.1.2.1.2* Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten 0571 1.1.2.1.3 Agio 0580 1.1.2.1.4 (–) Eigen aanvullend tier 1-instrumenten 0590 1.1.2.1.4.1 (–) Direct bezit van aanvullend tier 1-instrumenten 0620 1.1.2.1.4.2 (–) Indirect bezit van aanvullend tier 1-instrumenten 0621 1.1.2.1.4.3 (–) Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-instrumenten 0622 1.1.2.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen aanvullend tier 1-instrumenten 0660 1.1.2.2 Overgangsaanpassingen als gevolg van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn 0670 1.1.2.3 Door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten die in het aanvullend tier 1-kapitaal worden opgenomen 0680 1.1.2.4 Overgangsaanpassingen als gevolg van additionele opneming van door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten in het aanvullend tier 1-kapitaal 0690 1.1.2.5 (–) Wederzijdse deelnemingen in aanvullend tier 1-kapitaal 0700 1.1.2.6 (–) Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0710 1.1.2.7 (–) Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0720 1.1.2.8 (–) Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt 0730 1.1.2.9 Overige overgangsaanpassingen aan aanvullend tier 1-kapitaal 0740 1.1.2.10 (–) Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat het aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van tier-1-kernkapitaal) 0744 1.1.2.11 (–) Aanvullende aftrekkingen van aanvullend-tier 1-kapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0748 1.1.2.12 Bestanddelen of aftrekkingen van aanvullend tier 1-kapitaal – overige 0750 1.2 TIER 2-KAPITAAL 0760 1.2.1 Kapitaalinstrumenten die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal 0771 1.2.1.1 Volgestorte, direct uitgegeven kapitaalinstrumenten 0780 1.2.1.2* Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten 0791 1.2.1.3 Agio 0800 1.2.1.4 (–) Eigen tier 2-instrumenten 0810 1.2.1.4.1 (–) Direct bezit tier 2-instrumenten 0840 1.2.1.4.2 (–) Indirect bezit tier 2-instrumenten 0841 1.2.1.4.3 (–) Synthetisch bezit tier 2-instrumenten 0842 1.2.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 2-instrumenten 0880 1.2.2 Overgangsaanpassingen als gevolg van tier 2-kapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn 0890 1.2.3 Door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten die in het tier 2-kapitaal worden opgenomen 0900 1.2.4 Overgangsaanpassingen als gevolg van additionele opneming van door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten in het tier 2-kapitaal 0910 1.2.5 Bedrag voorzieningen waarmee volgens interneratingbenadering verwachte verliezen worden overschreden 0920 1.2.6 Algemene kredietrisicoaanpassingen volgens standaardbenadering 0930 1.2.7 (–) Wederzijdse deelnemingen in tier 2-kapitaal 0940 1.2.8 (–) Tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0950 1.2.9 (–) Tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0955 1.2.9A (–) Van in aanmerking komende passiva af te trekken bedrag dat de in aanmerking komende passiva overschrijdt 0960 1.2.10 Andere overgangsaanpassingen aan tier 2-kapitaal 0970 1.2.11 (–) Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van aanvullend-tier-1-kapitaal) 0974 1.2.12 (–) Aanvullende aftrekkingen van tier 2-kapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0978 1.2.13 Bestanddelen of aftrekkingen van tier 2-kapitaal – overige Rijen Post Label Bedrag 0010 1 TOTAAL RISICOPOSTEN 0020 1* Waarvan: Beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0030 1** Waarvan: Beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 96, lid 2, en artikel 97 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0040 1.1 RISICOGEWOGEN POSTEN VOOR KREDIETRISICO, TEGENPARTIJKREDIETRISICO EN VERWATERINGSRISICO EN VOOR NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES 0050 1.1.1 Standaardbenadering (SA) 0051 1.1.1* Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0060 1.1.1.1 Blootstellingscategorieën volgens standaardbenadering met uitzondering van securitisatieposities 0070 1.1.1.1.01 Centrale overheden of centrale banken 0080 1.1.1.1.02 Regionale overheden of lokale autoriteiten 0090 1.1.1.1.03 Publiekrechtelijke lichamen 0100 1.1.1.1.04 Multilaterale ontwikkelingsbanken 0110 1.1.1.1.05 Internationale organisaties 0120 1.1.1.1.06 Instellingen 0130 1.1.1.1.07 Ondernemingen 0140 1.1.1.1.08 Particulieren en kleine partijen 0150 1.1.1.1.09 Gedekt door hypotheken op onroerend goed 0160 1.1.1.1.10 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling 0170 1.1.1.1.11 Posten met een bijzonder hoog risico 0180 1.1.1.1.12 Gedekte obligaties 0190 1.1.1.1.13 Vorderingen op instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn 0200 1.1.1.1.14 Instellingen voor collectieve belegging (icb’s) 0210 1.1.1.1.15 Aandelen 0211 1.1.1.1.16 Andere posten 0212 1.1.1.1.16.1 Waarvan: als immateriële activa opgenomen softwareactiva 0240 1.1.2 Interneratingbenadering (IRB) 0241 1.1.2* Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 164 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0242 1.1.2** Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0250 1.1.2.1 Interneratingbenaderingen wanneer noch eigen LGD-ramingen noch omrekeningsfactoren worden gebruikt 0260 1.1.2.1.01 Centrale overheden en centrale banken 0270 1.1.2.1.02 Instellingen 0280 1.1.2.1.03 Ondernemingen – Kmo’s 0290 1.1.2.1.04 Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening 0300 1.1.2.1.05 Ondernemingen – Overige 0310 1.1.2.2 Interneratingbenaderingen wanneer eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren worden gebruikt 0320 1.1.2.2.01 Centrale overheden en centrale banken 0330 1.1.2.2.02 Instellingen 0340 1.1.2.2.03 Ondernemingen – Kmo’s 0350 1.1.2.2.04 Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening 0360 1.1.2.2.05 Ondernemingen – Overige 0370 1.1.2.2.06 Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van kmo’s 0380 1.1.2.2.07 Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van niet-kmo’s 0390 1.1.2.2.08 Particulieren en kleine partijen – Gekwalificeerde revolverende blootstellingen 0400 1.1.2.2.09 Particulieren en kleine partijen – Overige kmo’s 0410 1.1.2.2.10 Particulieren en kleine partijen – Overige niet-kmo’s 0420 1.1.2.3 Aandelen Interneratingbenadering 0450 1.1.2.5 Andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen 0455 1.1.2.5.1 Waarvan: als immateriële activa opgenomen softwareactiva 0460 1.1.3 Risicoposten voor bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP 0470 1.1.4 Securitisatieposities 0490 1.2 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELING/LEVERING 0500 1.2.1 Afwikkelings-/leveringsrisico in niet-handelsportefeuille 0510 1.2.2 Afwikkelings-/leveringsrisico in handelsportefeuille 0520 1.3 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S 0530 1.3.1 Risicoposten voor positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s volgens standaardbenaderingen (SA) 0540 1.3.1.1 Verhandelbare schuldinstrumenten 0550 1.3.1.2 Aandelen 0555 1.3.1.3 Specifieke benadering positierisico in icb’s 0556 1.3.1.3* Pro-memoriepost: Uitsluitend in verhandelbare schuldinstrumenten belegde icb’s 0557 1.3.1.3** Pro-memoriepost: Uitsluitend in eigenvermorgensinstrumenten of gemengde instrumenten belegde icb’s 0560 1.3.1.4 Valuta 0570 1.3.1.5 Grondstoffen 0580 1.3.2 Risicoposten voor positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s volgens internemodellenbenadering (IM) 0590 1.4 TOTALE RISICOPOSTEN VOOR HET OPERATIONEEL RISICO (OpR) 0600 1.4.1 Operationeel risico volgens basisindicatorbenadering (BIA) 0610 1.4.2 Operationeel risico volgens standaardbenadering (STA) / alternatieve standaardbenadering (ASA) 0620 1.4.3 Operationeel risico volgens de geavanceerde meetbenaderingen (AMA) 0630 1.5 AANVULLENDE RISICOPOSTEN ALS GEVOLG VAN VASTE KOSTEN 0640 1.6 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR AANPASSING KREDIETWAARDERING 0650 1.6.1 Geavanceerde methode 0660 1.6.2 Standaardmethode 0670 1.6.3 Op basis van oorspronkelijkeblootstellingsmethode 0680 1.7 TOTAAL RISICOPOSTEN IN VERBAND MET GROTE BLOOTSTELLINGEN IN HANDELSPORTEFEUILLE 0690 1.8 ANDERE RISICOPOSTEN 0710 1.8.2 Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0720 1.8.2* Waarvan: vereisten met betrekking tot grote blootstellingen 0730 1.8.2** Waarvan: als gevolg van gewijzigde risicogewichten gericht tegen zeepbellen in activa in niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed 0740 1.8.2*** Waarvan: als gevolg van blootstellingen binnen de financiële sector 0750 1.8.3 Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0760 1.8.4 Waarvan: Aanvullende risicoposten uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Rijen ID Post Bedrag 0010 1 Tier 1-kernkapitaalratio 0020 2 Overschot(+)/Tekort(–) aan tier 1-kernkapitaal 0030 3 Tier 1-kapitaalratio 0040 4 Overschot(+)/Tekort(–) aan tier 1-kapitaal 0050 5 Totale kapitaalratio 0060 6 Overschot(+)/Tekort(–) aan totaal kapitaal Pro-memorieposten: Totale SREP-kapitaalvereiste (TSCR), totale kapitaalvereiste (OCR) en Pijler-2-aanbeveling (P2G) 0130 13 Totale SREP-kapitaalvereiste (TSCR)-ratio 0140 13* TSCR: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal 0150 13** TSCR: op te bouwen uit tier 1-kapitaal 0160 14 Totale kapitaalvereiste (OCR)-ratio 0170 14* OCR: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal 0180 14** OCR: op te bouwen uit tier 1-kapitaal 0190 15 OCR en Pijler 2-aanbeveling (P2G) 0200 15* OCR en P2G: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal 0210 15** OCR en P2G: op te bouwen uit tier 1-kapitaal 0220 16 Overschot (+)/tekort(–) aan tier 1-kernkapitaal, rekening houdende met de vereisten van artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU Pro-memorieposten: Kapitaalratio’s zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9 0300 20 Tier 1-kapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9 0310 21 Tier 1-kapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9 0320 22 Totale kapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9 Rij ID Post Kolom Uitgestelde belastingvorderingen en -verplichtingen 0010 0010 1 Totaal uitgestelde belastingvorderingen 0020 1.1 Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten. 0030 1.2 Uitgestelde belastingvorderingen die berusten op toekomstige winstgevendheid en niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen. 0040 1.3 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen. 0050 2 Totale uitgestelde belastingverplichtingen 0060 2.1 Uitgestelde belastingverplichtingen die niet aftrekbaar zijn van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten. 0070 2.2 Uitgestelde belastingverplichtingen die aftrekbaar zijn van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten. 0080 2.2.1 Aftrekbare uitgestelde belastingverplichtingen in verband met uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen. 0090 2.2.2 Aftrekbare uitgestelde belastingverplichtingen in verband met uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen 0093 2A Te veel betaalde belastingen en achterwaartse fiscale verliesverrekening 0096 2B Uitgestelde belastingvorderingen onderworpen aan een risicogewicht van 250 % 0097 2C Uitgestelde belastingvorderingen onderworpen aan een risicogewicht van 0 % Vrijstelling van aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal 0901 2W Als immateriële activa opgenomen softwareactiva die zijn vrijgesteld van de aftrekking van tier 1-kernkapitaal Boekhoudkundige indeling van aanvullend-tier 1-instrumenten 0905 2Y Kapitaalinstrumenten en de daaraan gerelateerde agioreserves die volgens de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen als eigen vermogen worden ingedeeld 0906 2Z Kapitaalinstrumenten en de daaraan gerelateerde agioreserves die volgens de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen als verplichtingen worden ingedeeld Kredietrisicoaanpassingen en verwachte verliezen 0100 3 Voor interneratingbenadering, het overschot (+) of tekort (–) van kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich geen wanbetaling heeft voorgedaan 0110 3.1 Totale kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen die in aanmerking komen om bij de berekening van de verwachte verliesposten te worden betrokken 0120 3.1.1 Algemene kredietrisicoaanpassingen 0130 3.1.2 Specifieke kredietrisicoaanpassingen 0131 3.1.3 Aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen 0140 3.2 Totaal in aanmerking komende verwachte verliezen 0145 4 Voor interneratingbenadering, overschot (+) of tekort (–) van specifieke kredietrisicoaanpassingen aan verwachte verliezen voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan 0150 4.1 Specifieke kredietrisicoaanpassingen en posities die op vergelijkbare wijze worden behandeld 0155 4.2 Totaal in aanmerking komende verwachte verliezen 0160 5 Risicogewogen posten voor het berekenen van het maximum voor het overschot aan voorzieningen dat in aanmerking komt als tier 2-kapitaal 0170 6 Totale brutovoorzieningen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal 0180 7 Risicogewogen posten voor het berekenen van het maximum voor de voorzieningen die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal Drempels voor aftrekkingen van het tier 1-kernkapitaal 0190 8 Drempel voor niet-aftrekbaar bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0200 9 10 %-drempel voor tier 1-kernkapitaal 0210 10 17,65 %-drempel voor tier 1-kernkapitaal 0225 11 In aanmerking komend kapitaal ten behoeve van gekwalificeerde deelnemingen buiten de financiële sector Deelnemingen in het kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0230 12 Bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities 0240 12.1 Direct bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0250 12.1.1 Bruto direct bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0260 12.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0270 12.2 Indirect bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0280 12.2.1 Bruto indirect bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0290 12.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0291 12.3 Synthetisch bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0292 12.3.1 Bruto synthetisch bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0293 12.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit 0300 13 Bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities 0310 13.1 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0320 13.1.1 Bruto direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0330 13.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0340 13.2 Indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0350 13.2.1 Bruto indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0360 13.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0361 13.3 Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0362 13.3.1 Bruto synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0363 13.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit 0370 14 Bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities 0380 14.1 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0390 14.1.1 Bruto direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0400 14.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0410 14.2 Indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0420 14.2.1 Bruto indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0430 14.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0431 14.3 Synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0432 14.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0433 14.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Deelnemingen in het kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0440 15 Bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities 0450 15.1 Direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0460 15.1.1 Bruto direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0470 15.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0480 15.2 Indirect bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0490 15.2.1 Bruto indirect bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0500 15.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0501 15.3 Synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0502 15.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0503 15.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit 0504 15A Deelnemingen in tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft – onderworpen aan een risicogewicht van 250 % 0510 16 Bezit van aanvullend-tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities 0520 16.1 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0530 16.1.1 Bruto direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0540 16.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0550 16.2 Indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0560 16.2.1 Bruto indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0570 16.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0571 16.3 Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0572 16.3.1 Bruto synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0573 16.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit 0580 17 Bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities 0590 17.1 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0600 17.1.1 Bruto direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0610 17.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0620 17.2 Indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0630 17.2.1 Bruto indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0640 17.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit 0641 17.3 Synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0642 17.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0643 17.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Totaal van de risicoposten van bezit die niet van de betrokken kapitaalcategorie worden afgetrokken: 0650 18 Risicogewogen posten van bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het tier 1-kernkapitaal van de instelling worden afgetrokken 0660 19 Risicogewogen posten van bezit van aanvullend-tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het aanvullend-tier 1-kapitaal van de instelling worden afgetrokken 0670 20 Risicogewogen posten van bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het tier 2-kapitaal van de instelling worden afgetrokken Tijdelijke ontheffing van de aftrek van het eigen vermogen 0680 21 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0690 22 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0700 23 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0710 24 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van aanvullend-tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0720 25 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft 0730 26 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Kapitaalbuffers 0740 27 Gecombineerde buffervereisten 0750 Kapitaalconserveringsbuffer 0760 Conserveringsbuffer als gevolg van op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel risico of systeemrisico 0770 Instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer 0780 Systeemrisicobuffer 0800 Buffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen 0810 Buffer voor andere systeemrelevante instellingen Vereisten onder Pijler II 0820 28 Eigenvermogensvereisten in verband met aanpassingen uit hoofde van Pijler II Aanvullende informatie voor beleggingsondernemingen 0830 29 Aanvangskapitaal 0840 30 Eigen vermogen op basis van vaste kosten Aanvullende informatie voor de berekening van rapportagedrempels 0850 31 Niet-binnenlandse oorspronkelijke blootstellingen 0860 32 Totale oorspronkelijke blootstellingen Aanpassingen van tier 1-kernkapitaal Aanpassingen van aanvullend tier 1-kapitaal Aanpassingen van tier 2-kapitaal Aanpassingen verwerkt in risicogewogen actiefposten Pro-memorieposten Toepasselijk percentage In aanmerking komend bedrag zonder toepassing van overgangsbepalingen Code ID Post 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0010 1 TOTALE AANPASSINGEN 0020 1.1 INSTRUMENTEN WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN link naar {CA1;r0220} link naar {CA1;r0660} link naar {CA1;r0880} 0060 1.1.2 Instrumenten die geen staatssteun behelzen 0061 1.1.3 Instrumenten uitgegeven via special purpose vehicles 0062 1.1.4 Vóór 27 juni 2019 uitgegeven instrumenten die niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen met betrekking tot afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit hoofde van artikel 59 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) of die onderworpen zijn aan verrekenings- of nettingovereenkomsten 0063 1.1.4.1* waarvan: Instrumenten zonder wettelijk of contractueel verplichte afschrijving of omzetting bij uitoefening van bevoegdheden uit hoofde van artikel 59 van richtlijn 2014/59/EU 0064 1.1.4.2* waarvan: Onder het recht van derde landen vallende instrumenten zonder daadwerkelijke en afdwingbare uitoefening van de bevoegdheden overeenkomstig artikel 59 van richtlijn 2014/59/EU 0065 1.1.4.3* waarvan: Aan verrekenings- of netting overeenkomsten instrumenten 0070 1.2 MINDERHEIDSBELANGEN EN DAARAAN GELIJK TE STELLEN POSTEN link naar {CA1;r0240} link naar {CA1;r0680} link naar {CA1;r0900} 0080 1.2.1 Niet als minderheidsbelang aangemerkte kapitaalinstrumenten en posten 0090 1.2.2 Opneming van minderheidsbelangen in het geconsolideerde eigen vermogen onder de overgangsbepalingen 0091 1.2.3 Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van in aanmerking komend aanvullend tier 1-kapitaal onder de overgangsbepalingen 0092 1.2.4 Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van in aanmerking komend aanvullend-tier 2-kapitaal onder de overgangsbepalingen 0100 1.3 OVERIGE AANPASSINGEN ONDER DE OVERGANGSBEPALINGEN link naar {CA1;r0520} link naar {CA1;r0730} link naar {CA1;r0960} 0111 1.3.1.6 Niet-gerealiseerde winsten en verliezen uit hoofde van bepaalde blootstellingen met betrekking tot centrale overheden, regionale overheden, lokale autoriteiten en publiekrechtelijke lichamen 0112 1.3.1.6.1 waarvan: bedrag A 0140 1.3.2 Aftrekkingen 0170 1.3.2.3 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet uit tijdelijke verschillen voortvloeien 0380 1.3.2.9 Uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen en tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0385 1.3.2.9a Uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen 0425 1.3.2.11 Vrijstelling van aftrek van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen 0430 1.3.3 Additionele filters en aftrekkingen 0440 1.3.4 Aanpassingen uit hoofde van overgangsbepalingen van IFRS 9 0441 1.3.4.1 Pro-memoriepost: ECL-impact van de statische component 0442 1.3.4.2 Pro-memoriepost: ECL-impact van de dynamische component voor de periode 1 januari 2018 – 31 december 2019 0443 1.3.4.3 Pro-memoriepost: ECL-impact van de dynamische component voor de periode vanaf 1 januari 2020 Bedrag van instrumenten plus daaraan gerelateerde agio Grondslag voor berekening van de limiet Toepasselijk percentage Limiet (–) Bedrag waarmee de limiet voor grandfathering wordt overschreden Totale bedrag waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Code ID Post 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0010 1. Instrumenten die aanmerking kwamen voor artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG link naar {CA5.1;r060;c010} 0020 2. Instrumenten die aanmerking kwamen voor artikel 57, punt c bis), en artikel 154, leden 8 en 9, van Richtlijn 2006/48/EG, met inachtneming van de in artikel 489 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde limiet link naar {CA5.1;r060;c020} 0030 2.1 Totaal van instrumenten zonder mogelijkheid van vervroegde aflossing of aflossingsprikkel 0040 2.2. Instrumenten met mogelijkheid van vervroegde aflossing en aflossingsprikkel waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn 0050 2.2.1 Instrumenten met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen 0060 2.2.2 Instrumenten met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen 0070 2.2.3 Instrumenten met een call die vóór of op 20 juli 2011 kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen 0080 2.3 Overschrijding van de limiet voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn 0090 3 Bestanddelen die aanmerking kwamen voor artikel 57, punten e), f), g) of h), van Richtlijn 2006/48/EG, met inachtneming van de in artikel 490 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde limiet link naar {CA5.1;r060;c030} 0100 3.1 Totaal bestanddelen zonder aflossingsprikkel 0110 3.2 Bestanddelen met een aflossingsprikkel waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn 0120 3.2.1 Bestanddelen met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen 0130 3.2.2 Bestanddelen met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen 0140 3.2.3 Bestanddelen met een call die vóór of op 20 juli 2011 kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen 0150 3.3 Overschrijding van de limiet voor aanvullend tier 1-instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn INFORMATIE OVER DE BIJDRAGE VAN ENTITEITEN AAN DE GROEPSSOLVABILITEIT KAPITAALBUFFERS TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN DAT IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN WORDT OPGENOMEN GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN GECOMBINEERD BUFFERVEREISTE KREDIET; TEGENPARTIJKREDIET; VERWATERINGSRISICO’S, NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EN AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S OPERATIONEEL RISICO ANDERE RISICOPOSTEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KAPITAAL WORDEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 2-KAPITAAL WORDEN OPGENOMEN PRO-MEMORIEPOST: GOODWILL (–) / (+) NEGATIEVE GOODWILL WAARVAN: TIER 1-KERNKAPITAAL WAARVAN: AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL WAARVAN: BIJDRAGEN AAN HET GECONSOLIDEERDE RESULTAAT WAARVAN: (–) GOODWILL / (+) NEGATIEVE GOODWILL KAPITAALCONSERVERINGSBUFFER INSTELLINGSSPECIFIEKE CONTRACYCLISCHE KAPITAALBUFFER CONSERVERINGSBUFFER ALS GEVOLG VAN MACROPRUDENTIEEL OF SYSTEEMRISICO ONDERKEND OP HET NIVEAU VAN EEN LIDSTAAT SYSTEEMRISICOBUFFER BUFFER VOOR MONDIAAL SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN BUFFER VOOR ANDERE SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN MINDERHEIDSBELANGEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KERNKAPITAAL WORDEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE AANVULLEND-TIER 1-KAPITAAL WORDEN OPGENOMEN 0250 0260 0270 0280 0290 0300 0310 0320 0330 0340 0350 0360 0370 0380 0390 0400 0410 0420 0430 0440 0450 0470 0480 0010 TOTAAL ENTITEITEN DIE IN DE CONSOLIDATIE ZIJN BETROKKEN INFORMATIE OVER ENTITEITEN DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN INFORMATIE OVER DE BIJDRAGE VAN ENTITEITEN AAN DE GROEPSSOLVABILITEIT KAPITAALBUFFERS NAAM Code SOORT CODE NATIONALE CODE INSTELLING OF DAARMEE GELIJKWAARDIG (JA/NEE) SOORT ENTITEIT AARD VAN DE GEGEVENS: INDIVIDUEEL VOLLEDIG GECONSOLIDEERD (SF) OF INDIVIDUEEL GEDEELTELIJK GECONSOLIDEERD (SP) LANDENCODE PERCENTAGE VAN DE DEELNEMING (%) TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN EIGEN VERMOGEN TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN DAT IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN WORDT OPGENOMEN GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN GECOMBINEERD BUFFERVEREISTE KREDIET; TEGENPARTIJKREDIET; VERWATERINGSRISICO’S, NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EN AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S OPERATIONEEL RISICO ANDERE RISICOPOSTEN TOTALE TIER 1-KAPITAAL TIER 2-KAPITAAL KREDIET; TEGENPARTIJKREDIET; VERWATERINGSRISICO’S, NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EN AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S OPERATIONEEL RISICO ANDERE RISICOPOSTEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KAPITAAL WORDEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 2-KAPITAAL WORDEN OPGENOMEN PRO-MEMORIEPOST: GOODWILL (–) / (+) NEGATIEVE GOODWILL WAARVAN: TIER 1-KERNKAPITAAL WAARVAN: AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL WAARVAN: BIJDRAGEN AAN HET GECONSOLIDEERDE RESULTAAT WAARVAN: (–) GOODWILL / (+) NEGATIEVE GOODWILL KAPITAALCONSERVERINGSBUFFER INSTELLINGSSPECIFIEKE CONTRACYCLISCHE KAPITAALBUFFER CONSERVERINGSBUFFER ALS GEVOLG VAN MACROPRUDENTIEEL OF SYSTEEMRISICO ONDERKEND OP HET NIVEAU VAN EEN LIDSTAAT SYSTEEMRISICOBUFFER BUFFER VOOR MONDIAAL SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN BUFFER VOOR ANDERE SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN TIER 1-KERNKAPITAAL AANVULLEND-TIER 1-KAPITAAL MINDERHEIDSBELANGEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KERNKAPITAAL WORDEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN DIE IN HET GECONSOLIDEERDE AANVULLEND-TIER 1-KAPITAAL WORDEN OPGENOMEN WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN GERELATEERDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN EN AGIOREKENINGEN WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND TIER 1-KAPITAAL GERELATEERDE TIER 1-INSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN EN AGIOREKENINGEN WAARVAN: MINDERHEIDSBELANGEN: GERELATEERDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN, AGIOREKENINGEN EN ANDERE RESERVES WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND TIER 2-KAPITAAL 0011 0021 0026 0027 0030 0035 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0250 0260 0270 0280 0290 0300 0310 0320 0330 0340 0350 0360 0370 0380 0390 0400 0410 0420 0430 0440 0450 0470 0480 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN IN VERBAND MET DE OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING BLOOTSTELLING NA VERREKENING VAN WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (CRM) MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING NETTOBLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN DIE OP HET BEDRAG VAN DE BLOOTSTELLING VAN INVLOED ZIJN: VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN VOLLEDIG AANGEPASTE BLOOTSTELLINGSWAARDE (E*) UITSPLITSING VAN DE VOLLEDIG AANGEPASTE BLOOTSTELLINGSWAARDE VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING NAAR OMREKENINGSFACTOR BLOOTSTELLINGSWAARDE RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE GECORRIGEERDE WAARDEN (Ga) VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VOLATILITEITSAANPASSING VAN DE BLOOTSTELLING (–) FINANCIËLE ZEKERHEDEN: GECORRIGEERDE WAARDE (CVAM) 0 % 20 % 50 % 100 % WAARVAN: VOORTVLOEIENDE UIT TEGENPARTIJKREDIETRISICO WAARVAN: MET EEN KREDIETBEOORDELING DOOR EEN AANGEWEZEN EKBI WAARVAN: MET EEN VAN EEN CENTRALE OVERHEID AFKOMSTIGE KREDIETBEOORDELING (–) GARANTIES (–) KREDIETDERIVATEN (–) FINANCIËLE ZEKERHEDEN: EENVOUDIGE BENADERING (–) OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE (–) TOTALE UITSTROMEN TOTALE INSTROMEN (+) WAARVAN: VOLATILITEITS- EN LOOPTIJDAANPASSINGEN WAARVAN: VOORTVLOEIEND UIT TEGENPARTIJKREDIETRISICO MET UITSLUITING VAN VIA EEN CTP GECLEARDE BLOOTSTELLINGEN 0010 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0211 0215 0216 0217 0220 0230 0240 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN Cel gekoppeld aan CA 0015 waarvan: Blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, in de blootstellingscategorieën Posten met een bijzonder hoog risico en Blootstellingen in aandelen. 0020 waarvan: Kmo’s 0030 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de ondersteuningsfactor voor kmo’s 0035 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de infrastructuurondersteuningsfactor 0040 waarvan: Gedekt door hypotheken op onroerend goed – Niet-zakelijk onroerend goed 0050 waarvan: Blootstellingen uit hoofde van het permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering 0060 waarvan: Blootstellingen in het kader van de standaardbenadering met vooraf verkregen toestemming van de toezichthouder om stapsgewijs de interneratingbenadering in te voeren UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR SOORT BLOOTSTELLING: 0070 Blootstellingen binnen de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn 0080 Blootstellingen buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn Blootstellingen/transacties die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn 0090 Netting sets met effectenfinancieringstransacties 0100 waarvan: Centraal gecleard via een gCTP 0110 Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn 0120 waarvan: Centraal gecleard via een gCTP 0130 Van contractuele productoverschrijdende netting sets UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR RISICOGEWICHT: 0140 0 % 0150 2 % 0160 4 % 0170 10 % 0180 20 % 0190 35 % 0200 50 % 0210 70 % 0220 75 % 0230 100 % 0240 150 % 0250 250 % 0260 370 % 0270 1250 % 0280 Andere risicogewichten UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR BENADERING (ICB’S) 0281 Doorkijkbenadering 0282 Beleidsbenadering 0283 Fall-backbenadering PRO-MEMORIEPOSTEN 0290 Door hypotheken op zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen 0300 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling onderworpen aan een risicogewicht van 100 % 0310 Door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen 0320 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling onderworpen aan een risicogewicht van 150 % INTERNERATINGSCHAAL OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (CRM) MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING BLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN EN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN BLOOTSTELLINGSWAARDE IN LGD-RAMINGEN IN AANMERKING GENOMEN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN, MET UITZONDERING VAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING ONDERWORPEN AAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) VOOR GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJDWAARDE (DAGEN) RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN PRO-MEMORIEPOSTEN: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE (–) OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN GEBRUIK VAN EIGEN LGD-RAMINGEN: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE VERWACHTE VERLIESPOST (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN AANTAL DEBITEUREN RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR KREDIETDERIVATEN AAN DE DEBITEURENKLASSE OF -GROEP TOEGEKENDE PD (%) WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN (–) GARANTIES (–) KREDIETDERIVATEN (–) TOTALE UITSTROMEN TOTALE INSTROMEN (+) WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING WAARVAN: VOORTVLOEIENDE UIT TEGENPARTIJKREDIETRISICO WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN GARANTIES KREDIETDERIVATEN GEBRUIK VAN EIGEN LGD-RAMINGEN: OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE TOELAATBARE FINANCIËLE ZEKERHEDEN ANDERE TOELAATBARE ZEKERHEDEN WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN GEDEPONEERDE CONTANTEN LEVENSVERZEKERINGSPOLISSEN DOOR EEN DERDE AANGEHOUDEN INSTRUMENTEN ONROEREND GOED ANDERE FYSIEKE ZEKERHEDEN KORTLOPENDE VORDERINGEN 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0171 0172 0173 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0250 0255 0256 0257 0260 0270 0280 0290 0300 0310 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN Cel gekoppeld aan CA 0015 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de ondersteuningsfactor voor kmo’s 0016 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de infrastructuurondersteuningsfactor UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR SOORT BLOOTSTELLING: 0020 Balansposten die aan kredietrisico onderhevig zijn 0030 Posten buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn Blootstellingen/transacties die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn 0040 Netting sets met effectenfinancieringstransacties 0050 Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn 0060 Van contractuele productoverschrijdende netting sets 0070 IN DEBITEURENKLASSEN OF -GROEPEN ONDERGEBRACHTE BLOOTSTELLINGEN: TOTAAL 0080 SLOTTINGBENADERING GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING: TOTAAL 0160 ALTERNATIEVE BEHANDELING: GEDEKT DOOR ONROEREND GOED 0170 BLOOTSTELLINGEN VOORTVLOEIEND UIT NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES ONDER TOEPASSING VAN RISICOGEWICHTEN KRACHTENS DE ALTERNATIEVE BEHANDELING OF VAN EEN RISICOGEWICHT VAN 100 % EN ANDERE BLOOTSTELLINGEN WAAROP EEN RISICOGEWICHT WORDT TOEGEPAST 0180 VERWATERINGSRISICO: TOTAAL GEKOCHTE KORTLOPENDE VORDERINGEN hDEBITEURENKLASSE (IDENTIFICATIECODE VAN EEN RIJ) INTERNERATINGSCHAAL OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (CRM) MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING BLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN EN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN BLOOTSTELLINGSWAARDE IN LGD-RAMINGEN IN AANMERKING GENOMEN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN, MET UITZONDERING VAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING ONDERWORPEN AAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) VOOR GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJDWAARDE (DAGEN) RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN PRO-MEMORIEPOSTEN: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE (–) OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN GEBRUIK VAN EIGEN LGD-RAMINGEN: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE VERWACHTE VERLIESPOST (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN AANTAL DEBITEUREN RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR KREDIETDERIVATEN AAN DE DEBITEURENKLASSE OF -GROEP TOEGEKENDE PD (%) WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN (–) GARANTIES (–) KREDIETDERIVATEN (–) TOTALE UITSTROMEN TOTALE INSTROMEN (+) WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING WAARVAN: VOORTVLOEIENDE UIT TEGENPARTIJKREDIETRISICO WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN GARANTIES KREDIETDERIVATEN GEBRUIK VAN EIGEN LGD-RAMINGEN: OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE TOELAATBARE FINANCIËLE ZEKERHEDEN ANDERE TOELAATBARE ZEKERHEDEN WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN GEDEPONEERDE CONTANTEN LEVENSVERZEKERINGSPOLISSEN DOOR EEN DERDE AANGEHOUDEN INSTRUMENTEN ONROEREND GOED ANDERE FYSIEKE ZEKERHEDEN 0005 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0171 0172 0173 0180 0190 0200 0220 0230 0240 0250 0255 0256 0257 0260 0270 0280 0290 0300 0310 PD-BANDBREEDTE BLOOTSTELLINGEN BINNEN DE BALANSTELLING BLOOTSTELLINGEN BUITEN DE BALANSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE OMREKENINGSFACTOREN BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN EN NA TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE PD (%) AANTAL DEBITEUREN NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJD (JAREN) RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN VERWACHTE VERLIESPOST WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0010 0,00 tot <0,15 0020 0,00 tot <0,10 0030 0,10 tot <0,15 0040 0,15 tot <0,25 0050 0,25 tot <0,50 0060 0,50 tot <0,75 0070 0,75 tot <2,5 0080 0,75 tot <1,75 0090 1,75 tot <2,5 0100 2,5 tot <10 0110 2,5 tot <5 0120 5 tot <10 0130 10 tot <100 0140 10 tot <20 0150 20 tot <30 0160 30 tot <100 0170 100 (Wanbetaling) RISICOGEWOGEN POSTEN 0010 0010 RISICOGEWOGEN POSTEN AAN HET EINDE VAN DE VORIGE RAPPORTAGEPERIODE 0020 OMVANG VAN DE ACTIVA (+/–) 0030 ACTIVAKWALITEIT (+/–) 0040 ACTUALISERING MODELLEN (+/–) 0050 METHODOLOGIE EN BELEID (+/–) 0060 ACQUISITIES EN AFSTOTINGEN (+/–) 0070 WISSELKOERSBEWEGINGEN (+/–) 0080 OVERIGE (+/–) 0090 RISICOGEWOGEN POSTEN AAN HET EINDE VAN DE RAPPORTAGEPERIODE PD-BANDBREEDTE REKENKUNDIG PD-GEMIDDELDE (%) AANTAL DEBITEUREN AAN HET EINDE VAN HET VOORGAANDE JAAR WAARGENOMEN GEMIDDELDE WANBETALINGSGRAAD (%) GEMIDDELDE HISTORISCHE JAARLIJKSE WANBETALINGSGRAAD (%) WAARVAN: IN WANBETALING IN DE LOOP VAN HET JAAR 0010 0020 0030 0040 0050 0010 0,00 tot <0,15 0020 0,00 tot <0,10 0030 0,10 tot <0,15 0040 0,15 tot <0,25 0050 0,25 tot <0,50 0060 0,50 tot <0,75 0070 0,75 tot <2,5 0080 0,75 tot <1,75 0090 1,75 tot <2,5 0100 2,5 tot <10 0110 2,5 tot <5 0120 5 tot <10 0130 10 tot <100 0140 10 tot <20 0150 20 tot <30 0160 30 tot <100 0170 100 (Wanbetaling) PD-BANDBREEDTE WAARDE EXTERNE RATING REKENKUNDIG PD-GEMIDDELDE (%) AANTAL DEBITEUREN AAN HET EINDE VAN HET VOORGAANDE JAAR GEMIDDELDE HISTORISCHE JAARLIJKSE WANBETALINGSGRAAD (%) WAARVAN: IN WANBETALING IN DE LOOP VAN HET JAAR 0005 0006 0010 0020 0030 0050 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN BLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN EN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN BLOOTSTELLINGSWAARDE RISICOGEWICHT RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING WAARVAN: VOORTVLOEIENDE UIT TEGENPARTIJKREDIETRISICO 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0100 0010 CATEGORIE 1 MINDER DAN 2,5 JAAR 50 % 0020 TEN MINSTE 2,5 JAAR 70 % 0030 CATEGORIE 2 MINDER DAN 2,5 JAAR 70 % 0040 TEN MINSTE 2,5 JAAR 90 % 0050 CATEGORIE 3 MINDER DAN 2,5 JAAR 115 % 0060 TEN MINSTE 2,5 JAAR 115 % 0070 CATEGORIE 4 MINDER DAN 2,5 JAAR 250 % 0080 TEN MINSTE 2,5 JAAR 250 % 0090 CATEGORIE 5 MINDER DAN 2,5 JAAR — 0100 TEN MINSTE 2,5 JAAR — 0110 TOTAAL MINDER DAN 2,5 JAAR 0120 TEN MINSTE 2,5 JAAR TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 166 VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN DE STANDAARDBENADERING EN DE INTERNERATINGBENADERING PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN PERMANENT GEDEELTELIJK GEBRUIK VAN DE STANDAARDBENADERING (%) PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN EEN INVOERINGSPLAN (%) PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN DE INTERNERATINGBENADERING (%) 0010 0020 0030 0040 0050 0010 CENTRALE OVERHEDEN OF CENTRALE BANKEN 0020 WAARVAN: REGIONALE OVERHEDEN OF LOKALE AUTORITEITEN 0030 WAARVAN: PUBLIEKRECHTELIJKE LICHAMEN 0040 INSTELLINGEN 0050 ONDERNEMINGEN 0060 WAARVAN: ONDERNEMINGEN – GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING, MET UITSLUITING VAN DE SLOTTINGBENADERING 0070 WAARVAN: ONDERNEMINGEN – GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING, MET INBEGRIP VAN DE SLOTTINGBENADERING 0080 WAARVAN: ONDERNEMINGEN – KMO’S 0090 PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN 0100 WAARVAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN – GEDEKT DOOR ONROEREND GOED VAN KMO’S 0110 WAARVAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN – GEDEKT DOOR ONROEREND GOED VAN NIET-KMO’S 0120 WAARVAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN – GEKWALIFICEERDE REVOLVERENDE BLOOTSTELLINGEN 0130 WAARVAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN – OVERIGE KMO'S 0140 WAARVAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN – OVERIGE NIET-KMO'S 0150 AANDELEN 0160 ANDERE ACTIEFPOSTEN DIE GEEN KREDIETVERPLICHTING VERTEGENWOORDIGEN 0170 TOTAAL OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN In de rapportageperiode waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling Algemene kredietrisicoaanpassingen Specifieke kredietrisicoaanpassingen Afschrijvingen Aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen Kredietrisicoaanpassingen/afschrijvingen voor waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling BLOOTSTELLINGSWAARDE RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan 0010 0020 0040 0050 0055 0060 0061 0070 0075 0080 0081 0082 0090 0010 Centrale overheden of centrale banken 0020 Regionale overheden of lokale autoriteiten 0030 Publiekrechtelijke lichamen 0040 Multilaterale ontwikkelingsbanken 0050 Internationale organisaties 0060 Instellingen 0070 Ondernemingen 0075 waarvan: Kmo’s 0080 Particulieren en kleine partijen 0085 waarvan: Kmo’s 0090 Gedekt door hypotheken op onroerend goed 0095 waarvan: Kmo’s 0100 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling 0110 Blootstellingen met een bijzonder hoog risico 0120 Gedekte obligaties 0130 Vorderingen op instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn 0140 Instellingen voor collectieve belegging (icb’s) 0141 Doorkijkbenadering 0142 Beleidsbenadering 0143 Fall-backbenadering 0150 Blootstellingen in aandelen 0160 Overige posten 0170 Totale blootstellingen OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN In de rapportageperiode waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling Algemene kredietrisicoaanpassingen Specifieke kredietrisicoaanpassingen Afschrijvingen Kredietrisicoaanpassingen/afschrijvingen voor waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling AAN DE DEBITEURENKLASSE OF -GROEP TOEGEKENDE PD (%) NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) BLOOTSTELLINGSWAARDE RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN VERWACHTE VERLIESPOST Waarvan: in wanbetaling Waarvan: in wanbetaling Waarvan: in wanbetaling 0010 0030 0040 0050 0055 0060 0070 0080 0090 0100 0105 0110 0120 0121 0122 0125 0130 0010 Centrale overheden of centrale banken 0020 Instellingen 0030 Ondernemingen 0042 Waarvan: Gespecialiseerde kredietverlening (met uitsluiting van gespecialiseerde kredietverlening volgens de slotttingbenadering) 0045 Waarvan: Gespecialiseerde kredietverlening volgens de slottingbenadering 0050 Waarvan: Kmo’s 0060 Particulieren en kleine partijen 0070 Gedekt door onroerend goed 0080 Kmo’s 0090 Niet-kmo’s 0100 Gekwalificeerde revolverende blootstellingen 0110 Andere particulieren en kleine partijen 0120 Kmo’s 0130 Niet-kmo’s 0140 Aandelen 0150 Totale blootstellingen Bedrag Percentage Kwalitatieve informatie 0010 0020 0030 Relevante kredietblootstellingen – Kredietrisico 0010 Blootstellingswaarde overeenkomstig de standaardbenadering 0020 Blootstellingswaarde overeenkomstig de interneratingbenadering Relevante kredietblootstellingen – Marktrisico 0030 Som van long- en shortposities van blootstellingen in de handelsportefeuille voor de standaardbenadering 0040 Waarde van blootstellingen in de handelsportefeuille voor interne modellen Relevante kredietblootstellingen – Securitisatie 0055 Blootstellingswaarde van securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille Eigenvermogensvereisten en -wegingen 0070 Totale eigenvermogensvereisten voor de contracyclische kapitaalbuffer (CCB) 0080 Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Kredietrisico 0090 Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Marktrisico 0100 Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Gesecuritiseerde posities in de niet-handelsportefeuille 0110 Wegingen van eigenvermogensvereisten Contracyclische kapitaalbufferpercentages 0120 Door de aangewezen autoriteit bepaald contracyclisch kapitaalbufferpercentage 0130 Contracyclisch kapitaalbufferpercentage zoals van toepassing voor het land van de instelling 0140 Instellingsspecifiek contracyclisch kapitaalbufferpercentage Gebruik van de 2 %-drempel 0150 Gebruik van de 2 %-drempel voor algemene kredietblootstellingen 0160 Gebruik van de 2 %-drempel voor blootstellingen in de handelsportefeuille INTERNERATINGSCHAAL OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING BLOOTSTELLINGSWAARDE NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) RISICOGEWOGEN POSTEN PRO-MEMORIEPOST: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING VERWACHTE VERLIESPOST AAN DE DEBITEURENKLASSE TOEGEKENDE PD (%) (–) GARANTIES (–) KREDIETDERIVATEN (–) TOTALE UITSTROMEN 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0061 0070 0080 0090 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN VOLGENS DE INTERNERATINGBENADERING Cel gekoppeld aan CA 0020 PD/LGD-BENADERING: TOTAAL 0050 EENVOUDIGE RISICOGEWICHTBENADERING: TOTAAL 0060 UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR RISICOGEWICHT IN HET KADER VAN DE EENVOUDIGE RISICOGEWICHTBENADERING 0070 RISICOGEWICHT: 190 % 0080 290 % 0090 370 % 0100 INTERNEMODELLENBENADERING 0110 BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN WAAROP RISICOGEWICHTEN WORDEN TOEGEPAST 0120 AAN DE FALL-BACKBENADERING ONDERWORPEN ICB-BLOOTSTELLINGEN DEBITEURENKLASSE (IDENTIFICATIECODE VAN EEN RIJ) INTERNERATINGSCHAAL OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING BLOOTSTELLINGSWAARDE NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) RISICOGEWOGEN POSTEN PRO-MEMORIEPOST: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VERWACHTE VERLIESPOST AAN DE DEBITEURENKLASSE TOEGEKENDE PD (%) (–) GARANTIES (–) KREDIETDERIVATEN (–) TOTALE UITSTROMEN 0005 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES TEGEN AFWIKKELINGSPRIJS BLOOTSTELLING IN VERBAND MET PRIJSVERSCHIL ALS GEVOLG VAN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EIGENVERMOGENSVEREISTEN TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELINGSRISICO 0010 0020 0030 0040 0010 Totaal van niet-afgewikkelde transacties in de niet-handelsportefeuille Cel gekoppeld aan CA 0020 Transacties met maximaal vier dagen vertraagde afwikkeling (factor 0 %) 0030 Transacties met tussen 5 en 15 dagen vertraagde afwikkeling (factor 8 %) 0040 Transacties met tussen 16 en 30 dagen vertraagde afwikkeling (factor 50 %) 0050 Transacties met tussen 31 en 45 dagen vertraagde afwikkeling (factor 75 %) 0060 Transacties met meer dan 46 dagen vertraagde afwikkeling (factor 100 %) 0070 Totaal van niet-afgewikkelde transacties in de handelsportefeuille Cel gekoppeld aan CA 0080 Transacties met maximaal vier dagen vertraagde afwikkeling (factor 0 %) 0090 Transacties met tussen 5 en 15 dagen vertraagde afwikkeling (factor 8 %) 0100 Transacties met tussen 16 en 30 dagen vertraagde afwikkeling (factor 50 %) 0110 Transacties met tussen 31 en 45 dagen vertraagde afwikkeling (factor 75 %) 0120 Transacties met meer dan 46 dagen vertraagde afwikkeling (factor 100 %) TOTAALBEDRAG VAN GEÏNITIEERDE GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN SYNTHETISCHE SECURITISATIES: KREDIETPROTECTIE VOOR GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN SECURITISATIEPOSITIES (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN BLOOTSTELLING NA VERREKENING VAN WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (CRM) MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING NETTOBLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN (–) KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN DIE OP HET BEDRAG VAN DE BLOOTSTELLING VAN INVLOED ZIJN: VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE, GECORRIGEERDE WAARDE IN HET KADER VAN DE UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (CVAM) VOLLEDIG AANGEPASTE BLOOTSTELLINGSWAARDE (E*) (–) NIET-RESTITUEERBARE KORTINGEN OP DE AANKOOPPRIJS (–) SPECIFIEKE KREDIETRISICOAANPASSINGEN VOOR DE ONDERLIGGENDE BLOOTSTELLINGEN BLOOTSTELLINGSWAARDE UITSPLITSING VAN DE BLOOTSTELLINGSWAARDE WAAROP RISICOGEWICHTEN WORDEN TOEGEPAST RISICOGEWOGEN POSTEN AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET LOOPTIJDMISMATCHES ALGEHEEL EFFECT (CORRECTIE) ALS GEVOLG VAN INBREUKEN OP HOOFDSTUK 2 VAN VERORDENING (EU) 2017/2402 VÓÓR BEGRENZING (-) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN BEGRENZING RISICOGEWICHTEN (-) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN TOTALE BEGRENZING TOTAAL VAN RISICOGEWOGEN POSTEN PRO-MEMORIEPOST: RISICOGEWOGEN POSTEN OVEREENKOMEND MET DE UITSTROMEN VAN SECURITISATIES NAAR ANDERE BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN (–) VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE (Cva) (–) TOTALE UITSTROMEN BEHOUDEN OF TERUGGEKOCHT NOTIONEEL BEDRAG VAN KREDIETPROTECTIE OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN (–) NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE AANGEPASTE WAARDEN (Ga) (–) VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN WAARVAN: WAAROP EEN OMREKENINGSFACTOR VAN 0 % WORDT TOEGEPAST (–) AFGETROKKEN VAN HET EIGEN VERMOGEN WAAROP RISICOGEWICHTEN WORDEN TOEGEPAST SEC-IRBA SEC-SA SEC-ERBA INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA) SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES OVERIGE (RW = 1250 %) SEC-IRBA SEC-SA SEC-ERBA INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA) SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES OVERIGE (RW = 1250 %) WAARVAN: SYNTHETISCHE SECURITISATIES UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES WAARVAN: BEREKEND OP GROND VAN ARTIKEL 255, LID 4 (GEKOCHTE KORTLOPENDE VORDERINGEN) UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES UITSPLITSING NAAR KREDIETKWALITEITSCATEGORIEËN (CQS) UITSPLITSING NAAR REDENEN OM SEC-ERBA TOE TE PASSEN UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES WAARVAN: BEREKEND OP GROND VAN ARTIKEL 255, LID 4 (GEKOCHTE KORTLOPENDE VORDERINGEN) WAARVAN: RW = 1250 % (W NIET BEKEND) AUTOLENINGEN, AUTOLEASES EN LEASES VAN UITRUSTING SEC-ERBA OPTION POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT A), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT B), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 4, OF ARTIKEL 258, LID 2, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VOLGENS DE RANGORDE VAN BENADERINGEN GEMIDDELD RISICOGEWICHT (%) (–) VOOR NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE GECORRIGEERDE WAARDEN (G*) (–) TOTALE UITSTROMEN TOTALE INSTROMEN ≤ 20 % RW >20 % TOT 50 % RW >50 % TOT 100 % RW >100 % TOT 1250 % RW 1250 % RW ≤ 20 % RW >20 % TOT 50 % RW >50 % TOT 100 % RW >100 % TOT 1250 % RW 1250 % RW (W NIET-BEKEND) 1250 % RW (ANDERE) CQS KORTE TERMIJN CQS LANGE TERMIJN AUTOLENINGEN, AUTOLEASES EN LEASES VAN UITRUSTING SEC-ERBA OPTION POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT A), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT B), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 4, OF ARTIKEL 258, LID 2, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VOLGENS DE RANGORDE VAN BENADERINGEN =< 20 % RW > 20 % TOT 50 % RW > 50 % TOT 100 % RW > 100 % TOT < 1250 % RW 1250 % RW CQS 1 CQS 2 CQS 3 ALLE ANDERE KWALITEITSCATEGORIEËN CQS 1 CQS 2 CQS 3 CQS 4 CQS 5 CQS 6 CQS 7 CQS 8 CQS 9 CQS 10 CQS 11 CQS 12 CQS 13 CQS 14 CQS 15 CQS 16 CQS 17 ALLE ANDERE KWALITEITSCATEGORIEËN 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0250 0260 0270 0280 0290 0300 0310 0320 0330 0340 0350 0360 0370 0380 0390 0400 0410 0420 0430 0440 0450 0460 0470 0480 0490 0500 0510 0520 0530 0540 0550 0560 0570 0580 0590 0600 0610 0620 0630 0640 0650 0660 0670 0680 0690 0695 0700 0710 0720 0730 0740 0750 0760 0770 0780 0790 0800 0810 0820 0830 0840 0845 0850 0860 0870 0880 0890 0900 0910 0920 0930 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN Cel gekoppeld aan CA 0020 SECURITISATIES 0030 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0040 BLOOTSTELLINGEN IN STS ABCP- EN NIET-ABCP TRADITIONELE SECURITISATIES 0050 SENIOR SYNTHETISCHE KMO-SECURITISATIEPOSITIES WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN 0051 SENIOR POSITIES IN OP DE BALANS OPGENOMEN STS SECURITISATIES 0060 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0070 HERSECURITISATIES 0080 INITIATOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0090 SECURITISATIES: POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING 0100 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0110 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0120 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0121 BLOOTSTELLINGEN IN NIET-NPE-SECURITISATIES 0131 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0133 BLOOTSTELLINGEN IN NPE-SECURITISATIES 0134 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES 0135 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN NIET IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES 0136 WAARVAN: NIET-SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE TRADITIONELE NPE-SECURITISATIES 0140 SECURITISATIES: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN 0150 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0160 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0170 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0180 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0190 HERSECURITISATIES 0200 BELEGGER: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0210 SECURITISATIES: POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING 0220 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0230 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0240 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0241 BLOOTSTELLINGEN IN NIET-NPE-SECURITISATIES 0251 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0253 BLOOTSTELLINGEN IN NPE-SECURITISATIES 0254 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES 0255 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN NIET IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES 0256 WAARVAN: NIET-SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE TRADITIONELE NPE-SECURITISATIES 0260 SECURITISATIES: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN 0270 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0280 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0290 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0300 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0310 HERSECURITISATIES 0320 SPONSOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0330 SECURITISATIES: POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING 0340 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0350 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0360 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0361 BLOOTSTELLINGEN IN NIET-NPE-SECURITISATIES 0371 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0373 BLOOTSTELLINGEN IN NPE-SECURITISATIES 0374 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES 0375 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN NIET IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES 0376 WAARVAN: NIET-SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE TRADITIONELE NPE-SECURITISATIES 0380 SECURITISATIES: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN 0390 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0400 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0410 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0420 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN 0430 HERSECURITISATIES 0440 UITSPLITSING VAN UITSTAANDE POSITIES NAAR KREDIETKWALITEITSCATEGORIE (CQS) BIJ DE AANVANG: KORTE TERMIJN 0450 CQS 1 0460 CQS 2 0470 CQS 3 0480 ALLE OVERIGE KWALITEITSCATEGORIEËN EN POSITIES ZONDER RATING 0490 UITSPLITSING VAN UITSTAANDE POSITIES NAAR CQS (CQS) BIJ DE AANVANG: Lange termijn 0500 CQS 1 0510 CQS 2 0520 CQS 3 0530 CQS 4 0540 CQS 5 0550 CQS 6 0560 CQS 7 0570 CQS 8 0580 CQS 9 0590 CQS 10 0600 CQS 11 0610 CQS 12 0620 CQS 13 0630 CQS 14 0640 CQS 15 0650 CQS 16 0660 CQS 17 0670 ALLE OVERIGE KWALITEITSCATEGORIEËN EN POSITIES ZONDER RATING INTERNE CODE IDENTIFICATIECODE VAN DE SECURITISATIE INTRAGROEPS-, PRIVATE OF PUBLIEKE SECURITISATIE? ROL VAN DE INSTELLING (INITIATOR / SPONSOR / OORSPRONKELIJKE KREDIETVERSTREKKER/ BELEGGER) IDENTIFICATIECODE VAN DE INITIATOR SOORT SECURITISATIE: BOEKHOUDKUNDIGE BEHANDELING: GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN BINNEN OF BUITEN DE BALANSTELLING? SOLVABILITEITSBEHANDELING: Securitisatieposities onderworpen aan eigenvermogensvereisten? OVERDRACHT VAN EEN AANZIENLIJK DEEL VAN HET RISICO (SRT) SECURITISATIE OF HERSECURITISATIE? STS-SECURITISATIE SECURITISATIE DIE VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING IN AANMERKING KOMT SOORT EXCESS SPREAD AFLOSSINGSSYSTEEM OPTIES ZEKERHEIDSSTELLING AANGEHOUDEN BELANG NIET-ABCP-PROGRAMMA’S GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN SECURITISATIESTRUCTUUR SOORT AANGEHOUDEN BELANG % VAN HET AANGEHOUDEN BELANG OP DE RAPPORTAGEDATUM NALEVING VAN HET AANHOUDVEREISTE? DATUM VAN INITIËRING (jjjj-mm-dd) DATUM RECENTSTE UITGIFTE (jjjj-mm-dd) TOTALE WAARDE VAN GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN OP DE DATUM VAN INITIËRING TOTALE WAARDE AANDEEL VAN DE INSTELLING (%) SOORT % INTERNERATINGBENADERING BIJ GEHANTEERDE BENADERING AANTAL BLOOTSTELLINGEN BLOOTSTELLINGEN WAARBIJ SPRAKE IS VAN WANBETALING W (%) LAND LGD (%) VERWACHT VERLIES (EL) (%) ONVERWACHT VERLIES (UL) (%) NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJDWAARDE VAN ACTIVA (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN EIGENVERMOGENSVEREISTEN VÓÓR SECURITISATIE (%) KIRB % VAN BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN IN IRB-POOLS EIGENVERMOGENSVEREISTEN VÓÓR SECURITISATIE (%) KSA PRO-MEMORIEPOSTEN POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN LOOPTIJD PRO-MEMORIEPOSTEN KREDIETRISICOAANPASSINGEN IN DE LOPENDE PERIODE SENIOR MEZZANINE EERSTE VERLIES OVERPANDING EN GEDEKTE RESERVEREKENINGEN SENIOR MEZZANINE EERSTE VERLIES SYNTHETISCHE EXCESS SPREAD EERSTE TE VERWACHTEN DATUM VAN BEËINDIGING IN DE TRANSACTIE BETROKKEN CALLOPTIES VAN DE INITIATOR ATTACHMENT POINT VERKOCHT RISICO (%) DETACHMENT POINT VERKOCHT RISICO (%) DOOR INITIËRENDE INSTELLING GEVRAAGDE RISICO-OVERDRACHT (%) BEDRAG ATTACHMENT POINT (%) CQS BEDRAG AANTAL TRANCHES CQS VAN DE MEEST ACHTERGESTELDE TRANCHE BEDRAG DETACHMENT POINT (%) CQS BEDRAG WAARVAN: NIET-RESTITUEERBARE KORTINGEN OP DE AANKOOPPRIJS BEDRAG ATTACHMENT POINT (%) BEDRAG AANTAL TRANCHES BEDRAG DETACHMENT POINT (%) 0010 0020 0021 0110 0030 0040 0051 0060 0061 0070 0075 0446 0076 0077 0078 0080 0090 0100 0120 0121 0130 0140 0150 0160 0171 0180 0181 0190 0201 0202 0203 0204 0210 0221 0222 0223 0225 0230 0231 0232 0240 0241 0242 0250 0251 0252 0254 0255 0260 0265 0270 0275 0280 0285 0287 0290 0291 0302 0303 0304 INTERNE CODE IDENTIFICATIECODE VAN DE SECURITISATIE SECURITISATIEPOSITIES BLOOTSTELLINGSWAARDE (–) VAN EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN BLOOTSTELLINGSWAARDE TOTAAL VAN RISICOGEWOGEN POSTEN PRO-MEMORIEPOSTEN SECURITISATIEPOSITIES – HANDELSPORTEFEUILLE OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN PRO-MEMORIEPOSTEN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN RISICOGEWOGEN POSTEN VOLGENS SEC-ERBA RISICOGEWOGEN POSTEN VOLGENS SEC-SA CTP OF NIET-CTP? NETTOPOSITIES POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN DIRECTE KREDIETVERVANGINGEN IRS/CRS LIQUIDITEITSFACILITEITEN OVERIGE SENIOR MEZZANINE EERSTE VERLIES SENIOR MEZZANINE EERSTE VERLIES SYNTHETISCHE EXCESS SPREAD VÓÓR BEGRENZING (–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN BEGRENZING RISICOGEWICHTEN (–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN TOTALE BEGRENZING NA BEGRENZING RW OVEREENSTEMMEND MET PROTECTIEGEVER/INSTRUMENT RW OVEREENSTEMMEND MET PROTECTIEGEVER/INSTRUMENT LONG SHORT 0010 0020 0310 0320 0330 0340 0350 0351 0360 0361 0362 0370 0380 0390 0400 0411 0420 0430 0431 0432 0440 0447 0448 0450 0460 0470 MAAND 1 MAAND 2 MAAND 3 KWALITATIEVE INFORMATIE LANGE DERIVATENPOSITIES KORTE DERIVATENPOSITIES TOTAAL LANGE DERIVATENPOSITIES KORTE DERIVATENPOSITIES TOTAAL LANGE DERIVATENPOSITIES KORTE DERIVATENPOSITIES TOTAAL 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0010 Omvang van de derivatenactiviteiten 0020 Derivaten binnen en buiten de balanstelling 0030 (–) Kredietderivaten die als interne hedges tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen 0040 Totale activa 0050 Percentage van de totale activa AFWIJKING OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0060 Is voldaan aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, waaronder de toestemming van de bevoegde autoriteit? 0070 Methode voor het berekenen van de blootstellingswaarden op geconsolideerd niveau BENADERING AANTAL TEGENPARTIJEN AANTAL TRANSACTIES NOTIONAL BEDRAGEN ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF VARIATION MARGIN (VM), ONTVANGEN VARIATION MARGIN (VM), GESTORT NETTOBEDRAG AAN ONAFHANKELIJKE ZEKERHEDEN (NICA), ONTVANGEN NETTOBEDRAG AAN ONAFHANKELIJKE ZEKERHEDEN (NICA), GESTORT VERVANGINGSWAARDE (RC) POTENTIËLE TOEKOMSTIGE BLOOTSTELLING (PFE) ACTUELE BLOOTSTELLING EEPE ALFA GEBRUIKT VOOR DE BEREKENING VAN DE WETTELIJK VOORGESCHREVEN BLOOTSTELLINGSWAARDE BLOOTSTELLINGSWAARDE VÓÓR TOEPASSING KREDIETRISICOLIMITERING BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING KREDIETRISICOLIMITERING BLOOTSTELLINGSWAARDE RISICOGEWOGEN POSTEN Posities behandeld volgens standaardbenadering voor kredietrisico Posities behandeld volgens interneratingbenadering voor kredietrisico Posities behandeld volgens standaardbenadering voor kredietrisico Posities behandeld volgens interneratingbenadering voor kredietrisico 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0010 OORSPRONKELIJKEBLOOTSTELLINGSMETHODE (VOOR DERIVATEN) 1.4 0020 VEREENVOUDIGDE SA-CRR (VOOR DERIVATEN) 1.4 0030 SA-CRR (VOOR DERIVATEN) 1.4 0040 IMM (VOOR DERIVATEN EN SFT’s) 0050 Netting sets met effectenfinancieringstransacties 0060 Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn 0070 Van contractuele productoverschrijdende netting sets 0080 EENVOUDIGE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (VOOR SFT’s) 0090 UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (VOOR SFT’s) 0100 VaR VOOR SFT’s 0110 TOTAAL 0120 waarvan: SWWR-posities 0130 Door margin gedekte activiteiten 0140 Niet door margin gedekte activiteiten RISICOCATEGORIEËN VALUTA TWEEDE VALUTA IN PAAR AANTAL TRANSACTIES NOTIONELE BEDRAGEN ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF OPSLAGFACTOR 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0010 TOTAAL 0020 waarvan: Gemapt naar 2 risicocategorieën 0030 waarvan: Gemapt naar 3 risicocategorieën 0040 waarvan: Gemapt naar meer dan 3 risicocategorieën 0050 RENTERISICO 0060 waarvan: Uitsluitend gemapt naar de risicocategorie renterisico 0070 waarvan: Grootste valuta 0080 waarvan: Op 1 na grootste valuta 0090 waarvan: Op 2 na grootste valuta 0100 waarvan: Op 3 na grootste valuta 0110 waarvan: Op 4 na grootste valuta 0120 VALUTARISICO 0130 waarvan: Uitsluitend gemapt naar de risicocategorie valutarisico 0140 waarvan: Grootste valutapaar 0150 waarvan: Op 1 na grootste valutapaar 0160 waarvan: Op 2 na grootste valutapaar 0170 waarvan: Op 3 na grootste valutapaar 0180 waarvan: Op 4 na grootste valutapaar 0190 KREDIETRISICO 0200 waarvan: Uitsluitend gemapt naar de risicocategorie kredietrisico 0210 Single-nametransacties 0220 Multi-namestransacties 0230 AANDELENRISICO 0240 waarvan: Uitsluitend gemapt naar de risicocategorie aandelenrisico 0250 Single-nametransacties 0260 Multi-namestransacties 0270 GRONDSTOFFENRISICO 0280 waarvan: Uitsluitend gemapt naar de risicocategorie grondstoffenrisico 0290 Energie 0300 Metalen 0310 Landbouwproducten 0320 Klimatologische omstandigheden 0330 Overige grondstoffen 0340 OVERIGE RISICO’S RISICOCATEGORIEËN AANTAL TRANSACTIES NOTIONELE BEDRAGEN ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF POTENTIËLE TOEKOMSTIGE BLOOTSTELLING (PFE) 0010 0020 0030 0040 0050 0010 TOTAAL 0020 RENTERISICO 0030 VALUTARISICO 0040 KREDIETRISICO 0050 AANDELENRISICO 0060 GRONDSTOFFENRISICO 0070 waarvan: elektriciteit INSTRUMENTEN DOOR MARGIN GEDEKT NIET DOOR MARGIN GEDEKT BLOOTSTELLINGSWAARDE AANTAL TRANSACTIES NOTIONELE BEDRAGEN ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF ACTUELE BLOOTSTELLING EEPE Stress-EEPE BLOOTSTELLINGSWAARDE AANTAL TRANSACTIES NOTIONELE BEDRAGEN ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF ACTUELE BLOOTSTELLING EEPE Stress-EEPE BLOOTSTELLINGSWAARDE 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0010 TOTAAL 0020 waarvan: SWWR-posities 0030 Volgens de standaardbenadering voor kredietrisico behandelde netting sets 0040 Volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico behandelde netting sets 0050 OTC-DERIVATEN RENTE 0060 VALUTA 0070 KREDIET 0080 AANDELEN 0090 GRONDSTOFFEN 0100 OVERIGE 0110 TOTAAL 0120 BEURSVERHANDELDE DERIVATEN RENTE 0130 VALUTA 0140 KREDIET 0150 AANDELEN 0160 GRONDSTOFFEN 0170 OVERIGE 0180 TOTAAL 0190 EFFECTENFINANCIERINGSTRANSACTIES ONDERLIGGENDE OBLIGATIE 0200 ONDERLIGGENDE AANDELEN 0210 ANDER ONDERLIGGENDE 0220 TOTAAL 0230 CONTRACTUELE PRODUCTOVERSCHRIJDENDE NETTING SETS NAAM CODE SOORT CODE NATIONALE CODE SECTOR TEGENPARTIJ TYPE TEGENPARTIJ VESTIGINGSPLAATS VAN DE TEGENPARTIJ AANTAL TRANSACTIES NOTIONELE BEDRAGEN ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING KREDIETRISICOLIMITERING BLOOTSTELLINGSWAARDE RISICOGEWOGEN POSTEN 0010 0020 0030 0035 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 PD-schaal Blootstellingswaarde Naar blootstelling gewogen gemiddelde PD (%) Aantal debiteuren Naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD (%) Naar blootstelling gewogen gemiddelde looptijd (jaren) Risicogewogen posten Densiteit van risicogewogen posten 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0010 0,00 tot <0,15 0020 0,00 tot <0,10 0030 0,10 tot <0,15 0040 0,15 tot <0,25 0050 0,25 tot <0,50 0060 0,50 tot <0,75 0070 0,75 tot <2,50 0080 0,75 tot <1,75 0090 1,75 tot <2,5 0100 2,50 tot <10,00 0110 2,50 tot <5,00 0120 5,00 tot <10,00 0130 10,00 tot <100,00 0140 10,00 tot <20,00 0150 20,00 tot <30,00 0160 30,00 tot <100,00 0170 100,00 (Wanbetaling) 0180 Totaal Soort zekerheid In derivatentransacties gebruikte zekerheden In SFT’s gebruikte zekerheden Reële waarde ontvangen zekerheden Reële waarde gestorte zekerheden Reële waarde ontvangen zekerheden Reële waarde gestorte zekerheden Afgescheiden Niet-afgescheiden Afgescheiden Niet-afgescheiden Afgescheiden Niet-afgescheiden Afgescheiden Niet-afgescheiden Initial margin Variation margin Initial margin Variation margin Initial margin Variation margin Initial margin Variation margin Initial margin Variation margin Initial margin Variation margin SFT-effect Initial margin Variation margin Initial margin Variation margin SFT-effect 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0010 Contanten – binnenlandse valuta 0020 Contanten – overige valuta 0030 Binnenlandse overheidsschuld 0040 Overige overheidsschuld 0050 Schuld overheidsinstantie 0060 Bedrijfsobligaties 0070 Effecten met aandelenkarakter 0080 Overige zekerheden 0090 Totaal Productsoort NOTIONELE BEDRAGEN REËLE WAARDEN GEKOCHTE PROTECTIE VERKOCHTE PROTECTIE GEKOCHTE PROTECTIE VERKOCHTE PROTECTIE 0010 0020 0030 0040 0010 Single-name-kredietverzuimswaps 0020 Index-kredietverzuimswaps 0030 Total-returnswaps 0040 Kredietopties 0050 Overige kredietderivaten 0060 Totaal UITSPLITSING REËLE WAARDE 0070 Positieve reële waarde (activa) 0080 Negatieve reële waarde (verplichting) BLOOTSTELLINGSWAARDE RISICOGEWOGEN POSTEN 0010 0020 0010 Blootstellingen aan gCTP’s (totaal) 0020 Blootstellingen voor transacties bij gCTP's (met uitsluiting van initial margin en bijdragen aan het wanbetalingsfonds); waarvan 0030 Otc-derivaten 0040 Beursverhandelde derivaten 0050 SFT’s 0060 Netting sets waar productoverschrijdende verrekening is toegestaan 0070 Afgescheiden initial margin 0080 Niet-afgescheiden initial margin 0090 Voorgefinancierde bijdragen aan een wanbetalingsfonds 0100 Niet-volgestorte bijdragen aan een wanbetalingsfonds 0110 Blootstellingen aan niet-gCTP’s (totaal) 0120 Blootstellingen voor transacties bij niet-gCTP’s (met uitsluiting van initial margin en bijdragen aan het wanbetalingsfonds); waarvan 0130 Otc-derivaten 0140 Beursverhandelde derivaten 0150 SFT’s 0160 Netting sets waar productoverschrijdende verrekening is toegestaan 0170 Afgescheiden initial margin 0180 Niet-afgescheiden initial margin 0190 Voorgefinancierde bijdragen aan een wanbetalingsfonds 0200 Niet-volgestorte bijdragen aan een wanbetalingsfonds RISICOGEWOGEN POSTEN DRIEMAANDELIJKSE STROMEN JAARLIJKSE STROMEN 0010 0020 0010 Risicogewogen posten aan het einde van de vorige rapportageperiode 0020 Omvang van de activa 0030 Kredietkwaliteit van tegenpartijen 0040 Actualisering modellen (alleen IMM) 0050 Methodologie en beleid (alleen IMM) 0060 Acquisities en afstotingen 0070 Wisselkoersbewegingen 0080 Overige 0090 Risicogewogen posten aan het einde van de huidige rapportageperiode BANKACTIVITEITEN RELEVANTE INDICATOR LENINGEN EN VOORSCHOTTEN (BIJ TOEPASSING VAN ASA) EIGEN VERMOGEN VEREISTE Totaal van de risicoposten voor operationeel risico TE RAPPORTEREN AMA-PRO-MEMORIEPOSTEN (INDIEN VAN TOEPASSING) JAAR-3 JAAR-2 LAATSTE JAAR JAAR-3 JAAR-2 LAATSTE JAAR WAARVAN: ALS GEVOLG VAN EEN ALLOCATIEMECHANISME EIGENVERMOGENSVEREISTE VÓÓR VERMINDERING VANWEGE VERWACHT VERLIES, DIVERSIFICATIE EN RISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN VANWEGE HET IN DE BEDRIJFSPRAKTIJK IN AANMERKING GENOMEN VERWACHTE VERLIES (–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN VANWEGE DIVERSIFICATIE (–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTE VANWEGE RISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (VERZEKERING EN ANDERE MECHANISMEN VOOR RISICO-OVERDRACHT) 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0071 0080 0090 0100 0110 0120 0010 BANKACTIVITEITEN IN HET KADER VAN DE BASISINDICATORBENADERING (BIA) Cel gekoppeld aan CA2 0020 BANKACTIVITEITEN IN HET KADER VAN DE STANDAARDBENADERING (TSA) / ALTERNATIEVE STANDAARDBENADERING (ASA) Cel gekoppeld aan CA2 IN HET KADER VAN DE TSA: 0030 ONDERNEMINGSFINANCIERING (CF) 0040 HANDEL EN VERKOOP (TS) 0050 COURTAGEDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN (RBr) 0060 ZAKELIJKE BANKDIENSTEN (CB) 0070 BANKDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN (RB) 0080 BETALING EN AFWIKKELING (PS) 0090 BEMIDDELINGSDIENSTEN (AS) 0100 BEHEER VAN ACTIVA (AM) IN HET KADER VAN DE ASA: 0110 ZAKELIJKE BANKDIENSTEN (CB) 0120 BANKDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN (RB) 0130 BANKACTIVITEITEN DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN DE AMA Cel gekoppeld aan CA2 MAPPING VAN VERLIEZEN MET BEDRIJFSONDERDELEN SOORTEN GEBEURTENISSEN TOTAAL SOORTEN GEBEURTENISSEN PRO-MEMORIEPOST: BIJ GEGEVENSVERZAMELING TOEGEPASTE DREMPEL INTERNE FRAUDE EXTERNE FRAUDE PRAKTIJKEN OP HET GEBIED VAN DE WERKOMSTANDIGHEDEN EN VEILIGHEID OP DE WERKPLAATS CLIËNTEN, PRODUCTEN EN ONDERNEMINGSPRAKTIJKEN SCHADE AAN MATERIËLE ACTIVA VERSTORING VAN BEDRIJFSACTIVITEITEN EN SYSTEEMFALEN UITVOERING, LEVERING EN PROCESBEHEER LAAGSTE HOOGSTE Rijen 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0010 ONDERNEMINGSFINANCIERING [CF] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0020 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0030 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0040 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0050 Grootste afzonderlijk verlies 0060 Som van de vijf grootste verliezen 0070 Totaal direct goedgemaakt verlies 0080 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0110 HANDEL EN VERKOOP [TS] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0120 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0130 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0140 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0150 Grootste afzonderlijk verlies 0160 Som van de vijf grootste verliezen 0170 Totaal direct goedgemaakt verlies 0180 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0210 COURTAGEDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN [RBr] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0220 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0230 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0240 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0250 Grootste afzonderlijk verlies 0260 Som van de vijf grootste verliezen 0270 Totaal direct goedgemaakt verlies 0280 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0310 HANDELSBANKEN [CB] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0320 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0330 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0340 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0350 Grootste afzonderlijk verlies 0360 Som van de vijf grootste verliezen 0370 Totaal direct goedgemaakt verlies 0380 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0410 BANKDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN [RB] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0420 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0430 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0440 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0450 Grootste afzonderlijk verlies 0460 Som van de vijf grootste verliezen 0470 Totaal direct goedgemaakt verlies 0480 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0510 BETALING EN AFWIKKELING [PS] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0520 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0530 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0540 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0550 Grootste afzonderlijk verlies 0560 Som van de vijf grootste verliezen 0570 Totaal direct goedgemaakt verlies 0580 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0610 BEMIDDELINGS DIENSTEN [AS] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0620 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0630 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0640 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0650 Grootste afzonderlijk verlies 0660 Som van de vijf grootste verliezen 0670 Totaal direct goedgemaakt verlies 0680 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0710 VERMOGENSBEHEER [AM] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0720 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0730 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0740 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0750 Grootste afzonderlijk verlies 0760 Som van de vijf grootste verliezen 0770 Totaal direct goedgemaakt verlies 0780 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0810 ONDERNEMINGSAANGELEGENHEDEN [CI] Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) 0820 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) 0830 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen 0840 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0850 Grootste afzonderlijk verlies 0860 Som van de vijf grootste verliezen 0870 Totaal direct goedgemaakt verlies 0880 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht 0910 TOTAAL BEDRIJFS ONDERDELEN Aantal gebeurtenissen (nieuwe gebeurtenissen) Waarvan: 0911 met betrekking tot verliezen ≥ 10 000 en < 20 000 0912 met betrekking tot verliezen ≥ 20 000 en < 100 000 0913 met betrekking tot verliezen ≥ 100 000 en < 1 000 000 0914 met betrekking tot verliezen ≥ 1 000 000 0920 Brutoverliesbedrag (nieuwe gebeurtenissen) Waarvan: 0921 met betrekking tot verliezen ≥ 10 000 en < 20 000 0922 met betrekking tot verliezen ≥ 20 000 en < 100 000 0923 met betrekking tot verliezen ≥ 100 000 en < 1 000 000 0924 met betrekking tot verliezen ≥ 1 000 000 0930 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen gebeurtenissen Waarvan: 0935 waarvan: aantal gebeurtenissen met een positieve verliesaanpassing 0936 waarvan: aantal gebeurtenissen met een positieve verliesaanpassing 0940 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes 0945 waarvan: bedragen van positieve verliesaanpassingen (+) 0946 waarvan: bedragen van negatieve verliesaanpassingen (-) 0950 Grootste afzonderlijk verlies 0960 Som van de vijf grootste verliezen 0970 Totaal direct goedgemaakt verlies 0980 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht Gebeurtenis-ID Datum van administratieve verwerking Datum van plaatsvinden Datum van ontdekking Soort gebeurtenis Brutoverlies Brutoverlies ongerekend directe goedmakingen BRUTOVERLIES PER BEDRIJFSONDERDEEL Naam juridische entiteit Code Type code Bedrijfseenheid Beschrijving Ondernemingsfinanciering [CF] Handel en verkoop [TS] Courtagediensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen [RBr] Handelsbanken [CB] Bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen [RB] Betaling en afwikkeling [PS] Bemiddelings- diensten [AS] Vermogensbeheer [AM] Ondernemingsaangelegenheden [CI] Rijen 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0181 0185 0190 0200 … POSITIES EIGENVERMOGENSVEREISTEN TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN ALLE POSITIES NETTOPOSITIES AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES LONG SHORT LONG SHORT 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0010 VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN IN DE HANDELSPORTEFEUILLE Cel gekoppeld aan CA2 0011 Algemeen risico 0012 Derivaten 0013 Andere activa en verplichtingen 0020 Benadering op grond van de looptijd 0030 Zone 1 0040 0 ≤ 1 maand 0050 > 1 ≤ 3 maanden 0060 > 3 ≤ 6 maanden 0070 > 6 ≤ 12 maanden 0080 Zone 2 0090 > 1 ≤ 2 (1,9 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0100 > 2 ≤ 3 (> 1,9 ≤ 2,8 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0110 > 3 ≤ 4 (> 2,8 ≤ 3,6 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0120 Zone 3 0130 > 4 ≤ 5 (> 3,6 ≤ 4,3 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0140 > 5 ≤ 7 (> 4,3 ≤ 5,7 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0150 > 7 ≤ 10 (> 5,7 ≤ 7,3 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0160 > 10 ≤ 15 (> 7,3 ≤ 9,3 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0170 > 15 ≤ 20 (> 9,3 ≤ 10,6 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0180 > 20 (> 10,6 ≤ 12,0 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0190 (> 12,0 ≤ 20,0 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0200 (> 20 voor coupon van minder dan 3 %) jaar 0210 Benadering op grond van de duration 0220 Zone 1 0230 Zone 2 0240 Zone 3 0250 Specifiek risico 0251 Eigenvermogensvereiste voor niet-gesecuritiseerde schuldinstrumenten 0260 Schuldtitels volgens de eerste categorie in tabel 1 0270 Schuldtitels volgens de tweede categorie in tabel 1 0280 Met een resterende looptijd ≤ 6 maanden 0290 Met een resterende looptijd > 6 maanden en ≤ 24 maanden 0300 Met een resterende looptijd > 24 maanden 0310 Schuldtitels volgens de derde categorie in tabel 1 0320 Schuldtitels volgens de vierde categorie in tabel 1 0321 Extern beoordeelde nth-to default-kredietderivaten 0325 Eigenvermogensvereiste voor securitisatie-instrumenten 0330 Eigenvermogensvereiste voor de correlatiehandelsportefeuille 0350 Aanvullende vereisten voor opties (niet-deltarisico’s) 0360 Vereenvoudigde methode 0370 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor gammarisico 0380 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor vegarisico 0385 Delta plus-benadering – niet-continue opties of warrants 0390 Scenariomatrixbenadering ALLE POSITIES (–) POSITIES AFGETROKKEN VAN HET EIGEN VERMOGEN NETTOPOSITIES UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIES (LONG) NAAR RISICOGEWICHT UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIES (SHORT) NAAR RISICOGEWICHT UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE NAAR BENADERING ALGEHEEL EFFECT (CORRECTIE) ALS GEVOLG VAN INBREUKEN OP HOOFDSTUK 2 VAN VERORDENING (EU) 2017/2402 VÓÓR BEGRENZING NA BEGRENZING / TOTALE EIGENVERMOGENSVEREISTEN LONG SHORT (–) LONG (–) SHORT LONG SHORT [0 - 10 %] [10 - 12 %] [12 - 20 %] [20 - 40 %] [40 - 100 %] [100 - 150 %] [150 - 200 %] [200 - 225 %] [225 - 250 %] [250 - 300 %] [300 - 350 %] [350 - 425 %] [425 - 500 %] [500 - 650 %] [650 - 750 %] [750 - 850 %] [850 - 1250 %] [0 - 10 %] [10 - 12 %] [12 - 20 %] [20 - 40 %] [40 - 100 %] [100 - 150 %] [150 - 200 %] [200 - 225 %] [225 - 250 %] [250 - 300 %] [300 - 350 %] [350 - 425 %] [425 - 500 %] [500 - 650 %] [650 - 750 %] [750 - 850 %] [850 - 1250 %] 1250 % SEC-IRBA SEC-SA SEC-ERBA INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA) SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES OVERIGE (RW = 1250 %) GEWOGEN NETTO LONGPOSITIES GEWOGEN NETTO SHORTPOSITIES 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0061 0062 0063 0064 0065 0066 0071 0072 0073 0074 0075 0076 0077 0078 0079 0081 0082 0085 0086 0087 0088 0089 0091 0092 0093 0094 0095 0096 0097 0098 0099 0101 0102 0103 0104 0402 0403 0404 0405 0900 0406 0530 0540 0570 0601 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN Cel gekoppeld aan MKR SA TDI {325:060} 0020 Waarvan: HERSECURITISATIES 0030 INITIATOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0040 SECURITISATIES 0041 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0050 HERSECURITISATIES 0060 BELEGGER: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0070 SECURITISATIES 0071 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0080 HERSECURITISATIES 0090 SPONSOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0100 SECURITISATIES 0101 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING 0110 HERSECURITISATIES ALLE POSITIES (–) POSITIES AFGETROKKEN VAN HET EIGEN VERMOGEN NETTOPOSITIES UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE (LONG) NAAR RISICOGEWICHT UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE (SHORT) NAAR RISICOGEWICHT UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE NAAR BENADERING VÓÓR BEGRENZING NA BEGRENZING TOTAAL EIGENVERMOGENSVEREISTEN LONG SHORT (–) LONG (–) SHORT LONG SHORT [0 - 10 %] [10 - 12 %] [12 - 20 %] [20 - 40 %] [40 - 100 %] [100 - 250 %] [250 - 350 %] [350 - 425 %] [425 - 650 %] [650 - 1250 %] 1250 % [0 - 10 %] [10 - 12 %] [12 - 20 %] [20 - 40 %] [40 - 100 %] [100 - 250 %] [250 - 350 %] [350 - 425 %] [425 - 650 %] [650 - 1250 %] 1250 % SEC-IRBA SEC-SA SEC-ERBA INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA) SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES OVERIGE (RW = 1250 %) GEWOGEN NETTO LONGPOSITIES GEWOGEN NETTO SHORTPOSITIES GEWOGEN NETTO LONGPOSITIES GEWOGEN NETTO SHORTPOSITIES 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0071 0072 0073 0074 0075 0076 0077 0078 0079 0081 0082 0086 0087 0088 0089 0091 0092 0093 0094 0095 0096 0097 0402 0403 0404 0405 0900 0406 0410 0420 0430 0440 0450 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN Cel gekoppeld aan MKR SA TDI {0330:0060} SECURITISATIEPOSITIES: 0020 INITIATOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0030 SECURITISATIES 0040 ANDERE CTP-POSITIES 0050 BELEGGER: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0060 SECURITISATIES 0070 ANDERE CTP-POSITIES 0080 SPONSOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0090 SECURITISATIES 0100 ANDERE CTP-POSITIES NTH-TO-DEFAULT KREDIETDERIVATEN: 0110 NTH-TO-DEFAULT KREDIETDERIVATEN 0120 ANDERE CTP-POSITIES POSITIES EIGENVERMOGENSVEREISTEN TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN ALLE POSITIES NETTOPOSITIES AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES LONG SHORT LONG SHORT 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0010 AANDELEN IN DE HANDELSPORTEFEUILLE Cel gekoppeld aan CA 0020 Algemeen risico 0021 Derivaten 0022 Andere activa en verplichtingen 0030 Op de beurs verhandelde aandelenindexfutures die ruim zijn gediversifieerd en aan een specifieke benadering zijn onderworpen 0040 Aandelen niet zijnde ruim gediversifieerde beursverhandelde aandelenindexfutures 0050 Specifiek risico 0090 Aanvullende vereisten voor opties (niet-deltarisico’s) 0100 Vereenvoudigde methode 0110 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor gammarisico 0120 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor vegarisico 0125 Delta plus-benadering – niet-continue opties of warrants 0130 Scenariomatrixbenadering ALLE POSITIES NETTOPOSITIES AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES (Met inbegrip van herverdeling van niet-gematchte posities in niet-rapportagevaluta’s waarop de speciale behandeling voor gematchte posities van toepassing is) EIGENVERMOGENSVEREISTEN TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN LONG SHORT LONG SHORT LONG SHORT GEMATCHT 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0010 TOTAAL POSITIES Cel gekoppeld aan CA 0020 Nauw gecorreleerde valuta’s 0025 waarvan: rapportagevaluta 0030 Alle overige valuta’s (met inbegrip van als andere valuta’s behandelde icb’s) 0040 Goud 0050 Aanvullende vereisten voor opties (niet-deltarisico’s) 0060 Vereenvoudigde methode 0070 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor gammarisico 0080 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor vegarisico 0085 Delta plus-benadering – niet-continue opties of warrants 0090 Scenariomatrixbenadering UITSPLITSING VAN TOTALE POSITIES (RAPPORTAGEVALUTA INBEGREPEN) NAAR SOORT BLOOTSTELLING 0100 Andere activa en verplichtingen niet zijnde posten buiten de balanstelling en derivaten 0110 Posten buiten de balanstelling 0120 Derivaten Pro-memorieposten: VALUTAPOSITIES 0130 Euro 0140 Lek 0150 Argentijnse peso 0160 Australische dollar 0170 Braziliaanse real 0180 Bulgaarse lev 0190 Canadese dollar 0200 Tsjechische kroon 0210 Deense kroon 0220 Egyptisch pond 0230 Brits pond 0240 Forint 0250 Yen 0270 Litouwse litas 0280 Denar 0290 Mexicaanse peso 0300 Zloty 0310 Roemeense leu 0320 Russische roebel 0330 Servische dinar 0340 Zweedse kroon 0350 Zwitserse frank 0360 Turkse lire 0370 Hryvnia 0380 Amerikaanse dollar 0390 IJslandse kroon 0400 Noorse kroon 0410 Hongkongdollar 0420 Nieuwe Taiwandollar 0430 Nieuw-Zeelandse dollar 0440 Singaporedollar 0450 Zuid-Koreaanse Won 0460 Renminbi yuan 0470 Overige 0480 Kroatische kuna ALLE POSITIES NETTOPOSITIES AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES EIGENVERMOGENSVEREISTEN TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN LONG SHORT LONG SHORT 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0010 TOTAAL POSITIES IN GRONDSTOFFEN Cel gekoppeld aan CA 0020 Edele metalen (behalve goud) 0030 Onedele metalen 0040 Zachte grondstoffen (landbouw) 0050 Andere 0060 Waarvan energieproducten (olie, gas) 0070 Benadering op grond van looptijdklassen 0080 Uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen 0090 Vereenvoudigde benadering: Alle posities 0100 Aanvullende vereisten voor opties (niet-deltarisico’s) 0110 Vereenvoudigde methode 0120 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor gammarisico 0130 Delta plus-benadering – aanvullende vereisten voor vegarisico 0135 Delta plus-benadering – niet-continue opties of warrants 0140 Scenariomatrixbenadering VaR STRESSED VaR KAPITAALVEREISTE VOOR ADDITIONEEL WANBETALINGSRISICO EN MIGRATIERISICO KAPITAALVEREISTE VOOR ALLE PRIJSRISICO’S VOOR CTP EIGENVERMOGENSVEREISTEN TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN Aantal overschrijdingen tijdens voorgaande 250 werkdagen VaR-vermenigvuldigingsfactor (mc) sVaR-vermenigvuldigingsfactor (ms) GESTELDE OPSLAG VOOR CTP-ONDERGRENS– GEWOGEN NETTO LONGPOSITIES NA BEGRENZING GESTELDE OPSLAG VOOR CTP-ONDERGRENS – GEWOGEN NETTO SHORTPOSITIES NA BEGRENZING VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (mc) × GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (VaRavg) VOORGAANDE DAG (VaRt-1) VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (ms) × GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (sVaRavg) MEEST RECENT BESCHIKBARE (sVaRt–1) GEMIDDELDE OVER DE VOORGAANDE 12 WEKEN MEEST RECENTE WAARDE ONDERGRENS GEMIDDELDE OVER DE VOORGAANDE 12 WEKEN MEEST RECENTE WAARDE 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0010 TOTAAL POSITIES Cel gekoppeld aan CA Pro-memorieposten: UITSPLITSING VAN MARKTRISICO 0020 Verhandelbare schuldinstrumenten 0030 TDI – Algemeen risico 0040 TDI – Specifiek risico 0050 Aandelen 0060 Aandelen – Algemeen risico 0070 Aandelen – Specifiek risico 0080 Valutarisico 0090 Grondstoffenrisico 0100 Totaalbedrag voor algemeen risico 0110 Totaalbedrag voor specifiek risico BLOOTSTELLINGSWAARDE VaR STRESSED VaR EIGENVERMOGENS- VEREISTEN TOTAAL VAN DE RISICOGEWOGEN POSTEN PRO-MEMORIEPOSTEN NOTIONELE BEDRAGEN AFDEKKING CVA-RISICO waarvan: otc-derivaten waarvan: Effectenfinancieringstransacties (SFT’s) VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (mc) × GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (VaRavg) VOORGAANDE DAG (VaRt-1) VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (ms) × GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (sVaRavg) MEEST RECENT BESCHIKBARE (sVaRt–1) Aantal tegenpartijen waarvan: creditspread is bepaald aan de hand van een vervangende waarde AANGEGANE CVA SINGLE-NAME-KREDIETVERZUIMSWAPS INDEX-KREDIETVERZUIMSWAPS 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0010 Totaal CVA-risico Link naar {CA2;r640;c010} 0020 Volgens geavanceerde methode Link naar {CA2;r650;c010} 0030 Volgens standaardmethode Link naar {CA2;r660;c010} 0040 Op basis van de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OEM) Link naar {CA2;r670;c010} TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN, UITGESLOTEN WEGENS GEDEELTELIJKE INVLOED OP HET TIER 1-KERNKAPITAAL IN DE IN ARTIKEL 4, LID 1, GENOEMDE DREMPEL BEGREPEN TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE EXACT MATCHEND AFDEKKINGSTRANSACTIES PRUDENTIËLE FILTERS OVERIGE OPMERKINGEN VOOR OVERIGE WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0010 1 TOTAAL VAN TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN 0020 1.1 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA 0030 1.1.1 VOOR HANDELSDOELEINDEN AANGEHOUDEN FINANCIËLE ACTIVA 0040 1.1.2 FINANCIËLE ACTIVA VOOR HANDELSDOELEINDEN 0050 1.1.3 VERPLICHT TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES 0060 1.1.4 FINANCIËLE ACTIVA DIE ALS GEWAARDEERD TEGEN REËLE WAARDE MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES ZIJN AANGEWEZEN 0070 1.1.5 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE FINANCIËLE ACTIVA MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN DE OVERIGE ONDERDELEN VAN HET TOTAALRESULTAAT 0080 1.1.6 NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN DIE TEGEN REËLE WAARDE ZIJN GEWAARDEERD MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES 0090 1.1.7 NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN DIE TEGEN REËLE WAARDE ZIJN GEWAARDEERD MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN HET EIGEN VERMOGEN 0100 1.1.8 OVERIGE NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN 0110 1.1.9 DERIVATEN – HEDGE ACCOUNTING 0120 01.01.10 VERANDERINGEN IN REËLE WAARDE VAN AFGEDEKTE POSITIES BIJ AFDEKKING VAN HET RENTERISICO VAN EEN PORTEFEUILLE 0130 01.01.11 DEELNEMINGEN IN DOCHTERONDERNEMINGEN, JOINT VENTURES EN GEASSOCIEERDE DEELNEMINGEN 0140 01.01.12 (–) REDUCTIEFACTOREN VOOR ACTIVA VOOR HANDELSDOELEINDEN TEGEN REËLE WAARDE 0142 1.1.13 OVERIGE ACTIVA 0143 1.1.14 ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP GECLASSIFICEERDE VASTE ACTIVA EN GROEPEN ACTIVA DIE WORDEN AFGESTOTEN 0150 1.2 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN 0160 1.2.1 VOOR HANDELSDOELEINDEN AANGEHOUDEN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN 0170 1.2.2 FINANCIËLE VERPLICHTINGEN VOOR HANDELSDOELEINDEN 0180 1.2.3 FINANCIËLE PASSIVA DIE ALS GEWAARDEERD TEGEN REËLE WAARDE MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES ZIJN AANGEWEZEN 0190 1.2.4 DERIVATEN – HEDGE ACCOUNTING 0200 1.2.5 VERANDERINGEN IN REËLE WAARDE VAN AFGEDEKTE POSITIES BIJ AFDEKKING VAN HET RENTERISICO VAN EEN PORTEFEUILLE 0210 1.2.6 REDUCTIEFACTOREN VOOR PASSIVA VOOR HANDELSDOELEINDEN TEGEN REËLE WAARDE 0220 1.2.7 ANDERE VERPLICHTINGEN 0230 1.2.8 VERPLICHTINGEN DIE DEEL UITMAKEN VAN ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP GECLASSIFICEERDE GROEPEN DIE WORDEN AFGESTOTEN AWA’S OP CATEGORIENIVEAU TOTALE AWA OPWAARTSE ONZEKERHEID TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN QTD- INKOMSTEN IPV- VERSCHIL AANPASSINGEN REËLE WAARDE WINST EN VERLIES BIJ EERSTE OPNAME TOELICHTING BESCHRIJVING ONZEKERHEID MARKTPRIJZEN CLOSE-OUTKOSTEN MODELRISICO GECONCENTREERDE POSITIES TOEKOMSTIGE ADMINISTRATIEVE KOSTEN VERVROEGDE BEËINDIGING OPERATIONEEL RISICO TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN ONZEKERHEID MARKTPRIJZEN CLOSE-OUTKOSTEN MODEL Risico GECONCENTREERDE POSITIES UNEARNED CREDIT SPREADS BELEGGINGS- EN FINANCIERINGSKOSTEN TOEKOMSTIGE ADMINISTRATIEVE KOSTEN VERVROEGDE BEËINDIGING OPERATIONEEL RISICO WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0250 0260 0270 0010 1 TOTAAL KERNBENADERING 0020 WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE 0030 1.1 PORTEFEUILLES OVEREENKOMSTIG DE ARTIKELEN 9 T/M 17 – TOTAAL OP CATEGORIENIVEAU NA DIVERSIFICATIE 0040 1.1.1 TOTALE AWA OP CATEGORIENIVEAU VÓÓR DIVERSIFICATIE 0050 1.1.1* WAARVAN: AWA IN VERBAND MET UNEARNED CREDIT SPREADS 0060 1.1.1** WAARVAN: AWA IN VERBAND MET BELEGGINGS- EN FINANCIERINGSKOSTEN 0070 1.1.1*** WAARVAN: AWA MET EEN GEACHTE WAARDE NUL OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 9, LID 2, VAN GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/101 0080 1.1.1**** WAARVAN: AWA MET EEN GEACHTE WAARDE NUL OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 10, LEDEN 2 EN 3, VAN GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/101 0090 1.1.1.1 RENTE 0100 1.1.1.2 VALUTA 0110 1.1.1.3 KREDIET 0120 1.1.1.4 AANDELEN 0130 1.1.1.5 GRONDSTOFFEN 0140 1.1.2 (–) DIVERSIFICATIEVOORDELEN 0150 1.1.2.1 (–) DIVERSIFICATIEVOORDEEL BEREKEND VOLGENS METHODE 1 0160 1.1.2.2 (–) DIVERSIFICATIEVOORDEEL BEREKEND VOLGENS METHODE 2 0170 1.1.2.2* PRO-MEMORIEPOST: AWA’S VÓÓR DIVERSIFICATIE VERMINDERD MET MEER DAN 90 % DOOR DIVERSIFICATIE VOLGENS METHODE 2 0180 1.2 PORTEFEUILLES BEREKEND VOLGENS DE FALL-BACKBENADERING 0190 1.2.1 100 % VAN NETTO NIET-GEREALISEERDE WINST 0200 1.2.2 10 % VAN NOTIONELE WAARDE 0210 1.2.3 25 % VAN WAARDE BIJ AANVANG RANG MODEL RISICOCATEGORIE PRODUCT WAARNEEMBAARHEID AWA IN VERBAND MET MODELRISICO GEAGGREGEERDE AWA BEREKEND VOLGENS METHODE 2 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN IPV-VERSCHIL (OUTPUT TESTING) IPV-DEKKING (OUTPUT TESTING) REËLEWAARDEAANPASSINGEN WINST EN VERLIES BIJ EERSTE OPNAME WAARVAN: VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING WAARVAN: GEAGGREGEERD VOLGENS METHODE 2 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN MODELRISICO VERVROEGDE BEËINDIGING 0005 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 RANG RISICOCATEGORIE PRODUCT ONDERLIGGENDE GECONCENTREERDE POSITIE OMVANG MAATSTAF VAN OMVANG MARKTWAARDE PRUDENTE EXITPERIODE AWA IN VERBAND MET GECONCENTREERDE POSITIES GECONCENTREERDE POSITIE AANPASSINGEN REËLE WAARDE IPV-VERSCHIL 0005 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 Directe blootstellingen Pro-memoriepost: met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten Blootstellingswaarde Risicogewogen posten Blootstellingen binnen de balanstelling Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s Derivaten Blootstellingen buiten de balanstelling Totale brutoboekwaarde van niet-afgeleide financiële activa Totale boekwaarde van niet-afgeleide financiële activa (na aftrek van shortposities) Niet-afgeleide financiële activa volgens boekhoudkundige portefeuilles Shortposities Derivaten met een positieve reële waarde Derivaten met een negatieve reële waarde Nominaal bedrag Voorzieningen Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s Derivaten met een positieve reële waarde – Boekwaarde Derivaten met een negatieve reële waarde – Boekwaarde Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa Financiële activa voor handelsdoeleinden Verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies Financiële activa die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies Tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen Financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die op basis van een kostprijsmethode zijn gewaardeerd Overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden Waarvan: Shortposities uit omgekeerde retrocessieovereenkomsten aangemerkt als aangehouden voor handelsdoeleinden of financiële activa voor handelsdoeleinden waarvan: uit hoofde van tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of uit hoofde van niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen waarvan: uit hoofde van verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, financiële activa die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen of uit hoofde van financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies waarvan: uit hoofde van tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of uit hoofde van niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen Boekwaarde Notionele waarde Boekwaarde Notionele waarde 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0250 0260 0270 0280 0290 0300 0010 Totale blootstellingen UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR RISICO, REGELGEVINGSBENADERING EN BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN: 0020 Blootstelling volgens het kredietrisicokader 0030 Standaardbenadering 0040 Centrale overheden 0050 Regionale overheden of lokale autoriteiten 0060 Publiekrechtelijke lichamen 0070 Internationale organisaties 0075 Overige blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in het kader van de standaardbenadering 0080 Interneratingbenadering 0090 Centrale overheden 0100 Regionale overheden of lokale autoriteiten [Centrale overheden] 0110 Regionale overheden of lokale autoriteiten [Instellingen] 0120 Publiekrechtelijke lichamen [Centrale overheden] 0130 Publiekrechtelijke lichamen [Instellingen] 0140 Internationale organisaties [Centrale overheden] 0155 Overige blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in het kader van de interneratingbenadering 0160 Blootstellingen volgens het marktrisicokader UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR RESTERENDE LOOPTIJD: 0170 [0 – 3M] 0180 [3M – 1J] 0190 [1J – 2J] 0200 [2J – 3J] 0210 [3J – 5J] 0220 [5J – 10J] 0230 [10J – meer] Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend Totaal ≤ 1 jaar > 1 jaar ≤ 2 jaar > 2 jaar ≤ 3 jaar > 3 jaar ≤ 4 jaar > 4 jaar ≤ 5 jaar > 5 jaar ≤ 6 jaar > 6 jaar ≤ 7 jaar > 7 jaar ≤ 8 jaar > 8 jaar ≤ 9 jaar > 9 jaar 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0010 Toepasselijk bedrag aan onvoldoende dekking MINIMUMDEKKINGSVEREISTE 0020 Totaal minimumdekkingsvereiste 0030 Niet-gedekt deel van NPE’s 0040 Gedekt deel van NPE’s 0050 Blootstellingswaarde 0060 Niet-gedekt deel van NPE’s 0070 Gedekt deel van NPE’s BESCHIKBARE DEKKING 0080 Totaal voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (gemaximeerd) 0090 Totaal voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (niet-gemaximeerd) 0100 Specifieke kredietrisicoaanpassingen 0110 Aanvullende waardeaanpassingen 0120 Andere eigenvermogensverlagingen 0130 IRB-tekort 0140 Verschil tussen de aankoopprijs en het door de debiteur verschuldigde bedrag 0150 Door de instelling afgeschreven bedragen sinds de blootstelling als niet-renderend werd geclassificeerd Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend Totaal ≤ 1 jaar > 1 jaar ≤ 2 jaar > 2 jaar ≤ 3 jaar > 3 jaar ≤ 4 jaar > 4 jaar ≤ 5 jaar > 5 jaar ≤ 6 jaar > 6 jaar ≤ 7 jaar > 7 jaar ≤ 8 jaar > 8 jaar ≤ 9 jaar > 9 jaar 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0010 TOTAAL MINIMUMDEKKINGSVEREISTE 0020 Niet-gedekt deel van NPE’s 0030 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever 0040 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie 0050 Deel van NPE’s gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling 0060 BLOOTSTELLINGSWAARDE 0070 Niet-gedekt deel van NPE’s Factor 0.35 1 1 1 1 1 1 1 0080 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever Factor 0.25 0.35 0.55 0.7 0.8 0.85 1 0090 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie Factor 0.25 0.35 0.55 0.8 1 1 1 0100 Deel van NPE’s gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling Factor 1 1 1 Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend TOTAAL ≤ 1 jaar > 1 jaar ≤ 2 jaar > 2 jaar ≤ 3 jaar > 3 jaar ≤ 4 jaar > 4 jaar ≤ 5 jaar > 5 jaar ≤ 6 jaar > 6 jaar ≤ 7 jaar > 7 jaar ≤ 8 jaar > 8 jaar ≤ 9 jaar > 9 jaar 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0010 TOTAAL MINIMUMDEKKINGSVEREISTE 0020 Niet-gedekt deel van NPE’s 0030 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever 0040 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie 0050 BLOOTSTELLINGSWAARDE 0060 Niet-gedekt deel van NPE’s Eerste respijtmaatregel toegepast tussen 1 jaar en 2 jaar na classificatie als niet-renderend (> 1 jaar; ≤ 2 jaar) Factor 0 0 1 1 1 1 1 1 1 0070 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever Uitsplitsing naar tijdstip van toekenning van de eerste respijtmaatregel 0080 > 2 en ≤ 3 jaar na classificatie als NPE Factor 0 0 0.35 0.55 0.7 0.8 0.85 1 0090 > 3 en ≤ 4 jaar na classificatie als NPE Factor 0.25 0.25 0.55 0.7 0.8 0.85 1 0100 > 4 en ≤ 5 jaar na classificatie als NPE Factor 0.35 0.35 0.7 0.8 0.85 1 0110 > 5 en ≤ 6 jaar na classificatie als NPE Factor 0.55 0.55 0.8 0.85 1 0120 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie Uitsplitsing naar tijdstip van toekenning van de eerste respijtmaatregel 0130 > 2 en ≤ 3 jaar na classificatie als NPE Factor 0 0 0.35 0.55 0.8 1 1 1 0140 > 3 en ≤ 4 jaar na classificatie als NPE Factor 0.25 0.25 0.55 0.8 1 1 1 0150 > 4 en ≤ 5 jaar na classificatie als NPE Factor 0.35 0.35 0.8 1 1 1 0160 > 5 en ≤ 6 jaar na classificatie als NPE Factor 0.55 0.55 1 1 1

BIJLAGE II

BIJLAGE II INSTRUCTIES VOOR RAPPORTAGE INZAKE EIGEN VERMOGEN EN EIGENVERMOGENSVEREISTEN

DEEL I ALGEMENE INSTRUCTIES

1. STRUCTUUR EN CONVENTIES

1.

1.1.1.2.3. STRUCTUUR Het kader bestrijkt in totaal zes onderwerpen: Voor elke template zijn verwijzingen naar wetgeving opgenomen. Nadere informatie over meer algemene aspecten van de rapportage voor elk blok templates, instructies voor specifieke posities, alsmede validatievoorschriften zijn te vinden in dit deel van deze uitvoeringsverordening. De instellingen hoeven alleen de relevante templates in te vullen, afhankelijk van de benadering die zij volgen voor het bepalen van eigenvermogensvereisten.

1.1.1. a)

kapitaaltoereikendheid, overzicht van de kapitaalbasis; totaal van de risicoposten; prudente waardering; verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen (NPE);

b)

groepssolvabiliteit, een overzicht van de mate waarin alle afzonderlijke entiteiten binnen de consolidatiekring van de rapporterende entiteit aan de solvabiliteitsvereisten voldoen;

c)

kredietrisico (met inbegrip van tegenpartij-, verwaterings- en afwikkelingsrisico);

d)

marktrisico (met inbegrip van positierisico in de handelsportefeuille, valutarisico, grondstoffenrisico en CVA-risico);

e)

operationeel risico;

f)

blootstellingen met betrekking tot algemene overheden.

1.2.4.5.6.7.8.

GEBRUIK VAN NUMMERING Het document volgt de in de punten 5 tot en met 8 beschreven conventies voor verwijzingen naar de kolommen, rijen en cellen van de templates. Van die numerieke codes wordt uitgebreid gebruikgemaakt in de validatievoorschriften. In de instructies wordt de volgende algemene notatie gehanteerd: {Template; Rij; Kolom}. In het geval van validaties binnen een template, waarbij alleen datapunten van die template worden gebruikt, verwijzen de notaties niet naar een template: {Rij; Kolom}. In het geval van templates die uit slechts één kolom bestaan, wordt uitsluitend naar rijen verwezen: {Template; Rij}. Een asterisk geeft aan dat de validatie geldt voor de gehele rij of kolom.

1.3.9.10. TEKENCONVENTIE Bedragen die tot een hoger eigen vermogen of tot hogere kapitaalvereisten leiden, worden als positieve waarde gerapporteerd. Bedragen die tot een lager totaal aan eigen vermogen of tot lagere kapitaalvereisten leiden, worden dan weer als negatieve waarde gerapporteerd. Indien er een minteken (-) voor het label van een post staat, wordt er voor die post geen positieve waarde verwacht. [leeg]

DEEL II INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES

1. KAPITAALTOEREIKENDHEIDSOVERZICHT (CA)

1.
1.1.11.12.13.14.15.

ALGEMENE OPMERKINGEN De CA-templates bevatten informatie over tellers onder Pijler 1 (eigen vermogen, tier 1, tier 1-kernkapitaal), noemer (eigenvermogensvereisten) en de toepassing van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU. Dit betreft in totaal vijf templates: De templates moeten worden gebruikt door alle rapporterende entiteiten, ongeacht de gehanteerde standaarden voor jaarrekeningen, al is het zo dat bepaalde posten in de teller specifiek gelden voor entiteiten die de waarderingsregels van het IAS/IFRS-type hanteren. In de regel is de informatie in de noemer gekoppeld aan de uiteindelijke resultaten zoals die worden gerapporteerd in de desbetreffende templates voor de berekening van het totaal van de risicoposten. Het totaal van het eigen vermogen bestaat uit verschillende soorten kapitaal: tier 1-kapitaal (T1), zijnde de som van tier 1-kernkapitaal (CET1) en aanvullend tier 1-kapitaal (AT1), alsmede tier 2-kapitaal (T2). De toepassing van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU wordt in de CA-templates als volgt behandeld: De behandeling van Pijler II-vereisten kan uiteenlopen binnen de Unie (artikel 104 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU moet in nationale wet- en regelgeving worden omgezet). In de solvabiliteitsrapportage onder Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt uitsluitend het effect van de Pijler II-vereisten op de solvabiliteitsratio of de beoogde ratio opgenomen.

1.1.11. a)

template CA1 bevat het bedrag aan eigen vermogen van de instellingen, opgesplitst in de posten die nodig zijn om dat bedrag te verkrijgen. Het aldus verkregen bedrag aan eigen vermogen omvat het totale effect van de toepassing van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU voor elk soort kapitaal;

b)

Template CA2 geeft een overzicht van het totaal van de risicoposten in de zin van artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

template CA3 bevat de ratio’s waarvoor in Verordening (EU) nr. 575/2013 een minimumniveau voor Pijler 2-ratio’s is vastgesteld, alsmede enkele andere daarmee samenhangende gegevens;

d)

template CA4 bevat pro-memorieposten die onder meer nodig zijn voor de berekening van posten in CA1, alsmede informatie ten aanzien van de kapitaalbuffers uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU;

e)

template CA5 bevat de gegevens die nodig zijn voor de berekening van het effect van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 op het eigen vermogen. CA5 vervalt zodra die overgangsbepalingen niet langer van kracht zijn.

1.1.11.12.13.14. a)

De posten in CA1 zijn doorgaans exclusief overgangsaanpassingen. Dat betekent dat de cijfers in CA1-posten zijn berekend overeenkomstig de definitieve bepalingen (d.w.z. als ware er geen sprake van overgangsbepalingen), met uitzondering van posten die een overzicht bieden van het effect van die overgangsbepalingen. Voor elk soort kapitaal (d.w.z. tier 1-kernkapitaal, aanvullend tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal) zijn er drie verschillende posten die alle uit die overgangsbepalingen voortvloeiende correcties omvatten.

b)

Overgangsbepalingen kunnen ook gevolgen hebben voor het tekort aan aanvullend tier 1-kapitaal of tier 2-kapitaal (d.w.z. het af te trekken bedrag dat het aanvullend tier 1-kapitaal of tier 2-kapitaal overschrijdt, zoals bepaald in, respectievelijk, artikel 36, lid 1, punt j), en artikel 56, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013); derhalve kan het effect van die overgangsbepalingen indirect tot uiting komen in de posten waarin die tekorten zijn vervat.

c)

Template CA5 wordt uitsluitend gebruikt voor de rapportage van het effect van de toepassing van de overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.1.11.12.13.14.15. a)

De templates CA1, CA2 en CA5 bevatten uitsluitend gegevens over kwesties die verband houden met Pijler I.

b)

Template CA3 bevat het effect van aanvullende Pijler II-vereisten op de solvabiliteitsratio op geaggregeerde basis. Deze betreft hoofdzakelijk de beoogde ratio’s zelf. Er is geen verder verband met de templates CA1, CA2 of CA5.

c)

Template CA4 bevat één cel die betrekking heeft op additionele eigenvermogensvereisten met betrekking tot Pijler II. Die cel is niet via validatievoorschriften gekoppeld aan de kapitaalratio’s van template CA3 en weerspiegelt artikel 104, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, waarin additionele eigenvermogensvereisten expliciet als één van de mogelijkheden voor Pijler II-besluiten worden genoemd.

1.2. C 01.00 – EIGEN VERMOGEN (CA1)

1.2.

1.2.1 Instructies voor specifieke posities Rij Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 1. Eigen vermogen Artikel 4, lid 1, punt 118, en artikel 72 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het eigen vermogen van een instelling bestaat uit de som van haar tier 1- en tier 2-kapitaal. 0015 1.1 Tier 1-kapitaal Artikel 25 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het tier 1-kapitaal is de som van het tier 1-kernkapitaal en het aanvullend tier 1-kapitaal. 0020 1.1.1 Tier 1-kernkapitaal Artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0030 1.1.1.1 Als tier 1-kernkapitaal in aanmerking komende kapitaalinstrumenten en agioreserves Artikel 26, lid 1, punten a) en b), artikelen 27 tot en met 30, artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0040 1.1.1.1.1 Volgestorte kapitaalinstrumenten Artikel 26, lid 1, punt a), en artikelen 27 tot en met 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Kapitaalinstrumenten van onderlinge maatschappijen, coöperaties of soortgelijke instellingen (artikelen 27 en 29 van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden opgenomen. Het met de instrumenten verband houdende agio hoeft niet te worden opgenomen. In noodsituaties bij autoriteiten geplaatste kapitaalinstrumenten worden opgenomen indien alle voorwaarden van artikel 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vervuld. 0045 1.1.1.1.1* Waarvan: In noodsituaties bij overheden geplaatste kapitaalinstrumenten Artikel 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In noodsituaties bij autoriteiten geplaatste kapitaalinstrumenten worden in het tier 1-kernkapitaal opgenomen indien alle voorwaarden van artikel 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vervuld. 0050 1.1.1.1.2* Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten Artikel 28, lid 1, punten b), l) en m), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De voorwaarden in die punten hebben betrekking op verschillende kapitaalsituaties die omkeerbaar zijn. Het hier gerapporteerde bedrag komt dus in latere periodes mogelijk wel in aanmerking. In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt. 0060 1.1.1.1.3 Agio Artikel 4, lid 1, punt 124, en artikel 26, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Agio betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. Het onder deze post te rapporteren bedrag is het gedeelte dat verband houdt met de Volgestorte kapitaalinstrumenten. 0070 1.1.1.1.4 (–) Eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten Artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Eigen tier 1-kernkapitaal van de rapporterende instelling of groep op de rapportagedatum en bedragen aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie. Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Aandelenbelangen die als Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten zijn opgenomen, worden in deze rij niet gerapporteerd. In het te rapporteren bedrag dient het met de eigen aandelen verband houdende agio te zijn verwerkt. In de posten 1.1.1.1.4 tot en met 1.1.1.1.4.3 worden geen feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten opgenomen. Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden afzonderlijk gerapporteerd in post 1.1.1.1.5. 0080 1.1.1.1.4.1 (–) Direct bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten Artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In post 1.1.1.1 opgenomen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die worden gehouden door instellingen van de geconsolideerde groep en bedragen aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie. Het te rapporteren bedrag omvat bezittingen in de handelsportefeuille die zijn berekend op basis van de netto longpositie zoals bedoeld in artikel 42, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0090 1.1.1.1.4.2 (–) Indirect bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten Artikel 4, lid 1, punt 114, artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0091 1.1.1.1.4.3 (–) Synthetisch bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten Artikel 4, lid 1, punt 126, artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0092 1.1.1.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichting tot het kopen van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten Artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die een instelling krachtens een bestaande contractuele verplichting feitelijk of onder bepaalde voorwaarden moet kopen, worden afgetrokken. 0130 1.1.1.2 Ingehouden winsten Artikel 26, lid 1, punt c), en artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Onder ingehouden winsten wordt verstaan de ingehouden winsten van het voorgaande jaar plus de in aanmerking komende tussentijdse of jaareindewinsten. 0140 1.1.1.2.1 Ingehouden winsten voorgaande jaren Artikel 4, lid 1, punt 123, en artikel 26, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 4, lid 1, punt 123, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschrijft ingehouden winsten als de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door definitieve bestemming van het resultaat overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving. 0150 1.1.1.2.2 In aanmerking komende winsten of verliezen Artikel 4, lid 1, punt 121, artikel 26, lid 2, en artikel 36, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Krachtens artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen tussentijdse of jaareinderesultaten, met de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten, als ingehouden winsten worden opgenomen indien bepaalde voorwaarden zijn vervuld. Daartegenover staat dat krachtens artikel 36, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 verliezen van het tier 1-kernkapitaal moeten worden afgetrokken. 0160 1.1.1.2.2.1 Aan eigenaren moedermaatschappij toe te rekenen winsten of verliezen Artikel 26, lid 2, en artikel 36, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het bedrag van de winst of het verlies zoals gerapporteerd in de winst- en verliesrekening. 0170 1.1.1.2.2.2 (–) Niet in aanmerking komend deel tussentijdse of jaareinderesultaat Artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 In deze rij hoeft geen bedrag te worden vermeld indien de instelling voor de referentieperiode verliezen heeft geboekt, aangezien de verliezen in hun geheel van het tier 1-kernkapitaal moeten worden afgetrokken. Als de instelling winst heeft geboekt, wordt dat deel van die winst gerapporteerd dat overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet in aanmerking komt (d.w.z. niet gecontroleerde winsten en te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden). N.B. In het geval van winst is het bedrag dat moet worden afgetrokken, ten minste gelijk aan het tussentijdse dividend. 0180 1.1.1.3 Geaccumuleerde overige onderdelen totaalresultaat Artikel 4, lid 1, punt 100, en artikel 26, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het bedrag na aftrek van eventuele op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen en vóór toepassing van prudentiële filters. Het te rapporteren bedrag wordt bepaald in overeenstemming met artikel 13, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie. 0200 1.1.1.4 Andere reserves Artikel 4, lid 1, punt 117, en artikel 26, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Andere reserves worden in Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven als reserves in de zin van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving die overeenkomstig de toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving openbaar moeten worden gemaakt, met uitzondering van bedragen die reeds zijn opgenomen in gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten of ingehouden winsten. Het te rapporteren bedrag is het bedrag na aftrek van op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen. 0210 1.1.1.5 Fondsen voor algemene bankrisico’s Artikel 4, lid 1, punt 112, en artikel 26, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Fondsen voor algemene bankrisico’s worden in artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad omschreven als bedragen die de kredietinstelling besluit te bestemmen voor de dekking van dergelijke risico’s, indien zulks om redenen van voorzichtigheid wegens de bijzondere, met het bankbedrijf samenhangende risico’s geboden is. Het te rapporteren bedrag is het bedrag na aftrek van op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen. 0220 1.1.1.6 Overgangsaanpassingen als gevolg van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikel 483, leden 1, 2 en 3, en artikelen 484 tot en met 487 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag van de kapitaalinstrumenten die gedurende de overgangsperiode krachtens grandfatheringbepalingen als tier 1-instrumenten worden aangemerkt. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0230 1.1.1.7 Als tier 1-kernkapitaal opgenomen minderheidsbelangen Artikel 4, lid 1, punt 120, en artikel 84 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van alle bedragen aan minderheidsbelangen van dochterondernemingen die in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal wordt opgenomen. 0240 1.1.1.8 Overgangsaanpassingen in verband met aanvullende minderheidsbelangen Artikelen 479 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanpassingen van de minderheidsbelangen als gevolg van overgangsbepalingen. Deze post wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0250 1.1.1.9 Aanpassingen aan tier 1-kernkapitaal als gevolg van prudentiële filters Artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0260 1.1.1.9.1 (–) Toenamen van aandelenkapitaal die voortvloeien uit gesecuritiseerde activa Artikel 32, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is de toename van het aandelenkapitaal van de instelling voortvloeiende uit gesecuritiseerde activa, overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. Deze post omvat bijvoorbeeld toekomstige marge-inkomsten die voor de instelling resulteren in een winst bij verkoop of, indien de instelling initiator van de securitisatie is, de nettowinsten die voortvloeien uit de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa die als kredietverbetering voor securitisatieposities dienen. 0270 1.1.1.9.2 Reserve voor kasstroomhedges Artikel 33, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag kan zowel positief als negatief zijn. Het is positief als de kasstroomhedges resulteren in een verlies (d.w.z. als het bedrag het boekhoudkundige aandelenkapitaal vermindert), en vice versa. Het teken is daarom het tegenovergestelde van het teken dat in de financiële verslaggeving wordt gebruikt. Het bedrag is het bedrag na aftrek van op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen. 0280 1.1.1.9.3 Cumulatieve en tegen reële waarde gewaardeerde winsten of verliezen op verplichtingen instelling die voortvloeien uit veranderingen eigen kredietwaardigheid Artikel 33, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag kan zowel positief als negatief zijn. Het is positief als er sprake is van een verlies als gevolg van veranderingen van het eigen kredietrisico (d.w.z. als het bedrag het boekhoudkundige aandelenkapitaal vermindert), en vice versa. Het teken is daarom het tegenovergestelde van het teken dat in de financiële verslaggeving wordt gebruikt. Niet-gecontroleerde winst wordt niet in deze post opgenomen. 0285 1.1.1.9.4 Tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen die voortvloeien uit eigen kredietrisico instelling in verband met afgeleide verplichtingen Artikel 33, lid 1, punt c), en artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag kan zowel positief als negatief zijn. Het is positief als er sprake is van een verlies als gevolg van veranderingen van het eigen kredietrisico, en vice versa. Het teken is daarom het tegenovergestelde van het teken dat in de financiële verslaggeving wordt gebruikt. Niet-gecontroleerde winst wordt niet in deze post opgenomen. 0290 1.1.1.9.5 (–) Waardeaanpassingen als gevolg van vereisten voor prudente waardering Artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanpassingen van de reële waarde van blootstellingen die vanwege striktere normen voor prudente waardering zoals bedoeld in artikel 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen. 0300 1.1.1.10 (–) Goodwill Artikel 4, lid 1, punt 113, artikel 36, lid 1, punt b), en artikel 37 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0310 1.1.1.10.1 (–) Goodwill die als immaterieel activum wordt verantwoord Artikel 4, lid 1, punt 113, en artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Goodwill betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. Het hier te rapporteren bedrag is hetzelfde als het bedrag dat op de balans wordt verantwoord. 0320 1.1.1.10.2 (–) In de waardering van aanzienlijke deelnemingen vervatte goodwill Artikel 37, punt b), en artikel 43 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0330 1.1.1.10.3 Aan goodwill gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen Artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag aan uitgestelde belastingverplichtingen dat zou worden opgeheven als de goodwill overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen dubieus zou worden of zou worden verwijderd. 0335 1.1.1.10.4 Uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van aan derden toe te rekenen goodwill van dochterondernemingen Artikel 37, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van de goodwill van dochterondernemingen die kan worden toegerekend aan personen niet zijnde de ondernemingen die onder de consolidatie op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, vallen. 0340 1.1.1.11 (–) Andere immateriële activa Artikel 4, lid 1, punt 115, artikel 36, lid 1, punt b), en artikel 37, punten a) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Andere immateriële activa zijn de immateriële activa overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen minus de goodwill, eveneens volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. 0350 1.1.1.11.1 (–) Andere immateriële activa vóór aftrek uitgestelde belastingverplichtingen Artikel 4, lid 1, punt 115, en artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Andere immateriële activa zijn de immateriële activa overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen minus de goodwill, eveneens volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag aan immateriële activa dat in de balans is opgenomen volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen, met uitzondering van goodwill en het bedrag aan prudent gewaardeerde softwareactiva dat niet van tier 1-kernkapitaalbestanddelen wordt afgetrokken overeenkomst artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0352 1.1.1.11.1.1 (–) Waarvan softwareactiva opgenomen als andere immateriële activa vóór aftrek uitgestelde belastingverplichtingen Artikel 4, lid 1, punt 115, en artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het als immateriële activa opgenomen bedrag aan softwareactiva dat wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. In het gerapporteerde bedrag wordt geen rekening gehouden met de effecten in verband met de toepassing van de in artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde behandeling wat betreft de aan die softwareactiva gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen. Indien een instelling besluit om haar softwareactiva volledig af te trekken overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 – in plaats van de behandeling van artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 toe te passen – moet het in deze rij gerapporteerde bedrag overeenkomen met het bedrag aan softwareactiva dat overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen als immateriële activa in de balans is opgenomen. 0360 1.1.1.11.2 Aan andere immateriële activa gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen Artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag aan uitgestelde belastingverplichtingen dat zou komen te vervallen indien de immateriële activa niet zijnde goodwill en prudent gewaardeerde softwareactiva die zijn vrijgesteld van de aftrekking van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014, aan een bijzondere waardevermindering zou worden of niet meer zou worden opgenomen volgens de betrokken standaard voor jaarrekeningen. 0362 1.1.1.11.2.1 Aan als immateriële activa opgenomen softwareactiva gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen Artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het aandeel uitgestelde belastingverplichtingen dat is gerelateerd aan het als immateriële activa opgenomen bedrag aan softwareactiva dat wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 of artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0365 1.1.1.11.3 Uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van andere aan derden toe te rekenen immateriële activa van dochterondernemingen Artikel 37, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van immateriële activa van dochterondernemingen niet zijnde goodwill dat kan worden toegerekend aan personen niet zijnde de ondernemingen die op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie zijn opgenomen. 0370 1.1.1.12 (–) Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en die niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen, na aftrek van daaraan gerelateerde belastingverplichtingen Artikel 36, lid 1, punt c), en artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0380 1.1.1.13 (–) Voor interneratingbenadering, het negatieve bedrag na aftrek verwachte verliesposten van kredietrisicoaanpassingen Artikel 36, lid 1, punt d), en artikelen 40, 158 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag wordt niet verminderd met een stijging van de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, of andere aanvullende belastingeffecten die zich zouden kunnen voordoen als de voorzieningen zouden stijgen tot het niveau van de verwachte verliezen (artikel 40 van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0390 1.1.1.14 (–) Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds Artikel 4, lid 1, punt 109, artikel 36, lid 1, punt e), en artikel 41 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0400 1.1.1.14.1 (–) Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds Artikel 4, lid 1, punt 109, en artikel 36, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds zijn de activa van een pensioenfonds dat, respectievelijk een pensioenregeling die op vaste toezeggingen gebaseerd is, berekend nadat op die activa het bedrag van de verplichtingen uit hoofde van dat fonds, respectievelijk die regeling in mindering is gebracht. Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag dat op de balans wordt verantwoord (indien afzonderlijk gerapporteerd). 0410 1.1.1.14.2 Aan activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen Artikel 4, lid 1, punten 108 en 109, en artikel 41, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag aan uitgestelde belastingverplichtingen die zouden komen te vervallen als de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen dubieus zouden worden of zouden worden uitgeboekt. 0420 1.1.1.14.3 Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds waarvan instelling onbeperkt kan gebruikmaken Artikel 4, lid 1, punt 109, en artikel 41, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In deze post wordt alleen een bedrag vermeld indien de bevoegde autoriteit vooraf toestemming heeft gegeven om het af te trekken bedrag aan activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds te verminderen. Op de in deze rij opgenomen activa wordt een risicogewicht voor kredietrisicovereisten toegepast. 0430 1.1.1.15 (–) Wederzijdse deelnemingen in tier 1-kernkapitaal Artikel 4, lid 1, punt 122, artikel 36, lid 1, punt g), en artikel 44 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien er sprake is van een wederzijdse deelneming die naar het oordeel van de bevoegde autoriteit is bedoeld om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen. Het te rapporteren bedrag wordt berekend op basis van de bruto longposities en omvat tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen. 0440 1.1.1.16 (–) Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt Artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan de CA 1-post Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat het aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt. Dit bedrag moet van het tier 1-kernkapitaal worden afgetrokken. 0450 1.1.1.17 (–) Gekwalificeerde deelnemingen buiten financiële sector die als alternatief in aanmerking komen voor risicogewicht van 1250 % Artikel 4, lid 1, punt 36, artikel 36, lid 1, punt k), i), en artikelen 89 tot en met 91 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een gekwalificeerde deelneming wordt omschreven als het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van 10 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een percentage dat het mogelijk maakt een invloed van betekenis op de bedrijfsvoering van die onderneming uit te oefenen. Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen gekwalificeerde deelnemingen hetzij van het tier 1-kernkapitaal worden afgetrokken (door deze post te gebruiken), hetzij in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1250 %. 0460 1.1.1.18 (–) Securitisatieposities die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1250 % Artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Securitisatieposities waaraan een risicogewicht van 1250 % wordt toegekend maar die als alternatief kunnen worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (artikel 36, lid 1, punt k), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013), worden onder deze post gerapporteerd. 0470 1.1.1.19 (–) Niet-afgewikkelde transacties (free deliveries) die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1250 % Artikel 36, lid 1, punt k), iii), en artikel 379, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Niet-afgewikkelde transacties (free deliveries) kunnen in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1250 % vanaf vijf dagen na het tweede contractuele betalings- of leveringsgedeelte tot de beëindiging van de transactie, overeenkomstig de eigenvermogensvereisten voor afwikkelingsrisico. Als alternatief kunnen ze worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (artikel 36, lid 1, punt k), iii), van Verordening (EU) nr. 575/2013). In dat laatste geval worden ze onder deze post gerapporteerd. 0471 1.1.1.20 (–) Posities in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht niet met de interneratingbenadering kan bepalen, en die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1250 % Artikel 36, lid 1, punt k), iv), en artikel 153, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen posities in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht met de interneratingbenadering niet kan bepalen, hetzij worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (door deze post te gebruiken), hetzij in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1250 %. 0472 1.1.1.21 (–) Blootstellingen in aandelen volgens een internemodellenbenadering die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1250 % Artikel 36, lid 1, punt k), v), en artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), v), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen blootstellingen in aandelen volgens een internemodellenbenadering hetzij worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (door deze post te gebruiken), hetzij in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1250 %. 0480 1.1.1.22 (–) Tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 36, lid 1, punt h), artikelen 43 tot en met 46, artikel 49, leden 2 en 3, en artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het deel van het bezit van de instelling aan instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, dat van het tier 1-kernkapitaal moet worden afgetrokken. Zie de alternatieven voor aftrek indien consolidatie wordt toegepast (artikel 49, leden 2 en 3). 0490 1.1.1.23 (–) Aftrekbare uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen Artikel 36, lid 1, punt c); artikel 38, en artikel 48, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het deel van uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen (na aftrek van het deel van gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen dat is toegekend aan uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit tijdelijke verschillen) dat, overeenkomstig artikel 38, lid 5, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moet worden afgetrokken, met toepassing van de in artikel 48, lid 1, punt a), van die verordening genoemde 10 %-drempel. 0500 1.1.1.24 (–) Tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 36, lid 1, punt i); artikelen 43, 45 en 47, artikel 48, lid 2, punt b), artikel 49, leden 1, 2 en 3, en artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het deel van het bezit van de instelling aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, dat moet worden afgetrokken, met toepassing van de in artikel 48, lid 1, punt b), van die verordening genoemde 10%-drempel. Zie de alternatieven voor aftrek indien consolidatie wordt toegepast (artikel 49, leden 1, 2 en 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0510 1.1.1.25 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden Artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het deel van uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, alsmede direct, indirect en synthetisch bezit van de instelling aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, dat moet worden afgetrokken, met toepassing van de in artikel 48, lid 2, van die verordening genoemde 17,65 %-drempel. 0511 1.1.1.25.1 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden in verband met tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft 0512 1.1.1.25.2 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden in verband met uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit tijdelijke verschillen 0513 1.1.1.25A (-) Ontoereikende dekking voor niet-renderende blootstellingen Artikel 36, lid 1, punt m), en artikel 47 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 0514 1.1.1.25B (–) Tekorten voor de minimumwaardeverplichting Artikel 36, lid 1, punt n), en artikel 132 quater, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0515 1.1.1.25C (–) Andere te verwachten belastingen Artikel 36, lid 1, punt l), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Op het ogenblik van de berekening te verwachten belastingen in verband met tier 1-kernkapitaalbestanddelen zijn niet zijnde belastingen die reeds in een van de andere rijen met tier 1-kernkapitaalbestanddelen in aanmerking zijn genomen door het bedrag van het betrokken tier 1-kernkapitaalbestanddeel te verlagen. 0520 1.1.1.26 Overige overgangsaanpassingen het tier 1-kernkapitaal Artikelen 469 tot en met 478 en artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanpassingen van aftrekkingen als gevolg van overgangsbepalingen. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0524 1.1.1.27 (–) Aanvullende aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Indien een instelling besluit om haar softwareactiva volledig af te trekken overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 – in plaats van de behandeling van artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 toe te passen – moet het afgetrokken bedrag niet in deze rij worden gerapporteerd, maar in rij 0352. 0529 1.1.1.28 Bestanddelen of aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal – overige Deze rij is bedoeld om – uitsluitend ten behoeve van de rapportage – extra flexibiliteit te bieden. Deze rij mag alleen worden ingevuld in het zeldzame geval dat er geen definitief besluit is genomen ten aanzien van de rapportage van specifieke kapitaalbestanddelen/aftrekkingen in de bestaande CA1-template. Dit betekent dat deze rij uitsluitend wordt ingevuld indien een tier 1-kernkapitaalbestanddeel dan wel een aftrekking van een tier 1-kernkapitaalbestanddeel niet aan een van de rijen 020 tot en met 524 kan worden toegewezen. Deze rij mag niet worden gebruikt om niet door Verordening (EU) nr. 575/2013 gedekte kapitaalbestanddelen of aftrekkingen in de berekening van de solvabiliteitsratio’s te betrekken (bv. een toewijzing van nationale kapitaalbestanddelen/aftrekkingen die niet onder Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen). 0530 1.1.2 AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL Artikel 61 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0540 1.1.2.1 Als aanvullend tier 1-kapitaal in aanmerking komende kapitaalinstrumenten en agioreserves Artikel 51, punt a), artikelen 52, 53 en 54, artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0551 1.1.2.1.1 Volgestorte, direct uitgegeven kapitaalinstrumenten Artikel 51, punt a), en artikelen 52, 53 en 54 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt. 0560 1.1.2.1.2 (*) Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten Artikel 52, lid 1, punten c), e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De voorwaarden in die punten hebben betrekking op verschillende kapitaalsituaties die omkeerbaar zijn. Het hier gerapporteerde bedrag komt dus in latere periodes mogelijk wel in aanmerking. In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt. 0571 1.1.2.1.3 Agio Artikel 51, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Agio betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. Het onder deze post te rapporteren bedrag is het gedeelte dat verband houdt met de Volgestorte en direct uitgegeven kapitaalinstrumenten. 0580 1.1.2.1.4 (–) Eigen aanvullend tier 1-instrumenten Artikel 52, lid 1, punt b), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Eigen aanvullend tier 1-instrumenten van de rapporterende instelling of groep op de rapportagedatum en bedragen aan aanvullend tier 1-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Aandelenbelangen die als Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten zijn opgenomen, worden niet in deze rij gerapporteerd. In het te rapporteren bedrag dient het met de eigen aandelen verband houdende agio te zijn verwerkt. In de posten 1.1.2.1.4 tot en met 1.1.2.1.4.3 worden geen eigen aanvulend tier 1-instrumenten opgenomen die de instelling feitelijk of onder bepaalde voorwaarden moet kopen. Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van aanvullend tier 1-instrumenten worden afzonderlijk gerapporteerd in post 1.1.2.1.5. 0590 1.1.2.1.4.1 (–) Direct bezit van aanvullend tier 1-instrumenten Artikel 4, lid 1, punt 144, artikel 52, lid 1, punt b), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In post 1.1.2.1.1 opgenomen aanvullend tier 1-instrumenten die worden gehouden door instellingen van de geconsolideerde groep en bedragen aan aanvullend tier 1-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. 0620 1.1.2.1.4.2 (–) Indirect bezit van aanvullend tier 1-instrumenten Artikel 52, lid 1, punt b), ii), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0621 1.1.2.1.4.3 (–) Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-instrumenten Artikel 4, lid 1, punt 126, artikel 52, lid 1, punt b), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0622 1.1.2.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen aanvullend tier 1-instrumenten Artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Overeenkomstig artikel 56, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten eigen aanvullend tier 1-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen, worden afgetrokken. 0660 1.1.2.2 Overgangsaanpassingen als gevolg van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikel 483, leden 4 en 5, artikelen 484 tot en met 487, artikelen 489 en 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Bedrag van de kapitaalinstrumenten die gedurende de overgangsperiode krachtens grandfatheringbepalingen als aanvullend tier 1-instrumenten worden aangemerkt. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0670 1.1.2.3 Door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten die in het aanvullend tier 1-kapitaal worden opgenomen Artikelen 83, 85 en 86 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van alle bedragen aan in aanmerking komend tier 1-kapitaal van dochterondernemingen die in het geconsolideerde aanvullend tier 1-kapitaal wordt opgenomen. Door een special purpose entity uitgegeven in aanmerking komend aanvullend tier 1-kapitaal (artikel 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013) wordt opgenomen. 0680 1.1.2.4 Overgangsaanpassingen als gevolg van additionele opneming van door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten in het aanvullend tier 1-kapitaal Artikel 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen aan het in aanmerking komend tier 1-kapitaal dat in geconsolideerd aanvullend tier 1-kapitaal wordt opgenomen. Deze post wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0690 1.1.2.5 (–) Wederzijdse deelnemingen in aanvullend tier 1-kapitaal Artikel 4, lid 1, punt 122, artikel 56, punt b), en artikel 58 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Bezit van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien er sprake is van een wederzijdse deelneming die naar het oordeel van de bevoegde autoriteit is bedoeld om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen. Het te rapporteren bedrag wordt berekend op basis van de bruto longposities en omvat aanvullend tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen. 0700 1.1.2.6 (–) Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 56, punt c); artikelen 59, 60 en 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het deel van het bezit van de instelling aan instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, dat van het aanvullend tier 1-kapitaal moet worden afgetrokken. 0710 1.1.2.7 (–) Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 56, punt d), en artikelen 59 en 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bezit van de instelling aan aanvullend tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, wordt in zijn geheel afgetrokken. 0720 1.1.2.8 (–) Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt Artikel 56, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan de CA 1-post Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van aanvullend tier 1-kapitaal). 0730 1.1.2.9 Overige overgangsaanpassingen aan aanvullend tier 1-kapitaal Artikelen 472, 473 bis, 474, 475, 478 en 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0740 1.1.2.10 (–) Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat het aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van tier-1-kernkapitaal) Artikel 36, lid 1, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanvullend-tier 1-kapitaal kan niet negatief zijn, maar het is wel mogelijk dat de aftrekkingen van het aanvullend tier 1-kapitaal groter zijn dan het aanvullend tier 1-kapitaal plus het desbetreffende agio. In dat geval moet het aanvullend tier 1-kapitaal op nul worden gesteld, en moet het bedrag van aftrekkingen van aanvullend tier 1-kapitaal waarmee het aanvullend tier 1-kapitaal wordt overschreden, van het tier 1-kernkapitaal worden afgetrokken. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de som van de posten 1.1.2.1 tot en met 1.1.2.12 nooit lager dan nul is. Indien deze post positief is, vermeldt post 1.1.1.16 het tegenovergestelde van dat bedrag. 0744 1.1.2.11 (–) Aanvullende aftrekkingen van aanvullend-tier 1-kapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0748 1.1.2.12 Bestanddelen of aftrekkingen van aanvullend tier 1-kapitaal – overige Deze rij is bedoeld om – uitsluitend ten behoeve van de rapportage – extra flexibiliteit te bieden. Deze rij mag alleen worden ingevuld in het zeldzame geval dat er geen definitief besluit is genomen ten aanzien van de rapportage van specifieke kapitaalbestanddelen/aftrekkingen in de bestaande CA1-template. Dit betekent dat deze rij alleen wordt ingevuld indien een aanvullend tier 1-kapitaalbestanddeel dan wel een aftrekking van een aanvullend tier 1-kapitaalbestanddeel niet aan een van de rijen 530 tot en met 744 kan worden toegewezen. Deze rij mag niet worden gebruikt om niet door Verordening (EU) nr. 575/2013 gedekte kapitaalbestanddelen of aftrekkingen in de berekening van de solvabiliteitsratio’s te betrekken (bv. een toewijzing van nationale kapitaalbestanddelen/aftrekkingen die niet onder die verordening vallen). 0750 1.2 TIER 2-KAPITAAL Artikel 71 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0760 1.2.1 Als tier 2-kapitaal in aanmerking komende kapitaalinstrumenten en agioreserves Artikel 62, punt a), artikelen 63 tot en met 65, artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0771 1.2.1.1 Volgestorte, direct uitgegeven kapitaalinstrumenten Artikel 62, punt a), en artikelen 63 en 65 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt. De kapitaalinstrumenten kunnen bestaan uit eigen vermogen of verplichtingen, met inbegrip van achtergestelde leningen die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen. 0780 1.2.1.2 (*) Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten Artikel 63, punten c), e) en f), en artikel 64 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De voorwaarden in die punten hebben betrekking op verschillende kapitaalsituaties die omkeerbaar zijn. Het hier gerapporteerde bedrag komt dus in latere periodes mogelijk wel in aanmerking. In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt. De kapitaalinstrumenten kunnen bestaan uit eigen vermogen of verplichtingen, met inbegrip van achtergestelde leningen. 0791 1.2.1.3 Agio Artikel 62, punt b), en artikel 65 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Agio betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen. Het onder deze post te rapporteren bedrag is het gedeelte dat verband houdt met de Volgestorte en direct uitgegeven kapitaalinstrumenten. 0800 1.2.1.4 (–) Eigen tier 2-instrumenten Artikel 63, punt b), i), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Eigen tier 2-instrumenten van de rapporterende instelling of groep op de rapportagedatum en bedragen aan tier 2-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Aandelenbelangen die als Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten zijn opgenomen, worden niet in deze rij gerapporteerd. In het te rapporteren bedrag dient het met de eigen aandelen verband houdende agio te zijn verwerkt. In de posten 1.2.1.4 tot en met 1.2.1.4.3 worden geen feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 2-kapitaalinstrumenten opgenomen. Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 2-instrumenten worden afzonderlijk gerapporteerd in post 1.2.1.5. 0810 1.2.1.4.1 (–) Direct bezit tier 2-instrumenten Artikel 63, punt b), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In post 1.2.1.1 opgenomen tier 2-instrumenten die worden gehouden door instellingen van de geconsolideerde groep en bedragen aan tier 2-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. 0840 1.2.1.4.2 (–) Indirect bezit tier 2-instrumenten Artikel 4, lid 1, punt 114, artikel 63, punt b), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0841 1.2.1.4.3 (–) Synthetisch bezit tier 2-instrumenten Artikel 4, lid 1, punt 126, artikel 63, punt b), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0842 1.2.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 2-instrumenten Artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Overeenkomstig artikel 66, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten eigen tier 2-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen, worden afgetrokken. 0880 1.2.2 Overgangsaanpassingen als gevolg van tier 2-kapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikel 483, leden 6 en 7, artikelen 484, 486, 488, 490 en 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Bedrag van de kapitaalinstrumenten die gedurende de overgangsperiode krachtens grandfatheringbepalingen als tier 2-kapitaal kunnen worden aangemerkt. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0890 1.2.3 Door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten die in het tier 2-kapitaal worden opgenomen Artikelen 83, 87 en 88 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van alle bedragen aan in aanmerking komend eigen vermogen van dochterondernemingen die in het geconsolideerde tier 2-kapitaal worden opgenomen. Door een special purpose entity uitgegeven in aanmerking komend tier 2-kapitaal (artikel 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013) wordt opgenomen. 0900 1.2.4 Overgangsaanpassingen als gevolg van additionele opneming van door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten in het tier 2-kapitaal Artikel 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen van het in aanmerking komend eigen vermogen dat in het geconsolideerd tier 2-kapitaal wordt opgenomen. Deze post wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0910 1.2.5 Bedrag voorzieningen waarmee volgens interneratingbenadering verwachte verliezen worden overschreden Artikel 62, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor instellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de interneratingbenadering bevat deze post de positieve bedragen die de uitkomst zijn van de vergelijking van de voorzieningen en de verwachte verliezen en die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal. 0920 1.2.6 Algemene kredietrisicoaanpassingen volgens standaardbenadering Artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor instellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de standaardbenadering, bevat deze post de algemene kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal. 0930 1.2.7 (–) Wederzijdse deelnemingen in tier 2-kapitaal Artikel 4, lid 1, punt 122, artikel 66, punt b), en artikel 68 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien er sprake is van een wederzijdse deelneming die naar het oordeel van de bevoegde autoriteit is bedoeld om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen. Het te rapporteren bedrag wordt berekend op basis van de bruto longposities en omvat de tier 2- en tier 3-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen. 0940 1.2.8 (–) Tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 66, punt c), artikelen 68 tot en met 70 en artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het deel van het bezit van de instelling aan instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling in deze entiteiten geen aanzienlijke deelneming heeft die van het tier 2-kapitaal moet worden afgetrokken. 0950 1.2.9 (–) Tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 66, punt d), en artikelen 68, 69 en 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bezit van de instelling aan tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, wordt in zijn geheel afgetrokken. 0955 1.2.9A (–) Van in aanmerking komende passiva af te trekken bedrag dat de in aanmerking komende passiva overschrijdt Artikel 66, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0960 1.2.10 Andere overgangsaanpassingen aan tier 2-kapitaal Artikelen 472, 473 bis, 476, 477, 478 en 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5. 0970 1.2.11 (–) Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van aanvullend-tier 1-kapitaal) Artikel 56, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Tier 2-kapitaal kan niet negatief zijn, maar het is wel mogelijk dat de aftrekkingen van het tier 2-kapitaal groter zijn dan het tier 2-kapitaal plus het desbetreffende agio. In dat geval moet het tier 2-kapitaal op nul worden gesteld, en moet het bedrag aan aftrekkingen van tier 2-kapitaal waarmee het tier 2-kapitaal wordt overschreden, van het aanvullend tier 1-kapitaal worden afgetrokken. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de som van de posten 1.2.1 tot en met 1.2.13 nooit lager dan nul is. Indien deze post positief is, vermeldt post 1.1.2.8 het tegenovergestelde van dat bedrag. 0974 1.2.12 (–) Aanvullende aftrekkingen van tier 2-kapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0978 1.2.13 Bestanddelen of aftrekkingen van tier 2-kapitaal – overige Deze rij is bedoeld om – uitsluitend ten behoeve van de rapportage – extra flexibiliteit te bieden. Deze rij mag alleen worden ingevuld in het zeldzame geval dat er geen definitief besluit is genomen ten aanzien van de rapportage van specifieke kapitaalbestanddelen/aftrekkingen in de bestaande CA1-template. Dit betekent dat deze rij alleen wordt ingevuld indien een tier 2-kapitaalbestanddeel dan wel een aftrekking van een tier 2-kapitaalbestanddeel niet aan een van de rijen 750 tot en met 974 kan worden toegewezen. Deze rij mag niet worden gebruikt om niet door Verordening (EU) nr. 575/2013 gedekte kapitaalbestanddelen of aftrekkingen in de berekening van de solvabiliteitsratio’s te betrekken (bv. een toewijzing van nationale kapitaalbestanddelen/aftrekkingen die niet onder die verordening vallen).

1.3. C 02.00 – EIGENVERMOGENSVEREISTEN (CA2)

1.3.

1.3.1 Instructies voor specifieke posities Rij Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 1. TOTAAL RISICOPOSTEN Artikel 92, lid 3, en artikelen 95, 96 en 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0020 1* Waarvan: Beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0030 1** Waarvan: Beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 96, lid 2, en artikel 97 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 96, lid 2, en artikel 97 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0040 1.1 RISICOGEWOGEN POSTEN VOOR KREDIETRISICO, TEGENPARTIJKREDIETRISICO EN VERWATERINGSRISICO EN VOOR NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES Artikel 92, lid 3, punten a) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050 1.1.1 Standaardbenadering (SA) De templates CR SA en SEC SA op het niveau van de totale blootstellingen 0051 1.1.1* Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de aanvullende risicoposten die nodig zijn om te voldoen aan de strengere prudentiële vereisten zoals die de instellingen na raadpleging van EBA zijn meegedeeld, in overeenstemming met artikel 124, leden 2 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0060 1.1.1.1 Blootstellingscategorieën volgens standaardbenadering met uitzondering van securitisatieposities CR SA-template op het niveau van de totale blootstellingen. De blootstellingscategorieën volgens de standaardbenadering zijn de in artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën, met uitzondering van securitisatieposities. 0070 1.1.1.1.01 Centrale overheden of centrale banken Zie de CR SA-template. 0080 1.1.1.1.02 Regionale overheden of lokale autoriteiten Zie de CR SA-template. 0090 1.1.1.1.03 Publiekrechtelijke lichamen Zie de CR SA-template. 0100 1.1.1.1.04 Multilaterale ontwikkelingsbanken Zie de CR SA-template. 0110 1.1.1.1.05 Internationale organisaties Zie de CR SA-template. 0120 1.1.1.1.06 Instellingen Zie de CR SA-template. 0130 1.1.1.1.07 Ondernemingen Zie de CR SA-template. 0140 1.1.1.1.08 Particulieren en kleine partijen Zie de CR SA-template. 0150 1.1.1.1.09 Gedekt door hypotheken op onroerend goed Zie de CR SA-template. 0160 1.1.1.1.10 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling Zie de CR SA-template. 0170 1.1.1.1.11 Posten met een bijzonder hoog risico Zie de CR SA-template. 0180 1.1.1.1.12 Gedekte obligaties Zie de CR SA-template. 0190 1.1.1.1.13 Vorderingen op instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn Zie de CR SA-template. 0200 1.1.1.1.14 Instellingen voor collectieve belegging (icb’s) Zie de CR SA-template. 0210 1.1.1.1.15 Aandelen Zie de CR SA-template. 0211 1.1.1.1.16 Andere posten Zie de CR SA-template. 0212 1.1.1.1.16.1 Waarvan: als immateriële activa opgenomen softwareactiva De risicogewogen posten met betrekking tot het gedeelte als immateriële activa opgenomen softwareactiva dat niet wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar naar risico wordt gewogen overeenkomstig artikel 113, lid 5, van die verordening. 0240 1.1.2 Interneratingbenadering (IRB) 0241 1.1.2* Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 164 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de aanvullende risicoposten die nodig zijn om te voldoen aan de strengere prudentiële vereisten zoals die na kennisgeving aan de EBA aan de instellingen zijn meegedeeld, in overeenstemming met artikel 164, leden 5 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0242 1.1.2** Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de aanvullende risicoposten die nodig zijn om te voldoen aan de strengere prudentiële vereisten die de bevoegde autoriteiten na raadpleging van EBA hebben vastgesteld, in overeenstemming met artikel 124, leden 2 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en die verband houden met limieten op de toelaatbare markwaarde van zekerheden zoals bepaald in artikel 125, lid 2, punt d), en artikel 126, lid 2, punt d), van die verordening. 0250 1.1.2.1 Interneratingbenaderingen wanneer noch eigen LGD-ramingen noch omrekeningsfactoren worden gebruikt De CR IRB-template op het niveau van de totale blootstellingen (wanneer geen gebruik wordt gemaakt van eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren). 0260 1.1.2.1.01 Centrale overheden en centrale banken Zie de CR IRB-template. 0270 1.1.2.1.02 Instellingen Zie de CR IRB-template. 0280 1.1.2.1.03 Ondernemingen – Kmo’s Zie de CR IRB-template. 0290 1.1.2.1.04 Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening Zie de CR IRB-template. 0300 1.1.2.1.05 Ondernemingen – Overige Zie de CR IRB-template. 0310 1.1.2.2 Interneratingbenaderingen wanneer eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren worden gebruikt De CR IRB-template op het niveau van de totale blootstellingen (wanneer wordt gebruikgemaakt van eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren). 0320 1.1.2.2.01 Centrale overheden en centrale banken Zie de CR IRB-template. 0330 1.1.2.2.02 Instellingen Zie de CR IRB-template. 0340 1.1.2.2.03 Ondernemingen – Kmo’s Zie de CR IRB-template. 0350 1.1.2.2.04 Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening Zie de CR IRB-template. 0360 1.1.2.2.05 Ondernemingen – Overige Zie de CR IRB-template. 0370 1.1.2.2.06 Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van kmo’s Zie de CR IRB-template. 0380 1.1.2.2.07 Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van niet-kmo’s Zie de CR IRB-template. 0390 1.1.2.2.08 Particulieren en kleine partijen – Gekwalificeerde revolverende blootstellingen Zie de CR IRB-template. 0400 1.1.2.2.09 Particulieren en kleine partijen – Overige kmo’s Zie de CR IRB-template. 0410 1.1.2.2.10 Particulieren en kleine partijen – Overige niet-kmo’s Zie de CR IRB-template. 0420 1.1.2.3 Aandelen Interneratingbenadering Zie de CR EQU IRB-template 0450 1.1.2.5 Andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen Het te rapporteren bedrag is dat van de risicogewogen posten zoals berekend in overeenstemming met artikel 156 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0455 1.1.2.5.1 Waarvan als immateriële activa opgenomen softwareactiva De risicogewogen posten met betrekking tot het gedeelte als immateriële activa opgenomen softwareactiva dat niet wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar naar risico wordt gewogen overeenkomstig artikel 156 van die verordening. 0460 1.1.3 Risicoposten voor bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP Artikelen 307, 308 en 309 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0470 1.1.4 Securitisatieposities Zie de CR SEC-template. 0490 1.2 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELING/LEVERING Artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0500 1.2.1 Afwikkelings-/leveringsrisico in niet-handelsportefeuille Zie de CR SETT-template. 0510 1.2.2 Afwikkelings-/leveringsrisico in handelsportefeuille Zie de CR SETT-template. 0520 1.3 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S Artikel 92, lid 3, punt b), i), artikel 92, lid 3, punt c), i), artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0530 1.3.1 Risicoposten voor positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s volgens standaardbenaderingen (SA) 0540 1.3.1.1 Verhandelbare schuldinstrumenten De MKR SA TDI-template op het niveau van de totale valuta. 0550 1.3.1.2 Aandelen De MKR SA EQU-template op het niveau van de totale nationale markten. 0555 1.3.1.3 Specifieke benadering positierisico in icb’s Artikel 348, lid 1, artikel 350, lid 3, punt c), en artikel 364, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het totaal van de risicoposten voor posities in icb’s indien de kapitaalvereisten rechtstreeks of als gevolg van de in artikel 350, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 gedefinieerde begrenzing worden berekend overeenkomstig artikel 348, lid 1, van die verordening. Verordening (EU) nr. 575/2013 wijst die posities niet uitdrukkelijk toe aan hetzij het renterisico hetzij het aandelenrisico. Indien de specifieke benadering van artikel 348, lid 1, eerste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gehanteerd, is het te rapporteren bedrag 32 % van de nettopositie van de betrokken icb-blootstelling, vermenigvuldigd met 12,5. Indien de specifieke benadering van artikel 348, lid 1, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gehanteerd, is het te rapporteren bedrag het laagste van, respectievelijk, 32 % van de nettopositie van de betrokken icb-blootstelling en het verschil tussen 40 % van deze nettopositie en de eigenvermogensvereisten die voortvloeien uit het met deze icb-blootstelling samenhangende valutarisico, vermenigvuldigd met 12,5. 0556 1.3.1.3.* Pro-memoriepost: Uitsluitend in verhandelbare schuldinstrumenten belegde icb’s Het totaal van de risicoposten voor posities in icb’s indien de icb uitsluitend is belegd in instrumenten die aan renterisico onderhevig zijn. 0557 1.3.1.3.** Uitsluitend in eigenvermogensinstrumenten of gemengde instrumenten belegde icb’s Het totaal van de risicoposten voor posities in icb’s, indien de icb is belegd in ofwel instrumenten die aan aandelenrisico onderhevig zijn, ofwel gemengde instrumenten, dan wel indien de bestanddelen van de icb onbekend zijn. 0560 1.3.1.4 Valuta Zie de MKR SA FX-template. 0570 1.3.1.5 Grondstoffen Zie de MKR SA COM-template. 0580 1.3.2 Risicoposten voor positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s volgens internemodellenbenadering (IM) Zie de MKR IM-template. 0590 1.4 TOTALE RISICOPOSTEN VOOR HET OPERATIONEEL RISICO (OpR) Artikel 92, lid 3, punt e), en artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, artikel 96, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is deze post nul. 0600 1.4.1 Operationeel risico volgens basisindicatorbenadering (BIA) Zie de OPR-template. 0610 1.4.2 Operationeel risico volgens standaardbenadering (TSA) / alternatieve standaardbenadering (ASA) Zie de OPR-template. 0620 1.4.3 Operationeel risico volgens de geavanceerde meetbenaderingen (AMA) Zie de OPR-template. 0630 1.5 AANVULLENDE RISICOPOSTEN ALS GEVOLG VAN VASTE KOSTEN Artikel 95, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 97 en artikel 98, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Alleen voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, artikel 96, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie ook artikel 97 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 96 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren het in artikel 97 bedoelde bedrag vermenigvuldigd met 12,5. Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren als volgt: 0640 1.6 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR AANPASSING KREDIETWAARDERING Artikel 92, lid 3, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie de CVA-template. 0650 1.6.1 Geavanceerde methode Eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering overeenkomstig artikel 383 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie de CVA-template. 0660 1.6.2 Standaardmethode Eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering overeenkomstig artikel 384 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie de CVA-template. 0670 1.6.3 Op basis van de oorspronkelijkeblootstellingsmethode Eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering overeenkomstig artikel 385 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie de CVA-template. 0680 1.7 TOTAAL RISICOPOSTEN IN VERBAND MET GROTE BLOOTSTELLINGEN IN HANDELSPORTEFEUILLE Artikel 92, lid 3, punt b), ii), en artikelen 395 tot en met 401 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0690 1.8 ANDERE RISICOPOSTEN Artikelen 3, 458 en 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en risicoposten die niet aan een van de posten onder 1.1 tot en met 1.7 kunnen worden toegewezen. De instellingen rapporteren de bedragen die nodig zijn om aan het volgende te voldoen: Strengere door de Commissie opgelegde prudentiële vereisten overeenkomstig de artikelen 458 en 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Aanvullende risicoposten uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze post is niet gekoppeld aan een template waarin om nadere gegevens wordt gevraagd. 0710 1.8.2 Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0720 1.8.2* Waarvan: vereisten met betrekking tot grote blootstellingen Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0730 1.8.2** Waarvan: als gevolg van gewijzigde risicogewichten gericht tegen zeepbellen in activa in niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0740 1.8.2*** Waarvan: als gevolg van blootstellingen binnen de financiële sector Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0750 1.8.3 Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0760 1.8.4 Waarvan: Aanvullende risicoposten uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De aanvullende risicoposten worden gerapporteerd. Het te rapporteren bedrag aan aanvullende risicoposten omvat uitsluitend de aanvullende bedragen (als bijvoorbeeld voor een blootstelling van 100 een risicogewicht geldt van 20 % en de instelling een risicogewicht toepast van 50 % op basis van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan moet een bedrag van 30 worden gerapporteerd).

Indien het in artikel 95, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedrag groter is dan het in artikel 95, lid 2, punt b), van die verordening bedoelde bedrag, is het te rapporteren bedrag nul.

Indien het in artikel 95, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedrag groter is dan het in artikel 95, lid 2, punt a), van die verordening bedoelde bedrag, is het te rapporteren bedrag het bedrag verkregen door het tweede bedrag af te trekken van het eerste.

1.4 C 03.00 – KAPITAALRATIO’S EN KAPITAALNIVEAUS (CA3)

1.4

1.4.1 Instructies voor specifieke posities Rijen 0010 1 Tier 1-kernkapitaalratio Artikel 92, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De tier 1-kernkapitaalratio is het tier 1-kernkapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten. 0020 2 Overschot(+)/Tekort(-) aan tier 1-kernkapitaal Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan tier 1-kernkapitaal ten opzichte van het vereiste van artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (4,5 %), d.w.z. zonder rekening te houden met de kapitaalbuffers en overgangsbepalingen met betrekking tot de ratio. 0030 3 Tier 1-kapitaalratio Artikel 92, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De tier 1-kapitaalratio is het tier 1-kapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten. 0040 4 Overschot(+)/Tekort(-) aan tier 1-kapitaal Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan tier 1-kernkapitaal ten opzichte van het vereiste van artikel 92, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (6 %), d.w.z. zonder rekening te houden met de kapitaalbuffers en overgangsbepalingen met betrekking tot de ratio. 0050 5 Totale kapitaalratio Artikel 92, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De totale kapitaalratio is het eigen vermogen van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten. 0060 6 Overschot(+)/Tekort(-) aan totaal kapitaal Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan eigen vermogen ten opzichte van het vereiste van artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (8 %), d.w.z. zonder rekening te houden met de kapitaalbuffers en overgangsbepalingen met betrekking tot de ratio. 0130 13 Totale SREP-kapitaalvereiste (TSCR)-ratio De som van i) en ii) als volgt: Deze post geeft de totale SREP-kapitaalvereiste-ratio (TSCR-ratio) weer die door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld. De TSCR wordt bepaald in de afdelingen 7.4 en 7.5 EBA SREP GL. Indien de bevoegde autoriteit geen additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd. 0140 13* TSCR: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal De som van i) en ii) als volgt: Indien de bevoegde autoriteit geen additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld die in de vorm van tier 1-kernkapitaal moeten worden aangehouden, moet alleen punt i) worden gerapporteerd. 0150 13** TSCR: op te bouwen uit tier 1-kapitaal De som van i) en ii) als volgt: Indien de bevoegde autoriteit geen additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld die in de vorm van tier 1-kapitaal moeten worden aangehouden, moet alleen punt i) worden gerapporteerd. 0160 14 Totale kapitaalvereiste (OCR)-ratio De som van i) en ii) als volgt: Deze post geeft de totale kapitaalvereiste (OCR)-ratio weer in de zin van afdeling 7.5 EBA SREP GL. Indien geen buffervereiste van toepassing is, wordt alleen punt i) gerapporteerd. 0170 14* OCR: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal De som van i) en ii) als volgt: Indien geen buffervereiste van toepassing is, wordt alleen punt i) gerapporteerd. 0180 14** OCR: op te bouwen uit tier 1-kapitaal De som van i) en ii) als volgt: Indien geen buffervereiste van toepassing is, wordt alleen punt i) gerapporteerd. 0190 15 Ratio totale kapitaalvereiste (OCR) en Pijler 2-aanbeveling (P2G) De som van i) en ii) als volgt: Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd. 0200 15* OCR en P2G: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal De som van i) en ii) als volgt: Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd. 0210 15** OCR en P2G: op te bouwen uit tier 1-kapitaal De som van i) en ii) als volgt: Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd. 0220 Overschot (+)/tekort(-) aan tier 1-kernkapitaal, rekening houdende met de vereisten van artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan tier 1-kernkapitaal ten opzichte van de vereisten van artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (4,5 %) en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU – zonder aanvullend eigen vermogen dat vereist is om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen overeenkomstig lid 3 van dat artikel – voor zover met tier 1-kernkapitaal aan het vereiste van artikel 104 bis van die richtlijn moet worden voldaan. Indien een instelling haar tier 1-kernkapitaal in ruimere mate moet gebruiken om aan de vereisten van artikel 92, lid 1, punt b) en/of c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en/of artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU te voldoen dan met tier 1-kernkapitaal aan dat laatste moet worden voldaan, wordt hiermee in het gerapporteerde overschot of tekort rekening gehouden. Dit bedrag weerspiegelt het tier 1-kernkapitaal dat beschikbaar is om aan het gecombineerde buffervereiste en andere vereisten te voldoen. 0300 Tier 1-kernkapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9 Artikel 92, lid 2, punt a), en artikel 473 bis, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0310 Tier 1-kapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9 Artikel 92, lid 2, punt b), en artikel 473 bis, lid 8, Verordening (EU) nr. 575/2013 0320 Totale kapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9 Artikel 92, lid 2, punt c), en artikel 473 bis, lid 8, Verordening (EU) nr. 575/2013

1.4.1

(i) de totale kapitaalratio (8 %) als genoemd in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii) de additionele eigenvermogensvereisten (Pijler 2-vereisten – P2R) als bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU, gepresenteerd als ratio. Deze worden vastgesteld in overeenstemming met de criteria die zijn bepaald in de EBA-richtsnoeren inzake gemeenschappelijke procedures en methoden voor het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder en stresstests voor toezichtdoeleinden (EBA SREP GL).

(i) de tier 1-kernkapitaalratio (4,5 %) als genoemd in artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii) het deel van de P2R-ratio, bedoeld in punt ii) van rij 0130, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kernkapitaal moet worden aangehouden.

(i) de tier 1-kernkapitaalratio (6 %) als genoemd in artikel 92, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii) het deel van de P2R-ratio, bedoeld in punt ii) van rij 0130, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kapitaal moet worden aangehouden.

(i) de in rij 0130 bedoelde TSCR-ratio;

(ii) voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereisteratio.

(i) de in rij 0140 bedoelde uit tier 1-kernkapitaal op te bouwen TSCR-ratio;

(ii) voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereistenratio.

(i) de in rij 0150 bedoelde uit tier 1-kapitaal op te bouwen TSCR-ratio;

(ii) voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereistenratio.

(i) de in rij 160 bedoelde OCR-ratio;

(ii) voor zover van toepassing, de door de bevoegde autoriteit meegedeelde aanbeveling inzake aanvullend eigen vermogen (Pijler 2-aanbeveling – P2G) als bedoeld in artikel 104 bis, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU, gepresenteerd als ratio. Ze worden vastgesteld overeenkomstig afdeling 7.7.1 EBA SREP GL. De P2G wordt alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld.

(i) de in rij 0170 bedoelde uit tier 1-kernkapitaal op te bouwen OCR-ratio;

(ii) voor zover van toepassing, het deel van P2G, bedoeld in punt ii) in rij 0190, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kernkapitaal moet worden aangehouden. De P2G wordt alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld.

(i) de in rij 0180 bedoelde uit tier 1-kapitaal op te bouwen OCR-ratio;

(ii) voor zover van toepassing, het deel van de P2G, bedoeld in punt ii) in rij 0190, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kapitaal moet worden aangehouden. De P2G wordt alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld.

1.5. C 04.00 – PRO-MEMORIEPOSTEN (CA4)

1.5.

1.5.1 Instructies voor specifieke posities Rijen 0010 1. Totaal uitgestelde belastingvorderingen Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag dat op de laatst geverifieerde/gecontroleerde boekhoudkundige balans wordt verantwoord. 0020 1.1 Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten. Artikel 39, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Uitgestelde belastingvorderingen die vóór 23 november 2016 ontstaan zijn en die niet op toekomstige winstgevendheid berusten – en die dus een risicogewicht krijgen. 0030 1.2 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet uit tijdelijke verschillen voortvloeien Artikel 36, lid 1, punt c), en artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten maar niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen en waarop derhalve geen drempel van toepassing is (d.w.z. zij worden in hun geheel afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal). 0040 1.3 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen. Artikel 36, lid 1, punt c); artikel 38 en artikel 48, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en die voortvloeien uit tijdelijke verschillen, en waarvoor bij de aftrekking van het tier 1-kernkapitaal dus de drempelwaarden van 10 % en 17,65 % overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden. 0050 2 Totale uitgestelde belastingverplichtingen Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag dat op de laatst geverifieerde/gecontroleerde boekhoudkundige balans wordt verantwoord. 0060 2.1 Uitgestelde belastingverplichtingen die niet aftrekbaar zijn van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten. Artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Uitgestelde belastingverplichtingen ten aanzien waarvan niet aan de voorwaarden van artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt voldaan. Deze post omvat dus de uitgestelde belastingverplichtingen die het af te trekken bedrag aan goodwill, andere immateriële activa of de activa van een toegezegdpensioenregeling verminderen, die worden gerapporteerd, respectievelijk, onder de CA1-posten 1.1.1.10.3, 1.1.1.11.2 en 1.1.1.14.2. 0070 2.2 Uitgestelde belastingverplichtingen die aftrekbaar zijn van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten. Artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0080 2.2.1 Aftrekbare uitgestelde belastingverplichtingen in verband met uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen. Artikel 38, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Uitgestelde belastingverplichtingen waarmee, overeenkomstig artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, mag worden verminderd en die, overeenkomstig artikel 38, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, niet worden toegewezen aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en uit tijdelijke verschillen voortvloeien. 0090 2.2.2 Aftrekbare uitgestelde belastingverplichtingen in verband met uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen Artikel 38, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Uitgestelde belastingverplichtingen waarmee, overeenkomstig artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, mag worden verminderd en die, overeenkomstig artikel 38, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden toegewezen aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en uit tijdelijke verschillen voortvloeien. 0093 2A Te veel betaalde belastingen en achterwaartse fiscale verliesverrekening Artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag van de te veel betaalde belastingen en achterwaartse fiscale verliesverrekening die niet van het eigen vermogen worden afgetrokken, overeenkomstig artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013; het gerapporteerde bedrag is het bedrag vóór de toepassing van de risicogewichten. 0096 2B Uitgestelde belastingvorderingen onderworpen aan een risicogewicht van 250 % Artikel 48, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen die niet worden afgetrokken overeenkomstig artikel 48, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar die overeenkomstig artikel 48, lid 4, van die verordening, zijn onderworpen aan een risicogewicht van 250 %, rekening houdende met het effect van artikel 470, artikel 478, lid 2, en artikel 473 bis, lid 7, punt a), van diezelfde verordening. Het gerapporteerde bedrag is het bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen vóór de toepassing van het risicogewicht. 0097 2C Uitgestelde belastingvorderingen onderworpen aan een risicogewicht van 0 % Artikel 469, lid 1, punt d), artikel 470, artikel 472, lid 5, en artikel 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen die niet worden afgetrokken ingevolge artikel 469, lid 1, punt d), artikel 470, artikel 478, lid 2, en artikel 473 bis, lid 7, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar overeenkomstig artikel 472, lid 5, van die verordening aan een risicogewicht van 0 % zijn onderworpen. Het gerapporteerde bedrag is het bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen vóór de toepassing van het risicogewicht. 0901 2W Als immateriële activa opgenomen softwareactiva die zijn vrijgesteld van de aftrekking van tier 1-kernkapitaal Artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het bedrag aan prudent gewaardeerde softwareactiva die zijn vrijgesteld van de aftrekking van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. 0905 2Y Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten en de daaraan gerelateerde agioreserves die volgens de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen als eigen vermogen worden ingedeeld Het bedrag aan aanvullend tier 1-instrumenten, met inbegrip van de daaraan gerelateerde agioreserves, die volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen als eigen vermogen worden ingedeeld. 0906 2Z Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten en de daaraan gerelateerde agioreserves die volgens de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen als verplichtingen worden ingedeeld Het bedrag aan aanvullend tier 1-instrumenten, met inbegrip van de daaraan gerelateerde agioreserves, die volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen als verplichtingen worden ingedeeld. 0100 3. Voor interneratingbenadering, het overschot (+) of tekort (-) van kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich geen wanbetaling heeft voorgedaan Artikel 36, lid 1, punt d), artikel 62, punt d), en artikelen 158 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. 0110 3.1 Totale kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen die in aanmerking komen om bij de berekening van de verwachte verliesposten te worden betrokken Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. 0120 3.1.1 Algemene kredietrisicoaanpassingen Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. 0130 3.1.2 Specifieke kredietrisicoaanpassingen Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. 0131 3.1.3 Aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen Artikelen 34, 110 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. 0140 3.2 Totaal van in aanmerking komende verwachte verliezen Artikel 158, leden 5, 6 en 10, en artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. Alleen de verwachte verliezen rapporteren die verband houden met blootstellingen ten aanzien waarvan zich geen wanbetaling heeft voorgedaan. 0145 4 Voor interneratingbenadering, overschot (+) of tekort (-) van specifieke kredietrisicoaanpassingen aan verwachte verliezen voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan Artikel 36, lid 1, punt d), artikel 62, punt d), en artikelen 158 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. 0150 4.1 Specifieke kredietrisicoaanpassingen en posities die op vergelijkbare wijze worden behandeld Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. 0155 4.2 Totaal van in aanmerking komende verwachte verliezen Artikel 158, leden 5, 6 en 10, en artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. Alleen de verwachte verliezen rapporteren die verband houden met blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan. 0160 5 Risicogewogen posten voor het berekenen van het maximum voor het overschot aan voorzieningen dat in aanmerking komt als tier 2-kapitaal Artikel 62, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor IRB-instellingen geldt, overeenkomstig artikel 62, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dat het overschot van de voorzieningen (voor verwachte verliezen) dat in aanmerking komt voor opneming in het tier 2-kapitaal, maximaal 0,6 % van de overeenkomstig de interneratingbenadering berekende risicogewogen posten bedraagt. Het onder deze post te rapporteren bedrag is het bedrag van de risicogewogen posten (d.w.z. niet vermenigvuldigd met 0,6 %) dat als basis dient voor de berekening van het maximum. 0170 6 Totale brutovoorzieningen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal Artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post vermeldt de algemene kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal voorafgaande aan de maximering. Het te rapporteren bedrag is het bedrag exclusief belastingeffecten. 0180 7 Risicogewogen posten voor het berekenen van het maximum voor de voorzieningen die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal Artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Overeenkomstig artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal, gemaximeerd op 1,25 % van de risicogewogen posten. Het onder deze post te rapporteren bedrag is het bedrag van de risicogewogen posten (d.w.z. niet vermenigvuldigd met 1,25 %) dat als basis dient voor de berekening van het maximum. 0190 8 Drempel voor niet-aftrekbaar bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 46, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post bevat de drempel die aangeeft tot welk bedrag bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin een instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, niet wordt afgetrokken. Het bedrag wordt verkregen door alle aan de drempel ten grondslag liggende bestanddelen op te tellen en het aldus verkregen totaal met 10 % te vermenigvuldigen. 0200 9 10 %-drempel voor tier 1-kernkapitaal Artikel 48, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post bevat de drempel van 10 % voor bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, en voor uitgestelde belastingvorderingen die van toekomstige winstgevendheid afhankelijk zijn en uit tijdelijke verschillen voortvloeien. Het bedrag wordt verkregen door alle aan de drempel ten grondslag liggende bestanddelen op te tellen en het aldus verkregen totaal met 10 % te vermenigvuldigen. 0210 10 17,65 %-drempel voor tier 1-kernkapitaal Artikel 48, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post bevat de na de drempel van 10 % toe te passen drempel van 17,65 % voor bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, en voor uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen. De drempel wordt zodanig berekend dat het te verantwoorden bedrag van de beide posten niet hoger is dan 15 % van het uiteindelijke tier 1-kernkapitaal, d.w.z. het tier 1-kernkapitaal na alle aftrekkingen, zonder rekening te houden met eventuele aanpassingen uit hoofde van overgangsbepalingen. 0225 11 In aanmerking komend kapitaal ten behoeve van gekwalificeerde deelnemingen buiten de financiële sector Artikel 4, lid 1, punt 71, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0230 12 Bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities Artikelen 44, 45, 46 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0240 12.1 Direct bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 44, 45, 46 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0250 12.1.1 Bruto direct bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 44, 46 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, exclusief: 0260 12.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0270 12.2 Indirect bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0280 12.2.1 Bruto indirect bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen. Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen. 0290 12.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0291 12.3.1 Synthetisch bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0292 12.3.2 Bruto synthetisch bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0293 12.3.3 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0300 13 Bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities Artikelen 58, 59 en 60 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0310 13.1 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 58 en 59 en artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0320 13.1.1 Bruto direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 58 en artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, exclusief: 0330 13.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0340 13.2 Indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0350 13.2.1 Bruto indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen. Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen. 0360 13.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0361 13.3 Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0362 13.3.1 Bruto synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0363 13.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0370 14. Bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities Artikelen 68, 69 en 70 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0380 14.1 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 68 en 69 en artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0390 14.1.1 Bruto direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 68 en artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, exclusief: 0400 14.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0410 14.2 Indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0420 14.2.1 Bruto indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen. Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen. 0430 14.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0431 14.3 Synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0432 14.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0433 14.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0440 15 Bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities Artikelen 44, 45, 47 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0450 15.1 Direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 44, 45, 47 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0460 15.1.1 Bruto direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 44, 45, 47 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, exclusief: 0470 15.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0480 15.2 Indirect bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0490 15.2.1 Bruto indirect bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen. Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen. 0500 15.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0501 15.3 Synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0502 15.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0503 15.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0504 Deelnemingen in tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft – onderworpen aan een risicogewicht van 250 % Artikel 48, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het bedrag aan aanzienlijke deelnemingen in tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet worden afgetrokken overeenkomstig artikel 48, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar onderworpen zijn aan een risicogewicht van 250 % overeenkomstig artikel 48, lid 4, van die verordening. Het gerapporteerde bedrag is het bedrag van de aanzienlijke deelnemingen vóór de toepassing van het risicogewicht. 0510 16 Bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities Artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0520 16.1 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0530 16.1.1 Bruto direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 58 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, exclusief: 0540 16.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0550 16.2 Indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0560 16.2.1 Bruto indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen. Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen. 0570 16.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0571 16.3 Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0572 16.3.1 Bruto synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0573 16.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0580 17 Bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities Artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0590 17.1 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0600 17.1.1 Bruto direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 68 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, exclusief: 0610 17.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0620 17.2 Indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0630 17.2.1 Bruto indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen. Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen. 0640 17.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0641 17.3 Synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0642 17.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0643 17.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt. 0650 18 Risicogewogen posten van bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het tier 1-kernkapitaal van de instelling worden afgetrokken Artikelen 46, lid 4, artikel 48, lid 4, en artikel 49, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0660 19 Risicogewogen posten van bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het aanvullend tier 1-kapitaal van de instelling worden afgetrokken Artikel 60, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0670 20 Risicogewogen posten van bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het tier 2-kapitaal van de instelling worden afgetrokken Artikel 70, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0680 21 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een bevoegde autoriteit kan een tijdelijke ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 1-kernkapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, indien zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden. N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 12.1 worden gerapporteerd. 0690 22 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 1-kernkapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden. N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 15.1 worden gerapporteerd. 0700 23 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een bevoegde autoriteit kan een tijdelijke ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van aanvullend tier 1-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden. N.B. Deze instrumenten moeten ook onder post 13.1 worden gerapporteerd. 0710 24 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een bevoegde autoriteit kan een tijdelijke ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van aanvullend tier 1-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden. N.B. Deze instrumenten moeten ook onder post 16.1 worden gerapporteerd. 0720 25 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 2-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden. N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 14.1 worden gerapporteerd. 0730 26 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 2-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden. N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 17.1 worden gerapporteerd. 0740 27 Gecombineerde buffervereisten Artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU 0750 Kapitaalconserveringsbuffer Artikel 128, punt 1, en artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU Overeenkomstig artikel 129, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU is de kapitaalconserveringsbuffer een aanvullend bedrag aan tier 1-kernkapitaal. Aangezien de kapitaalconserveringsbuffer vast op 2,5 % is gesteld, moet in deze rij een bedrag worden ingevuld. 0760 Conserveringsbuffer als gevolg van op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel risico of systeemrisico Artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In deze rij wordt het bedrag gerapporteerd van de conserveringsbuffer die overeenkomstig artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanvulling op de kapitaalconserveringsbuffer kan worden verlangd als gevolg van een op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel risico of systeemrisico. Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen. 0770 Instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer Artikel 128, punt 2, artikel 130 en artikelen 135 tot en met 140 van Richtlijn 2013/36/EU Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen. 0780 Systeemrisicobuffer Artikel 128, punt 5, en artikelen 133 en 134 van Richtlijn 2013/36/EU Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen. 0800 Buffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen Artikel 128, punt 3, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen. 0810 Buffer voor andere systeemrelevante instellingen Artikel 128, punt 4, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen. 0820 28 Eigenvermogensvereisten in verband met aanpassingen uit hoofde van Pijler II Artikel 104 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU Indien een bevoegde autoriteit van mening is dat een instelling in verband met Pijler II additionele eigenvermogensvereisten moet berekenen, worden die additionele eigenvermogensvereisten in deze rij gerapporteerd. 0830 29 Aanvangskapitaal Artikel 12 en artikelen 28 tot en met 31 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 93 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0840 30 Eigen vermogen op basis van vaste kosten Artikel 95, lid 2, punt b), artikel96, lid 2, punt b), artikel 97 en artikel 98, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het gerapporteerde bedrag is het eigenvermogensvereiste verkregen door toepassing van de bovengenoemde artikelen. 0850 31 Niet-binnenlandse oorspronkelijke blootstellingen De informatie die nodig is voor de berekening van de drempel voor de rapportage van de CR GB-template overeenkomstig artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening. De drempel wordt berekend op basis van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactor. Blootstellingen worden geacht binnenlands te zijn indien zij betrekking hebben op een tegenpartij in de lidstaat waar de instelling is gevestigd. In afwijking van artikel 21, lid 1, punt a), van deze uitvoeringsverordening moet deze rij steeds worden ingevuld. 0860 32 Totale oorspronkelijke blootstellingen De informatie die nodig is voor de berekening van de drempel voor de rapportage van de CR GB-template overeenkomstig artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening. De drempel wordt berekend op basis van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactor. Blootstellingen worden geacht binnenlands te zijn indien zij betrekking hebben op een tegenpartij in de lidstaat waar de instelling is gevestigd. In afwijking van artikel 21, lid 1, punt a), van deze uitvoeringsverordening moet deze rij steeds worden ingevuld.

1.5.1 a)

de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities;

b)

de bedragen die zijn gerelateerd aan de deelnemingen ten aanzien waarvan een van de alternatieven uit artikel 49 wordt toegepast; en

c)

bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

a)

de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities; en

b)

bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

a)

de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities; en

b)

bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

a)

de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities;

b)

de bedragen die zijn gerelateerd aan de deelnemingen ten aanzien waarvan een van de alternatieven uit artikel 49 wordt toegepast; en

c)

bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

a)

de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities (artikel 56, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013); en

b)

bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

a)

de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities (artikel 66, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013); en

b)

bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.6 OVERGANGSBEPALINGEN en INSTRUMENTEN WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN: INSTRUMENTEN DIE GEEN STAATSSTEUN BEHELZEN (CA5)

1.6
1.6.116.17.18.19.20.

Algemene opmerkingen CA5 geeft een overzicht van de berekening van onderdelen en aftrekkingen van eigen vermogen uit hoofde van de overgangsbepalingen zoals vastgelegd in de artikelen 465 tot en met 491, artikel 494 bis en artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013. CA5 heeft de volgende structuur: In de eerste vier kolommen rapporteren de instellingen de aanpassingen van het tier 1-kernkapitaal, het aanvullend tier 1-kapitaal en het tier 2-kapitaal, alsmede het als risicogewogen actiefposten te behandelen bedrag. De instellingen zijn ook verplicht om in kolom 0050 het toepasselijke percentage te rapporteren en in kolom 0060 het in aanmerking komende bedrag zonder toepassing van de overgangsbepalingen. De instellingen rapporteren uitsluitend elementen in CA5 gedurende de periode waarin overeenkomstig deel tien van Verordening (EU) nr. 575/2013 overgangsbepalingen van toepassing zijn. Onder sommige overgangsbepalingen is een aftrekking van tier 1-kapitaal vereist. Is dit het geval, en is het aanvullend tier 1-kapitaal ontoereikend om het resterende bedrag van de aftrekking(en) van het tier-1-kapitaal te verwerken, dan wordt het meerdere afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal.

1.6.116.17. a)

Template CA5.1 geeft een overzicht van de totale aanpassingen die moeten worden doorgevoerd aan de verschillende eigenvermogensbestanddelen (gerapporteerd in CA1 overeenkomstig de definitieve bepalingen) als gevolg van de toepassing van de overgangsbepalingen. De onderdelen van deze template worden gepresenteerd als aanpassingen van de verschillende kapitaalbestanddelen in CA1, teneinde het effect van de overgangsbepalingen op de eigenvermogensbestanddelen weer te geven.

b)

Template 5.2 omvat nadere gegevens over de berekening van de instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn en die geen staatssteun behelzen.

1.6.221.22.23.24.25.

C 05.01 – Overgangsbepalingen (CA5.1) De instellingen rapporteren in template CA5.1 de overgangsbepalingen voor eigenvermogensbestanddelen zoals vastgelegd in de artikelen 465 tot en met 491, 494 bis en 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013, vergeleken met de toepassing van de definitieve bepalingen zoals vastgelegd in deel twee, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen rapporteren in de rijen 0060 tot en met 0065 gegevens met betrekking tot de overgangsbepalingen voor instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn. De in rij 0060 van CA5.1 te rapporteren cijfers weerspiegelen de overgangsbepalingen die zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 575/2013 in de versie die van toepassing was tot en met 26 juni 2019, en kunnen worden afgeleid van de respectieve afdelingen van CA5.2. De rijen 0061 tot en met 0065 brengen het effect in beeld van de overgangsbepalingen van de artikelen 494 bis en 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen rapporteren in de rijen 0070 tot en met 0092 gegevens met betrekking tot de overgangsbepalingen voor minderheidsbelangen en door dochterondernemingen uitgegeven aanvullend tier 1-instrumenten en tier-2-instrumenten (overeenkomstig de artikelen 479 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013). De instellingen rapporteren in de rijen vanaf rij 0100 informatie met betrekking tot het effect van de overgangsbepalingen betreffende niet-gerealiseerde winsten en verliezen, aftrekkingen, additionele filters en aftrekkingen, en IFRS 9. Mogelijk zijn er gevallen waarin de krachtens de overgangsbepalingen verrichte aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal, van aanvullend tier 1-kapitaal of van tier 2-kapitaal het bedrag van het tier 1-kernkapitaal, aanvullend tier 1-kapitaal of tier 2-kapitaal van een instelling overschrijden. Dat effect moet – als het voortvloeit uit overgangsbepalingen – in de desbetreffende cellen van de CA1-template tot uiting komen. In de aanpassingen in de kolommen van de CA5-template zijn eventuele overloopeffecten die optreden als het beschikbare kapitaal ontoereikend is, derhalve niet verwerkt.

1.6.2.1 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 Aanpassingen van tier 1-kernkapitaal 0020 Aanpassingen van aanvullend tier 1-kapitaal 0030 Aanpassingen van tier 2-kapitaal 0040 Aanpassingen verwerkt in risicogewogen actiefposten Kolom 0040 omvat de relevante bedragen tot aanpassing van het totaal van de risicoposten van artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 uit hoofde van overgangsbepalingen. In de gerapporteerde bedragen wordt, overeenkomstig artikel 92, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening gehouden met de toepassing van de bepalingen van deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, of deel drie, titel IV, van die verordening. Dat betekent dat overgangsbedragen die onder deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, vallen als risicogewogen posten worden gerapporteerd, terwijl overgangsbedragen waarop deel drie, titel IV, van toepassing is, de eigenvermogensvereisten vertegenwoordigen die met 12,5 zijn vermenigvuldigd. De kolommen 0010 tot en met 0030 zijn rechtstreeks gekoppeld aan de CA1-template, maar de aanpassingen van het totaal van de risicoposten zijn niet rechtstreeks gekoppeld aan de desbetreffende templates voor kredietrisico. Eventuele aanpassingen in het totaal van de risicoposten uit hoofde van de overgangsbepalingen worden rechtstreeks opgenomen in de templates CR SA, CR IRB, CR EQU IRB, MKR SA TDI, MKR SA EQU of MKR IM. Daarnaast worden die effecten ook gerapporteerd in kolom 0040 van CA5.1. Bij die bedragen gaat het dus uitsluitend om pro-memorieposten. 0050 Toepasselijk percentage 0060 In aanmerking komend bedrag zonder toepassing van overgangsbepalingen Deze kolom bevat het bedrag van elk instrument vóór toepassing van overgangsbepalingen, d.w.z. het voor de berekening van de aanpassingen relevante basisbedrag. Rijen 0010 1. Totale aanpassingen Deze rij geeft het algehele effect weer van de aanpassingen onder de overgangsbepalingen voor de verschillende soorten kapitaal, plus de uit die aanpassingen voortvloeiende risicogewogen posten. 0020 1.1 Instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikelen 483 tot en met 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze rij geeft voor de verschillende soorten kapitaal het algehele effect weer van instrumenten waarvoor tijdens de overgangsperiode grandfatheringbepalingen van toepassing zijn. 0060 1.1.2 Instrumenten die geen staatssteun behelzen De te rapporteren bedragen worden ontleend aan kolom 060 van template CA5.2. 0061 1.1.3 Instrumenten uitgegeven via special purpose vehicles Artikel 494 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 0062 1.1.4 Vóór 27 juni 2019 uitgegeven instrumenten die niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU of die onderworpen zijn aan verrekenings- of nettingovereenkomsten Artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan één of meer criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punten p), q) en r), van die verordening of uit artikel 63, punten n), o) en p), van die verordening, naargelang het geval. In het geval van tier 2-instrumenten die overeenkomstig artikel 494 ter, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking komen, worden de afschrijvingsbepalingen van artikel 64 van die verordening in acht genomen. 0063 1.1.4.1* waarvan: Instrumenten zonder wettelijk of contractueel verplichte afschrijving of omzetting bij uitoefening van bevoegdheden uit hoofde van artikel 59 van richtlijn 2014/59/EU Artikel 494 ter, artikel 52, lid 1, punt p), en artikel 63, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt p), of uit artikel 63, punt n), van die verordening, naargelang het geval. Dit omvat ook instrumenten die bovendien niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt q) of r), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 63, punt o) of p), van die verordening, naargelang het geval. 0064 1.1.4.2* waarvan: Onder het recht van derde landen vallende instrumenten zonder daadwerkelijke en afdwingbare uitoefening van de bevoegdheden overeenkomstig artikel 59 van richtlijn 2014/59/EU Artikel 494 ter, artikel 52, lid 1, punt q), en artikel 63, punt o), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt q), of uit artikel 63, punt o), van die verordening, naargelang het geval. Dit omvat ook instrumenten die bovendien niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt p) of r), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 63, punt n) of p), van die verordening, naargelang het geval. 0065 1.1.4.3* waarvan: Aan verrekenings- of nettingovereenkomsten instrumenten Artikel 494 ter, artikel 52, lid 1, punt r), en artikel 63, punt p), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt r), of uit artikel 63, punt p), van die verordening, naargelang het geval. Dit omvat ook instrumenten die bovendien niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt p) of q), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 63, punt n) of o), van die verordening, naargelang het geval. 0070 1.2 Minderheidsbelangen en daaraan gelijk te stellen posten Artikelen 479 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze rij geeft het effect weer van overgangsbepalingen op minderheidsbelangen die in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaal, de gekwalificeerde tier 1-instrumenten die in aanmerking komen als geconsolideerd aanvullend tier 1-kapitaal, en het gekwalificeerde eigen vermogen dat in aanmerking komt als geconsolideerd tier 2-kapitaal. 0080 1.2.1 Niet als minderheidsbelang aangemerkte kapitaalinstrumenten en posten Artikel 479 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het in kolom 060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat overeenkomstig eerdere wet- en regelgeving als geconsolideerde reserve wordt aangemerkt. 0090 1.2.2 Opneming van minderheidsbelangen in het geconsolideerde eigen vermogen onder de overgangsbepalingen Artikelen 84 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat zonder de overgangsbepalingen in aanmerking komt. 0091 1.2.3 Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van in aanmerking komend aanvullend tier 1-kapitaal onder de overgangsbepalingen Artikelen 85 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat zonder de overgangsbepalingen in aanmerking komt. 0092 1.2.4 Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van in aanmerking komend aanvullend-tier 2-kapitaal onder de overgangsbepalingen Artikelen 87 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat zonder de overgangsbepalingen in aanmerking komt. 0100 1.3 Andere aanpassingen onder de overgangsbepalingen Artikelen 468 tot en met 478 en artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze rij geeft het algehele effect weer van de aanpassingen onder de overgangsbepalingen op de aftrekking voor de verschillende soorten kapitaal, niet-gerealiseerde winsten en verliezen, aanvullende filters en aftrekkingen, plus de uit die aanpassingen voortvloeiende risicogewogen posten. 0111 1.3.1.6 Niet-gerealiseerde winsten en verliezen uit hoofde van bepaalde blootstellingen met betrekking tot centrale overheden, regionale overheden, lokale autoritieiten en publiekrechtelijke lichamen Artikel 468 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0112 1.3.1.6.1 waarvan: bedrag A Het bedrag A, berekend volgens de in artikel 468, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde formule 0140 1.3.2 Aftrekkingen Artikel 36, lid 1, en artikelen 469 tot en met 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze rij geeft het algehele effect van de overgangsbepalingen op aftrekkingen weer. 0170 1.3.2.3 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet uit tijdelijke verschillen voortvloeien Artikel 36, lid 1, punt c), artikel 469, lid 1, artikel 472, lid 5, en artikel 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Bij het vaststellen van het af te trekken bedrag van de bovenvermelde uitgestelde belastingvorderingen houden de instellingen rekening met artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot de vermindering van de uitgestelde belastingvorderingen met uitgestelde belastingverplichtingen. Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag: Het totaalbedrag overeenkomstig artikel 469, lid 1, van Verordening (EU) 575/2013 0380 1.3.2.9 Uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen en tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft Artikel 470, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag: Artikel 470, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0385 Uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen Artikel 469, lid 1, punt c), artikel 472, lid 5, en artikel 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het deel van de uitgestelde belastingvorderingen die van toekomstige winstgevendheid afhankelijk zijn en uit tijdelijke verschillen voortvloeien, dat de 10 %-drempel in artikel 470, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 overschrijdt. 0425 1.3.2.11 Vrijstelling van aftrek van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen Artikel 471 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0430 1.3.3 Additionele filters en aftrekkingen Artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze rij geeft het algehele effect van de overgangsbepalingen op additionele filters en aftrekkingen weer. Overeenkomstig artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren de instellingen onder post 1.3.3 informatie met betrekking tot de filters en aftrekkingen die moeten worden toegepast overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor de artikelen 57 en 66 van Richtlijn 2006/48/EG en voor de artikelen 13 en 16 van Richtlijn 2006/49/EG, en die overeenkomstig deel twee van deze verordening niet hoeven te worden toegepast. 0440 1.3.4 Aanpassingen uit hoofde van overgangsbepalingen van IFRS 9 Artikel 473 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren informatie met betrekking tot de overgangsregelingen uit hoofde van IFRS 9 in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen. 0441 Pro-memoriepost: ECL-impact van de statische component De som van A2, SA en A2, IRB als bedoeld in artikel 473 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. In het geval van A2, IRB is het gerapporteerde bedrag minus verwachte verliezen, zoals vereist door artikel 473 bis, lid 5, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0442 Pro-memoriepost: ECL-impact van de dynamische component voor de periode 1 januari 2018 – 31 december 2019 De som van en als bedoeld in artikel 473 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0443 Pro-memoriepost: ECL-impact van de dynamische component voor de periode vanaf 1 januari 2020 De som van A4, SA en A4, IRB als bedoeld in artikel 473 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. In het geval van A4, IRB is het gerapporteerde bedrag minus verwachte verliezen, zoals vereist door artikel 473 bis, lid 5, punten b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.6.326. C 05.02 – Instrumenten Waarop Grandfatheringbepalingen van Toepassing Zijn: Instrumenten die Geen Staatssteun Behelzen (CA5.2) De instellingen rapporteren gegevens met betrekking tot de overgangsbepalingen van instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn en die geen staatssteun behelzen (artikelen 484 tot en met 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

1.6.326.

1.6.3.1 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 Bedrag van instrumenten plus daaraan gerelateerde agio Artikel 484, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Instrumenten die in aanmerking komen voor iedere desbetreffende rij, met inbegrip van het daaraan gerelateerde agio. 0020 Grondslag voor berekening van de limiet Artikel 486, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0030 Toepasselijk percentage Artikel 486, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0040 Limiet Artikel 486, leden 2 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050 (–) Bedrag waarmee de limiet voor grandfathering wordt overschreden Artikel 486, leden 2 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0060 Totale bedrag waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Het te rapporteren bedrag is gelijk aan de in de desbetreffende kolommen van rij 060 van CA5.1. gerapporteerde bedragen. Rijen 0010 1. Instrumenten die aanmerking kwamen voor artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG Artikel 484, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0020 2. Instrumenten die aanmerking kwamen voor artikel 57, punt c bis), en artikel 154, leden 8 en 9, van Richtlijn 2006/48/EG, met inachtneming van de in artikel 489 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde limiet Artikel 484, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0030 2.1 Totaal van instrumenten zonder mogelijkheid van vervroegde aflossing of aflossingsprikkel Artikel 484, lid 4, en artikel 489 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0040 2.2 Instrumenten met mogelijkheid van vervroegde aflossing en aflossingsprikkel waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikel 489 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050 2.2.1 Instrumenten met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen Artikel 489, lid 3, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0060 2.2.2 Instrumenten met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen Artikel 489, lid 5, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0070 2.2.3 Instrumenten met een call die vóór of op 20 juli 2011 kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen Artikel 489, lid 6, en artikel 491, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0080 2.3 Overschrijding van de limiet voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikel 487, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het kapitaal waarmee de limiet voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn wordt overschreden, mag worden behandeld als instrumenten die krachtens grandfatheringbepalingen als aanvullend tier 1-instrumenten kunnen worden aangemerkt. 0090 3. Bestanddelen die aanmerking kwamen voor artikel 57, punten e), f), g) of h), van Richtlijn 2006/48/EG, met inachtneming van de in artikel 490 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde limiet Artikel 484, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0100 3.1 Totaal bestanddelen zonder aflossingsprikkel Artikel 490 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0110 3.2 Bestanddelen met een aflossingsprikkel waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikel 490 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0120 3.2.1 Bestanddelen met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen Artikel 490, lid 3, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0130 3.2.2 Bestanddelen met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen Artikel 490, lid 5, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0140 3.2.3 Bestanddelen met een call die vóór of op 20 juli 2011 kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen Artikel 490, lid 6, en artikel 491, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt. 0150 3.3 Overschrijding van de limiet voor aanvullend tier 1-instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn Artikel 487, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het kapitaal waarmee de limiet wordt overschreden voor aanvullend tier 1-instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn, mag worden behandeld als instrumenten die krachtens grandfatheringbepalingen als tier 2-instrumenten kunnen worden aangemerkt.

2. GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN (GS)

2.
2.1.27.28.29.

ALGEMENE OPMERKINGEN De templates C 06.01 en C 06.02 worden gerapporteerd indien de eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis worden berekend. Template C 06.02 bestaat uit vier delen, die dienen om informatie te verzamelen over alle afzonderlijke entiteiten (met inbegrip van de rapporterende instelling) binnen de consolidatiekring: Instellingen waaraan overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013 een ontheffing is verleend, rapporteren alleen de kolommen 0010 tot en met 0060 en de kolommen 0250 tot en met 0400. In de gerapporteerde cijfers wordt rekening gehouden met alle toepasselijke overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 die van toepassing zijn op de desbetreffende rapportagedatum.

2.1.27. a)

entiteiten binnen de consolidatiekring;

b)

gedetailleerde solvabiliteitsgegevens over de groep;

c)

informatie over de bijdrage van afzonderlijke entiteiten aan de groepssolvabiliteit;

d)

informatie over kapitaalbuffers.

2.2.30.31. GEDETAILLEERDE SOLVABILITEITSGEGEVENS OVER DE GROEP Het tweede deel van template C 06.02 (gedetailleerde solvabiliteitsgegevens voor de groep) (kolommen 0070 tot en met 0210) dient om informatie te verzamelen over kredietinstellingen en andere gereglementeerde financiële instellingen die feitelijk, en elk afzonderlijk, aan specifieke solvabiliteitvereisten zijn onderworpen. Hierin worden voor elk van de entiteiten die onder de rapportage vallen, de eigenvermogensvereisten per risicocategorie en het eigen vermogen voor solvabiliteitsdoeleinden gegeven. In het geval van proportionele consolidatie van deelnemingen geven de cijfers voor de eigenvermogensvereisten en eigen vermogen de respectieve proportionele bedragen weer.

2.3.32.33.34.35.36.37.38.

INFORMATIE OVER DE BIJDRAGE VAN AFZONDERLIJKE ENTITEITEN AAN DE GROEPSSOLVABILITEIT Het derde deel van template C 06.02 en de template C 06.01 (informatie over de bijdragen van alle entiteiten binnen de consolidatiekring in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 aan de groepssolvabiliteit, met inbegrip van entiteiten die afzonderlijk niet aan specifieke solvabiliteitsvereisten zijn onderworpen) (de kolommen 0250 tot en met 0400) dienen om vast te stellen welke entiteiten binnen de groep de risico’s veroorzaken en eigen vermogen vanuit de markt genereren, op basis van gegevens die direct beschikbaar zijn of eenvoudig opnieuw kunnen worden verwerkt, zonder dat de kapitaalratio op individuele of gesubconsolideerde basis hoeft te worden gereconstrueerd. Op entiteitsniveau zijn zowel risico- als eigenvermogenscijfers bijdragen aan de groepscijfers en geen onderdelen van een solvabiliteitsratio op individuele basis, en hoeven ze derhalve niet met elkaar te worden vergeleken. Het derde deel omvat ook de bedragen van minderheidsbelangen, in aanmerking komend gekwalificeerd aanvullend tier 1-kapitaal en gekwalificeerd tier 2-kapitaal in het geconsolideerde eigen vermogen. Aangezien in dit derde deel van de template sprake is van bijdragen, wijken de hier te rapporteren cijfers, in voorkomend geval , af van de cijfers gerapporteerd in de kolommen met gedetailleerde gegevens over de groepssolvabiliteit. Als algemeen uitgangspunt worden de wederzijdse blootstellingen binnen dezelfde groep op homogene wijze tegen elkaar weggestreept, zowel wat betreft risico’s als eigen vermogen, teneinde de in de geconsolideerde CA-template van de groep gerapporteerde bedragen in beeld te brengen door de bedragen toe te voegen die voor elke entiteit in de template Groepssolvabiliteit worden gerapporteerd. Indien de 1 %-drempel niet wordt overschreden, is geen rechtstreekse koppeling met de CA-template mogelijk. De instellingen bepalen de meest geschikte methode voor het uitsplitsen van entiteiten om met eventuele diversificatie-effecten voor marktrisico en operationeel risico rekening te houden. Het is mogelijk dat een geconsolideerde groep wordt opgenomen binnen een andere geconsolideerde groep. Dat betekent dat de entiteiten binnen een subgroep per entiteit in de groepssolvabiliteit van de hele groep worden gerapporteerd, ook al is de subgroep zelf aan rapportagevereisten onderworpen. Een subgroep die aan rapportagevereisten is onderworpen, rapporteert ook de GS-template per entiteit, ook al zijn die gegevens in de GS-template van een hogere geconsolideerde groep opgenomen. Een instelling rapporteert de gegevens over de bijdrage van een entiteit wanneer die bijdrage aan het totaal van de risicoposten hoger is dan 1 % van het totaal van de risicoposten van de groep of wanneer die bijdrage aan het totale eigen vermogen hoger is dan 1 % van het totale eigen vermogen van de groep. Die drempel is niet van toepassing op dochterondernemingen of subgroepen die eigen vermogen (in de vorm van minderheidsbelangen of in het eigen vermogen opgenomen gekwalificeerde aanvullend tier 1- of tier 2-instrumenten) aan de groep verschaffen.

2.4. C 06.01 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN – Totaal (GS Total) Kolommen Instructies 0250-0400 ENTITEITEN BINNEN DE CONSOLIDATIEKRING Zie de instructies voor C 06.02. 0410-0480 KAPITAALBUFFERS Zie de instructies voor C 06.02. Rijen Instructies 0010 TOTAAL Het totaal is de som van de waarden die in alle rijen van template C 06.02 zijn gerapporteerd.

2.5. C 06.02 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN (GS) Kolommen Instructies 0011-0060 ENTITEITEN BINNEN DE CONSOLIDATIEKRING Deze template dient om informatie te verzamelen over iedere afzonderlijke entiteit die in de consolidatiekring is opgenomen overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0011 NAAM Naam van de entiteit binnen de consolidatiekring. 0021 CODE De code als onderdeel van een identificatiecode van de rij moet voor elke gerapporteerde entiteit uniek zijn. Voor instellingen en verzekeringsondernemingen is die code de identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI-code). Voor andere entiteiten is de code de LEI-code of, als die niet beschikbaar is, een nationale code. De code moet uniek zijn en consequent worden gebruikt, te allen tijde en in alle templates. De code moet steeds een waarde hebben. 0026 SOORT CODE De instellingen identificeren het in kolom 0021 gerapporteerde soort code als LEI-code of niet-LEI-code. Het soort code moet steeds worden gerapporteerd. 0027 NATIONALE CODE Wanneer instellingen in de kolom Code de LEI-code als identificatiecode rapporteren, mogen zij ter aanvulling de nationale code rapporteren. 0030 INSTELLING OF DAARMEE GELIJKWAARDIG (JA/NEE) JA wordt gerapporteerd indien de entiteit is onderworpen aan eigenvermogensvereisten krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU of bepalingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Bazel. NEE in de overige gevallen. Minderheidsbelangen: Artikel 81, lid 1, punt a), ii), en artikel 82, lid 1, punt a), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Wat betreft minderheidsbelangen en door dochterondernemingen uitgegeven aanvullend tier 1- en tier 2-instrumenten moeten de dochterondernemingen waarvan instrumenten mogelijk in aanmerking komen, instellingen of ondernemingen zijn die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 onderworpen zijn. 0035 SOORT ENTITEIT Het soort entiteit wordt gerapporteerd op basis van de volgende categorieën: Indien een entiteit niet onder Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU valt, maar onder bepalingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Bazel, wordt de desbetreffende categorie naar beste vermogen bepaald. 0040 AARD VAN DE GEGEVENS: INDIVIDUEEL VOLLEDIG GECONSOLIDEERD (SF) OF INDIVIDUEEL GEDEELTELIJK GECONSOLIDEERD (SP) SF wordt gerapporteerd voor volledig geconsolideerde individuele dochterondernemingen. SP wordt gerapporteerd voor gedeeltelijk geconsolideerde individuele dochterondernemingen. 0050 LANDENCODE De instellingen rapporteren de tweeletterige ISO 3166-2 landencode. 0060 PERCENTAGE VAN DE DEELNEMING (%) Dit percentage slaat op het feitelijke deel van het kapitaal dat de moederonderneming in dochterondernemingen bezit. Bij volledige consolidatie van een directe dochteronderneming bedraagt het feitelijke aandeel bijvoorbeeld 70 %. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt het te rapporteren percentage van de deelneming in een dochteronderneming verkregen door de percentages van de betrokken dochterondernemingen te vermenigvuldigen. 0070-0240 INFORMATIE OVER ENTITEITEN DIE AAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN ZIJN ONDERWORPEN In het gedeelte over gedetailleerde informatie (d.w.z. de kolommen 0070 tot en met 0240) wordt uitsluitend informatie verzameld over entiteiten en subgroepen binnen de consolidatiekring (deel een, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013) en die derhalve daadwerkelijk zijn onderworpen aan solvabiliteitsvereisten uit Verordening (EU) nr. 575/2013 of bepalingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Bazel (d.w.z. waarvoor in kolom 0030 JA is ingevuld). Er wordt informatie opgenomen over alle individuele instellingen van een geconsolideerde groep die aan eigenvermogensvereisten zijn onderworpen, ongeacht hun vestigingsplaats. De in dit deel gerapporteerde informatie is een weerspiegeling van de lokale solvabiliteitsregels vanhet rechtsgebied waar de instelling actief is (voor deze template hoeft dus niet per instelling een dubbele berekening te worden gemaakt op basis van de regels van de moederinstelling). Indien de lokale solvabiliteitsregels afwijken van Verordening (EU) nr. 575/2013 en geen vergelijkbare uitsplitsing wordt gegeven, wordt informatie verstrekt voor zover gegevens in de desbetreffende fijnmazigheid beschikbaar zijn. Dit deel is derhalve een feitelijke template die een overzicht geeft van de berekeningen die door de afzonderlijke instellingen van een groep worden verricht, met dien verstande dat sommige van die instellingen aan afwijkende solvabiliteitsregels onderworpen kunnen zijn. Rapportage van vaste kosten van beleggingsondernemingen: Beleggingsondernemingen nemen in hun berekening van de kapitaalratio overeenkomstig de artikelen 95, 96, 97 en 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 eigenvermogensvereisten op met betrekking tot de vaste kosten. Het deel van het totaal van de risicoposten dat verband houdt met vaste kosten, wordt in kolom 0100 van deze template gerapporteerd. 0070 TOTAAL RISICOPOSTEN Hier wordt de som van de kolommen 0080 tot en met 0110 gerapporteerd. 0080 KREDIET; TEGENPARTIJKREDIET; VERWATERINGSRISICO’S, NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EN AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met de som van de risicogewogen posten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0040 RISICOGEWOGEN POSTEN VOOR KREDIET-, TEGENPARTIJKREDIET- EN VERWATERINGSRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES te rapporteren risicoposten en de bedragen van de eigenvermogensvereisten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0490 TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO’S van template CA2 te rapporteren posten. 0090 POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag aan eigenvermogensvereisten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0520 TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S van template CA2 te rapporteren posten. 0100 OPERATIONEEL RISICO Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van risicoposten dat gelijk is aan of gelijkwaardig met de in rij 0590 TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR OPERATIONELE RISICO’S (OpR) van template CA2 te rapporteren posten. Vaste kosten worden in deze kolom opgenomen, met inbegrip van rij 0630 ADDITIONELE RISICOPOSTEN ALS GEVOLG VAN VASTE KOSTEN van template CA2. 0110 ANDERE RISICOPOSTEN Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van de risicoposten dat hierboven niet specifiek wordt genoemd. Het is de som van de bedragen in de rijen 0640, 0680 en 0690 van template CA2. 0120-0240 GEDETAILLEERDE INFORMATIE OVER EIGEN VERMOGEN IN VERBAND MET DE GROEPSOLVABILITEIT De in de volgende kolommen te rapporteren informatie is een weerspiegeling van de lokale solvabiliteitsregels van de lidstaat waar de entiteit of subgroep actief is. 0120 EIGEN VERMOGEN Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van eigenvermogensvereisten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0010 EIGEN VERMOGEN van template CA1 te rapporteren posten. 0130 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN Artikel 82 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt uitsluitend ingevuld voor individueel gerapporteerde dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn. Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn gekwalificeerde deelnemingen de instrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten, agioreserves en andere reserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen. Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag. 0140 GERELATEERDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN, AGIORESERVES EN ANDERE RESERVES Artikel 87, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0150 TOTALE TIER 1-KAPITAAL Artikel 25 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0160 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND TIER 1-KAPITAAL Artikel 82 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt uitsluitend ingevuld voor individueel gerapporteerde dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn. Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn gekwalificeerde deelnemingen de instrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen. Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag. 0170 GERELATEERDE TIER 1-INSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN EN AGIOREKENINGEN Artikel 85, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0180 TIER 1-KERNKAPITAAL Artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0190 WAARVAN: MINDERHEIDSBELANGEN: Artikel 81 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt uitsluitend gerapporteerd voor dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn, met uitzondering van in artikel 84, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde dochterondernemingen. Iedere dochteronderneming wordt ten behoeve van alle krachtens artikel 84 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste berekeningen, voor zover van toepassing, op gesubconsolideerde basis beschouwd; in de overige gevallen, overeenkomstig artikel 84, lid 2, op individuele basis. Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn minderheidsbelangen de tier 1-kernkapitaalinstrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen. Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag. 0200 GERELATEERDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN, AGIORESERVES EN ANDERE RESERVES Artikel 84, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0210 AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL Artikel 61 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0220 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL Artikelen 82 en 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt uitsluitend gerapporteerd voor de dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn, met uitzondering van in artikel 85, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde dochterondernemingen. Iedere dochteronderneming wordt ten behoeve van alle in artikel 85 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste berekeningen, voor zover van toepassing, op gesubconsolideerde basis beschouwd; in de overige gevallen, overeenkomstig artikel 85, lid 2, op individuele basis. Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn minderheidsbelangen de aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen. Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag. 0230 TIER 2-KAPITAAL Artikel 71 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0240 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND TIER 2-KAPITAAL Artikelen 82 en 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt uitsluitend gerapporteerd voor de dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn, met uitzondering van in artikel 87, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde dochterondernemingen. Iedere dochteronderneming wordt ten behoeve van alle in artikel 87 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste berekeningen, voor zover van toepassing, op gesubconsolideerde basis beschouwd; in de overige gevallen, overeenkomstig artikel 87, lid 2, van die verordening, op individuele basis. Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn minderheidsbelangen de tier 2-kapitaalinstrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen. Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag. 0250-0400 INFORMATIE OVER DE BIJDRAGE VAN ENTITEITEN AAN DE GROEPSSOLVABILITEIT 0250-0290 BIJDRAGE AAN RISICO’S De in de volgende kolommen te rapporteren informatie is in overeenstemming met de solvabiliteitsvoorschriften die op de rapporterende instelling van toepassing zijn. 0250 TOTAAL RISICOPOSTEN Hier wordt de som van de kolommen 0260 tot en met 0290 gerapporteerd. 0260 KREDIET; TEGENPARTIJKREDIET; VERWATERINGSRISICO’S, NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EN AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO Het te rapporteren bedrag is gelijk aan dat van de risicogewogen posten voor kredietrisico en eigenvermogensvereisten van afwikkelings-/leveringsrisico’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van bedragen die gerelateerd zijn aan transacties met andere entiteiten die in de geconsolideerde berekening van de solvabiliteitsratio van de groep zijn betrokken. 0270 POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S De risicoposten voor marktrisico moeten in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 575/2013 worden berekend op het niveau van elke entiteit afzonderlijk. De entiteiten rapporteren de bijdrage aan het totaal van de risicoposten voor de positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s van de groep. De som van die hier gerapporteerde bedragen stemt overeen met het bedrag gerapporteerd in rij 0520 TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S van de geconsolideerde rapportage. 0280 OPERATIONEEL RISICO In het kader van de geavanceerde meetbenaderingen (AMA) houden de gerapporteerde risicoposten voor operationeel risico rekening met het diversificatie-effect. Vaste algemene kosten worden in deze kolom opgenomen. 0290 ANDERE RISICOPOSTEN Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van de risicoposten dat hierboven niet specifiek wordt genoemd. 0300-0400 BIJDRAGE AAN EIGEN VERMOGEN Dit deel van de template is niet bedoeld om instellingen te verplichten een complete berekening te maken van de totale kapitaalratio op het niveau van iedere entiteit afzonderlijk. De kolommen 0300 tot en met 0350 worden gerapporteerd voor geconsolideerde entiteiten die aan het eigen vermogen bijdragen via minderheidsbelangen, in aanmerking komend tier 1-kapitaal of in aanmerking komend eigen vermogen. Met inachtneming van de drempel die is vastgesteld in deel II, hoofdstuk 2.3, laatste alinea, hierboven, worden de kolommen 0360 tot en met 0400 gerapporteerd voor alle geconsolideerde entiteiten die aan het geconsolideerde eigen vermogen bijdragen. Eigen vermogen dat in een entiteit wordt ingebracht door de overige entiteiten die onder de rapporterende entiteit vallen, wordt buiten beschouwing gelaten; in deze kolom wordt uitsluitend de nettobijdrage aan het eigen vermogen van de groep gerapporteerd (hoofdzakelijk het eigen vermogen dat via derden en cumulatieve reserves wordt ingebracht). De in de volgende kolommen te rapporteren informatie is in overeenstemming met de solvabiliteitsvoorschriften die op de rapporterende instelling van toepassing zijn. 0300-0350 IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN Het als IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN te rapporteren bedrag is het bedrag dat wordt afgeleid uit deel twee, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van vermogen dat door andere groepsentiteiten wordt ingebracht. 0300 IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN Artikel 87 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0310 IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KAPITAAL OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN Artikel 85 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0320 IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KERNKAPITAAL OPGENOMEN MINDERHEIDSBELANGEN Artikel 84 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het bedrag van de minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 is opgenomen. 0330 IN HET GECONSOLIDEERDE AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN Artikel 86 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het bedrag aan in aanmerking komende tier-1-kapitaal van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde aanvullend tier 1-kapitaal overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 is opgenomen. 0340 IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 2-KAPITAAL OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN Artikel 88 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het bedrag van de minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 2-kapitaal overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 is opgenomen. 0350 PRO-MEMORIEPOST: GOODWILL (-) / (+) NEGATIEVE GOODWILL 0360-0400 GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN Artikel 18 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het als GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN te rapporteren bedrag is het bedrag dat wordt ontleend aan de balans, met uitzondering van vermogen dat door andere groepsentiteiten wordt ingebracht. 0360 GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN 0370 WAARVAN: TIER 1-KERNKAPITAAL 0380 WAARVAN: AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL 0390 WAARVAN: BIJDRAGEN AAN HET GECONSOLIDEERDE RESULTAAT Hier wordt de bijdrage van iedere entiteit aan het geconsolideerde resultaat (winst of verlies (-)) gerapporteerd. Dit omvat de aan minderheidsbelangen toe te rekenen resultaten. 0400 WAARVAN: (-) GOODWILL / (+) NEGATIEVE GOODWILL Hier wordt de (negatieve) goodwill van de rapporterende entiteit in de dochteronderneming gerapporteerd. 0410-0480 KAPITAALBUFFERS De rapportage van kapitaalbuffers voor de GS-template volgt de algemene structuur van de CA4-template, met gebruikmaking van dezelfde rapportageconcepten. Bij het rapporteren van de kapitaalbuffers voor de GS-template worden de desbetreffende bedragen gerapporteerd in overeenstemming met de bepalingen die van toepassing zijn om het buffervereiste voor de geconsolideerde situatie van een groep te bepalen. De gerapporteerde bedragen aan kapitaalbuffers vertegenwoordigen bijgevolg de bijdragen van elke entiteit aan de buffers van het groepskapitaal. De gerapporteerde bedragen zijn gebaseerd op de nationale omzettingsmaatregelen van Richtlijn 2013/36/EU en op Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van alle overgangsbepalingen waarin daarin is voorzien. 0410 GECOMBINEERD BUFFERVEREISTE Artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU 0420 KAPITAALCONSERVERINGSBUFFER Artikel 128, punt 1, en artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU Overeenkomstig artikel 129, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU is de kapitaalconserveringsbuffer een aanvullend bedrag aan tier 1-kernkapitaal. Aangezien de kapitaalconserveringsbuffer vast op 2,5 % is gesteld, moet in deze rij een bedrag worden ingevuld. 0430 INSTELLINGSSPECIFIEKE CONTRACYCLISCHE KAPITAALBUFFER Artikel 128, punt 2, artikel 130 en artikelen 135 tot en met 140 van Richtlijn 2013/36/EU. Het concrete bedrag van de contracyclische kapitaalbuffer wordt in deze cel gerapporteerd. 0440 CONSERVERINGSBUFFER ALS GEVOLG VAN OP HET NIVEAU VAN EEN LIDSTAAT ONDERKEND MACROPRUDENTIEEL RISICO OF SYSTEEMRISICO Artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In deze cel wordt het bedrag gerapporteerd van de conserveringsbuffer die overeenkomstig artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 naast de kapitaalconserveringsbuffer kan worden verlangd als gevolg van een op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel risico of systeemrisico. 0450 SYSTEEMRISICOBUFFER Artikel 128, punt 5, en artikelen 133 en 134 van Richtlijn 2013/36/EU Het bedrag van de systeemrisicobuffer wordt in deze cel gerapporteerd. 0470 BUFFER VOOR MONDIAAL SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN Artikel 128, punt 3, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU Het bedrag van de buffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen wordt in deze cel gerapporteerd. 0480 BUFFER VOOR ANDERE SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN Artikel 128, punt 4, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU Het bedrag van de buffer voor andere systeemrelevante instellingen wordt in deze cel gerapporteerd.

2.5. a)

kredietinstelling Artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

beleggingsonderneming Artikel 4, lid 1, punt 2), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

financiële instelling (overige) Artikel 4, lid 1, punten 20, 21 en 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Financiële instellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet zijn opgenomen in een van de categorieën d), f) of g);

d)

(gemengde) financiële holding Artikel 4, lid 1, punten 20 en 21, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

e)

onderneming die nevendiensten verricht Artikel 4, lid 1, punt 18), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

f)

special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (SSPE) Artikel 4, lid 1, punt 66), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

g)

onderneming voor gedekte obligaties Entiteit die wordt opgericht om gedekte obligaties uit te geven of de zekerheid voor een gedekte obligatie aan te houden, indien deze niet is opgenomen in de bovenstaande categorieën a), b), of d) tot en met f);

h)

ander soort entiteit Entiteit niet zijnde die bedoeld in de punten a) tot en met g).

3. TEMPLATES VOOR KREDIETRISICO

3.

3.1.39. ALGEMENE OPMERKINGEN Voor de standaardmethode en voor de interneratingmethode voor kredietrisico zijn er verschillende sets templates. Daarnaast worden afzonderlijke templates gerapporteerd voor de geografische uitsplitsing van posities die aan kredietrisico onderhevig zijn, indien de desbetreffende drempelwaarde van artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening wordt overschreden.

3.1.39.
3.1.140.41.42.43.

Rapportage van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect Blootstellingen met betrekking tot debiteuren (directe tegenpartijen) en garanten die worden toegewezen aan dezelfde blootstellingscategorie, worden gerapporteerd als instroom en als uitstroom naar dezelfde blootstellingscategorie. Het soort blootstelling verandert niet als gevolg van niet-volgestorte kredietprotectie. Indien een blootstelling wordt gedekt door een niet-volgestorte kredietprotectie, wordt het gedekte gedeelte aangemerkt als een uitstroom in bijvoorbeeld de blootstellingscategorie van de debiteur en als een instroom in de blootstellingscategorie van de protectiegever. Het soort blootstelling verandert echter niet als gevolg van de wijziging van blootstellingscategorie. In het substitutie-effect in het COREP-rapportagekader komt de risicowegingsbehandeling tot uiting die daadwerkelijk van toepassing is op het gedekte deel van de blootstelling. Het gedekte deel van de blootstelling wordt derhalve naar risico gewogen overeenkomstig de standaardbenadering en wordt in de CR SA-template gerapporteerd.

3.1.244. Rapportage van tegenpartijkredietrisico Blootstellingen die voortvloeien uit tegenpartijkredietrisicoposities worden gerapporteerd in de CR SA- of CR IRB-template, ongeacht of het posten in de niet-handelsportefeuille of posten in de handelsportefeuille betreft.

3.2. C 07.00 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: STANDAARDBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (CR SA)

3.2.

3.2.145. Algemene opmerkingen De CR SA-templates bieden de informatie die noodzakelijk is het berekenen van eigenvermogensvereisten voor kredietrisico overeenkomstig de standaardbenadering. Zij bieden met name gedetailleerde informatie over:

3.2.145. a)

de verdeling van de blootstellingswaarden volgens de verschillende soorten blootstelling, risicogewichten en blootstellingscategorieën;

b)

de hoeveelheid en soort kredietrisicolimiteringstechnieken die worden gebruikt om de risico’s te limiteren.

3.2.246.47.48.49.50.51.52.53.54.55.

Reikwijdte van de CR SA-template Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten dient overeenkomstig artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 iedere blootstelling in het kader van de standaardbenadering te worden toegewezen aan een van de 16 blootstellingscategorieën volgens de standaardbenadering. De informatie in CR SA wordt verlangd voor de totale blootstellingscategorieën en voor elk van de blootstellingscategorieën afzonderlijk volgens de standaardbenadering. De totaalcijfers en de informatie voor elke afzonderlijke blootstellingscategorie worden in een aparte dimensie gerapporteerd. De volgende posities vallen evenwel niet binnen het bereik van CR SA: Onder de CR SA-template vallen de volgende eigenvermogensvereisten: De template omvat alle blootstellingen waarvoor de eigenvermogensvereisten worden berekend in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Instellingen die artikel 94, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepassen, moeten in deze template ook hun in artikel 92, lid 3, punt b), van die verordening bedoelde handelsportefeuilleposities rapporteren wanneer zij de eigenvermogensvereisten dienaangaande berekenen op basis van deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van die verordening (deel drie, titel II, hoofdstukken 2 en 6, en deel drie, titel V, van die verordening). De template geeft daarom niet alleen gedetailleerde informatie over het soort blootstelling (bv. posten binnen of buiten de balanstelling), maar ook informatie over de toewijzing van risicogewichten binnen de respectieve blootstellingscategorieën. Verder bevat CR SA pro-memorieposten in de rijen 0290 tot en met 0320 voor het verzamelen van verdere informatie over blootstellingen die worden gedekt door hypotheken op onroerend goed en blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling. Die pro-memorieposten worden uitsluitend gerapporteerd voor de volgende blootstellingscategorieën: De rapportage van de pro-memorieposten heeft geen gevolgen voor de berekening van de risicogewogen posten van de in template CR SA gerapporteerde blootstellingscategorieën van artikel 112, punten a) tot en met en c) en punten f), tot en met en h), van Verordening (EU) nr. 575/2013, noch voor de in template CR SA gerapporteerde blootstellingscategorieën van artikel 112, punt i) en j), van die verordening. De rijen voor pro-memorieposten geven aanvullende informatie over de debiteurenstructuur van de blootstellingscategorieën blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling of gedekt door onroerend goed. Blootstellingen worden in die rijen gerapporteerd indien de debiteuren in de blootstellingscategorieën centrale overheden of centrale banken, regionale overheden of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke lichamen, instellingen, ondernemingen en particulieren en kleine partijen van CR SA zouden zijn gerapporteerd als die genoemde blootstellingen niet waren ingedeeld bij de blootstellingscategorieën blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling of gedekt door onroerend goed. De gerapporteerde cijfers zijn evenwel dezelfde als die ten behoeve van de berekening van de risicogewogen posten in de blootstellingscategorieën blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling of gedekt door onroerend goed. Indien bijvoorbeeld een blootstelling waarvan de risicoposten worden berekend met inachtneming van artikel 127 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de waardeaanpassingen minder dan 20 % bedragen, dan wordt die informatie gerapporteerd in rij 0320 van CR SA wat betreft het totaal en in de blootstellingscategorie blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling. Indien deze blootstelling, voordat er sprake was van wanbetaling, een blootstelling was met betrekking tot een instelling, dan wordt deze informatie ook gerapporteerd in rij 0320 van de blootstellingscategorie instellingen.

3.2.246.47.48. a)

Blootstellingen toegewezen aan de in artikel 112, punt m), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingscategorie posten die securitisatieposities vertegenwoordigen worden in de CR SEC-templates gerapporteerd.

b)

Van het eigen vermogen afgetrokken blootstellingen.

3.2.246.47.48.49. a)

kredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (standaardbenadering) in de niet-handelsportefeuille, waaronder tegenpartijkredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van die verordening (tegenpartijkredietrisico) in de niet-handelsportefeuille;

b)

kredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de handelsportefeuille;

c)

afwikkelingsrisico voortvloeiende uit niet-afgewikkelde transacties overeenkomstig artikel 379 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot alle bedrijfsactiviteiten.

3.2.246.47.48.49.50.51.52. a)

centrale overheden of centrale banken (artikel 112, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

b)

regionale overheden of lokale autoriteiten (artikel 112, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

c)

publiekrechtelijke lichamen (artikel 112, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

d)

instellingen (artikel 112, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

e)

ondernemingen (artikel 112, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

f)

particulieren en kleine partijen (artikel 112, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013).

3.2.356.57.58.59.60.61.62.63.64.65.

Toewijzing van blootstellingen met betrekking tot blootstellingscategorieën in het kader van de standaardbenadering Om een consistente indeling te waarborgen van blootstellingen in de verschillende blootstellingscategorieën van artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt de volgende stapsgewijze benadering toegepast: De volgende criteria zijn van toepassing op de indeling van de oorspronkelijke blootstelling in de verschillende blootstellingscategorieën vóór toepassing van de omrekeningsfactoren (eerste stap), onverminderd de daaropvolgende herindeling als gevolg van het gebruik van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling en onverminderd de behandeling (risicogewicht) waaraan iedere afzonderlijke blootstelling binnen de toegewezen blootstellingscategorie is onderworpen. Voor de indeling van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren in de eerste stap worden de aan de blootstelling gerelateerde kredietrisicolimiteringstechnieken niet in aanmerking genomen (wel worden deze technieken expliciet in aanmerking genomen in de tweede fase), tenzij een protectie-effect intrinsiek deel uitmaakt van de definitie van een blootstellingscategorie, zoals het geval is bij de in artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorie blootstellingen (blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed). Artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevat geen criteria voor het ontkoppelen van de categorieën blootstellingen. Dit zou kunnen betekenen dat een blootstelling in verschillende categorieën blootstellingen zou kunnen worden geclassificeerd indien niet is voorzien in een rangorde van beoordelingscriteria voor de indeling. Het meest evidente geval is dat van blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn (artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013) en blootstellingen met betrekking tot instellingen (artikel 112, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013) of blootstellingen met betrekking tot ondernemingen (artikel 112, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013). In dat geval is het duidelijk dat er sprake is van een impliciete rangorde in die verordening, aangezien eerst wordt beoordeeld of een bepaalde blootstelling geschikt is om te worden toegewezen aan blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen op de korte termijn en pas daarna wordt nagegaan of die blootstelling geschikt is om te worden toegewezen aan blootstellingen met betrekking tot instellingen of blootstellingen met betrekking tot ondernemingen. Anders zou immers aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013 nooit een blootstelling worden toegewezen. Dit is een van de meest evidente voorbeelden, maar niet het enige. Belangrijk is nog dat de criteria die worden gehanteerd voor het vaststellen van de blootstellingscategorieën in het kader van de standaardbenadering anders zijn (institutionele indeling, duur van de blootstelling, status na vervaldatum enz.), hetgeen de achterliggende reden is voor niet-ontkoppelde groeperingen. Voor een homogene en vergelijkbare rapportage is het noodzakelijk een specifieke rangorde aan te brengen in de beoordelingscriteria voor toewijzing van de oorspronkelijke blootstelling aan blootstellingscategorieën vóór toepassing van de omrekeningsfactor, onverminderd de specifieke behandeling (risicogewicht) die iedere specifieke blootstelling binnen de toegewezen blootstellingscategorie krijgt. De onderstaande rangordecriteria gaan uit van een beslisboom en zijn gebaseerd op beoordeling van de expliciet in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden voor toewijzing van een blootstelling aan een bepaalde blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, op een besluit door de rapporterende instellingen of de toezichthouder inzake de toepasselijkheid van bepaalde blootstellingscategorieën. Het resultaat van het proces van de toewijzing van blootstellingen voor rapportagedoeleinden zou daarmee voldoen aan de bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013. Een en ander belet instellingen niet om andere interne toewijzingsprocedures te volgen die evengoed aansluiten bij alle desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de uitlegging daarvan door de daartoe geëigende fora. Een blootstellingscategorie heeft in de rangorde van de beslisboom prioriteit boven andere (d.w.z. eerst wordt bepaald of een blootstelling aan deze categorie kan worden toegewezen, ongeacht het resultaat van die beoordeling) indien daaraan anders mogelijk helemaal geen blootstellingen zouden worden toegewezen. Dat zal het geval zijn wanneer, zonder rangordecriteria, één blootstellingscategorie een subset van andere categorieën zou zijn. De criteria die in de onderstaande beslisboom grafisch zijn weergegeven, zouden derhalve in een bepaalde volgorde worden toegepast. Tegen deze achtergrond resulteert de onderstaande beslisboom in de volgende rangorde: In het geval van blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging waarbij de doorkijkbenadering of de beleidsbenadering wordt toegepast (artikel 132 bis, punten 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013), worden de onderliggende individuele blootstellingen (in het geval van de doorkijkbenadering) en de individuele groep blootstellingen (in het geval van de beleidsbenadering) in aanmerking genomen en geclassificeerd in hun eigen risicogewichtregel overeenkomstig hun behandeling. Alle individuele blootstellingen worden echter ingedeeld bij de blootstellingscategorie blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb’s). Nth-to-default kredietderivaten, waarvan sprake in artikel 134, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, die een rating hebben, worden onmiddellijk als securitisatieposities geclassificeerd. Hebben zij geen rating, dan worden ze in aanmerking genomen in de blootstellingscategorie andere posten. In dat laatste geval wordt het nominale bedrag van de overeenkomst gerapporteerd als de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactoren in de regel voor Andere risicogewichten (het te hanteren risicogewicht is het gewicht dat wordt aangegeven door de som in artikel 134, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013). In een tweede stap worden als gevolg van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten blootstellingen opnieuw toegewezen aan de blootstellingscategorie van de protectiegever.

3.2.356. a)

In een eerste stap wordt de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactoren ingedeeld in de desbetreffende (oorspronkelijke) in artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingscategorie, onverminderd de specifieke behandeling (risicogewicht) waaraan iedere afzonderlijke blootstelling binnen de toegewezen blootstellingscategorie is onderworpen.

b)

In een tweede stap kunnen de blootstellingen opnieuw worden ingedeeld in andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling (bv. garanties, kredietderivaten, eenvoudige benadering van financiële zekerheden) via instromen en uitstromen.

3.2.356.57.58.59.60.61.62.

1. securitisatieposities;

2. posten met een bijzonder hoog risico;

3. blootstellingen in aandelen;

4. blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling;

5. blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb’s) of blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (ontkoppelde blootstellingscategorieën);

6. blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed;

7. andere posten;

8. blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn;

9. alle overige blootstellingscategorieën (ontkoppelde blootstellingscategorieën) met inbegrip van blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken; blootstellingen met betrekking tot regionale overheden of lokale autoriteiten; blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen; blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken; blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties; blootstellingen met betrekking tot instellingen; blootstellingen met betrekking tot ondernemingen en blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

3.2.356.57.58.59.60.61.62.63.64.65. BESLISBOOM VOOR TOEWIJZING VAN DE OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN AAN DE BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN VAN DE STANDAARDBENADERING OVEREENKOMSTIG VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

Oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt m), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Securitisatieposities NEE Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt k), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Posten met een bijzonder hoog risico (zie ook artikel 128 van Verordening (EU) nr. 575/2013) NEE Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt p), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Blootstellingen in aandelen (zie ook artikel 133 van Verordening (EU) nr. 575/2013). NEE Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling NEE Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorieën van artikel 112, punten l) en o), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb’s) Blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (zie ook artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013) Deze beide blootstellingscategorieën zijn niet onderling gekoppeld (zie opmerkingen over de doorkijkbenadering in bovenstaand antwoord). Toewijzing aan een ervan is dan ook eenvoudig. NEE Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Blootstellingen in de vorm van hypotheken op onroerend goed (zie ook artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013) NEE Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt q), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Andere posten NEE Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013? JA Blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn NEE De onderstaande blootstellingscategorieën zijn niet onderling gekoppeld. Toewijzing aan een ervan is dan ook eenvoudig. Blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken Blootstellingen met betrekking tot regionale regionale overheden of lokale autoriteiten Blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen Blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken Blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties Blootstellingen met betrekking tot instellingen Blootstellingen met betrekking tot ondernemingen Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

3.2.4 Toelichting bij de reikwijdte van enkele specifieke blootstellingscategorieën waarvan sprake in artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013

3.2.4
3.2.4.166.67.68.

De blootstellingscategorie instellingen Intragroepsblootstellingen overeenkomstig artikel 113, leden 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als volgt gerapporteerd: Blootstellingen die aan de vereisten van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, worden gerapporteerd in de blootstellingscategorie die van toepassing zou zijn als zij geen intragroepsblootstellingen waren geweest. Overeenkomstig artikel 113, leden 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan een instelling, met de voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, besluiten de vereisten van lid 1 van dat artikel niet toe te passen op de blootstellingen van die instelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, haar dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, dan wel een onderneming die verbonden is door een band als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG. Een en ander betekent dat onder intragroepstegenpartijen niet noodzakelijkerwijs instellingen wordt verstaan, maar ook ondernemingen die zijn toegewezen aan andere blootstellingscategorieën, bv. ondernemingen die nevendiensten verrichten of ondernemingen in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad. Intragroepsblootstellingen dienen daarom in de desbetreffende blootstellingscategorie te worden gerapporteerd.

3.2.4.269.70.

De blootstellingscategorie gedekte obligaties Blootstellingen volgens de standaardbenadering worden als volgt aan de blootstellingscategorie gedekte obligaties toegewezen: In artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad bedoelde obligaties moeten voldoen aan de vereisten van artikel 129, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 om in de blootstellingscategorie gedekte obligaties te kunnen worden geclassificeerd. Daarbij moet in elk afzonderlijk geval worden nagegaan of aan die vereisten is voldaan. Niettemin worden, uit hoofde van artikel 129, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ook obligaties overeenkomstig artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, aan de blootstellingscategorie gedekte obligaties toegewezen.

3.2.4.371. De blootstellingscategorie instellingen voor collectieve belegging Indien van de in artikel 132, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, worden blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb’s gerapporteerd als posten binnen de balanstelling overeenkomstig artikel 111, lid 1, eerste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.2.5 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN De blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder rekening te houden met waardeaanpassingen en voorzieningen, omrekeningsfactoren en het effect van kredietrisicolimiteringstechnieken met de volgende kwalificaties uit hoofde van artikel 111, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Indien instellingen gebruikmaken van de afwijking van artikel 473 bis, lid 7 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rapporteren zij het bedrag ABSA met een risicoweging van 100 % in de blootstellingscategorie overige posten in deze kolom. 0030 (–) Waardeaanpassingen en voorzieningen in verband met de oorspronkelijke blootstelling Artikelen 24 en 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Waardeaanpassingen en voorzieningen voor kredietverliezen (kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 110) overeenkomstig het kader voor financiële verslaggeving waaraan de rapporterende entiteit is onderworpen, alsmede prudente waardeaanpassingen (aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 105, overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen en andere eigenvermogensverlagingen in verband met de actiefpost). 0040 Blootstelling na verrekening van waardeaanpassingen en voorzieningen De som van de kolommen 0010 en 0030. 0050-0100 KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING Kredietrisicolimiteringstechnieken in de zin van artikel 4, lid 1, punt 57, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die het kredietrisico van een of meer blootstellingen limiteren via substitutie van blootstellingen zoals hieronder omschreven onder Substitutie van de blootstelling vanwege kredietrisicolimitering. Zekerheden die een effect op de blootstellingswaarde hebben (indien deze bijvoorbeeld worden gebruikt voor kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling), worden gemaximeerd op de blootstellingswaarde. Hier worden de volgende posten gerapporteerd: Zie ook de instructies bij punt 3.1.1. 0050-0060 Niet-volgestorte kredietprotectie: gecorrigeerde waarden (GA) Artikel 235 van Verordening (EU) nr. 575/2013 In artikel 239, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de formule te vinden voor het berekenen van de aangepaste waarde GA van een niet-volgestorte kredietprotectie. 0050 Garanties Artikel 203 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Niet-volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 59, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die geen kredietderivaten omvat. 0060 Kredietderivaten Artikel 204 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0070-0080 Volgestorte kredietprotectie Deze kolommen hebben betrekking op volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 58, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inachtneming van de voorschriften van de artikelen 196, 197 en 200 van die verordening. In de bedragen wordt geen rekening gehouden met de master nettingovereenkomsten (reeds opgenomen in de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren). Beleggingen in credit linked notes als bedoeld in artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en nettering van balansposities die voortvloeien uit toelaatbare overeenkomsten voor nettering van balansposten als bedoeld in artikel 219 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld. 0070 Financiële zekerheden: eenvoudige benadering Artikel 222, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0080 Overige volgestorte kredietprotectie Artikel 232 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0090-0100 SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN Artikel 222, lid 3, artikel 235, leden 1 en 2, en artikel 236 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De uitstromen komen overeen met het gedekte gedeelte van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren dat wordt afgetrokken van de blootstellingscategorie van de debiteur en vervolgens wordt toegewezen aan de blootstellingscategorie van de protectiegever. Dat bedrag wordt beschouwd als een instroom in de blootstellingscategorie van de protectiegever. Ook instromen en uitstromen binnen dezelfde blootstellingscategorieën worden gerapporteerd. Blootstellingen die voortvloeien uit mogelijke instromen en uitstromen van en naar andere templates, worden in aanmerking genomen. 0110 NETTOBLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Het bedrag van de blootstelling na verrekening van waardeaanpassingen na inaanmerkingneming van uitstromen en instromen als gevolg van KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING. 0120-0140 KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN DIE OP HET BEDRAG VAN DE BLOOTSTELLING VAN INVLOED ZIJN: VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE, UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN Artikelen 223 tot en met 228 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post omvat ook credit linked notes (artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Credit linked notes als bedoeld in artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en nettering van balansposities die voortvloeien uit toelaatbare overeenkomsten voor nettering van balansposten als bedoeld in artikel 219 van die verordening, worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld. Het effect van de zekerheidsstelling die in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden wordt toegepast op een blootstelling die gedekt wordt door toelaatbare financiële zekerheden, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 223 tot en met 228 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0120 Volatiliteitsaanpassing van de blootstelling Artikel 223, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag wordt bepaald door het effect van de volatiliteitsaanpassing op de blootstelling (Eva-E) = E*He. 0130 (–) Aangepaste waarde van financiële zekerheden (CVAM) Artikel 239, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Omvat voor activiteiten in de handelsportefeuille financiële zekerheden en grondstoffen die toelaatbaar zijn voor blootstellingen in de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 299, lid 2, punten c) tot en met f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het te rapporteren bedrag stemt overeen met CVAM = C*(1-Hc-Hfx)*(t-t*)/(T-t*). Voor een definitie van C, Hc, Hfx, t, T en t*, zie deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdelingen 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0140 (–) Waarvan: Volatiliteits- en looptijdaanpassingen Artikel 223, lid 1, en artikel 239, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het te rapporteren bedrag is het gecombineerde effect van volatiliteits- en looptijdaanpassingen (CVAM -C) = C*[(1-Hc-Hfx)*(t-t*)/(T-t*)-1], waarbij voor het effect van de volatiliteitsaanpassing geldt dat (CVA-C) = C*[(1-Hc-Hfx)-1] en voor het effect van looptijdaanpassingen dat (CVAM - CVA) = C*(1-Hc-Hfx)*[(t-t*)/(T-t*)-1]. 0150 Volledig aangepaste blootstellingswaarde (E*) Artikel 220, lid 4, artikel 223, leden 2 tot en met 5, en artikel 228, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0160-0190 Uitsplitsing van de volledig aangepaste blootstellingswaarde van posten buiten de balanstelling naar omrekeningsfactor Artikel 111, lid 1, en artikel 4, lid 1, punt 56, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie ook artikel 222, lid 3, en artikel 228, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De gerapporteerde cijfers zijn de volledig aangepaste blootstellingswaarden vóór toepassing van de omrekeningsfactor. 0200 Blootstellingswaarde Artikel 111, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 4, van die verordening De blootstellingswaarde, na inaanmerkingneming van waardeaanpassingen, alle kredietrisicolimiterende factoren en kredietomrekeningsfactoren die moet worden toegewezen aan risicogewichten overeenkomstig artikel 113 en deel drie, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Op de blootstellingswaarden voor leaseovereenkomsten is artikel 134, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Meer bepaald wordt de restwaarde opgenomen tegen de gedisconteerde restwaarde, na inaanmerkingneming van waardeaanpassingen, alle kredietrisicolimiterende factoren en kredietomrekeningsfactoren. De blootstellingswaarden voor CCR-activiteiten zijn dezelfde als die gerapporteerd in kolom 0210. 0210 Waarvan: Voortvloeiende uit tegenpartijkredietrisico Blootstellingswaarde voor CCR-activiteiten berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zijnde het relevante bedrag voor de berekening van de risicogewogen posten, d.w.z. nadat overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kredietrisicolimiteringstechnieken zijn toegepast en rekening houdende met de aftrek van het geleden CVA-verlies als bedoeld in artikel 273, lid 6, van die verordening. De blootstellingswaarde voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013. In gevallen waarin voor één tegenpartij meer dan één CCR-benadering wordt gebruikt, wordt het geleden CVA -verlies, dat op tegenpartijniveau wordt afgetrokken, toegewezen aan de blootstellingswaarde van de verschillende netting sets in de rijen 0090 tot en met 0130 die de verhouding van de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de respectieve netting sets tot de totale blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de tegenpartij weergeven. Hiervoor wordt de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering volgens de instructies voor kolom 0160 van template C 34.02 gebruikt. 0211 Waarvan: Voortvloeiend uit tegenpartijkredietrisico met uitsluiting van via een CTP geclearde blootstellingen Blootstellingen gerapporteerd in kolom 0210, met uitsluiting van die welke voortvloeien uit in artikel 301, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten en transacties zolang zij bij een centrale tegenpartij (CTP) uitstaan, met inbegrip van CTP-gerelateerde transacties in de zin van artikel 300, punt 2, van die verordening. 0215 Risicogewogen posten vóór toepassing van ondersteuningsfactoren Artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder rekening te houden met de kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van die verordening. De risicogewogen post van de restwaarde van geleasede activa valt onder artikel 134, lid 7, zin 5, en wordt berekend volgens de formule 1/t * 100 % * restwaarde. Meer bepaald is de restwaarde de niet-gedisconteerde geschatte restwaarde aan het einde van de leaseperiode, die periodiek opnieuw wordt beoordeeld om de voortdurende geschiktheid te waarborgen. 0216 (–) Aanpassing risicogewogen posten in verband met de kmo-ondersteuningsfactor Aftrekking van het verschil tussen, naargelang het geval, de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten voor niet in wanbetaling zijnde blootstellingen met betrekking tot een kmo (risk-weighted exposure amounts – RWEA), en RWEA*, overeenkomstig artikel 501, punt 1, van die verordening. 0217 (–) Aanpassing risicogewogen posten in verband met de infrastructuurondersteuningsfactor Aftrekking van het verschil tussen de overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten en de aangepaste RWEA voor kredietrisico voor blootstellingen met betrekking tot entiteiten actief in de exploitatie of financiering van fysieke structuren of faciliteiten, systemen en netwerken die essentiële openbare diensten verrichten of ondersteunen, overeenkomstig artikel 501 bis van die verordening. 0220 Risicogewogen posten na toepassing van ondersteuningsfactoren Artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van die verordening. De risicogewogen post van de restwaarde van geleasede activa valt onder artikel 134, lid 7, zin 5, en wordt berekend volgens de formule 1/t * 100 % * restwaarde. Meer bepaald is de restwaarde de niet-gedisconteerde geschatte restwaarde aan het einde van de leaseperiode, die periodiek opnieuw wordt beoordeeld om de voortdurende geschiktheid te waarborgen. 0230 Waarvan: met een kredietbeoordeling door een aangewezen ekbi Artikel 112, punten a) tot en met d), f), g), l), n), o) en q), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0240 Waarvan: met een van een centrale overheid afkomstige kredietbeoordeling Artikel 112, punten b) tot en met d), f), g), l) en o), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Rijen Instructies 0010 Totale blootstellingen 0015 waarvan: Blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, in de blootstellingscategorieën Posten met een bijzonder hoog risico en Blootstellingen in aandelen. Artikel 127 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze rij wordt alleen gerapporteerd in de blootstellingscategorieën Posten met een bijzonder hoog risico en Blootstellingen in aandelen. Een blootstelling die in artikel 128, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt genoemd of die aan de in artikel 128, lid 3, of artikel 133 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven criteria voldoet, wordt toegewezen aan de blootstellingscategorie Posten met een bijzonder hoog risico of Blootstellingen in aandelen. Er is dus geen andere toewijzing, ook niet in het geval van een blootstelling waarbij sprake is van wanbetaling overeenkomstig artikel 127 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0020 waarvan: Kmo’s Alle blootstellingen met betrekking tot kmo’s worden hier gerapporteerd. 0030 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de ondersteuningsfactor voor kmo’s Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0035 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de infrastructuurondersteuningsfactor Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0040 waarvan: Gedekt door hypotheken op onroerend goed – Niet-zakelijk onroerend goed Artikel 125 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Uitsluitend gerapporteerd in de blootstellingscategorie Gedekt door hypotheken op onroerend goed. 0050 waarvan: Blootstellingen uit hoofde van het permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering Blootstellingen waarop de standaardbenadering is toegepast in overeenstemming met artikel 150, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0060 waarvan: Blootstellingen in het kader van de standaardbenadering met vooraf verkregen toestemming van de toezichthouder om stapsgewijs de interneratingbenadering in te voeren Artikel 148, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0070-0130 UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR SOORT BLOOTSTELLING De rapporterende instellingen geven, op basis van de onderstaande criteria, een uitsplitsing van hun posities binnen de niet-handelsportefeuille naar blootstellingen binnen de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, blootstellingen buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, en blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn. Blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico voortvloeiend uit handelsportefeuilleactiviteiten als bedoeld in artikel 92, lid 3, punt f), en artikel 299, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden toegewezen aan de blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn. Instellingen die artikel 94, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepassen, geven, op basis van de onderstaande criteria, ook een uitsplitsing van hun in artikel 92, lid 3, punt b), van die verordening bedoelde posities binnen de handelsportefeuille naar blootstellingen binnen de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, blootstellingen buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, en blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn. 0070 Blootstellingen binnen de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn In artikel 24 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde actiefposten die in geen enkele andere categorie zijn opgenomen. Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0090 tot en met 0130. Zij worden dus niet in deze rij gerapporteerd. Niet-afgewikkelde transacties als bedoeld in artikel 379, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (indien niet afgetrokken) zijn geen posten binnen de balanstelling, maar worden niettemin in deze rij gerapporteerd. 0080 Blootstellingen buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn Posities buiten de balanstelling omvatten de in de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde posten. Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0090 tot en met 0130. Zij worden dus niet in deze rij gerapporteerd. 0090-0130 Aan tegenpartijkredietrisico onderhevige blootstellingen/transacties Transacties die onderhevig zijn aan tegenpartijkredietrisico, d.w.z. afgeleide instrumenten, retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties. 0090 Netting sets met effectenfinancieringstransacties Netting sets die uitsluitend effectenfinancieringstransacties in de zin van artikel 4, lid 1, punt 139, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevatten. Effectenfinancieringstransacties die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen en derhalve in rij 0130 worden gerapporteerd, worden niet in deze rij gerapporteerd. 0100 Waarvan: centraal gecleard via een gCTP In artikel 301, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten en transacties zolang zij bij een gekwalificeerde centrale tegenpartij (gCTP) in de zin van artikel 4, lid 1, punt 88, van die verordening uitstaan, met inbegrip van gCTP-gerelateerde transacties, waarvoor de risicogewogen posten worden berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van die verordening. gCTP-gerelateerde transactie heeft dezelfde betekenis als CTP-gerelateerde transactie in artikel 300, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wanneer de CTP een gCTP is. 0110 Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn Netting sets die uitsluitend in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn in de zin van artikel 272, punt 2, van die verordening bevatten. Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen en derhalve in rij 0130 worden gerapporteerd, worden niet in deze rij gerapporteerd. 0120 Waarvan: centraal gecleard via een gCTP Zie de instructies voor rij 0100. 0130 Van contractuele productoverschrijdende netting sets Netting sets die transacties van verschillende productcategorieën bevatten (artikel 272, punt 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013) bevatten, d.w.z. derivaten en effectenfinancieringstransacties, waarvoor een overeenkomst inzake productoverschrijdende netting in de zin van artikel 272, punt 25, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bestaat. 0140-0280 UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR RISICOGEWICHT 0140 0 % 0150 2 % Artikel 306, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0160 4 % Artikel 305, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0170 10 % 0180 20 % 0190 35 % 0200 50 % 0210 70 % Artikel 232, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0220 75 % 0230 100 % 0240 150 % 0250 250 % Artikel 133, lid 2, en artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0260 370 % Artikel 471 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0270 1250 % Artikel 133, lid 2, en artikel 379 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0280 Andere risicogewichten Deze rij is niet beschikbaar voor de blootstellingscategorieën overheden, ondernemingen, instellingen en particulieren en kleine partijen. Voor het rapporteren van blootstellingen waarop de in de template genoemde risicogewichten niet van toepassing zijn. Artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Nth-to-default kredietderivaten zonder rating volgens de standaardbenadering (artikel 134, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden in deze rij gerapporteerd in de blootstellingscategorie Andere posten. Zie ook artikel 124, lid 2, en artikel 152, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0281-0284 UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR BENADERING (ICB’S) Deze rijen worden alleen gerapporteerd voor de blootstellingscategorie instellingen voor collectieve belegging (icb’s), overeenkomstig de artikelen 132, 132 bis, 132 ter en 132 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0281 Doorkijkbenadering Artikel 132 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0282 Beleidsbenadering Artikel 132 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0283 Fall-backbenadering Artikel 132, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0290-0320 Pro-memorieposten Zie voor de rijen 0290 tot en met 0320 ook de toelichting over het doel van de pro-memorieposten in het algemene gedeelte van de CR SA. 0290 Door hypotheken op zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen Artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit is uitsluitend een pro-memoriepost. Onafhankelijk van de berekening van de risicoposten voor blootstellingen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed overeenkomstig de artikelen 124 en 126 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden de blootstellingen uitgesplitst en in deze rij gerapporteerd indien zij door zakelijk onroerend goed worden gedekt. 0300 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling onderworpen aan een risicogewicht van 100 % Artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Blootstellingen die zijn opgenomen in de blootstellingscategorie Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling die in deze blootstellingscategorie opgenomen zouden moeten worden indien er geen sprake zou zijn van wanbetaling. 0310 Door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen Artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit is uitsluitend een pro-memoriepost. Onafhankelijk van de berekening van de risicoposten voor blootstellingen die gedekt zijn door onroerend goed overeenkomstig de artikelen 124 en 125 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de blootstellingen uitgesplitst en in deze rij gerapporteerd indien zij door onroerend goed worden gedekt. 0320 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling onderworpen aan een risicogewicht van 150 % Artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Blootstellingen die zijn opgenomen in de blootstellingscategorie Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling die in deze blootstellingscategorie opgenomen zouden moeten worden indien er geen sprake zou zijn van wanbetaling.

3.2.5

1. Voor afgeleide instrumenten, retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die onderhevig zijn aan tegenpartijkredietrisico (deel drie, titel II, hoofdstuk 4 of 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013), stemt de oorspronkelijke blootstelling overeen met de blootstellingswaarde voor tegenpartijkredietrisico (zie de instructies voor kolom 0210).

2. De blootstellingswaarden voor leaseovereenkomsten zijn aan artikel 134, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 onderworpen. Meer bepaald wordt de restwaarde opgenomen tegen de boekwaarde ervan (d.w.z. de gedisconteerde geschatte restwaarde aan het einde van de leaseperiode).

3. In het geval van nettering van balansposten overeenkomstig artikel 219 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de blootstellingswaarden gerapporteerd rekening houdende met de in de vorm van contanten ontvangen zekerheden.

zekerheid, opgenomen overeenkomstig de eenvoudige benadering van financiële zekerheden;

in aanmerking komende niet-volgestorte kredietprotectie.

3.3. KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN (CR IRB)

3.3.
3.3.172.73.74.75.

Reikwijdte van de CR IRB-template De reikwijdte van de CR IRB-template: De template omvat de blootstellingen waarvoor de risicogewogen posten zijn berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, artikelen 151 tot en met 157, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (interneratingbenadering). De volgende gegevens vallen niet onder de CR IRB-template: Om duidelijk te maken of de instelling gebruikmaakt van haar eigen LGD-ramingen en/of kredietomrekeningsfactoren, wordt voor iedere gerapporteerde blootstellingscategorie de volgende informatie verstrekt: NEE = ingeval LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren van de toezichthouder worden gebruikt (Foundation IRB – F-IRB) JA = ingeval eigen LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren worden gebruikt (Advanced IRB – A-IRB) Dit omvat alle portefeuilles met betrekking tot particulieren en kleine partijen. Wanneer een instelling gebruikmaakt van haar eigen LGD-ramingen bij de berekening van risicogewogen posten voor een deel van haar IRB-blootstellingen en daarnaast van LGD-ramingen van de toezichthouder bij de berekening van de risicogewogen posten voor het andere deel van haar IRB-blootstellingen, dient zij een CR IRB Total voor de F-IRB-posities en een CR IRB Total voor de A-IRB-posities te rapporteren.

3.3.172. i.

Kredietrisico in de niet-handelsportefeuille, waaronder:

tegenpartijkredietrisico in de niet-handelsportefeuille;

verwateringsrisico voor gekochte kortlopende vorderingen;

ii.

Tegenpartijkredietrisico in de handelsportefeuille;

iii.

Uit alle bedrijfsactiviteiten voortvloeiende niet-afgewikkelde transacties.

3.3.172.73.74. i.

Blootstellingen in aandelen, die in de CR EQU IRB-template worden gerapporteerd;

ii.

Securitisatieposities, die in de templates CR SEC en/of CR SEC Details worden gerapporteerd;

iii.

Andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor deze blootstelling geldt te allen tijde een risicogewicht van 100 % behalve met betrekking tot kasmiddelen, gelijkwaardige posten en blootstellingen die de restwaarde zijn van geleasede activa, overeenkomstig artikel 156 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De risicogewogen posten voor deze blootstellingscategorie worden rechtstreeks in de CA-template gerapporteerd;

iv.

Risico van aanpassing van de kredietwaardering, dat in de CVA Risk-template wordt gerapporteerd; Voor de CR IRB-template is geen geografische uitsplitsing van IRB-blootstellingen naar vestigingsplaats van de tegenpartij vereist. Deze uitsplitsing wordt gerapporteerd in de template CR GB. De posten i) en iii) zijn niet van toepassing op template CR IRB 7.

3.3.276. Uitsplitsing van de CR IRB-template De CR IRB bestaat uit zeven templates. CR IRB 1 geeft een algemeen overzicht van de IRB-blootstellingen en de verschillende methoden voor het berekenen van de risicogewogen posten, alsmede een uitsplitsing van het totaal van de blootstellingen naar soort blootstelling. CR IRB 2 geeft een uitsplitsing van het totaal van de blootstellingen dat in debiteurenklassen of -groepen is ondergebracht (in rij 0070 van CR IRB 1 gerapporteerde blootstellingen). CR IRB 3 geeft alle relevante parameters die worden gebruikt voor de berekening van de kapitaalvereisten voor het kredietrisico voor IRB-modellen. CR IRB 4 geeft een stroomoverzicht met een toelichting van veranderingen in risicogewogen posten die volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico zijn bepaald. CR IRB 5 geeft informatie over de uitkomsten van backtesting van PD’s voor de gerapporteerde modellen. CR IRB 6 geeft alle relevante parameters die worden gebruikt voor de berekening van de kapitaalvereisten voor kredietrisico aan de hand van de slottingcriteria voor gespecialiseerde kredietverlening. CR IRB 7 geeft een overzicht van het percentage van de blootstellingswaarde dat onderworpen is aan standaardbenadering of interneratingbenadering voor elke relevante blootstellingscategorie. De templates CR IRB 1, CR IRB 2, CR IRB 3 en CR IRB 5 worden afzonderlijk gerapporteerd voor de volgende blootstellings- en sub-blootstellingscategorieën:

3.3.276.

1) Totaal (De Total-template moet worden gerapporteerd voor de elementaire interneratingbenadering en, afzonderlijk, voor de geavanceerde interneratingbenadering.)

2) Centrale overheden en centrale banken (Artikel 147, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013)

3) Instellingen (Artikel 147, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013)

4.1) Ondernemingen – Kmo’s (Artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013) Voor de indeling in deze sub-blootstellingscategorie gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne definitie van kmo’s zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen.

4.2) Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening (Artikel 147, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013)

4.3) Ondernemingen – Overige (Alle blootstellingen met betrekking tot ondernemingen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet onder 4.1 en 4.2 worden gerapporteerd.)

5.1) Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van kmo’s (Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 154, lid 3, van die verordening die door onroerend goed worden gedekt.) Voor de indeling in deze sub-blootstellingscategorie gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne definitie van kmo’s zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen.

5.2) Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van niet-kmo’s (Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt en niet onder punt 5.1 worden gerapporteerd.) Onder de punten 5.1 en 5.2 worden alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die door als zekerheid erkend onroerend goed zijn gedekt, beschouwd als door onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, ongeacht de verhouding tussen de waarde van de zekerheid en de blootstelling of het doel van de lening.

5.3) Particulieren en kleine partijen – Gekwalificeerde revolverende blootstellingen (Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 154, lid 4, van die verordening)

5.4) Particulieren en kleine partijen – Overige kmo’s (Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet onder 5.1 en 5.3 worden gerapporteerd.) Voor de indeling in deze sub-blootstellingscategorie gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne definitie van kmo’s zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen.

5.5) Particulieren en kleine partijen – Overige niet-kmo’s (Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet onder 5.2 en 5.3 zijn gerapporteerd.)

3.3.3 C 08.01 – Krediet- en tegenpartijkredietrisico’s en niet-afgewikkelde transacties: Interneratingbenadering van kapitaalvereisten (CR IRB 1)

3.3.3

3.3.3.1 Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010 INTERNERATINGSCHAAL/AAN DE DEBITEURENKLASSE OF -GROEP TOEGEKENDE PD (%) De PD toegekend aan de te rapporteren debiteurenklasse of -groep is gebaseerd op de bepalingen van artikel 180 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor elke afzonderlijke klasse of groep wordt de aan die specifieke debiteurenklasse of -groep toegekende PD gerapporteerd. Voor cijfers betreffende een aggregatie van debiteurenklassen of -groepen (zoals totale blootstellingen) moet het naar blootstelling gewogen gemiddelde worden vermeld van de PD’s die aan de debiteurenklassen of -groepen in de aggregatie zijn toegekend. Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD moet de blootstellingswaarde (kolom 0110) worden gebruikt. Voor elke afzonderlijke klasse of groep wordt de aan die specifieke debiteurenklasse of -groep toegekende PD gerapporteerd. Alle gerapporteerde risicoparameters worden afgeleid van de risicoparameters die worden gebruikt in het door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingsschaal. Het is niet de bedoeling en evenmin wenselijk om een master scale van de toezichthouder te gebruiken. Als de rapporterende instelling een unieke ratingsschaal hanteert of in staat is te rapporteren op basis van een interne master scale, dan wordt die schaal gebruikt. In alle overige gevallen worden de verschillende ratingsschalen samengevoegd en gerangschikt aan de hand van de volgende criteria: Debiteurenklassen van verschillende ratingsschalen worden samengevoegd en van laag naar hoog gerangschikt op basis van de aan elke debiteurenklasse toegekende PD. Indien de instelling een groot aantal klassen of groepen gebruikt, mag met de bevoegde autoriteiten een verminderd aantal te rapporteren klassen of groepen worden overeengekomen. Hetzelfde geldt voor continue ratingschalen: een beperkt aantal te rapporteren klassen wordt met de bevoegde autoriteiten overeengekomen. De instellingen nemen vooraf contact op met hun bevoegde autoriteit als het aantal klassen dat zij willen rapporteren, afwijkt van het interne aantal klassen. De laatste ratingklasse(n) is (zijn) specifiek voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan met een PD van 100 %. Voor de weging van de gemiddelde PD wordt de in kolom 110 gerapporteerde blootstellingswaarde gebruikt. Bij de berekening van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD wordt rekening gehouden met alle in een bepaalde rij gerapporteerde blootstellingen. In de rij waarin alleen blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden gerapporteerd, bedraagt de gemiddelde PD 100 %. 0020 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde vóór inaanmerkingneming van eventuele waardeaanpassingen, voorzieningen, effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken of kredietomrekeningsfactoren. De oorspronkelijke blootstellingswaarde wordt gerapporteerd overeenkomstig artikel 24 en artikel 166, leden 1, 2, 4, 5, 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het effect van de toepassing van artikel 166, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (effect van nettering binnen de balanstelling van leningen en deposito’s) wordt afzonderlijk gerapporteerd als volgestorte kredietprotectie en zal de oorspronkelijke blootstelling dus niet verminderen. Voor afgeleide instrumenten, retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die onderworpen zijn aan tegenpartijkredietrisico (deel drie, titel II, hoofdstuk 4 of 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013), stemt de oorspronkelijke blootstelling overeen met de blootstellingswaarde voor tegenpartijkredietrisico (zie de instructies voor kolom 0130). 0030 WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN Uitsplitsing van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren voor alle blootstellingen met betrekking tot in artikel 142, lid 1, punten 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde entiteiten die onderworpen zijn aan de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van die verordening bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt. 0040-0080 KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING Kredietrisicolimiteringstechnieken in de zin van artikel 4, lid 1, punt 57, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die het kredietrisico van een of meer blootstellingen limiteren via substitutie van blootstellingen zoals hieronder omschreven onder SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING VANWEGE KREDIETRISICOLIMITERING. 0040-0050 NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE Niet-volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 59, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Niet-volgestorte kredietprotectie die een effect op de blootstellingswaarde heeft (bijvoorbeeld indien deze wordt gebruikt voor kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling), wordt gemaximeerd op de blootstellingswaarde. 0040 GARANTIES: Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, wordt de gecorrigeerde waarde (GA) in de zin van artikel 236, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgegeven. Wanneer overeenkomstig artikel 183 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (met uitzondering van lid 3) van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, wordt de in de interne modellen gebruikte desbetreffende waarde gerapporteerd. Garanties worden in kolom 0040 gerapporteerd indien de LGD niet wordt gecorrigeerd. Indien de LGD wel wordt gecorrigeerd, wordt het bedrag van de garantie gerapporteerd in kolom 0150. Wat betreft blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, wordt de waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie gerapporteerd in kolom 0220. 0050 KREDIETDERIVATEN: Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, wordt de gecorrigeerde waarde (GA) in de zin van artikel 236, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgegeven. Indien overeenkomstig artikel 183, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, wordt de in de interne modellen gebruikte desbetreffende waarde gerapporteerd. Indien de LGD wordt gecorrigeerd, wordt het bedrag van de kredietderivaten gerapporteerd in kolom 0160. Wat betreft blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, wordt de waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie gerapporteerd in kolom 0220. 0060 OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE Zekerheden die van invloed zijn op de PD van de blootstelling, worden gemaximeerd op de waarde van de oorspronkelijke blootstelling vóór omrekeningsfactoren. Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, is artikel 232, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, worden de kredietrisicolimiterende technieken gerapporteerd die van invloed zijn op de PD. De relevante nominale waarde of marktwaarde wordt gerapporteerd. Indien de LGD wel wordt gecorrigeerd, wordt het bedrag gerapporteerd in kolom 170. 0070-0080 SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN De uitstromen komen overeen met het gedekte deel van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren dat wordt afgetrokken van de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, de debiteurenklasse of -groep van de debiteur en wordt vervolgens ondergebracht in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, de debiteurenklasse of -groep van de garant. Dat bedrag wordt beschouwd als een instroom in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, debiteurenklassen of -groepen van de garant. Ook instromen en uitstromen binnen dezelfde blootstellingscategorieën en, in voorkomend geval, debiteurenklassen of -groepen worden in aanmerking genomen. Blootstellingen die voortvloeien uit mogelijke instromen en uitstromen van en naar andere templates worden in aanmerking genomen. Deze kolommen worden alleen gebruikt indien instellingen van hun bevoegde autoriteit toestemming hebben gekregen om deze gedekte blootstellingen te behandelen in het kader van het permanente gedeeltelijke gebruik van de standaardbenadering overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013 of om blootstellingen in blootstellingscategorieën in te delen overeenkomstig het kenmerk van de garant. 0090 BLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN EN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN De blootstelling zoals die met de daarbij behorende debiteurenklasse of -groep in de overeenkomstige blootstellingscategorie is ondergebracht na inaanmerkingneming van uitstromen en instromen als gevolg van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling. 0100, 0120 Waarvan: Posten buiten de balanstelling Zie de CR SA-instructies. 0110 BLOOTSTELLINGSWAARDE De in overeenstemming met artikel 166 en artikel 230, lid 1, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde blootstellingswaarde wordt gerapporteerd. Voor de in bijlage I bedoelde instrumenten worden kredietomrekeningsfactoren en -percentages overeenkomstig artikel 166, leden 8, 9 en 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepast, ongeacht de door de instelling gekozen benadering. De blootstellingswaarden voor CCR-activiteiten zijn dezelfde als die gerapporteerd in kolom 0130. 0130 Waarvan: Voortvloeiende uit tegenpartijkredietrisico Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in kolom 0210. 0140 WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN Uitsplitsing van de blootstellingswaarde voor alle blootstellingen met betrekking tot in artikel 142, lid 1, punten 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde entiteiten die onderworpen zijn aan de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van die verordening bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt. 0150-0210 IN LGD-RAMINGEN IN AANMERKING GENOMEN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN, MET UITZONDERING VAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING Kredietrisicolimiteringstechnieken die een effect hebben op LGD-ramingen als gevolg van de toepassing van het substitutie-effect van kredietrisicolimiteringstechnieken, worden niet in deze kolommen opgenomen. De geapporteerde waarden van zekerheden worden gemaximeerd op de waarde van de blootstelling. Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden artikel 228, lid 2, artikel 230, leden 1 en 2, en artikel 231 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. Indien wel van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt: 0150 GARANTIES Zie de instructies voor kolom 0040. 0160 KREDIETDERIVATEN Zie de instructies voor kolom 0050. 0170 GEBRUIK VAN EIGEN LGD-RAMINGEN: OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE De desbetreffende waarde die in de interne modellen van de instelling wordt gebruikt. De kredietrisicolimiterende factoren die voldoen aan de criteria van artikel 212 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0171 GEDEPONEERDE CONTANTEN Artikel 200, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Contanten die gedeponeerd zijn bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten die niet in het kader van een bewaringsovereenkomst door een derde instelling worden aangehouden en die aan de leningverstrekkende instelling in pand gegeven zijn. De gerapporteerde waarde van de zekerheid is beperkt tot de waarde van de blootstelling op het niveau van een individuele blootstelling. 0172 LEVENSVERZEKERINGSPOLISSEN Artikel 200, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De gerapporteerde waarde van de zekerheid is beperkt tot de waarde van de blootstelling op het niveau van een individuele blootstelling. 0173 DOOR EEN DERDE AANGEHOUDEN INSTRUMENTEN Artikel 200, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit omvat door een derde instelling uitgegeven instrumenten die op verzoek door deze instelling worden teruggekocht. De gerapporteerde waarde van de zekerheid is beperkt tot de waarde van de blootstelling op het niveau van een individuele blootstelling. Deze kolom sluit de blootstellingen uit die gedekt zijn door instrumenten die door een derde worden aangehouden, indien instellingen, overeenkomstig artikel 232, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op verzoek teruggekochte instrumenten die toelaatbaar zijn overeenkomstig artikel 200, punt c), van die verordening, behandelen als een garantie van de uitgevende instelling. 0180 TOELAATBARE FINANCIËLE ZEKERHEDEN Omvat voor activiteiten in de handelsportefeuille financiële instrumenten en grondstoffen die toelaatbaar zijn voor blootstellingen in de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 299, lid 2, punten c) tot en met f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Credit linked notes en nettering van posten binnen de balanstelling overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld. Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, wordt voor toelaatbare financiële zekerheden overeenkomstig artikel 197 van Verordening (EU) nr. 575/2013 de aangepaste waarde (CVAM) als vastgesteld in artikel 223, lid 2, van die verordening gerapporteerd. Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, worden in de LGD-ramingen de financiële zekerheden in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 181, lid 1, punten e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het te rapporteren bedrag is de geraamde marktwaarde van de zekerheid. 0190-0210 ANDERE TOELAATBARE ZEKERHEDEN Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, leden 1 tot en met 8, en artikel 229 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien wel van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, worden in de LGD-ramingen de financiële zekerheden in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 181, lid 1, punten e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0190 ONROEREND GOED Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in deze kolom gerapporteerd. Ook leasing van onroerend goed wordt opgenomen (zie artikel 199, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Zie ook artikel 229 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, is het te rapporteren bedrag de geraamde marktwaarde. 0200 ANDERE FYSIEKE ZEKERHEDEN Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, leden 6 en 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in deze kolom gerapporteerd. Ook leasing van onroerend goed wordt opgenomen (zie artikel 199, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Zie ook artikel 229, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, is het te rapporteren bedrag de geraamde marktwaarde van de zekerheid. 0210 KORTLOPENDE VORDERINGEN Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, lid 5, en artikel 229, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in deze kolom gerapporteerd. Indien wel van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, is het te rapporteren bedrag de geraamde marktwaarde van de zekerheid. 0220 ONDERWORPEN AAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE Garanties en kredietderivaten die blootstellingen dekken die zijn onderworpen aan de double default-behandeling overeenkomstig artikel 153, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en rekening houdende met artikel 202 en artikel 217, lid 1, van die verordening. De te rapporteren waarden mogen niet hoger zijn dan de waarde van de overeenkomstige blootstellingen. 0230 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) Alle effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken op LGD-waarden zoals nader aangegeven in deel drie, titel II, hoofdstukken 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen. In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd. Bij blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, wordt artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelden wordt de in kolom 0110 bedoelde blootstellingswaarde gebruikt. Alle effecten worden in aanmerking genomen (daarom worden de effecten van de ondergrens die geldt voor door onroerend goed gedekte blootstellingen, overeenkomstig artikel 164, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de rapportage opgenomen). Voor instellingen die de interneratingbenadering toepassen maar geen eigen LGD-ramingen gebruiken, komen de risicolimiteringseffecten van financiële zekerheden tot uiting in E*, de volledig aangepaste blootstellingswaarde, en vervolgens in de LGD* overeenkomstig artikel 228, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD met betrekking tot iedere PD-debiteurenklasse of -groep vloeit voort uit het gemiddelde van de prudentiële LGD’s toegewezen aan de blootstellingen van die PD-klasse/groep, gewogen naar de respectieve blootstellingswaarde van kolom 0110. Indien eigen LGD-ramingen worden toegepast, worden artikel 175, en artikel 181, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd. De berekening van de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD wordt afgeleid van de risicoparameters zoals feitelijk gebruikt in de door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingschaal. Er worden geen gegevens gerapporteerd voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien de PD voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening wordt geraamd, worden gegevens gerapporteerd op basis van eigen LGD-ramingen of LGD’s van de toezichthouder. Blootstellingen en de desbetreffende LGD’s voor grote gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector en niet-gereglementeerde financiële entiteiten worden niet opgenomen in de berekening van kolom 0230, maar uitsluitend in de berekening van kolom 0240. 0240 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) VOOR GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN Naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD (%) voor alle blootstellingen met betrekking tot grote entiteiten uit de financiële sector in de zin van artikel 142, lid 1, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan niet-gereglementeerde financiële entiteiten in de zin van artikel 142, lid 1, punt 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt. 0250 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJDWAARDE (DAGEN) De te rapporteren waarde wordt bepaald in overeenstemming met artikel 162 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelden wordt de blootstellingswaarde (kolom 0110) gebruikt. De gemiddelde looptijd wordt gerapporteerd in dagen. Deze gegevens worden niet gerapporteerd voor blootstellingswaarden ten aanzien waarvan de looptijd niet in de berekening van de risicogewogen posten wordt betrokken. Dit betekent dat deze kolom niet wordt ingevuld voor de blootstellingscategorie Particulieren en kleine partijen. 0255 RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Zie, voor centrale overheden en centrale banken, ondernemingen en instellingen, artikel 153, leden 1, 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor particulieren en kleine partijen, artikel 154, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden niet in aanmerking genomen. 0256 (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR Aftrekking van het verschil tussen de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten voor niet in wanbetaling zijnde blootstellingen met betrekking tot een kmo (risk-weighted exposure amounts – RWEA), voor zover van toepassing, en RWEA*, overeenkomstig artikel 501 van die verordening. 0257 (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR Aftrekking van het verschil tussen de overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten en de aangepaste RWEA voor kredietrisico voor blootstellingen met betrekking tot entiteiten actief in de exploitatie of financiering van fysieke structuren of faciliteiten, systemen en netwerken die essentiële openbare diensten verrichten of ondersteunen, overeenkomstig artikel 501 bis van die verordening. 0260 RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Zie, voor centrale overheden en centrale banken, ondernemingen en instellingen, artikel 153, leden 1, 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor particulieren en kleine partijen, artikel 154, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen. 0270 WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN Uitsplitsing van de risicogewogen posten na toepassing van de kmo-ondersteuningsfactor voor alle blootstellingen met betrekking tot grote entiteiten uit de financiële sector in de zin van artikel 142, lid 1, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan niet-gereglementeerde financiële entiteiten in de zin van artikel 142, lid 1, punt 5, van die verordening volgens de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van die verordening bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt. 0280 VERWACHTE VERLIESPOST Zie, voor de definitie van verwacht verlies, artikel 5, punt 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, voor de berekening van verwachte verliesposten, artikel 158 van die verordening. Zie, voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, artikel 181, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De te rapporteren verwachte verliespost is gebaseerd op de risicoparameters zoals feitelijk gebruikt in de door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingschaal. 0290 (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN Waardeaanpassingen, alsmede specifieke en algemene en kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gerapporteerd. Algemene kredietrisicoaanpassingen worden gerapporteerd door het bedrag naar evenredigheid toe te rekenen op basis van het verwachte verlies van de verschillende debiteurenklassen. 0300 AANTAL DEBITEUREN Artikel 172, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor alle blootstellingscategorieën behalve de blootstellingscategorie particulieren en kleine partijen en de in artikel 172, lid 1, punt e), tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde gevallen rapporteert de instelling het aantal juridische entiteiten/debiteuren met een afzonderlijke rating, ongeacht het aantal verschillende leningen of blootstellingen dat is toegekend. Binnen de blootstellingscategorie particulieren en kleine partijen, of indien afzonderlijke blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur overeenkomstig artikel 172, lid 1, punt e), tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verschillende categorieën debiteuren worden ondergebracht, rapporteert de instelling het aantal blootstellingen dat afzonderlijk in een bepaalde ratingklasse of -groep is ondergebracht. Wanneer artikel 172, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is, mag een debiteur in meerdere klassen in aanmerking worden genomen. Deze kolom heeft betrekking op een onderdeel van de structuur van de ratingschalen en houdt daarom verband met de oorspronkelijke blootstellingen vóór toepassing van omrekeningsfactoren zoals die in de afzonderlijke debiteurenklassen of -groepen zijn ondergebracht, zonder rekening te houden met het effect van kredietrisicolimiteringstechnieken (met name herindelingseffecten). 0310 RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR KREDIETDERIVATEN De instellingen rapporteren de hypothetische risicogewogen posten, die moeten worden berekend als de risicogewogen posten zonder inaanmerkingneming van het kredietderivaat dat als kredietrisicolimiteringstechniek toelaatbaar is als gespecificeerd in artikel 204 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De bedragen worden gepresenteerd in de blootstellingscategorieën die relevant zijn voor de blootstellingen met betrekking tot de oorspronkelijke debiteur. Rijen Instructies 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN 0015 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de ondersteuningsfactor voor kmo’s Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0016 waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de infrastructuurondersteuningsfactor Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0020-0060 UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR SOORT BLOOTSTELLING: 0020 Balansposten die aan kredietrisico onderhevig zijn In artikel 24 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde actiefposten worden in geen enkele andere categorie opgenomen. Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0040 tot en met 0060 en worden dus niet in deze rij gerapporteerd. Niet-afgewikkelde transacties als bedoeld in artikel 379, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (indien niet afgetrokken) zijn geen posten binnen de balanstelling, maar worden niettemin in deze rij gerapporteerd. 0030 Posten buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn Posten buiten de balanstelling omvatten posten overeenkomstig artikel 166, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede de posten die in bijlage I bij die verordening zijn vermeld. Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0040 tot en met 0060 en worden dus niet in deze rij gerapporteerd. 0040-0060 Aan tegenpartijkredietrisico onderhevige blootstellingen/transacties Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in de rijen 0090-0130. 0040 Netting sets met effectenfinancieringstransacties Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in rij 0090. 0050 Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in rij 0110. 0060 Van contractuele productoverschrijdende netting sets Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in rij 0130. 0070 IN DEBITEURENKLASSEN OF -GROEPEN ONDERGEBRACHTE BLOOTSTELLINGEN: TOTAAL Zie, voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, artikel 142, lid 1, punt 6, en artikel 170, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, artikel 170, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor blootstellingen voortvloeiend uit gekochte kortlopende vorderingen, artikel 166, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Blootstellingen met betrekking tot verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen worden niet per debiteurenklasse of -groep, maar in rij 0180 gerapporteerd. Indien de instelling een groot aantal klassen of groepen gebruikt, mag met de bevoegde autoriteiten een verminderd aantal te rapporteren klassen of groepen worden overeengekomen. Er wordt geen master scale van de toezichthouder gebruikt. De instellingen bepalen zelf welke schaal zij gebruiken. 0080 SLOTTINGBENADERING VAN GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING: TOTAAL Artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit geldt alleen voor de blootstellingscategorie Ondernemingen – gespecialiseerde kredietverlening. 0160 ALTERNATIEVE BEHANDELING: GEDEKT DOOR ONROEREND GOED Artikel 193, leden 1 en 2, artikel 194, leden 1 tot en met 7, en artikel 230, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit alternatief is alleen beschikbaar voor instellingen die gebruikmaken van de elementaire interneratingbenadering (F-IRB). 0170 BLOOTSTELLINGEN VOORTVLOEIEND UIT NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES ONDER TOEPASSING VAN RISICOGEWICHTEN KRACHTENS DE ALTERNATIEVE BEHANDELING OF VAN EEN RISICOGEWICHT VAN 100 % EN ANDERE BLOOTSTELLINGEN WAAROP EEN RISICOGEWICHT WORDT TOEGEPAST Blootstellingen voortvloeiend uit niet-afgewikkelde transacties waarop de alternatieve behandeling als bedoeld in artikel 379, lid 2, eerste alinea, laatste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt toegepast of waaraan een risicogewicht van 100 % overeenkomstig artikel 379, lid 2, laatste alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt toegekend. Nth-to-default kredietderivaten zonder rating in de zin van artikel 153, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en andere blootstellingen waarop een risicogewicht wordt toegepast en die niet in een andere rij zijn opgenomen, worden in deze rij gerapporteerd. 0180 VERWATERINGSRISICO: TOTAAL GEKOCHTE KORTLOPENDE VORDERINGEN Zie, voor een definitie van verwateringsrisico, artikel 4, lid 1, punt 53, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor het berekenen van risicogewogen posten voor het verwateringsrisico, artikel 157 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het verwateringsrisico wordt gerapporteerd voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen en particulieren en kleine partijen.

bij niet-volgestorte kredietprotectie wordt voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen artikel 161, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht genomen. Bij blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen wordt artikel 164, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen;

bij volgestorte kredietprotectie worden in de LGD-ramingen de zekerheden in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 181, lid 1, punten e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.3.4 C 08.02 – Krediet- en tegenpartijkredietrisico’s en niet-afgewikkelde transacties: Interneratingbenadering kapitaalvereisten: uitsplitsing naar debiteurenklasse of -groep (CR IRB 2) Kolom Instructies 0005 Debiteurenklasse (identificatiecode van een rij) Dit is een identificatiecode van een rij die uniek is voor elke rij op een bepaald blad van de template. Deze volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort. De eerste klasse (of groep) die moet worden gerapporteerd, is de beste, vervolgens de op één na beste en zo verder. De laatste gerapporteerde klasse of klassen (of groep) is die van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling. 0010-0300 De instructies voor elk van deze kolommen zijn dezelfde als die voor de kolommen met het overeenkomstige nummer in template CR IRB 1. Rij Instructies 0010-0001 – 0010-NNNN De waarden die in deze rijen worden gerapporteerd, moeten worden ingevuld in de volgorde van de PD die aan de debiteurenklasse of -groep wordt toegekend. De PD voor debiteuren in wanbetaling is gelijk aan 100 %. Blootstellingen waarop de alternatieve behandeling voor zekerheden in de vorm van onroerend goed wordt toegepast (alleen beschikbaar indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt), worden niet volgens de PD van de debiteur ondergebracht en niet in deze template gerapporteerd.

3.3.1. C 08.03 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (uitsplitsing naar PD-bandbreedten (CR IRB 3))

3.3.1.

3.3.1.1.77. Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren de informatie in deze template overeenkomstig artikel 452 octies, punten i) tot en met v), van Verordening (EU) nr. 575/2013, om zo informatie te verschaffen over de belangrijkste parameters die zijn gebruikt voor de berekening van kapitaalvereisten voor de interneratingbenadering. De in deze template gerapporteerde informatie omvat geen gegevens over gespecialiseerde kredietverlening bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (die in template C 08.06 zijn opgenomen). Deze template bevat geen blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico (CCR) (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

3.3.1.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010 BLOOTSTELLINGEN BINNEN DE BALANSTELLING Blootstellingswaarde berekend overeenkomstig artikel 166, leden 1 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder rekening te houden met kredietrisicoaanpassingen. 0020 BLOOTSTELLINGEN BUITEN DE BALANSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 166, leden 1 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder rekening te houden met kredietrisicoaanpassingen en omrekeningsfactoren, noch eigen ramingen, noch omrekeningsfactoren vermeld in artikel 166, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, noch percentages vermeld in artikel 166, lid 10, van die verordening. Blootstellingen buiten de balanstelling omvatten alle gecommitteerde maar niet opgenomen bedragen en alle posten buiten de balanstelling, zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE OMREKENINGSFACTOREN Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: de gemiddelde omrekeningsfactor die door instellingen wordt gebruikt bij de berekening van risicogewogen posten, gewogen naar de blootstelling buiten de balanstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren zoals gerapporteerd in kolom 0020. 0040 BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN EN NA TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING De blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom bevat de som van de blootstellingswaarde van blootstellingen binnen de balanstelling en blootstellingen buiten de balanstelling na toepassing van omrekeningsfactoren overeenkomstig artikel 166, leden 8 tot en met 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en na toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken. 0050 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE PD (%) Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: de gemiddelde PD-raming van elke debiteur, gewogen naar de blootstellingswaarde na toepassing van omrekeningsfactoren en kredietrisicolimitering zoals gerapporteerd in kolom 0040. Deze kolom hoeft niet worden ingevuld voor het totaal van alle blootstellingscategorieën. 0060 AANTAL DEBITEUREN Het aantal juridische entiteiten of debiteuren dat aan elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte is toegewezen. Het aantal debiteuren wordt geteld volgens de instructies in kolom 0300 van template C 08.01. Gezamenlijke debiteuren worden op dezelfde wijze behandeld als bij PD-kalibratie. 0070 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: het gemiddelde van de LGD-ramingen voor elke blootstelling, gewogen naar de blootstellingswaarde na toepassing van omrekeningsfactoren en kredietrisicolimitering zoals gerapporteerd in kolom 0040. De gerapporteerde LGD stemt overeen met de definitieve LGD-raming die wordt gebruikt bij de berekening van risicogewogen posten verkregen na inaanmerkingneming van alle effecten van kredietrisicolimitering en omstandigheden van economische neergang (indien van toepassing). Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die door onroerend goed worden gedekt, wordt in de gerapporteerde LGD rekening gehouden met de in artikel 164, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde ondergrenzen. In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd. Voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich volgens de geavanceerde interneratingbenadering een wanbetaling heeft voorgedaan, wordt het bepaalde in artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. De gerapporteerde LGD stemt overeen met de raming van de LGD in wanbetaling overeenkomstig de toepasselijke ramingsmethoden. Deze kolom hoeft niet te worden ingevuld voor het totaal van alle blootstellingscategorieën. 0080 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJD (JAREN) Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: de gemiddelde looptijd van elke blootstelling, gewogen naar de blootstellingswaarde na toepassing van omrekeningsfactoren en kredietrisicolimitering zoals gerapporteerd in kolom 0040. De te rapporteren looptijdwaarde wordt bepaald in overeenstemming met artikel 162 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De gemiddelde looptijd wordt gerapporteerd in jaren. Deze gegevens worden niet gerapporteerd voor de blootstellingswaarden waarvoor de looptijd niet in de berekening van de risicogewogen posten wordt betrokken overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Dit betekent dat deze kolom niet wordt ingevuld voor de blootstellingscategorie Particulieren en kleine partijen. 0090 RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen: de overeenkomstig artikel 153, leden 1 tot en met 4, berekende risicogewogen posten; voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen: de risicogewogen posten zoals berekend in overeenstemming met artikel 154 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen. 0100 VERWACHTE VERLIESPOST De verwachte verliespost berekend in overeenstemming met artikel 158 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De te rapporteren verwachte verliespost is gebaseerd op de daadwerkelijke in de door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingschaal gebruikte risicoparameters. 0110 (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN Specifieke en algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 183/2014 van de Commissie, aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede andere eigenvermogensverlagingen in verband met blootstellingen die aan elke subklasse in de vaste PD-bandbreedte zijn toegewezen. Hierbij gaat het om de waardeaanpassingen en voorzieningen die voor de toepassing van artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking worden genomen. Algemene voorzieningen worden gerapporteerd door het bedrag naar evenredigheid toe te rekenen – overeenkomstig het verwachte verlies van verschillende debiteurenklassen. Rijen Instructies PD-BANDBREEDTE Blootstellingen worden toegewezen aan een passende subklasse van de vaste PD-bandbreedte op basis van de geraamde PD voor elke debiteur die in deze blootstellingscategorie is ondergebracht (zonder rekening te houden met substitutie-effecten als gevolg van kredietrisicolimitering). De instellingen mappen iedere blootstelling naar de in de template bepaalde PD-bandbreedte, waarbij ook rekening wordt gehouden met continue schalen. Alle blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden opgenomen in de subklasse die een PD van 100 % vertegenwoordigt. {r0170, c0050} en {r0170, c0070} worden gerapporteerd voor elke blootstellingscategorie, doch niet voor het totaal van alle blootstellingscategorieën.

3.3.2. C 08.04 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (RWEA-stroomoverzichten (CR IRB 4))

3.3.2.
3.3.2.1.78.79.

Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren de informatie in deze template op grond van artikel 438, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze template omvat geen blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico (CCR) (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013). De instellingen rapporteren de RWEA-stromen als de veranderingen tussen de risicogewogen posten op de referentiedatum en de risicogewogen posten op de vorige referentiedatum. In het geval van kwartaalrapportage wordt het einde van het kwartaal vóór het kwartaal van de rapportagereferentiedatum gerapporteerd.

3.3.2.2. Instructies voor specifieke posities Kolom Instructies 0010 RISICOGEWOGEN POSTEN Het totaal van de risicogewogen posten voor kredietrisico berekend volgens de interneratingbenadering, rekening houdende met ondersteuningsfactoren overeenkomstig de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013. Rijen Instructies 0010 RISICOGEWOGEN POSTEN AAN HET EINDE VAN DE VORIGE RAPPORTAGEPERIODE Risicogewogen posten aan het einde van de vorige rapportageperiode na de toepassing van de in artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde ondersteuningsfactoren voor kmo’s en infrastructuur. 0020 OMVANG VAN DE ACTIVA (+/-) Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van de omvang van de activa, d.w.z. organische veranderingen in de omvang en samenstelling van de portefeuille (met inbegrip van het initiëren van nieuwe activiteiten en vervallende leningen), maar met uitsluiting van veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstoting van entiteiten. Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd. 0030 ACTIVAKWALITEIT (+/-) Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van de kwaliteit van de activa, d.w.z. veranderingen in de beoordeelde kwaliteit van de activa van de instelling als gevolg van veranderingen in het kredietnemersrisico, zoals migratie van ratingklassen of vergelijkbare effecten. Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd. 0040 ACTUALISERING MODELLEN (+/-) Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van de actualisering van modellen, d.w.z. veranderingen als gevolg van de implementatie van nieuwe modellen, veranderingen in de modellen, veranderingen in de reikwijdte van modellen of andere veranderingen die tekortkomingen in modellen moeten tegengaan. Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd. 0050 METHODOLOGIE EN BELEID (+/-) Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van methodologie en beleid, d.w.z. veranderingen als gevolg van methodologische veranderingen in berekeningen door toedoen van wijzigingen in het reguleringsbeleid, met inbegrip van zowel herzieningen van bestaande regelgeving als nieuwe regelgeving, doch met uitsluiting van de veranderingen in modellen opgenomen in rij 0040. Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd. 0060 ACQUISITIES EN AFSTOTINGEN (+/-) Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van acquisities en afstotingen, d.w.z. veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstoting van entiteiten. Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd. 0070 WISSELKOERSBEWEGINGEN (+/-) Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van wisselkoersbewegingen, d.w.z. veranderingen die voortvloeien uit bewegingen in de omrekening van vreemde valuta. Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd. 0080 OVERIGE (+/-) Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van andere factoren. Deze categorie wordt gebruikt om veranderingen op te nemen die niet in een andere categorie kunnen worden ondergebracht. Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd. 0090 RISICOGEWOGEN POSTEN AAN HET EINDE VAN DE RAPPORTAGEPERIODE Risicogewogen posten in de rapportageperiode na de toepassing van de in artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde ondersteuningsfactoren voor kmo’s en infrastructuur.

3.3.3. C 08.05 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (back-testing van de PD (CR IRB 5))

3.3.3.

3.3.3.1.80. Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren de informatie in deze template op grond van artikel 452, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen houden rekening met de modellen die binnen elke blootstellingscategorie worden gebruikt en lichten toe welk percentage van de risicogewogen posten van de desbetreffende blootstellingscategorie onder de modellen valt waarvoor de uitkomsten van back-testing hier worden gerapporteerd. Deze template omvat geen blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico (CCR) (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

3.3.3.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010 REKENKUNDIG PD-GEMIDDELDE (%) Het rekenkundig PD-gemiddelde aan het begin van de rapportageperiode van de debiteuren die binnen de subklasse van de vaste PD-bandbreedte vallen en in kolom 0020 worden geteld (gemiddelde gewogen naar het aantal debiteuren). 0020 AANTAL DEBITEUREN AAN HET EINDE VAN HET VOORGAANDE JAAR Aantal debiteuren aan het einde van het voorgaande jaar waarover moet worden gerapporteerd. Alle debiteuren die op het betrokken tijdstip een kredietverplichting hebben, worden opgenomen. Het aantal debiteuren wordt geteld volgens de instructies in kolom 0300 van template C 08.01. Gezamenlijke debiteuren worden op dezelfde wijze behandeld als bij PD-kalibratie. 0030 WAARVAN: IN WANBETALING IN DE LOOP VAN HET JAAR Aantal debiteuren in wanbetaling in de loop van het jaar (d.w.z. de waarnemingsperiode voor de berekening van de wanbetalingsgraad). Of er sprake is van wanbetaling, wordt bepaald in overeenstemming met artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Elke debiteur in wanbetaling wordt slechts eenmaal meegeteld in de teller en noemer bij de berekening van de wanbetalingsgraad op één jaar, zelfs als de debiteur tijdens de desbetreffende periode van één jaar meer dan eenmaal in wanbetaling was. 0040 WAARGENOMEN GEMIDDELDE WANBETALINGSGRAAD (%) Wanbetalingsgraad op één jaar als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 78, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen zien erop toe dat: Zie, voor de berekening van het aantal debiteuren, kolom 0300 van template C 08.01. 0050 GEMIDDELDE HISTORISCHE JAARLIJKSE WANBETALINGSGRAAD (%) Het eenvoudige gemiddelde van de jaarlijkse wanbetalingsgraad van de vijf meest recente jaren (debiteuren aan het begin van elk jaar die gedurende dat jaar in wanbetaling waren/totale aantal debiteuren aan het begin van het jaar) is een minimum. De instelling mag een langere historische periode gebruiken die in overeenstemming is met de feitelijke risicobeheerspraktijken van de instelling. Rijen Instructies PD-BANDBREEDTE Blootstellingen worden toegewezen aan een passende subklasse van de vaste PD-bandbreedte op basis van de PD die aan het begin van de rapportageperiode wordt geraamd voor elke debiteur die in deze blootstellingscategorie is ondergebracht (zonder rekening te houden met substitutie-effecten als gevolg van kredietrisicolimitering). De instellingen mappen iedere blootstelling naar de in de template bepaalde PD-bandbreedte, waarbij ook rekening wordt gehouden met continue schalen. Alle blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden opgenomen in de subklasse die een PD van 100 % vertegenwoordigt.

3.3.3.2. a)

de noemer bestaat uit het aantal debiteuren met een kredietverplichting dat niet in wanbetaling was, zoals waargenomen aan het begin van de waarnemingsperiode van één jaar (d.w.z. het begin van het jaar voorafgaand aan de rapportagereferentiedatum); in dit verband gaat het bij een kredietverplichting om de volgende twee posten: i) alle posten binnen de balanstelling, met inbegrip van bedragen van hoofdsom, rente en vergoedingen; ii) alle posten buiten de balanstelling, met inbegrip van door de instelling als garant afgegeven garanties;

b)

de teller alle debiteuren omvat die in de noemer in aanmerking worden genomen en die ten minste één wanbetaling hadden tijdens de waarnemingsperiode van één jaar (jaar voorafgaand aan de rapportagereferentiedatum).

3.3.4. C 08.05.1 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: Interneratingbenadering van kapitaalvereisten: Back-testing van PD overeenkomstig artikel 180, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (CR IRB 5B)

3.3.4.

3.3.4.1.81. Instructies voor specifieke posities Naast template C 08.05 rapporteren de instellingen de informatie in template C 08.05.1 ingeval zij artikel 180, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepassen voor PD-ramingen en alleen voor PD-ramingen overeenkomstig hetzelfde artikel. De instructies zijn dezelfde als voor template C 08.05, met de volgende uitzonderingen: Kolommen Instructies 0005 PD-BANDBREEDTE De instellingen rapporteren de PD-bandbreedten in overeenstemming met hun interne klassen die zij mappen naar de door de externe EKBI gebruikte schaal, in plaats van een vaste externe PD-bandbreedte. 0006 WAARDE EXTERNE RATING De instellingen rapporteren één kolom voor elke EKBI die in aanmerking wordt genomen overeenkomstig artikel 180, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen nemen in deze kolommen de externe rating op waarnaar hun interne PD-bandbreedten worden gemapt.

3.3.5. C 08.06 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (slottingbenadering van gespecialiseerde kredietverlening (CR IRB 6))

3.3.5.

3.3.5.1.82. Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren de informatie in deze template op grond van artikel 438, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen rapporteren informatie over de volgende soorten blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening bedoeld in tabel 1 van artikel 153, lid 5:

3.3.5.1.82.

(a) Projectfinanciering

(b) Inkomstengenererend onroerend goed en zakelijk onroerend goed met grote volatiliteit

(c) Objectfinanciering

(d) Grondstoffenfinanciering

3.3.5.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Zie de CR IRB-instructies. 0020 BLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN EN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Zie de CR IRB-instructies. 0030, 0050 WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING Zie de CR SA-instructies. 0040 BLOOTSTELLINGSWAARDE Zie de CR IRB-instructies. 0060 WAARVAN: VOORTVLOEIENDE UIT TEGENPARTIJKREDIETRISICO Zie de CR SA-instructies. 0070 RISICOGEWICHT Artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit is een vaste kolom voor informatiedoeleinden. Zij mag niet worden gewijzigd. 0080 RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Zie de CR IRB-instructies. 0090 VERWACHTE VERLIESPOST Zie de CR IRB-instructies. 0100 (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN Zie de CR IRB-instructies. Rijen Instructies 0010-0120 Blootstellingen worden aan de desbetreffende categorie en looptijd toegewezen overeenkomstig tabel 1 in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.3.6. C 08.07 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (reikwijdte van het gebruik van de internerating- en de standaardbenadering (CR IRB 7))

3.3.6.
3.3.6.1.83.84.

Algemene opmerkingen Voor de toepassing van deze template wijzen instellingen die de risicogewogen posten volgens de interneratingbenadering van het kredietrisico berekenen, hun blootstellingen toe volgens de standaardbenadering van deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 of de interneratingbenadering van deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van die verordening, alsmede het deel van elke blootstellingscategorie dat aan een invoeringsplan is onderworpen. De instellingen nemen de informatie in deze template op per blootstellingscategorie, overeenkomstig de uitsplitsing van de blootstellingscategorieën in de rijen van de template. De kolommen 0030 tot en met 0050 moeten het volledige scala blootstellingen bestrijken, zodat de som van elke rij voor die drie kolommen 100 % van alle blootstellingscategorieën bedraagt, met uitzondering van securitisatieposities en afgetrokken posities.

3.3.6.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 166 VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0020 TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN DE STANDAARDBENADERING EN DE INTERNERATINGBENADERING De instellingen gebruiken de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering overeenkomstig artikel 429, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 om de totale blootstellingswaarde te rapporteren, met inbegrip van zowel de blootstellingen volgens de standaardbenadering als de blootstellingen volgens de interneratingbenadering. 0030 PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN PERMANENT GEDEELTELIJK GEBRUIK VAN DE STANDAARDBENADERING (%) Deel van de blootstelling voor elke blootstellingscategorie onderworpen aan de standaardbenadering (blootstelling onderworpen aan de standaardbenadering vóór toepassing van kredietrisicolimitering over de totale blootstelling in die blootstellingscategorie in kolom 0020), met inachtneming van de reikwijdte van de toestemming voor permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering die overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van een bevoegde autoriteit is verkregen. 0040 PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN EEN INVOERINGSPLAN (%) Deel van de blootstelling voor elke blootstellingscategorie dat onderworpen is aan de stapsgewijze invoering van de interneratingbenadering overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze informatie omvat: 0050 PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN DE INTERNERATINGBENADERING (%) Deel van de blootstelling voor elke blootstellingscategorie onderworpen aan de interneratingbenadering (blootstelling onderworpen aan de interneratingbenadering vóór toepassing van kredietrisicolimitering over de totale blootstelling in die blootstellingscategorie), met inachtneming van de reikwijdte van de toestemming voor gebruik van de interneratingbenadering die overeenkomstig artikel 143 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van een bevoegde autoriteit is verkregen. Dit omvat zowel blootstellingen waarvoor instellingen al dan niet hun eigen LGD-raming en omrekeningsfactoren mogen gebruiken (F-IRB en A-IRB), met inbegrip van blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening volgens de supervisory slotting-benadering en blootstellingen in aandelen volgens de eenvoudige risicogewichtbenadering, alsmede de blootstellingen die worden gerapporteerd in rij 0170 van template C 08.01. Rijen Instructies BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN De instellingen nemen de informatie in deze template op per blootstellingscategorie, overeenkomstig de uitsplitsing van de blootstellingscategorieën in de rijen van de template.

beide blootstellingen indien instellingen voornemens zijn de interneratingbenadering toe te passen met of zonder eigen LGD-raming en omrekeningsfactoren (F-IRB en A-IRB);

niet van materieel belang zijnde blootstellingen in aandelen die niet in kolom 0020 of 0040 zijn opgenomen;

blootstellingen die reeds onder F-IRB vallen indien een instelling voornemens is in de toekomst A-IRB toe te passen;

blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening volgens de supervisory slotting-benadering die niet in kolom 0040 zijn opgenomen.

3.4.85.86.87.

KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INFORMATIE MET GEOGRAFISCHE UITSPLITSING Alle instellingen verstrekken informatie die op totaalniveau is geaggregeerd. Voorts verstrekken de instellingen die aan de in artikel 5, punt 5, van deze uitvoeringsverordening vastgestelde drempel voldoen, informatie, uitgesplitst naar land, over zowel het thuisland als alle niet-thuislanden. De drempel geldt alleen voor de templates CR GB 1 en CR GB 2. Blootstellingen met betrekking tot supranationale organisaties worden aan de geografische zone Andere landen toegewezen. Onder vestigingsplaats van de debiteur wordt verstaan het land van oprichting van de debiteur. Dit concept kan op basis van directe debiteur en uiteindelijk risico worden toegepast. Dat betekent dat kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten de toewijzing van een blootstelling aan een land kunnen veranderen. Blootstellingen met betrekking tot supranationale organisaties worden niet aan het land van vestiging van de instelling toegewezen, maar aan de geografische zone Andere landen, ongeacht de blootstellingscategorie waaraan de blootstelling met betrekking tot supranationale organisaties is toegewezen. Gegevens over oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren worden onder vermelding van het land van vestiging van de directe debiteur gerapporteerd. Gegevens over blootstellingswaarde en risicogewogen posten worden volgens het land van vestiging van de uiteindelijke debiteur gerapporteerd.

3.4.1 C 09.01 – Geografische uitsplitsing van blootstellingen naar vestigingsplaats van de debiteur: blootstellingen in het kader van de standaardbenadering (CR GB 1)

3.4.1

3.4.1.1 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0010 van de CR SA-template. 0020 Blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan De oorspronkelijke blootstelling vóór de toepassing van omrekeningsfactoren voor de blootstellingen die als blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn geclassificeerd, en voor blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling en die zijn toegewezen aan de blootstellingscategorieën blootstellingen waaraan een bijzonder hoog risico is verbonden of blootstellingen in aandelen. Deze pro-memoriepost biedt aanvullende informatie over de debiteurenstructuur van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling. Blootstellingen die zijn geclassificeerd als in artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, worden gerapporteerd wanneer de debiteuren zouden zijn gerapporteerd indien die blootstellingen niet in de blootstellingscategorie blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling waren ondergebracht. Deze informatie betreft een pro-memoriepost en heeft dus geen gevolgen voor de berekening van de risicogewogen posten van de blootstellingscategorieën blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling, blootstellingen met een bijzonder hoog risico of blootstellingen in aandelen als genoemd in, respectievelijk, artikel 112, punten j), k) en p), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0040 In de rapportageperiode waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling Het bedrag van de oorspronkelijke blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste rapportagedatum naar de blootstellingscategorie blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn overgegaan, wordt gerapporteerd voor de blootstellingscategorie waartoe de debiteur oorspronkelijk behoorde. 0050 Algemene kredietrisicoaanpassingen Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014 Deze post vermeldt de algemene kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal, vóór toepassing van de in artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde begrenzing. Het te rapporteren bedrag is het bedrag exclusief belastingeffecten. 0055 Specifieke kredietrisicoaanpassingen Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014. 0060 Afschrijvingen Afschrijvingen als bedoeld in IFRS 9.5.4.4 en B5.4.9. 0061 Aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen In overeenstemming met artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 Kredietrisicoaanpassingen/afschrijvingen voor waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling De som van de kredietrisicoaanpassingen en afschrijvingen voor blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste indiening van gegevens als blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn geclassificeerd. 0075 Blootstellingswaarde Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0200 van de CR SA-template. 0080 RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0215 van de CR SA-template. 0081 (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0216 van de CR SA-template. 0082 (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0217 van de CR SA-template. 0090 RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0220 van de CR SA-template. Rijen 0010 Centrale overheden of centrale banken Artikel 112, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0020 Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten Artikel 112, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0030 Publiekrechtelijke lichamen Artikel 112, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0040 Multilaterale ontwikkelingsbanken Artikel 112, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050 Internationale organisaties Artikel 112, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0060 Instellingen Artikel 112, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0070 Ondernemingen Artikel 112, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0075 waarvan: Kmo’s Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0020 van de CR SA-template. 0080 Particulieren en kleine partijen Artikel 112, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0085 waarvan: Kmo’s Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0020 van de CR SA-template. 0090 Gedekt door hypotheken op onroerend goed Artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0095 waarvan: Kmo’s Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0020 van de CR SA-template. 0100 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling Artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0110 Blootstellingen met een bijzonder hoog risico Artikel 112, punt k), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0120 Gedekte obligaties Artikel 112, punt l), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0130 Vorderingen op instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn Artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0140 Instellingen voor collectieve belegging (icb’s) Artikel 112, punt o), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Som van de rijen 0141 tot en met 0143 0141 Doorkijkbenadering Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0281 van de CR SA-template. 0142 Beleidsbenadering Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0282 van de CR SA-template. 0143 Fall-backbenadering Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0283 van de CR SA-template. 0150 Blootstellingen in aandelen Artikel 112, punt p), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0160 Overige posten Artikel 112, punt q), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0170 Totale blootstellingen

3.4.2 C 09.02 – Geografische uitsplitsing van blootstellingen naar vestigingsplaats van de debiteur: blootstellingen in het kader van de interneratingbenadering (CR GB 2)

3.4.2

3.4.2.1 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0020 van de CR IRB-template 0030 Waarvan in wanbetaling De oorspronkelijke blootstellingswaarde voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 als blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn geclassificeerd. 0040 In de rapportageperiode waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling Het bedrag van de oorspronkelijke blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste rapportagedatum als blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn geclassificeerd, wordt gerapporteerd voor de blootstellingscategorie waartoe de debiteur oorspronkelijk behoorde. 0050 Algemene kredietrisicoaanpassingen Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014. 0055 Specifieke kredietrisicoaanpassingen Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014. 0060 Afschrijvingen Afschrijvingen als bedoeld in IFRS 9.5.4.4 en B5.4.9. 0070 Kredietrisicoaanpassingen/afschrijvingen voor waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling De som van de kredietrisicoaanpassingen en afschrijvingen voor blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste indiening van gegevens als blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn geclassificeerd. 0080 INTERNERATINGSCHAAL/AAN DE DEBITEURENKLASSE OF -GROEP TOEGEKENDE PD (%) Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0010 van de CR IRB-template 0090 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor de kolommen 0230 en 0240 van de CR IRB-template: de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD (%) betreft alle blootstellingen, met inbegrip van blootstellingen met betrekking tot grote entiteiten uit de financiële sector en niet-gereglementeerde financiële entiteiten. Artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 is van toepassing. Voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarbij de PD wordt geraamd, moet de gerapporteerde waarde ofwel de geraamde LGD of de LGD voor toezichtdoeleinden zijn. Voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen geen gegevens worden gerapporteerd omdat deze niet beschikbaar zijn. 0100 Waarvan: in wanbetaling De naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 als blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn geclassificeerd. 0105 Blootstellingswaarde Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0110 van de CR IRB-template 0110 RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0255 van de CR IRB-template 0120 Waarvan in wanbetaling De risicogewogen posten voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 als blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling zijn geclassificeerd. 0121 (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0256 van de CR IRB-template 0122 (–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0257 van de CR IRB-template 0125 RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0260 van de CR IRB-template 0130 VERWACHTE VERLIESPOST Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0280 van de CR IRB-template Rijen 0010 Centrale overheden en centrale banken Artikel 147, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0020 Instellingen Artikel 147, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0030 Ondernemingen Alle blootstellingen met betrekking tot ondernemingen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0042 Waarvan: Gespecialiseerde kredietverlening (met uitsluiting van gespecialiseerde kredietverlening volgens de slottingbenadering) Artikel 147, lid 8, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Er worden geen gegevens gerapporteerd voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0045 Waarvan: Gespecialiseerde kredietverlening volgens de slottingbenadering Artikel 147, lid 8, punt a), en artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050 Waarvan: Kmo’s Artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 In het kader van de interneratingbenadering gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne kmo-definitie, zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen. 0060 Particulieren en kleine partijen Alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0070 Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt. Alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die door als zekerheid erkend onroerend goed worden gedekt, zullen worden beschouwd als door onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, ongeacht de verhouding tussen de waarde van de zekerheid en de blootstelling of het doel van de lening. 0080 Kmo’s Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), en artikel 154, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt. 0090 Niet-kmo’s Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt. 0100 Particulieren en kleine partijen – Gekwalificeerde revolverende blootstellingen Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 154, lid 4, van die verordening. 0110 Andere particulieren en kleine partijen Andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet in de rijen 0070 tot en met 0100 worden gerapporteerd. 0120 Kmo’s Andere blootstellingen met betrekking tot kmo’s als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0130 Niet-kmo’s Andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0140 Aandelen Blootstellingen in aandelen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0150 Totale blootstellingen

3.4.3 C 09.04 – Uitsplitsing van betrokken kredietblootstellingen ten behoeve van de berekening van de contracyclische buffer per land en het instellingsspecifieke contracyclische bufferpercentage (CCB)

3.4.3
3.4.3.188.89.90.91.

Algemene opmerkingen Deze template dient om meer informatie te ontvangen over de elementen van de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer. De gevraagde informatie heeft betrekking op de overeenkomstig deel drie, titel II en titel IV, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde eigenvermogensvereisten en de geografische locatie voor kredietblootstellingen, securitisatieblootstellingen en handelsportefeuilleblootstellingen die relevant zijn voor de berekening van de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer (CCB) overeenkomstig artikel 140 van Richtlijn 2013/36/EU (relevante kredietblootstellingen). De informatie in template C 09.04 wordt gerapporteerd voor het Totaal van de relevante kredietblootstellingen in alle rechtsgebieden waar die blootstellingen zijn gesitueerd, en afzonderlijk voor elk van de rechtsgebieden waar de desbetreffende kredietblootstellingen zijn gesitueerd. De totaalcijfers en de informatie voor elk afzonderlijk rechtsgebied worden in een aparte dimensie gerapporteerd. De in artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening vastgestelde drempel is niet van toepassing voor de rapportage van deze uitsplitsing. Om de geografische locatie te bepalen, worden de blootstellingen toegewezen op basis van een directe debiteur, zoals bepaald in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie. Bij de rapportage van in deze template beschreven informatie wijzigen kredietrisicolimiteringstechnieken daarom de toewijzing van een blootstelling aan de geografische locatie niet.

3.4.3.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 Bedrag De waarde van de relevante kredietblootstellingen en de daarmee verband houdende eigenvermogensvereisten zoals bepaald overeenkomstig de instructies voor de betrokken rij. 0020 Percentage 0030 Kwalitatieve informatie Deze informatie wordt alleen gerapporteerd voor het land van vestiging van de instelling (het rechtsgebied dat overeenkomt met haar lidstaat van herkomst) en het Totaal van alle landen. De instellingen rapporteren {y} of {n}, overeenkomstig de instructies voor de betrokken rij. Rijen 0010-0020 Relevante kredietblootstellingen – Kredietrisico De relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU. 0010 Blootstellingswaarde volgens de standaardbenadering De overeenkomstig artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende blootstellingswaarde voor de in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen. De blootstellingswaarde van securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille wordt van deze rij uitgesloten en wordt in rij 0055 gerapporteerd. 0020 Blootstellingswaarde volgens de interneratingbenadering De overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende blootstellingswaarde voor de in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen. De blootstellingswaarde van securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille wordt van deze rij uitgesloten en wordt in rij 0055 gerapporteerd. 0030-0040 Relevante kredietblootstellingen – Marktrisico De relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU. 0030 Som van long- en shortposities van blootstellingen in de handelsportefeuille voor de standaardbenadering De som van de nettolong- en nettoshortposities overeenkomstig artikel 327 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU waarvoor eigenvermogensvereisten van deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden: 0040 Waarde van blootstellingen in de handelsportefeuille volgens interne modellen Voor relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU waarvoor eigenvermogensvereisten van deel drie, titel IV, hoofdstukken 2 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden, wordt de som van het volgende gerapporteerd: 0055 Relevante kredietblootstellingen – Securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille De overeenkomstig artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende blootstellingswaarde voor de in artikel 140, lid 4, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen. 0070-0110 Eigenvermogensvereisten en -wegingen 0070 Totale eigenvermogensvereisten voor de contracyclische kapitaalbuffer (CCB) De som van de rijen 0080, 0090 en 0100. 0080 Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Kredietrisico De overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 1 tot en met 4 en hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten voor in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen in het betrokken land. De eigenvermogensvereisten voor securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille worden van deze rij uitgesloten en worden in rij 0100 gerapporteerd. De eigenvermogensvereisten bedragen 8 % van de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 1 tot en met 4 en hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde risicogewogen posten. 0090 Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Marktrisico De eigenvermogensvereisten als berekend overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor specifiek risico of overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor additioneel wanbetalings- en migratierisico ten aanzien van in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen in het betrokken land. De eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen in het marktrisicokader omvatten onder meer de overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten voor securitisatieposities en de overeenkomstig artikel 348 van die verordening bepaalde eigenvermogensvereisten voor instellingen voor collectieve belegging. 0100 Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Gesecuritiseerde posities in de niet-handelsportefeuille De overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten voor in artikel 140, lid 4, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen in het betrokken land. De eigenvermogensvereisten bedragen 8 % van de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde risicogewogen posten. 0110 Wegingen van eigenvermogensvereisten De weging die wordt toegepast op het contracyclische kapitaalbufferpercentage in elk land, wordt berekend als een ratio van eigenvermogensvereisten die als volgt wordt bepaald: Informatie over de wegingen van de eigenvermogensvereisten wordt niet gerapporteerd voor het Totaal van alle landen. 0120-0140 Contracyclische bufferpercentages 0120 Door de aangewezen autoriteit bepaald contracyclisch kapitaalbufferpercentage Het contracyclische kapitaalbufferpercentage dat voor het betrokken land door de aangewezen autoriteit van dat land is bepaald overeenkomstig de artikelen 136, 137 en 139, artikel 140, lid 2, punten a) en c), en artikel 140, lid 3, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU. Deze rij wordt leeg gelaten wanneer de aangewezen autoriteit van het betrokken land geen contracyclisch bufferpercentage voor dat land heeft bepaald. Contracyclische kapitaalbufferpercentages die door de aangewezen autoriteit zijn bepaald, maar op de rapportagereferentiedatum nog niet van toepassing zijn in het betrokken land, worden niet gerapporteerd. Informatie over het door de aangewezen autoriteit bepaalde contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt niet voor het Totaal van alle landen gerapporteerd. 0130 Contracyclisch kapitaalbufferpercentage zoals van toepassing voor het land van de instelling Het contracyclische kapitaalbufferpercentage dat voor het betrokken land van toepassing is en door de aangewezen autoriteit van het land van vestiging van de instelling werd bepaald overeenkomstig de artikelen 137, 138 en 139, artikel 140, lid 2, punt b), en artikel 140, lid 3, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU. Contracyclische kapitaalbufferpercentages die op de rapportagereferentiedatum nog niet van toepassing zijn, worden niet gerapporteerd. Informatie over het contracyclische kapitaalbufferpercentage dat in het land van de instelling van toepassing is, wordt niet voor het Totaal van alle landen gerapporteerd. 0140 Instellingsspecifiek contracyclisch kapitaalbufferpercentage Het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 140, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU. Het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages die van toepassing zijn in de rechtsgebieden waar de relevante kredietblootstellingen van de instelling gesitueerd zijn of die in het kader van artikel 140 worden toegepast krachtens artikel 139, leden 2 of 3, van Richtlijn 2013/36/EU. Het relevante contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt gerapporteerd in [r0120; c0020; landenblad] of [r0130; c0020; landenblad], al naargelang. De weging die in elk land op het contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt toegepast, is het aandeel van eigenvermogensvereisten in de totale eigenvermogensvereisten en wordt gerapporteerd in [r0110; c0020; landenblad]. Informatie over het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt alleen voor het Totaal van alle landen gerapporteerd, en niet voor ieder land apart. 0150-0160 Gebruik van de 2 %-drempel 0150 Gebruik van de 2 %-drempel voor algemene kredietblootstellingen Overeenkomstig artikel 2, lid 5, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie mogen buitenlandse algemene kredietblootstellingen die in totaal niet groter zijn dan 2 % van het totaalbedrag van de algemene kredietblootstellingen, de blootstellingen in de handelsportefeuille en de securitisatieblootstellingen van de betrokken instelling, worden toegewezen aan de lidstaat van herkomst van een instelling. Bij de berekening van het totaalbedrag van de algemene kredietblootstellingen, de blootstellingen in de handelsportefeuille en de securitisatieblootstellingen worden de algemene kredietblootstellingen waarvan de locatie in overeenstemming met artikel 2, lid 5, punt a), en artikel 2, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie is bepaald, buiten beschouwing gelaten. Als de instelling van deze afwijking gebruikmaakt, vermeldt zij y in de template voor het rechtsgebied dat overeenkomt met haar lidstaat van herkomst en voor het Totaal van alle landen. Als een instelling geen gebruik maakt van deze afwijking, vermeldt zij n in de desbetreffende cel. 0160 Gebruik van de 2 %-drempel voor blootstellingen in de handelsportefeuille Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie mogen instellingen blootstellingen in de handelsportefeuille aan hun lidstaat van herkomst toewijzen indien de totale blootstellingen in de handelsportefeuille niet groter zijn dan 2 % van het totaalbedrag van de algemene kredietblootstellingen, de blootstellingen in de handelsportefeuille en de securitisatieblootstellingen. Als de instelling van deze afwijking gebruikmaakt, vermeldt zij y in de template voor het rechtsgebied dat overeenkomt met haar lidstaat van herkomst en voor het Totaal van alle landen. Als een instelling geen gebruik maakt van deze afwijking, vermeldt zij n in de desbetreffende cel.

blootstellingen met betrekking tot niet-gesecuritiseerde schuldinstrumenten;

blootstellingen met betrekking tot securitisatieposities in de handelsportefeuille;

blootstellingen met betrekking tot correlatiehandelsportefeuilles;

blootstellingen met betrekking tot effecten met aandelenkarakter, en

blootstellingen met betrekking tot icb’s indien kapitaalvereisten worden berekend overeenkomstig artikel 348 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

de reële waarde van niet-afgeleide posities die relevante kredietblootstellingen vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU, vastgesteld overeenkomstig artikel 104 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

de notionele waarde van derivaten die relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU vertegenwoordigen.

3.4.3.2

1. Teller: het totaal van eigenvermogensvereisten dat betrekking heeft op de relevante kredietblootstellingen in het betrokken land [r0070; c0010; landenblad],

2. Noemer: het totaal van eigenvermogensvereisten dat betrekking heeft op alle kredietblootstellingen die relevant zijn voor de berekening van de in artikel 140, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde contracyclische buffer overeenkomstig [r0070; c0010; Totaal].

3.5. C 10.01 EN C 10.02 – BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN IN HET KADER VAN DE INTERNERATINGBENADERING (CR EQU IRB 1 EN CR EQU IRB 2)

3.5.
3.5.192.93.94.95.96.97.

Algemene opmerkingen De CR EQU IRB-template bestaat uit twee templates: CR EQU IRB 1 geeft een algemeen overzicht van de IRB-blootstellingen in de categorie blootstellingen in aandelen en de verschillende methoden voor het berekenen van het totaal van de risicoposten. CR EQU IRB 2 geeft een uitsplitsing van de totale blootstellingen die in het kader van de PD/LGD-benadering in debiteurenklassen zijn ondergebracht. In voorkomend geval wordt met CR EQU IRB in de instructies hieronder zowel de CR EQU IRB 1-template als de CR EQU IRB 2-template bedoeld. De CR EQU IRB-template geeft informatie over de berekening van risicogewogen posten voor kredietrisico (artikel 92, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013) overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor blootstellingen in aandelen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt e), van die verordening. De volgende blootstellingen worden overeenkomstig artikel 147, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de categorie blootstellingen in aandelen ondergebracht: Blootstellingen met betrekking tot instellingen voor collectieve beleggingen die worden behandeld overeenkomstig de eenvoudige risicogewichtbenadering als bedoeld in artikel 152, lid 4, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of overeenkomstig de fall-backbenadering van artikel 152, lid 6, van die verordening, worden eveneens in de CR EQU IRB-template gerapporteerd. Overeenkomstig artikel 151, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 verstrekken instellingen de CR EQU IRB-template wanneer zij een van de drie in artikel 155 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde benaderingen toepassen: Overeenkomstig artikel 155 van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen de instellingen voor verschillende portefeuilles verschillende benaderingen (eenvoudige risicogewichtbenadering, PD/LGD-benadering of internemodellenbenadering) toepassen wanneer zij deze verschillende benaderingen ook intern toepassen. Voorts rapporteren instellingen die de interneratingbenadering toepassen, in de CR EQU IRB-template ook de risicogewogen posten voor de blootstellingen in aandelen die een vaste risicogewichtbehandeling krijgen (maar die niet expliciet worden behandeld overeenkomstig de eenvoudige risicogewichtbenadering of het (tijdelijk of permanent) gedeeltelijke gebruik van de standaardbenadering van kredietrisico), zoals blootstellingen in aandelen waarvoor overeenkomstig artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van 250 % dan wel overeenkomstig artikel 471, lid 2, van die verordening een risicogewicht van 370 % geldt. De volgende vorderingen in aandelen worden niet in de CR EQU IRB-template gerapporteerd:

3.5.192.93.94. a)

blootstellingen die geen schulden zijn, die een achtergestelde restvordering op de activa of de inkomsten van de uitgevende instelling vormen;

b)

blootstellingen in de vorm van schulden en andere effecten, partnerschappen, derivaten of andere vehikels waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de onder in punt a) genoemde blootstellingen.

de eenvoudige risicogewichtbenadering;

de PD/LGD-benadering;

de internemodellenbenadering.

blootstellingen in aandelen in de handelsportefeuille (indien de instellingen niet zijn vrijgesteld van het berekenen van eigenvermogensvereisten voor posities in de handelsportefeuille (artikel 94 van Verordening (EU) nr. 575/2013);

blootstellingen in aandelen waarvoor gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering wordt toegepast (artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013), waaronder:

blootstellingen in aandelen waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn overeenkomstig artikel 495, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

blootstellingen in aandelen van entiteiten waarvan de kredietverplichtingen overeenkomstig de standaardbenadering een risicogewicht van 0 % krijgen, met inbegrip van met overheidsgeld gefinancierde entiteiten waarvoor een risicogewicht van 0 % kan worden toegepast (artikel 150, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

blootstellingen in aandelen die zijn ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma’s waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij de instelling aanzienlijke subsidies ontvangt voor haar belegging en de beleggingen in aandelen op enigerlei wijze aan overheidstoezicht en restricties zijn onderworpen (artikel 150, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

blootstellingen in aandelen van ondernemingen die nevendiensten verrichten waarvan de risicogewogen posten berekend kunnen worden volgens de behandeling die geldt voor andere activa die geen kredietverplichtingen zijn (artikel 155, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013);

vorderingen in aandelen die overeenkomstig de artikelen 46 en 48 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen zijn afgetrokken.

3.5.298. Instructies voor specifieke posities (geldend voor zowel CR EQU IRB 1 als CR EQU IRB 2) Kolommen 0005 DEBITEURENKLASSE (IDENTIFICATIECODE VAN EEN RIJ) De debiteurenklasse is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template. Deze volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort. 0010 INTERNERATINGSCHAAL AAN DE DEBITEURENKLASSE TOEGEKENDE PD (%) Instellingen die de PD/LGD-benadering toepassen, rapporteren in kolom 0010 de overeenkomstig artikel 165, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende kans op wanbetaling (Probability of Default – PD). De aan de debiteurenklasse of -groep toegekende PD die moet worden gerapporteerd, voldoet aan de minimumvereisten die in deel drie, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd. Voor elke afzonderlijke debiteurenklasse of -groep wordt de aan die specifieke klasse of groep toegekende PD gerapporteerd. Alle gerapporteerde risicoparameters worden afgeleid van de risicoparameters die in de door de desbetrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingsschaal worden gebruikt. Voor cijfers betreffende een aggregatie van debiteurenklassen of -groepen (zoals totale blootstellingen) moet het naar blootstelling gewogen gemiddelde worden vermeld van de PD’s die aan de debiteurenklassen of -groepen in de aggregatie zijn toegekend. Alle blootstellingen, met inbegrip van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, moeten in aanmerking worden genomen bij het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD. Bij die berekening van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD wordt, voor wegingsdoeleinden, de blootstellingswaarde gebruikt waarvoor met niet-volgestorte kredietprotectie rekening wordt gehouden (kolom 0060). 0020 OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN De instellingen rapporteren in kolom 0020 de oorspronkelijke blootstellingswaarde (vóór toepassing van omrekeningsfactoren). Overeenkomstig artikel 167 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de blootstellingswaarde voor blootstellingen in aandelen gelijk aan de boekwaarde die resteert na bepaalde kredietrisicoaanpassingen. De blootstellingswaarde van blootstellingen in aandelen buiten de balanstelling is gelijk aan de nominale waarde ervan na specifieke kredietrisicoaanpassingen. De instellingen vermelden in kolom 0020 ook de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde posten buiten de balanstelling die in de categorie blootstellingen in aandelen zijn ondergebracht (zoals onbetaald deel van niet-volgestorte aandelen en effecten). Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering of de (in artikel 165, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde) PD/LGD-benadering toepassen, houden tevens rekening met de in artikel 155, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde verrekening. 0030-0040 KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE GARANTIES KREDIETDERIVATEN Ongeacht de benadering die voor het berekenen van de risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen wordt gevolgd, kunnen instellingen niet-volgestorte kredietprotectie voor posities in aandelen opnemen (artikel 155, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering of de PD/LGD-benadering toepassen, rapporteren in de kolommen 0030 en 0040 het bedrag voor niet-volgestorte kredietprotectie in de vorm van garanties (kolom 0030) of kredietderivaten (kolom 0040) die zijn opgenomen overeenkomstig de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven methoden. 0050 KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (–) TOTALE UITSTROMEN De instellingen rapporteren in kolom 0050 het deel van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren dat wordt gedekt door niet-volgestorte kredietprotectie, opgenomen overeenkomstig de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven methoden. 0060 BLOOTSTELLINGSWAARDE Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering of de PD/LGD-benadering toepassen, rapporteren in kolom 0060 de blootstellingswaarde waarvoor met uit niet-volgestorte kredietprotectie voortvloeiende substitutie-effecten rekening wordt gehouden (artikel 155, leden 2 en 3, en artikel 167 van Verordening (EU) nr. 575/2013). In het geval van blootstellingen in aandelen buiten de balanstelling is de blootstellingswaarde gelijk aan de nominale waarde na bepaalde kredietrisicoaanpassingen (artikel 167 van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0061 WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING Zie de CR SA-instructies. 0070 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) Instellingen die de PG/LGD-benadering toepassen, rapporteren het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de aan de debiteurenklassen of -groepen in de aggregatie toegekende LGD’s. Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD wordt de blootstellingswaarde gebruikt waarvoor met niet-volgestorte kredietprotectie rekening wordt gehouden (kolom 0060). De instellingen houden rekening met artikel 165, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0080 RISICOGEWOGEN POSTEN De instellingen rapporteren de risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen, berekend overeenkomstig artikel 155 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien instellingen die de PD/LGD-benadering hanteren, niet over voldoende informatie beschikken om de in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervatte definitie van wanbetaling toe te passen, worden de risicogewichten bij het berekenen van de risicogewogen posten vermenigvuldigd met een schaalfactor 1,5 (artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Wat betreft de inputparameter M (looptijd) voor de risicogewichtfunctie, wordt aan blootstellingen in aandelen een looptijd van vijf jaar toegekend (artikel 165, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0090 PRO-MEMORIEPOST: VERWACHTE VERLIESPOST De instellingen rapporteren in kolom 0090 de verwachte verliespost voor blootstellingen in aandelen, berekend overeenkomstig artikel 158, leden 4, 7, 8 en 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013. [Verwijderd] Rijen CR EQU IRB 1 – rij 0020 PD/LGD-BENADERING: TOTAAL Instellingen die de PD/LGD-benadering toepassen (artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie in rij 0020 van de CR EQU IRB 1-template. CR EQU IRB 1 – rijen 0050-0090 EENVOUDIGE RISICOGEWICHTBENADERING: TOTAAL UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR RISICOGEWICHT IN HET KADER VAN DE EENVOUDIGE RISICOGEWICHTBENADERING Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering toepassen (artikel 155, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie volgens de kenmerken van de onderliggende blootstellingen in de rijen 0050 tot en met 0090. CR EQU IRB 1 – rij 0100 INTERNEMODELLENBENADERING Instellingen die de internemodellenbenadering toepassen (artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie in rij 0100. CR EQU IRB 1 – rij 0110 BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN WAAROP RISICOGEWICHTEN WORDEN TOEGEPAST Instellingen die de interneratingbenadering toepassen, rapporteren de risicogewogen posten voor de blootstellingen in aandelen die een vaste risicogewichtbehandeling krijgen (maar die niet expliciet worden behandeld volgens de eenvoudige risicogewichtbenadering of het (tijdelijk of permanent) gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering van kredietrisico), ook voor de volgende blootstellingen: CR EQU IRB 1 – rij 0120 AAN DE FALL-BACKBENADERING ONDERWORPEN ICB-BLOOTSTELLINGEN Ook blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb’s die volgens de fall-backbenadering van artikel 152, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden behandeld, worden in deze rij gerapporteerd. CR EQU IRB 2 UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR DEBITEURENKLASSE IN HET KADER VAN DE PD/LGD-BENADERING Instellingen die de PD/LGD-benadering toepassen (artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie in de CR EQU IRB 2-template. Instellingen die de PD/LGD-benadering hanteren en een unieke ratingschaal toepassen of in staat zijn volgens een interne modelschaal te rapporteren, rapporteren in CR EQU IRB 2 de met dit unieke ratingschaal of deze master scale verband houdende ratingklassen of -groepen. In alle overige gevallen worden de verschillende ratingschalen samengevoegd en gerangschikt aan de hand van de volgende criteria: debiteurenklassen of -groepen van verschillende ratingschalen worden samengevoegd en van laag naar hoog gerangschikt op basis van de aan elke debiteurenklasse of -groep toegekende PD.

de overeenkomstig artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 behandelde risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen van entiteiten uit de financiële sector, alsmede

blootstellingen in aandelen die overeenkomstig artikel 471, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van 370 % krijgen, worden in rij 0110 gerapporteerd.

3.6. C 11.00 – AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO (CR SETT)

3.6.
3.6.199.100.101.102.103.104.105.

Algemene opmerkingen In deze template wordt gevraagd naar informatie over transacties in zowel de handelsportefeuille als de niet-handelsportefeuille die na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, alsmede over de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor het afwikkelingsrisico als bedoeld in artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen rapporteren in de CR SETT-template informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico met betrekking tot schuldinstrumenten, aandelen, valuta en grondstoffen in hun handels- of niet-handelsportefeuille. Overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen met betrekking tot schuldinstrumenten, aandelen, valuta en grondstoffen niet onder de eigenvermogensvereisten voor afwikkelings-/leveringsrisico. Niettemin zijn derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn die na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, wel aan eigenvermogensvereisten voor het afwikkelings-/leveringsrisico onderworpen, zoals bepaald in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013. In het geval van na de overeengekomen leveringsdatum nog niet afgewikkelde transacties berekenen de instellingen het prijsverschil waarvoor zij aan risico zijn blootgesteld. Dit is het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel, de valuta of de grondstof in kwestie, en de actuele marktwaarde daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren. De instellingen vermenigvuldigen dat verschil met de passende factor in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 om de overeenkomstige eigenvermogensvereisten te bepalen. Overeenkomstig artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de eigenvermogensvereisten voor afwikkelings-/leveringsrisico met 12,5 vermenigvuldigd om de risicoposten te berekenen. N.B. Eigenvermogensvereisten voor niet-afgewikkelde transacties overeenkomstig artikel 379 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen niet onder de CR SETT-template. Die eigenvermogensvereisten worden in de templates voor kredietrisico (CR SA, CR IRB) gerapporteerd.

3.6.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES TEGEN AFWIKKELINGSPRIJS De instellingen rapporteren de niet-afgewikkelde transacties die na de overeengekomen leveringsdatum nog niet zijn afgewikkeld, tegen de overeengekomen afwikkelingsprijs overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Alle niet-afgewikkelde transacties worden in deze kolom vermeld, ongeacht of zij na de overeengekomen afwikkelingsdatum winst of verlies inhouden. 0020 BLOOTSTELLING IN VERBAND MET PRIJSVERSCHIL ALS GEVOLG VAN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES De instellingen rapporteren, overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het prijsverschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel, de valuta of de grondstof in kwestie, en de actuele marktwaarde daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren. Uitsluitend niet-afgewikkelde transacties die na de overeengekomen afwikkelingsdatum verlies inhouden, worden in deze kolom gerapporteerd. 0030 EIGENVERMOGENSVEREISTEN De instellingen rapporteren de overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten. 0040 TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELINGSRISICO Overeenkomstig artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermenigvuldigen de instellingen hun in kolom 0030 gerapporteerde eigenvermogensvereisten met 12,5 om de risicoposten voor afwikkelingsrisico te verkrijgen. Rijen 0010 Totaal van niet-afgewikkelde transacties in de niet-handelsportefeuille De instellingen rapporteren de geaggregeerde informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille (overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013). De instellingen rapporteren in {r0010;c0010} de geaggregeerde som van op de overeengekomen leveringsdata nog niet afgewikkelde transacties tegen de desbetreffende overeengekomen afwikkelingsprijzen. De instellingen rapporteren in {r0010;c0020} de geaggregeerde informatie over blootstelling in verband met prijsverschillen als gevolg van niet-afgewikkelde transacties die verlies inhouden. De instellingen rapporteren in {r0010;c0030} de geaggregeerde eigenvermogensvereisten voortvloeiend uit optelling van de eigenvermogensvereisten voor niet-afgewikkelde transacties, door het in kolom 0020 gerapporteerde prijsverschil te vermenigvuldigen met de passende factor naargelang van het aantal werkdagen na de vastgestelde afwikkelingsdatum (overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën). 0020-0060 Transacties met maximaal 4 dagen vertraagde afwikkeling (factor 0 %) Transacties met tussen 5 en 15 dagen vertraagde afwikkeling (factor 8 %) Transacties met tussen 16 en 30 dagen vertraagde afwikkeling (factor 50 %) Transacties met tussen 31 en 45 dagen vertraagde afwikkeling (factor 75 %) Transacties met meer dan 46 dagen vertraagde afwikkeling (factor 100 %) De instellingen rapporteren in de rijen 0020 tot en met 0060 informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën. Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het afwikkelings-/leveringsrisico van transacties waarvan de afwikkeling plaatsvindt na de overeengekomen afwikkelingsdatum, doch minder dan vijf werkdagen na die datum. 0070 Totaal van niet-afgewikkelde transacties in de handelsportefeuille De instellingen rapporteren de geaggregeerde informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de handelsportefeuille (overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013). De instellingen rapporteren in {r0070;c0010} de geaggregeerde som van op de overeengekomen leveringsdata nog niet afgewikkelde transacties tegen de desbetreffende overeengekomen afwikkelingsprijzen. De instellingen rapporteren in {r0070;c0020} de geaggregeerde informatie over blootstelling in verband met prijsverschillen als gevolg van niet-afgewikkelde transacties die verlies inhouden. De instellingen rapporteren in {r0070;c0030} de geaggregeerde eigenvermogensvereisten voortvloeiend uit optelling van de eigenvermogensvereisten voor niet-afgewikkelde transacties, door het in kolom 0020 gerapporteerde prijsverschil te vermenigvuldigen met een passende factor gebaseerd op het aantal werkdagen na de vastgestelde afwikkelingsdatum (overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën). 0080-0120 Transacties met maximaal 4 dagen vertraagde afwikkeling (factor 0 %) Transacties met tussen 5 en 15 dagen vertraagde afwikkeling (factor 8 %) Transacties met tussen 16 en 30 dagen vertraagde afwikkeling (factor 50 %) Transacties met tussen 31 en 45 dagen vertraagde afwikkeling (factor 75 %) Transacties met meer dan 46 dagen vertraagde afwikkeling (factor 100 %) De instellingen rapporteren in de rijen 0080 tot en met 0120 informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de handelsportefeuille overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën. Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het afwikkelings-/leveringsrisico van transacties waarvan de afwikkeling plaatsvindt na de overeengekomen afwikkelingsdatum, doch minder dan vijf werkdagen na die datum.

3.7. C 13.01 – KREDIETRISICO – SECURITISATIES (CR SEC)

3.7.
3.7.1106.107.108.

Algemene opmerkingen Indien de instelling handelt als initiator, wordt voor alle securitisaties waarvoor een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico is opgenomen, de in deze template verlangde informatie verschaft. Indien de instelling als belegger handelt, worden alle blootstellingen gerapporteerd. Welke informatie moet worden gerapporteerd, hangt af van de rol van de instelling in het securitisatieproces. Er zijn dan ook specifieke rapportageposten voor initiators, sponsors en beleggers. In deze template wordt informatie gebundeld over zowel traditionele als synthetische securitisaties in de niet-handelsportefeuille.

3.7.2109.110.

Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 TOTAALBEDRAG VAN GEÏNITIEERDE GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN Initiërende instellingen rapporteren het op de rapportagedatum uitstaande bedrag van alle in de securitisatietransactie geïnitieerde actuele gesecuritiseerde blootstellingen, ongeacht de houder van de posities. Dit betekent dat rapportage plaatsvindt van zowel gesecuritiseerde blootstellingen binnen de balanstelling (zoals obligaties en achtergestelde leningen) als blootstellingen buiten de balanstelling en derivaten (zoals achtergestelde kredietlijnen, liquiditeitsfaciliteiten, renteswaps, kredietverzuimswaps enz.) die bij de securitisatie zijn geïnitieerd. De initiator houdt bij de rapportage in deze template geen rekening met traditionele securitisaties waarbij hij geen positie aanhoudt. In dat verband worden vervroegdeaflossingsbepalingen, als bedoeld in artikel 242, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013, bij een securitisatie van revolverende blootstellingen gerekend tot door de initiator aangehouden securitisatieposities. 0020-0040 SYNTHETISCHE SECURITISATIES KREDIETPROTECTIE VOOR GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN Artikelen 251 en 252 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Met looptijdmismatches wordt geen rekening gehouden bij de waardeaanpassing in verband met kredietrisicolimiteringstechnieken die met de securitisatiestructuur samenhangen. 0020 (–) VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE (CVA) De gedetailleerde procedure voor het berekenen van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid (CVA) die in deze kolom wordt gerapporteerd, is vastgelegd in artikel 223, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030 (–) TOTALE UITSTROMEN: VOOR NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE GECORRIGEERDE WAARDEN (G*) Overeenkomstig de algemene regel voor instromen en uitstromen worden de in deze kolom gerapporteerde bedragen als instromen opgenomen in de desbetreffende template voor kredietrisico (CR SA of CR IRB) en in de door rapporterende entiteit aan de protectiegever (d.w.z. de derde waaraan de tranche door middel van niet-volgestorte kredietprotectie wordt overgedragen) toegewezen blootstellingscategorie. De procedure voor het berekenen van het voor valutarisico gecorrigeerde nominale bedrag van de kredietprotectie (G*) is vastgelegd in artikel 233, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0040 BEHOUDEN OF TERUGGEKOCHT NOTIONEEL BEDRAG VAN KREDIETPROTECTIE Alle behouden of teruggekochte tranches, zoals aangehouden first loss-posities, worden met hun nominale waarde gerapporteerd. Met het effect van reglementaire reductiefactoren op de kredietprotectie wordt bij het berekenen van het behouden of teruggekochte bedrag van die protectie geen rekening gehouden. 0050 SECURITISATIEPOSITIES: OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Deze kolom bevat de blootstellingswaarden van door de rapporterende instelling aangehouden securitisatieposities die zijn berekend overeenkomstig artikel 248, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder toepassing van kredietomrekeningsfactoren en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen, en in artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde niet-restitueerbare kortingen op de aankoopprijs voor gesecuritiseerde blootstellingen en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen op de securitisatiepositie. Nettering is alleen relevant in het geval van meerdere, aan dezelfde SSPE verstrekte derivatencontracten die onder een toelaatbare netteringsovereenkomst vallen. Bij synthetische securitisaties zijn de posities die door de initiator in de vorm van posten binnen de balanstelling en/of in het belang van de beleggers worden aangehouden, het resultaat van de aggregatie van de kolommen 0010 tot en met 0040. 0060 (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN Artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De in deze kolom te rapporteren waardeaanpassingen en voorzieningen betreffen uitsluitend securitisatieposities. Waardeaanpassingen voor gesecuritiseerde blootstellingen blijven buiten beschouwing. 0070 BLOOTSTELLING NA VERREKENING VAN WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN Deze kolom bevat de blootstellingswaarden van securitisatieposities die zijn berekend overeenkomstig artikel 248, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder toepassing van kredietomrekeningsfactoren en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen, en in artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde niet-restitueerbare kortingen op de aankoopprijs voor gesecuritiseerde blootstellingen en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen op de securitisatiepositie. 0080-0110 KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING Artikel 4, lid 1, punt 57, deel drie, titel II, hoofdstuk 4, en artikel 249 van Verordening (EU) nr. 575/2013. In deze kolommen rapporteren de instellingen informatie over kredietrisicolimiteringstechnieken die het kredietrisico van een of meer blootstellingen via substitutie van blootstellingen limiteren (zoals hieronder aangegeven voor instromen en uitstromen). Zekerheden die een effect op de blootstellingswaarde hebben (indien deze bijvoorbeeld worden gebruikt voor kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling), worden gemaximeerd op de blootstellingswaarde. Hier worden de volgende posten gerapporteerd: 0080 (–) NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE GECORRIGEERDE WAARDEN (GA) Niet-volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 59, en de artikelen 234 tot en met 236 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0090 (–) VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE Volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 58, van Verordening (EU) nr. 575/2013, als bedoeld in artikel 249, lid 2, eerste alinea, van die verordening en als beregeld in de artikelen 195, 197 en 200 van die verordening. Credit linked notes en nettering van balansposten als bedoeld in de artikelen 218 en 219 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld. 0100-0110 SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN Instromen en uitstromen binnen dezelfde blootstellingscategorieën en, voor zover relevant, risicogewichten of debiteurenklassen worden gerapporteerd. 0100 (–) TOTALE UITSTROMEN Artikel 222, lid 3, artikel 235, leden 1 en 2, en artikel 236 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De uitstromen komen overeen met het gedekte deel van Blootstelling na verrekening van waardeaanpassingen en voorzieningen dat van de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, het risicogewicht of de debiteurenklasse van de debiteur wordt afgetrokken, en vervolgens wordt ondergebracht in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, het risicogewicht of de debiteurenklasse van de protectiegever. Dat bedrag wordt beschouwd als een instroom in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, het risicogewicht of de debiteurenklasse van de protectiegever. 0110 TOTALE INSTROMEN Securitisatieposities die schuldtitels zijn en als toelaatbare financiële zekerheden in de zin van artikel 197, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gebruikt, worden, indien de eenvoudige benadering van financiële zekerheden (FCSM) wordt gehanteerd, in deze kolom als instromen gerapporteerd. 0120 NETTOBLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Deze kolom bevat de blootstellingen die in het desbetreffende risicogewicht en de desbetreffende blootstellingscategorie zijn ondergebracht na inaanmerkingneming van uitstromen en instromen als gevolg van Kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling. 0130 (–) KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN DIE OP HET BEDRAG VAN DE BLOOTSTELLING VAN INVLOED ZIJN: VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE, GECORRIGEERDE WAARDE IN HET KADER VAN DE UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (CVAM) Artikelen 223 tot en met 228 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze post omvat ook credit linked notes (artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0140 VOLLEDIG AANGEPASTE BLOOTSTELLINGSWAARDE (E*) De blootstellingswaarde van overeenkomstig artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende securitisatieposities, doch zonder toepassing van de omrekeningsfactoren van artikel 248, lid 1, punt b), van die verordening. 0150 WAARVAN: WAAROP EEN OMREKENINGSFACTOR VAN 0 % WORDT TOEGEPAST Artikel 248, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Artikel 4, lid 1, punt 56, van Verordening (EU) nr. 575/2013 geeft in dit verband een definitie van omrekeningsfactor. Bij de rapportage worden volledig aangepaste blootstellingswaarden (E*) gerapporteerd voor de omrekeningsfactor 0 %. 0160 (–) NIET-RESTITUEERBARE KORTING OP DE AANKOOPPRIJS Overeenkomstig artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag een initiërende instelling van de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van 1250 % is toegekend, niet-restitueerbare kortingen aftrekken die verband houden met dergelijke onderliggende blootstellingen voor zover die kortingen hebben geleid tot de vermindering van het eigen vermogen. 0170 (–) SPECIFIEKE KREDIETRISICOAANPASSINGEN VOOR DE ONDERLIGGENDE BLOOTSTELLINGEN Overeenkomstig artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag een initiërende instelling van de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van 1250 % is toegekend of die van het tier 1-kernkapitaal wordt afgetrokken, het bedrag aftrekken van de overeenkomstig artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde specifieke kredietrisicoaanpassingen van de onderliggende blootstellingen. 0180 BLOOTSTELLINGSWAARDE De blootstellingswaarde van securitisatieposities berekend in overeenstemming met artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0190 (–) VAN EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN BLOOTSTELLINGSWAARDE Overeenkomstig artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen instellingen, in het geval van een securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van 1250 % is toegekend, in plaats van de positie in hun berekening van risicogewogen posten te betrekken, de blootstellingswaarde van die positie aftrekken van het eigen vermogen. 0200 BLOOTSTELLINGSWAARDE WAAROP RISICOGEWICHTEN WORDEN TOEGEPAST De blootstellingswaarde verminderd met de van het eigen vermogen afgetrokken blootstellingswaarde. 0210 SEC-IRBA Artikel 254, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0220-0260 UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES SEC-IRBA-blootstellingen uitgesplitst naar risicogewichtsbandbreedtes. 0270 WAARVAN: BEREKEND OP GROND VAN ARTIKEL 255, LID 4 (GEKOCHTE KORTLOPENDE VORDERINGEN) Artikel 255, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor deze kolom worden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen behandeld als gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen en worden andere blootstellingen dan die met betrekking tot particulieren en kleine partijen behandeld als gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen. 0280 SEC-SA Artikel 254, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0290-0340 UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES SEC-SA-blootstellingen uitgesplitst naar risicogewichtsbandbreedtes. Voor het risicogewicht (RW) = 1250 % (gewicht (W) onbekend) moet, volgens artikel 261, lid 2, punt b), vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, aan de positie in de securitisatie een risicogewicht van 1250 % worden toegekend indien de instelling de achterstalligheidsstatus van meer dan 5 % van de onderliggende blootstellingen in de pool niet kent. 0350 SEC-ERBA Artikel 254, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0360-0570 UITSPLITSING NAAR KREDIETKWALITEITSCATEGORIEËN (KREDIETKWALITEITSCATEGORIEËN KORTE/LANGE TERMIJN) Artikel 263 van Verordening (EU) nr. 575/2013 SEC-ERBA-securitisatieposities met een afgeleide rating overeenkomstig artikel 254, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als posities met een rating gerapporteerd. Blootstellingswaarden waarop risicogewichten worden toegepast, worden uitgesplitst naar korte en lange termijn en kredietskwaliteitscategorieën van de tabellen 1 en 2 in artikel 263 en de tabellen 3 en 4 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0580-0630 UITSPLITSING NAAR REDENEN OM EXTERNERATINGBENADERING SECURITISATIES (SEC-ERBA) TOE TE PASSEN Voor iedere securitisatiepositie houden de instellingen in de kolommen 0580 tot en met 0620 rekening met een van de volgende opties. 0580 AUTOLENINGEN, AUTOLEASES EN LEASES VAN UITRUSTING Artikel 254, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Alle autoleningen, autoleases en leases van uitrusting worden in deze kolom gerapporteerd, zelfs indien zij in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 254, lid 2, punt a) of b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0590 EXTERNERATINGBENADERING SECURITISATIES (SEC-ERBA) OPTIE Artikel 254, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0600 POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT A), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 Artikel 254, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0610 POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT B), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 Artikel 254, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0620 POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 4, OF ARTIKEL 258, LID 2, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 Aan SEC-ERBA onderworpen securitisatieposities indien de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 254, lid 4, of artikel 258, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de toepassing van SEC-IRBA of SEC-SA hebben verboden. 0630 VOLGENS DE RANGORDE VAN BENADERINGEN Securitisatieposities indien SEC-ERBA wordt toegepast volgens de in artikel 254, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde rangorde van benaderingen. 0640 INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA) Artikel 254, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende de internebeoordelingsbenadering (IAA) voor posities in ABCP-programma’s. 0650-0690 UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES IAA-blootstellingen uitgesplitst naar risicogewichtsbandbreedtes. 0695 SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES Artikel 269 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0700 OVERIGE (RW = 1250 %) Indien geen van de bovenstaande benaderingen wordt toegepast, wordt, overeenkomstig artikel 254, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, een risicogewicht van 1250 % toegekend aan securitisatieposities. 0710-0860 RISICOGEWOGEN POSTEN Het totaal van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten vóór aanpassingen in verband met looptijdmismatches of overtredingen van de duediligencebepalingen, en exclusief eventuele risicogewogen posten voor blootstellingen die via uitstromen zijn overgeheveld naar een ander template. 0840 INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA): GEMIDDELD RISICOGEWICHT (%) De naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewichten van de securitisatieposities worden in deze kolom gerapporteerd. 0860 RISICOGEWOGEN POSTEN WAARVAN: SYNTHETISCHE SECURITISATIES In het geval van synthetische securitisaties met looptijdmismatches blijven voor het in deze kolom te rapporteren bedrag looptijdmismatches buiten beschouwing. 0870 AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET LOOPTIJDMISMATCHES Looptijdmismatches bij synthetische securitisaties RW*-RW(SP), berekend overeenkomstig artikel 252 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden vermeld, behalve in het geval van tranches waarop een risicogewicht van 1250 % van toepassing is, indien het te rapporteren bedrag gelijk is aan nul. RW(SP) betreft niet alleen de onder kolom 0650 gerapporteerde risicogewogen posten, maar ook de risicogewogen posten voor blootstellingen die via uitstromen naar andere templates zijn overgeheveld. 0880 ALGEHEEL EFFECT (CORRECTIE) ALS GEVOLG VAN INBREUKEN OP HOOFDSTUK 2 VAN VERORDENING (EU) 2017/2402 Overeenkomstig artikel 270 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 leggen de bevoegde autoriteiten, wanneer een instelling niet aan bepaalde vereisten voldoet, een evenredig additioneel risicogewicht op van ten minste 250 % van het risicogewicht (begrensd op 1250 %) dat op grond van deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 op de betrokken securitisatieposities van toepassing zou zijn. 0890 VÓÓR BEGRENZING Het totaal van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten vóór toepassing van de in de artikelen 267 en 268 van die verordening bepaalde begrenzingen of, in het geval van in aanmerking komende NPE-securitisaties, vóór toepassing van artikel 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0900 (–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN BEGRENZING RISICOGEWICHTEN Overeenkomstig artikel 267 van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan een instelling die te allen tijde kennis heeft van de samenstelling van de onderliggende blootstellingen, de senior securitisatiepositie een maximaal risicogewicht toekennen gelijk aan het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht dat op de onderliggende blootstellingen toepasselijk zou zijn alsof de onderliggende blootstellingen niet waren gesecuritiseerd. Voor in aanmerking komende NPE-securitisaties wordt artikel 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met name de leden 6 en 7 daarvan, toegepast. 0910 (–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN TOTALE BEGRENZING Overeenkomstig artikel 268 van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan een initiërende instelling, een sponsorinstelling of een andere instelling die de SEC-IRBA gebruikt, of een initiërende instelling of een sponsorinstelling die de SEC-SA of de SEC-ERBA gebruikt, voor de door haar aangehouden securitisatiepositie een maximaal kapitaalvereiste toepassen dat gelijk is aan de kapitaalvereisten die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zouden zijn berekend met betrekking tot de onderliggende blootstellingen als deze niet waren gesecuritiseerd. Voor in aanmerking komende NPE-securitisaties wordt artikel 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met name de leden 5 en 7 daarvan, toegepast. 0920 TOTAAL VAN RISICOGEWOGEN POSTEN Het totaal van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten, rekening houdende met het in artikel 247, lid 6, van die verordening genoemde totale risicogewicht. 0930 PRO-MEMORIEPOST: RISICOGEWOGEN POSTEN OVEREENKOMEND MET DE UITSTROMEN VAN SECURITISATIES NAAR ANDERE BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN De risicogewogen posten die voortvloeien uit naar de verschaffer van risicolimitering overgehevelde blootstellingen – en dus in de desbetreffende template worden berekend – en die bij de berekening van de begrenzing voor securitisatieposities in aanmerking worden genomen. De template is verdeeld in drie grote rijenblokken die gegevens over geïnitieerde/gefinancierde/behouden of gekochte blootstellingen bundelen per initiator, belegger en sponsor. De informatie wordt voor elk van hen onderverdeeld in posten binnen de balanstelling, posten buiten de balanstelling en derivaten, en ook de vraag of deze aan een gedifferentieerde vermogensbehandeling is onderworpen. In overeenstemming met de SEC-ERBA behandelde posities en posities zonder rating (blootstellingen op de rapportagedatum) worden uitgesplitst volgens de bij aanvang toegepaste kredietkwaliteitscategorie (laatste rijenblok). Zowel initiators en sponsors als beleggers rapporteren deze informatie. Rijen 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN De totale blootstellingen betreffen het totale bedrag aan uitstaande securitisaties en hersecuritisaties. Deze rij geeft een overzicht van alle informatie die in de volgende rijen door initiators, sponsors en beleggers wordt gerapporteerd. 0020 SECURITISATIEPOSITIES Het totale bedrag aan uitstaande securitisatieposities in de zin van artikel 4, lid 1, punt 62, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die geen hersecuritisaties in de zin van artikel 4, lid 1, punt 63, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn. 0030 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243, 270 of 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen. 0040 BLOOTSTELLINGEN IN STS ABCP- EN NIET-ABCP TRADITIONELE SECURITISATIES Het totale bedrag aan STS-securitisatieposities die aan de vereisten van artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0050 SENIOR POSITIES IN KMO-SECURITISATIES WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN Het totale bedrag aan senior synthetische securitisatieposities waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn en die aan de vereisten van artikel 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0051 SENIOR POSITIES IN OP DE BALANS OPGENOMEN STS SECURITISATIES Het totale bedrag aan op de balans opgenomen senior STS-securitisatieposities die aan de vereisten van artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0060, 0120, 0170, 0240, 0290, 0360 en 0410 NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING Artikel 254, leden 1, 4, 5 en 6, en artikelen 259, 261, 263, 265, 266 en 269 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het totale bedrag aan securitisatieposities dat niet voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komt. 0070, 0190, 0310 en 0430 HERSECURITISATIEPOSITIES Het totale bedrag aan uitstaande hersecuritisatieposities in de zin van artikel 4, lid 1, punt 64, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0080 INITIATOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN Deze rij geeft een overzicht van posten binnen en buiten de balanstelling en derivaten van de securitisatie- en hersecuritisatieposities waarvoor de instelling optreedt als initiator in de zin van artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0090-0136, 0210-0250 en 0330-0370 SECURITISATIEPOSITIES: POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING Overeenkomstig artikel 248, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie op de balans de boekwaarde die overblijft nadat relevante specifieke kredietrisicoaanpassingen op de securitisatiepositie zijn toegepast overeenkomstig artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Posten binnen de balanstelling worden uitgesplitst om in de rijen 0100 en 0120 informatie in beeld te brengen met betrekking tot de toepassing van de in artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gedifferentieerde vermogensbehandeling en in de rijen 0110 en 0130 informatie over het totale bedrag aan senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, punt 6, van die verordening. 0100, 0220 en 0340 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen. 0110, 0131, 0134, 0160, 0180, 0230, 0251, 0254, 0280, 0300, 0350, 0371, 0374, 0400 en 0420 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN Het totale bedrag aan uitstaande senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0121, 0241 en 0361 BLOOTSTELLINGEN IN NIET-NPE-SECURITISATIES Het totale bedrag aan blootstellingen die niet aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0133, 0253 en 0373 BLOOTSTELLINGEN IN NPE-SECURITISATIES Het totale bedrag aan blootstellingen die aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0134, 0254 en 0374 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES Het totale bedrag aan blootstellingen die aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0135, 0255 en 0375 WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN NIET IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES Het totale bedrag aan blootstellingen die niet aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen. 0136, 0256 en 0376 WAARVAN: NIET-SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE TRADITIONELE NPE-SECURITISATIES Het totale bedrag aan blootstellingen die aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, maar niet aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0140-0180, 0260-0300 en 0380-0420 SECURITISATIEPOSITIES: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN In deze rijen wordt informatie verzameld over securitisatieposities buiten de balanstelling en securitisatieposities van derivaten waarop in het securitisatiekader een omrekeningsfactor wordt toegepast. De blootstellingswaarde van een securitisatiepositie buiten de balanstelling is de nominale waarde ervan, verminderd met een eventuele specifieke kredietrisicoaanpassing van die securitisatiepositie, vermenigvuldigd met een omrekeningsfactor van 100 %, tenzij anders is aangegeven. Securitisatieposities buiten de balanstelling die voortvloeien uit een in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermeld derivaat, worden bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De blootstellingswaarde voor het tegenpartijrisico van een in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermeld derivaat, wordt bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor liquiditeitsfaciliteiten, kredietfaciliteiten en voorschotten aan de servicer vermelden de instellingen het niet-opgenomen bedrag. Voor rente- en valutaswaps vermelden zij de blootstellingswaarde (berekend overeenkomstig artikel 248, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Posten binnen de balanstelling worden uitgesplitst om in de rijen 0150 en 0170 informatie in beeld te brengen met betrekking tot de toepassing van de in artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gedifferentieerde vermogensbehandeling en in de rijen 0160 en 0180 informatie over het totale bedrag aan senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, punt 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Hier zijn de verwijzingen naar wetgeving dezelfde als voor de rijen 0100 tot en met 0130. 0150, 0270 en 0390 IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen of, uitsluitend voor initiërende instellingen, artikel 270 of artikel 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen. 0200 BELEGGER: TOTALE BLOOTSTELLINGEN Deze rij geeft een overzicht van posten binnen en buiten de balanstelling en derivaten van de securitisatie- en hersecuritisatieposities waarvoor de instelling als belegger optreedt. In deze template wordt onder belegger verstaan een instelling die een securitisatiepositie aanhoudt in een securitisatietransactie waarvoor zij noch als initiator noch als sponsor optreedt. 0320 SPONSOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN Deze rij geeft een overzicht van posten binnen en buiten de balanstelling en derivaten van de securitisatie- en hersecuritisatieposities waarvoor de instelling optreedt als initiator in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien een sponsor tevens zijn eigen activa securitiseert, vermeldt deze in de rijen voor de initiator de informatie over die gesecuritiseerde eigen activa. 0440-0670 UITSPLITSING VAN UITSTAANDE POSITIES NAAR KREDIETKWALITEITSCATEGORIE (CQS) BIJ DE AANVANG In deze rijen wordt informatie verzameld over uitstaande posities (op de rapportagedatum) waarvoor op de datum van initiëring (aanvang) een kredietkwaliteitscategorie (als bepaald in de tabellen 1 en 2 in artikel 263 en de tabellen 3 en 4 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013) was vastgelegd. Voor securitisatieposities die volgens de internebeoordelingsbenadering (IAA) worden behandeld, is de kredietkwaliteitscategorie de categorie die op het tijdstip van een IAA-rating voor het eerst werd toegekend. Is deze informatie niet beschikbaar, dan moeten de vroegste daaraan gelijkwaardige gegevens die voorhanden zijn, worden gerapporteerd. In deze rijen hoeven alleen gegevens voor de kolommen 0180-0210, 0280, 0350-0640, 0700-0720, 0740, 0760-0830 en 0850 te worden gerapporteerd.

3.7.2

1. zekerheden, opgenomen overeenkomstig artikel 222 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (eenvoudige benadering van financiële zekerheden);

2. in aanmerking komende niet-volgestorte kredietprotectie.

3.8. NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES (SEC DETAILS)

3.8.
3.8.1111.112.113.114.115.

Reikwijdte van de SEC DETAILS-template In deze template wordt (anders dan de informatie die geaggregeerd wordt gerapporteerd in de templates CR SEC SA, CR SEC IRB, MKR SA SEC, MKR SA CTP, CA1 en CA2) op transactiebasis informatie verzameld over alle securitisaties waarbij de rapporterende instelling betrokken is. De belangrijkste kenmerken van elke securitisatie, zoals de aard van de onderliggende pool en de eigenvermogensvereisten, worden gerapporteerd. Deze templates worden gerapporteerd voor: Deze templates worden gerapporteerd door geconsolideerde groepen en zelfstandige instellingen die zich bevinden in het land waar zij ook aan eigenvermogensvereisten zijn onderworpen. Als er meer dan één entiteit van dezelfde geconsolideerde groep bij securitisaties betrokken is, wordt de informatie uitgesplitst per entiteit. Vanwege artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402, waarin is bepaald dat instellingen die in securitisatieposities beleggen, veel informatie over die posities moeten verzamelen om aan due-diligenceverplichtingen te voldoen, is de reikwijdte van de rapportage van de template in beperkte mate op beleggers van toepassing. Met name rapporteren zij de kolommen 0010-0040; 0070-0110; 0160; 0190; 0290-0300; 0310-0470. Instellingen in de rol van oorspronkelijke kredietverstrekker (die in dezelfde securitisatie niet tevens de rol van initiator of sponsor vervullen) rapporteren de template doorgaans in dezelfde mate als beleggers.

3.8.1111.112. a.

Securitisaties waarvan de rapporterende instelling initiator/sponsor is, ook die waarin zij geen positie in die securitisatie heeft ingenomen. In gevallen waarin instellingen ten minste één positie in een securitisatie heeft ingenomen, ongeacht of een aanzienlijk deel van het risico is overgedragen, rapporteren instellingen informatie over alle door hen ingenomen posities (hetzij in de niet-handels- hetzij in de handelsportefeuille). Ingenomen posities omvatten de posities die worden behouden ingevolge artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2402 en, voor zover artikel 43, lid 6, van die verordening van toepassing is, artikel 405 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de versie zoals die op 31 december 2018 van toepassing was.

b.

Securitisaties, waarvan de uiteindelijke onderliggende waarde financiële verplichtingen zijn die oorspronkelijk door de rapporterende instelling zijn uitgegeven en (gedeeltelijk) door een securitisatievehikel zijn verworven. Die onderliggende waarde zou gedekte obligaties of andere verplichtingen kunnen omvatten en moet als zodanig worden geïdentificeerd in kolom 0160.

c.

Posities die de rapporterende instelling inneemt in securitisaties en waarvan zij initiator noch sponsor is (d.w.z. beleggers en oorspronkelijke kredietverstrekkers). Template C 14.01 wordt alleen gerapporteerd voor de securitisatieposities die volgens het securitisatiekader worden behandeld.

3.8.2116.117.

Uitsplitsing van de SEC DETAILS-template De SEC DETAILS-template bestaat uit twee templates. SEC DETAILS geeft een algemeen overzicht van de securitisaties. SEC DETAILS 2 geeft een uitsplitsing naar toegepaste benadering van de securitisatieposities waarvoor eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden. Securitisatieposities in de handelsportefeuille worden alleen in de kolommen 0010-0020, 0420, 0430, 0431, 0432, 0440 en 0450-0470 gerapporteerd. Voor de kolommen 0420, 0430 en 0440 nemen de instellingen het risicogewicht in aanmerking dat overeenkomt met het eigenvermogensvereiste van de nettopositie.

3.8.3 C 14.00 – Nadere informatie over securitisaties (SEC DETAILS) Kolommen 0010 INTERNE CODE Interne (alfanumerieke) code waarmee de instelling de securitisatie identificeert. Deze interne code moet aan de identificatiecode van de securitisatie gekoppeld zijn. 0020 IDENTIFICATIECODE VAN DE SECURITISATIE De code die wordt gebruikt voor de wettelijke registratie van de securitisatietransactie of, indien die niet beschikbaar is, de naam waaronder de securitisatietransactie op de markt of, in het geval van een interne of private securitisatie, binnen de instelling bekend is. Indien het International Securities Identification Number (ISIN) beschikbaar is (d.w.z. voor publieke transacties), worden in deze kolom de tekens gerapporteerd die in alle tranches van de securitisatie voorkomen. 0021 INTRAGROEPS-, PRIVATE OF PUBLIEKE SECURITISATIE? In deze kolom wordt aangegeven of het bij de securitisatie om een intragroeps-, private of publieke securitisatie gaat. De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: 0110 ROL VAN DE INSTELLING: (INITIATOR/SPONSOR/OORSPRONKELIJKE KREDIETVERSTREKKER/BELEGGER) De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: Initiator in de zin van artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en sponsor in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van die verordening. Beleggers worden geacht de instellingen te zijn waarop artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 van toepassing is. Ingeval artikel 43, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 van toepassing is, zijn de artikelen 406 en 407 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing in de versie zoals die op 31 december 2018 van toepassing was. 0030 IDENTIFICATIECODE VAN DE INITIATOR In deze kolom wordt de LEI-code voor de initiator gerapporteerd of, indien deze niet beschikbaar is, de door de toezichthouder aan de initiator gegeven code of, indien die niet beschikbaar is, de naam van de instelling zelf. In het geval van securitisaties van meerdere verkopers waarbij de rapporterende instelling als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker betrokken is, verstrekt de rapporterende entiteit de identificatiecode van alle entiteiten binnen haar geconsolideerde groep die (als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker) bij de transactie betrokken zijn. Indien de code niet beschikbaar is of niet bekend is aan de rapporterende entiteit, wordt de naam van de instelling gerapporteerd. In het geval van securitisaties van meerdere verkopers waarbij de rapporterende instelling als belegger een positie heeft ingenomen in de securitisatie, verstrekt de rapporterende entiteit de identificatiecode van alle verschillende bij de securitisatie betrokken initiators of, indien die niet beschikbaar is, de namen van de verschillende initiators. Indien de namen niet aan de rapporterende instelling bekend zijn, rapporteert de rapporterende instelling dat de het om een securitisatie met meerdere verkopers gaat. 0040 SOORT SECURITISATIE: De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: De definities van door activa gedekt commercial-paperprogramma (ABCP-programma), door activa gedekte commercial-papertransactie (ABCP-transactie), traditionele securitisatie en synthetische securitisatie zijn te vinden in artikel 242, punten 11 tot en met 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013; de definities van in aanmerking komende traditionele NPE-securitisaties en NPE-securitisaties zijn te vinden in artikel 269 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0051 BOEKHOUDKUNDIGE BEHANDELING: GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN BINNEN OF BUITEN DE BALANSTELLING? Instellingen rapporteren als initiators, sponsors en oorspronkelijke kredietverstrekkers een van de volgende waarden: Deze kolom geeft een overzicht van de boekhoudkundige behandeling van de transactie. Een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico (SRT) op grond van de artikelen 244 en 245 van Verordening (EU) nr. 575/2013 laat de boekhoudkundige behandeling van de transactie volgens het desbetreffende kader voor financiële verslaggeving onverlet. In het geval van securitisaties van verplichtingen hoeven initiatoren deze kolom niet te rapporteren. Optie P (deels buiten de balanstelling) wordt gerapporteerd wanneer de gesecuritiseerde activa in de balans worden opgenomen in de mate waarin de rapporterende entiteit erbij betrokken blijft, overeenkomstig IFRS 9.3.2.16 tot en met 9.3.2.21. 0060 SOLVABILITEITSBEHANDELING: SECURITISATIEPOSITIES ONDERWORPEN AAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN? Artikelen 109, 244 en 245 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Alleen initiatoren rapporteren een van de volgende waarden: Deze kolom geeft een overzicht van de solvabiliteitsbehandeling van de securitisatieregeling van de initiator. Hier wordt aangegeven of eigenvermogensvereisten worden berekend op grond van gesecuritiseerde blootstellingen of van securitisatieposities (niet-handelsportefeuille/handelsportefeuille). Indien de eigenvermogensvereisten op gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (omdat er geen overdracht van een aanzienlijk deel van het risico heeft plaatsgevonden), wordt de berekening van de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico gerapporteerd in de CR SA-template (voor de gesecuritiseerde blootstellingen waarvoor de standaardbenadering wordt gebruikt) of in de CR IRB-template (voor de gesecuritiseerde blootstellingen waarvoor de instelling de interneratingbenadering volgt). Daarentegen wordt, indien de eigenvermogensvereisten zijn gebaseerd zijn op in de niet-handelsportefeuille ingenomen securitisatieposities (omdat een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico heeft plaatsgevonden), de informatie over de berekening van eigenvermogensvereisten voor kredietrisico gerapporteerd in de CR SEC SA-template. In het geval van in de handelsportefeuille ingenomen securitisatieposities wordt de informatie over de berekening van eigenvermogensvereisten voor marktrisico gerapporteerd in de MKR SA TDI-template (standaard algemeen positierisico) en in de MKR SA SEC- of de MKR SA CTP-template (standaard specifiek positierisico) of in de MKR IM-template (interne modellen). In het geval van securitisaties van verplichtingen hoeven initiatoren deze kolom niet te rapporteren. 0061 OVERDRACHT VAN EEN AANZIENLIJK DEEL VAN HET RISICO (SRT) Alleen initiatoren rapporteren een van de volgende waarden: Deze kolom geeft een overzicht van de vraag of, en zo ja hoe, een aanzienlijke overdracht heeft plaatsgevonden. Of overdracht van een aanzienlijk deel van het risico heeft plaatsgevonden, zal bepalen wat de passende solvabiliteitsbehandeling door de initiator is. 0070 SECURITISATIE OF HERSECURITISATIE? Overeenkomstig de definitie van securitisatie in artikel 4, lid 1, punt 61, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de definitie van hersecuritisatie in artikel 4, lid 1, punt 63, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt het soort securitisatie gerapporteerd aan de hand van de volgende afkortingen: 0075 STS-SECURITISATIE Artikel 18 van Verordening (EU) 2017/2402 De instellingen rapporteren een van de volgende afkortingen: Y – Ja; N – Nee. 0446 SECURITISATIE DIE VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING IN AANMERKING KOMT Artikelen 243, 270 en 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren een van de volgende afkortingen: Y – Ja; N – Nee. In de volgende gevallen wordt Ja gerapporteerd: 0076 SOORT EXCESS SPREAD Artikel 2, punt 29), van Verordening (EU) 2017/2402 De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: 0077 AFLOSSINGSSYSTEEM De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: 0078 OPTIES ZEKERHEIDSSTELLING Artikel 26 sexies van Verordening (EU) 2017/2402 De instellingen rapporteren een van de volgende opties wat betreft het stellen van zekerheden voor de kredietprotectieovereenkomst: Deze kolom alleen rapporteren indien kolom 0040 wordt gerapporteerd als synthetische transactie. 0080-0100 AANGEHOUDEN BELANG Artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2402; ingeval artikel 43, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2402 van toepassing is, is artikel 405 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing in de versie zoals die op 31 december 2018 van toepassing was. 0080 SOORT AANGEHOUDEN BELANG Voor elke geïnitieerde securitisatieregeling wordt het desbetreffende soort aangehouden netto economisch belang gerapporteerd, zoals beschreven in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2402: 0090 % VAN HET AANGEHOUDEN BELANG OP DE RAPPORTAGEDATUM Het aanhouden van een wezenlijk netto economisch belang door de initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker van de securitisatie bedraagt ten minste 5 % (op de datum van initiëring). Deze kolom wordt niet gerapporteerd indien in kolom 0080 (Soort aangehouden belang) code E (vrijgesteld) wordt gerapporteerd. 0100 NALEVING VAN HET AANHOUDVEREISTE? De instellingen rapporteren de volgende afkortingen: Y – Ja; N – Nee. Deze kolom wordt niet gerapporteerd indien in kolom 0080 (Soort aangehouden belang) code E (vrijgesteld) wordt gerapporteerd. 0120-0130 NIET-ABCP-PROGRAMMA’S ABCP-programma’s (in de zin van artikel 242, punt 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013) bestaan uit diverse enkelvoudige securitisatieposities en zijn vanwege dit bijzondere karakter vrijgesteld van rapportage in de kolommen 0120, 0121 en 0130. 0120 DATUM VAN INITIËRING (jjjj-mm-dd) De maand en het jaar van de datum van initiëring (d.w.z. de afsluit- of einddatum van de pool) van de securitisatie worden gerapporteerd in het volgende formaat: mm/jjjj. Voor elke securitisatieregeling geldt dat de datum van initiëring niet kan veranderen tussen rapportagedata. In het specifieke geval van door open pools gedekte securitisatieregelingen is de datum van initiëring de datum van de eerste uitgifte van effecten. Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0121 DATUM RECENTSTE UITGIFTE (jjjj-mm-dd) De maand en het jaar van de datum van de recentste uitgifte van effecten in de securitisatie worden gerapporteerd in het volgende formaat: jjjj-mm-dd. Verordening (EU) 2017/2402 is alleen van toepassing op securitisaties waarvan de effecten op of na 1 januari 2019 zijn uitgegeven. De datum van de recentste uitgifte van effecten bepaalt of elke securitisatieregeling onder Verordening (EU) 2017/2402 valt. Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0130 TOTALE WAARDE VAN GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN OP DE DATUM VAN INITIËRING Deze kolom bevat de waarde (berekend op basis van oorspronkelijke blootstellingen vóór toepassing van de omrekeningsfactoren) van de gesecuritiseerde portefeuille op de datum van initiëring. Voor door open pools gedekte securitisatieregelingen wordt de waarde gerapporteerd die betrekking heeft op de datum van initiëring van de eerste uitgifte van effecten. Voor traditionele securitisaties worden geen andere activa van de securitisatiepool opgenomen. Voor securitisatieregelingen van meerdere verkopers (d.w.z. met meer dan één initiator) wordt uitsluitend de waarde van de bijdrage van de rapporterende entiteit aan de gesecuritiseerde portefeuille gerapporteerd. Voor securitisaties van verplichtingen worden uitsluitend de door de rapporterende entiteit uitgegeven bedragen gerapporteerd. Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0140-0225 GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN In de kolommen 0140 tot en met 0225 verstrekt de rapporterende entiteit informatie over diverse kenmerken van de gesecuritiseerde portefeuille. 0140 TOTALE WAARDE De instellingen rapporteren de waarde van de gesecuritiseerde portefeuille op de rapportagedatum, d.w.z. het uitstaande bedrag van de gesecuritiseerde blootstellingen. In het geval van traditionele securitisaties worden geen andere activa van de securitisatiepool opgenomen. In het geval van securitisatieregelingen van meerdere verkopers (d.w.z. met meer dan één initiator) wordt uitsluitend de waarde van de bijdrage van de rapporterende entiteit aan de gesecuritiseerde portefeuille gerapporteerd. In het geval van door gesloten pools gedekte securitisatieregelingen (d.w.z. de portefeuille van gesecuritiseerde activa kan na de datum van initiëring niet worden uitgebreid) wordt het bedrag geleidelijk verlaagd. Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0150 AANDEEL VAN DE INSTELLING (%) Het aandeel van de instelling in de gesecuritiseerde portefeuille op de rapportagedatum (uitgedrukt als percentage met twee cijfers achter de komma). Het in deze kolom te rapporteren percentage is standaard 100 %, behalve voor securitisatieregelingen van meerdere verkopers. In dat geval rapporteert de rapporterende entiteit haar huidige bijdrage aan de gesecuritiseerde portefeuille (verhoudingsgewijs gelijkwaardig aan kolom 0140). Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0160 SOORT Deze kolom bevat informatie over het type activa (Hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed tot Overige wholesale blootstellingen) of verplichtingen (Gedekte obligaties en Andere verplichtingen) van de gesecuritiseerde portefeuille. De instelling rapporteert een van de volgende opties, rekening houdende met de hoogste blootstelling bij wanbetaling (EAD): Indien de pool gesecuritiseerde blootstellingen een combinatie van de voorgaande types is, vermeldt de instelling het belangrijkste type. In het geval van hersecuritisaties vermeldt de instelling de uiteindelijke onderliggende activapool. Voor door gesloten pools gedekte securitisatieregelingen kan het type niet veranderen tussen rapportagedata. Verplichtingen moeten worden begrepen als verplichtingen die oorspronkelijk door de rapporterende instelling zijn uitgegeven (zie afdeling 3.2.1., punt 112, b), van deze bijlage). 0171 % INTERNERATINGBENADERING BIJ GEHANTEERDE BENADERING Deze kolom bevat informatie over de benadering(en) die de instelling op de rapportagedatum zou toepassen op de gesecuritiseerde blootstellingen. De instellingen rapporteren het percentage gesecuritiseerde blootstellingen, gemeten naar blootstellingswaarde, waarop de interneratingbenadering op de rapportagedatum van toepassing is. Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. Deze kolom is evenwel niet van toepassing op securitisaties van verplichtingen. 0180 AANTAL BLOOTSTELLINGEN Artikel 259, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom is alleen verplicht voor instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen voor de securitisatieposities (en dus meer dan 95 % rapporteren in kolom 171). De instelling rapporteert het daadwerkelijke aantal blootstellingen. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa). Deze kolom wordt niet gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. Deze kolom wordt niet gerapporteerd door beleggers. 0181 BLOOTSTELLINGEN WAARBIJ SPRAKE IS VAN WANBETALING W (%) Artikel 261, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Ook wanneer de instelling de SEC-SA-benadering niet op de securitisatieposities toepast, moet zij de W-factor rapporteren (met betrekking tot de onderliggende blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling) die wordt berekend zoals aangegeven in artikel 261, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0190 LAND De instellingen rapporteren de code (ISO 3166-1 tweeletterig) van het land van oorsprong van het uiteindelijke onderliggende van de transactie, d.w.z. het land van de directe debiteur van de oorspronkelijke gesecuritiseerde blootstellingen (doorkijk). Indien de pool van de securitisatie uit verschillende landen bestaat, vermeldt de instelling het belangrijkste land. Indien geen enkel land boven een drempel van 20 % op basis van het bedrag aan activa/verplichtingen uitkomt, wordt overige landen gerapporteerd. 0201 LGD (%) Het naar blootstelling gewogen gemiddelde verlies bij wanbetaling (loss-given-default – LGD) wordt uitsluitend gerapporteerd door instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 0170). De LGD wordt berekend zoals beschreven in artikel 259, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa). 0202 VERWACHT VERLIES (EL) (%) Het naar blootstelling gewogen gemiddelde verwachte verlies (EL) van de gesecuritiseerde activa wordt uitsluitend gerapporteerd door instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 0171). In het geval van gesecuritiseerde activa onder de standaardbenadering zijn de specifieke kredietrisicoaanpassingen uit artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013 het verwachte verlies. Het verwachte verlies wordt berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa). 0203 ONVERWACHT VERLIES (UL) (%) Het naar blootstelling gewogen gemiddelde onverwachte verlies (UL) van de gesecuritiseerde activa wordt uitsluitend gerapporteerd door instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 0170). Het onverwachte verlies is gelijk aan de risicogewogen posten (RWEA) vermenigvuldigd met 8 %. De risicogewogen posten worden berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa). 0204 NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJDWAARDE VAN ACTIVA De naar blootstelling gewogen gemiddelde looptijd (WAM) van de gesecuritiseerde activa op de rapportagedatum wordt door alle instellingen gerapporteerd, ongeacht de voor het berekenen van kapitaalvereisten gebruikte benadering. De instellingen berekenen de looptijd van elk actief overeenkomstig artikel 162, lid 2, punten a) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder de begrenzing van vijf jaar toe te passen. 0210 (–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN Waardeaanpassingen en voorzieningen (artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013) voor kredietverliezen die zijn gerealiseerd overeenkomstig het kader voor financiële verslaggeving waaraan de rapporterende entiteit is onderworpen. Waardeaanpassingen omvatten alle in winst of verlies opgenomen bedragen voor kredietverliezen inzake financiële activa vanaf de eerste opneming daarvan in de balans (met inbegrip van verliezen als gevolg van het kredietrisico van tegen reële waarde gemeten financiële activa die niet op de blootstellingswaarde in mindering worden gebracht) plus het disagio op blootstellingen die in staat van wanbetaling zijn gekocht, overeenkomstig artikel 166, lid 1,van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voorzieningen omvatten geaccumuleerde bedragen voor kredietverliezen in posten buiten de balanstelling. Deze kolom bevat informatie over de op de gesecuritiseerde blootstellingen toegepaste waardeaanpassingen en voorzieningen. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen. Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0221 EIGENVERMOGENSVEREISTEN VÓÓR SECURITISATIE (%) KIRB Deze kolom wordt alleen gerapporteerd door de instellingen die SEC-IRBA toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 171), en verzamelt informatie over KIRB overeenkomstig artikel 255 van Verordening (EU) nr. 575/2013. KIRB wordt uitgedrukt als percentage (met twee decimalen). Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen. In het geval van de securitisatie van activa wordt deze informatie ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0222 % VAN BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN IN IRB-POOLS IRB-pools in de zin van artikel 242, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op voorwaarde dat de instelling in staat is om op ten minste 95 % van de onderliggende blootstelling de KIRB te berekenen in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (artikel 259, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0223 EIGENVERMOGENSVEREISTEN VÓÓR SECURITISATIE (%) KSA Zelfs indien de instelling de SEC-SA-benadering niet op de securitisatieposities toepast, rapporteert zij deze kolom. Deze kolom bevat overeenkomstig artikel 255, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, over KSA verzamelde informatie. KSA wordt uitgedrukt als percentage (met twee decimalen). Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen. In het geval van de securitisatie van activa wordt deze informatie ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. 0225 PRO-MEMORIEPOSTEN: KREDIETRISICOAANPASSINGEN IN DE LOPENDE PERIODE Artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0230-0304 SECURITISATIESTRUCTUUR Dit kolommenblok bevat informatie over de structuur van de securitisatie overeenkomstig posities binnen en buiten de balanstelling, tranches (senior / mezzanine / first loss) en looptijd op de rapportagedatum. In het geval van securitisaties van meerdere verkopers wordt alleen het bedrag gerapporteerd dat overeenkomt met of is toegewezen aan de rapporterende instelling. 0230-0255 POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING Dit kolommenblok bevat informatie over posten binnen de balanstelling uitgesplitst naar tranches (senior / mezzanine / first loss). 0230-0232 SENIOR 0230 BEDRAG Het bedrag aan uitstaande senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0231 ATTACHMENT POINT (%) Het attachment point (%) als bedoeld in artikel 256, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0232 en 0252 KREDIETKWALITEITSCATEGORIE Kredietskwaliteitscategorieën (CQS) als bestemd voor instellingen die SEC-ERBA toepassen (de tabellen 1 en 2 in artikel 263 en de tabellen 3 en 4 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Deze kolommen worden gerapporteerd voor alle transacties met een rating, ongeacht de gehanteerde benadering. 0240-0242 MEZZANINE 0240 BEDRAG Het te rapporteren bedrag omvat: 0241 AANTAL TRANCHES Aantal mezzaninetranches 0242 KREDIETKWALITEITSCATEGORIE VAN DE MEEST ACHTERGESTELDE TRANCHE De kredietkwaliteitscategorie, als bepaald overeenkomstig tabel 2 in artikel 263 en tabel 3 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013, van de meest achtergestelde mezzaninetranche. 0250-0252 FIRST LOSS 0250 BEDRAG Het bedrag van de eerste-verliestranche in de zin van artikel 242, lid 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0251 DETACHMENT POINT (%) Het detachment point (%) als bedoeld in artikel 256, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0252 KREDIETKWALITEITSCATEGORIE 0254-0255 OVERPANDING EN GEDEKTE RESERVEREKENINGEN Artikel 256, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Bedragen aan zekerheidsstelling en gedekte reserverekeningen die niet voldoen aan de definitie van tranche van artikel 2, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2402, maar die als tranches worden beschouwd voor het berekenen van de attachment- en detachmentpoints overeenkomstig artikel 256, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0254 BEDRAG 0255 WAARVAN: NIET-RESTITUEERBARE KORTING OP DE AANKOOPPRIJS Artikel 2, punt 31, van Verordening (EU) 2017/2402 De instellingen rapporteren de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs overeenkomstig artikel 269 bis, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 op de rapportagedatum; deze moet neerwaarts worden bijgesteld om rekening te houden met de geleden verliezen, zoals aangegeven in de tweede alinea. Deze kolom wordt alleen gerapporteerd indien kolom 0040 wordt gerapporteerd als in aanmerking komende NPE-securitisatie of niet in aanmerking komende NPE-securitisatie. 0260-0287 POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN Dit kolommenblok bevat informatie over posten buiten de balanstelling en derivaten uitgesplitst naar tranches (senior / mezzanine / first loss). 0260-0285 SENIOR / MEZZANINE / FIRST LOSS Hier worden dezelfde criteria gebruikt voor de indeling in tranches en de identificatie van het attachment point, het aantal tranches en het detachment point voor posten binnen de balanstelling (zie de instructies voor de kolommen 0230 tot en met 0252). 0287 SYNTHETISCHE EXCESS SPREAD Artikel 242, punt 20, artikel 248, lid 1, punt e), en artikel 256, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom alleen rapporteren indien kolom 0110 wordt gerapporteerd als Initiator. 0290-0300 LOOPTIJD 0290 EERSTE TE VERWACHTEN DATUM VAN BEËINDIGING De datum waarop, gezien de contractuele bepalingen en de op dat moment verwachte financiële omstandigheden, de gehele securitisatie waarschijnlijk wordt beëindigd. In de regel zou dat de eerste van de volgende data zijn: De dag, de maand en het jaar van de eerste te verwachten beëindiging worden gerapporteerd. De precieze dag wordt gerapporteerd indien deze gegevens beschikbaar zijn; anders wordt de eerste dag van de maand gerapporteerd. 0291 IN DE TRANSACTIE BETROKKEN CALLOPTIES VAN DE INITIATOR Voor de eerste te verwachten beëindigingsdatum relevante soort calloptie: 0300 WETTELIJKE EINDVERVALDATUM De datum waarop de gehele hoofdsom en rente van de securitisatie wettelijk moet zijn terugbetaald (op basis van de documentatie van de transactie). De dag, de maand en het jaar van de wettelijke eindvervaldatum worden gerapporteerd. De precieze dag wordt gerapporteerd indien deze gegevens beschikbaar zijn; anders wordt de eerste dag van de maand gerapporteerd. 0302-0304 PRO-MEMORIEPOSTEN 0302 ATTACHMENT POINT VERKOCHT RISICO (%) Alleen initiatoren rapporteren het attachment point van de meest achtergestelde tranche verkocht aan (voor traditionele securitisaties) of gedekt door (voor synthetische securitisaties) derden. 0303 DETACHMENT POINT VERKOCHT RISICO (%) Alleen initiatoren rapporteren het detachment point van de meest achtergestelde senior tranche verkocht aan (voor traditionele securitisaties) of gedekt door (voor synthetische securitisaties) derden. 0304 DOOR INITIËRENDE INSTELLING GEVRAAGDE RISICO-OVERDRACHT (%) Alleen initiatoren rapporteren het verwachte verlies (EL), plus het onverwachte verlies (UL) op de aan derden overgedragen gesecuritiseerde activa als een percentage van het verwachte verlies plus het onverwachte verlies. Het verwachte en het onverwachte verlies van de onderliggende blootstellingen worden gerapporteerd en worden vervolgens via de securitisatiewaterval aan de respectieve tranches van de securitisatie toegewezen. Voor banken die de standaardbenadering toepassen, is het verwachte verlies de specifieke kredietrisicoaanpassing van de gesecuritiseerde activa en is het onverwachte verlies het vermogensvereiste van de gesecuritiseerde blootstellingen.

Onderhandse plaatsing;

Intragroep;

Publieke plaatsing.

initiator;

sponsor;

belegger;

oorspronkelijke kredietverstrekker.

ABCP-programma.

ABCP-transactie;

traditionele securitisaties niet zijnde NPE-securitisaties;

niet in aanmerking komende NPE-securitisaties;

in aanmerking komende NPE-securitisaties;

synthetische transactie.

K – volledig behouden, indien de gesecuritiseerde blootstellingen volledig opgenomen blijven;

P – gedeeltelijk verwijderd, indien de gesecuritiseerde blootstellingen gedeeltelijk worden verwijderd;

R – volledig verwijderd, indien de gesecuritiseerde blootstellingen volledig worden verwijderd;

N – niet van toepassing, indien niet van toepassing.

niet onderworpen aan eigenvermogensvereisten;

niet-handelsportefeuille;

handelsportefeuille;

gedeeltelijk in niet-handelsportefeuille en handelsportefeuille.

niet toegepast voor SRT: de rapporterende entiteit heeft een risicoweging toegepast voor haar gesecuritiseerde blootstellingen;

SRT verwezenlijkt op grond van artikel 244, lid 2, punt a), of artikel 245, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

SRT verwezenlijkt op grond van artikel 244, lid 2, punt b), of artikel 245, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

SRT verwezenlijkt op grond van artikel 244, lid 3, punt a), of artikel 245, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

toepassing van een risicogewicht van 1250 % of aftrekking van aangehouden posities overeenkomstig artikel 244, lid 1, punt b), of artikel 245, lid 1, punt b), Verordening (EU) nr. 575/2013.

securitisatie;

hersecuritisatie.

STS-securitisaties die in aanmerking komen voor de gedifferentieerde vermogensbehandeling overeenkomstig artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Senior posities in op de balans opgenomen STS-securitisatieposities die overeenkomstig artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor deze behandeling in aanmerking komen.

Synthetische kmo-securitisatieposities waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn overeenkomstig artikel 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Geen excess spread

Excess spread, vast bedrag – use it or lose it-mechanisme

Excess spread, vast bedrag – trapped-mechanisme

Excess spread, variabel bedrag – use it or lose it-mechanisme

Excess spread, variabel bedrag – trapped-mechanisme.

Sequentiële aflossing

Pro-rata aflossing

Pro-rata aflossing die verandert in sequentiële aflossing. Conform STS-criteria voor op de balans opgenomen securitisaties (artikel 26 quater, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402)).

Pro-rata aflossing die verandert in sequentiële aflossing. Conform STS-criteria voor op de balans opgenomen securitisaties (Richtsnoeren inzake de STS-criteria voor niet-ABCP-securitisatie en artikel 21, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402)

Pro-rata aflossing die verandert in sequentiële aflossing. Niet conform

Ander aflossingssysteem

Zekerheden in de vorm van 0 % risicogewogen schuldtitels Artikel 26 sexies, lid 10, eerste alinea, punt a), van Verordening (EU) 2017/2402

Zekerheden in de vorm van contanten die worden aangehouden bij een derde kredietinstelling met een kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger Artikel 26 sexies, lid 10, eerste alinea, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402

Zekerheden in de vorm van contanten in deposito bij de initiator, of een met de initiator verbonden onderneming, indien de initiator of een van de met de initiator verbonden ondernemingen in aanmerking komt voor ten minste kredietkwaliteitscategorie 2.

Artikel 26 sexies, lid 10, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/2402

Zekerheden in de vorm van contanten in deposito bij de initiator, of een met de initiator verbonden onderneming, indien de initiator of een van de met de initiator verbonden ondernemingen in aanmerking komt voor ten minste kredietkwaliteitscategorie 3.

Artikel 26 sexies, lid 10, derde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402

Vereiste voldaan in het geval van belegging in door de initiator uitgegeven credit linked notes

Artikel 26 sexies, lid 10, vierde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402

Geen zekerheden, de belegger komt in aanmerking voor een risicogewicht van 0 %

Artikel 26 sexies, lid 8, punt a), van Verordening (EU) 2017/2402

Geen zekerheden, de belegger heeft een tegengarantie gekregen van een entiteit die in aanmerking komt voor een risicogewicht van 0 %

Artikel 26 sexies, lid 8, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402

Andere soorten zekerheden: schuldtitels niet conform artikel 26 sexies van Verordening (EU) 2017/2402

Andere soorten zekerheden: contanten niet conform artikel 26 sexies van Verordening (EU) 2017/2402

Geen zekerheden, niet conform STS-criteria voor op de balans opgenomen securitisaties

Andere gevallen dan die waarin er geen zekerheden zijn, maar waar de belegger in aanmerking komt voor een risicogewicht van 0 % of een tegengarantie heeft gekregen van een entiteit die in aanmerking komt voor een risicogewicht van 0 %

A – Vertical slice (securitisatieposities): het behoud van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van elk van de tranches die aan beleggers zijn verkocht of overgedragen;

V –Vertical slice (gesecuritiseerde posities): het behouden van niet minder dan 5 % van het kredietrisico van elke gesecuritiseerde blootstelling, indien het aldus met betrekking tot die gesecuritiseerde blootstellingen met betrekking totgehouden kredietrisico altijd dezelfde rangorde heeft als, of achtergesteld is bij het met betrekking tot diezelfde blootstellingen gesecuritiseerde kredietrisico;

B – Revolverende blootstellingen: in het geval van securitisaties van revolverende blootstellingen, het aanhouden van een initiatorbelang van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen;

C – Op de balans: het aanhouden van willekeurig gekozen blootstellingen die niet minder dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen vertegenwoordigen, indien zulke blootstellingen anders in de securitisatie zouden zijn betrokken, mits het aantal potentieel gesecuritiseerde blootstellingen bij het initiëren niet minder dan 100 bedraagt;

D – First loss: het aanhouden van de eersteverliestranche en indien nodig andere tranches met hetzelfde of een hoger risicoprofiel die geen vroegere vervaldag hebben dan die welke aan beleggers zijn overgedragen of verkocht, zodat de aangehouden waarde in het totaal niet minder is dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen;

E – Vrijgesteld. Deze code wordt gerapporteerd voor securitisaties die door de toepassing van artikel 6, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2402 worden geraakt.

U – In strijd of onbekend: deze code wordt gerapporteerd indien de rapporterende entiteit niet met zekerheid weet welk soort aanhouding wordt toegepast of als het aanhouden met de regelgeving in strijd is.

Particulieren en kleine partijen:

Hypotheekleningen op niet-zakelijk onroerend goed;

Kredietkaartvorderingen;

Consumptief krediet;

Leningen aan kmo’s (behandeld als particulieren en kleine partijen);

Andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

Wholesale:

Hypotheekleningen op zakelijk onroerend goed;

Lease;

Leningen aan ondernemingen;

Leningen aan kmo’s (behandeld als ondernemingen);

Handelsvorderingen;

Overige wholesaleblootstellingen.

Verplichtingen:

Gedekte obligaties;

Andere verplichtingen.

mezzanine-securitisatieposities in de zin van artikel 242, lid 18, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

additionele securitisatieposities niet zijnde de in artikel 242, punten 6, 17 of 18, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven posities.

3.8.3 i)

de datum waarop een clean-up-calloptie (zoals gedefinieerd in artikel 242, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013) voor het eerst zou kunnen worden uitgeoefend, rekening houdende met de looptijd van de onderliggende blootstelling(en) en het verwachte percentage vervroegde aflossingen of potentiële heronderhandelingsactiviteiten;

ii)

de datum waarop de initiator voor het eerst een andere in de contractuele bepalingen van de securitisatie besloten calloptie mag uitoefenen waardoor de securitisatie volledig zou worden afgelost.

clean-up-calloptie die voldoet aan de vereisten van artikel 244, lid 4, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ander soort clean-up-calloptie;

ander soort calloptie.

3.8.4118. C 14.01 – Nadere informatie over securitisaties (SEC DETAILS 2) De template SEC DETAILS 2 wordt voor de volgende benaderingen gerapporteerd: Kolommen 0010 INTERNE CODE Interne (alfanumerieke) code waarmee de instelling de securitisatie identificeert. De interne code moet aan de identificatiecode van de securitisatie zijn gekoppeld. 0020 IDENTIFICATIECODE VAN DE SECURITISATIE De code die wordt gebruikt voor de wettelijke registratie van de securitisatiepositie of de transactie in het geval van diverse posities die in dezelfde rij kunnen worden gerapporteerd, of indien niet beschikbaar, de naam waaronder de securitisatiepositie op de markt of, in het geval van een interne of private securitisatie, binnen de instelling bekend is. Indien het International Securities Identification Number (ISIN) beschikbaar is (d.w.z. voor publieke transacties), worden in deze kolom de tekens gerapporteerd die in alle tranches van de securitisatie voorkomen. 0310-0400 SECURITISATIEPOSITIES: OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Dit kolommenblok bevat informatie over de securitisatieposities uitgesplitst naar posities binnen en buiten de balanstelling en de tranches (senior / mezzanine / first loss) op de rapportagedatum. 0310-0330 POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING Hier worden dezelfde criteria voor indeling in tranches toegepast als voor de kolommen 0230, 0240 en 0250 van template C 14.00. 0340-0362 POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN Hier worden dezelfde criteria voor indeling in tranches toegepast als voor de kolommen 0260 tot en met 0287 van template C 14.00. 0351 en 0361 RW OVEREENSTEMMEND MET PROTECTIEGEVER/INSTRUMENT % risicogewicht (RW) van de toelaatbare garantiegever of % risicogewicht van het overeenkomstige instrument dat kredietbescherming biedt overeenkomstig artikel 249 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0362 SYNTHETISCHE EXCESS SPREAD Artikel 242, punt 20, artikel 248, lid 1, punt e), en artikel 256, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom alleen rapporteren indien kolom 0110 wordt gerapporteerd als Initiator. 0370-0400 PRO-MEMORIEPOSTEN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN Dit kolommenblok bevat aanvullende informatie over de totale posten buiten de balanstelling en derivaten (die in de kolommen 0340 tot en met 0361 al volgens een andere uitsplitsing worden gerapporteerd). 0370 DIRECTE KREDIETVERVANGINGEN (DCS) Deze kolom is van toepassing op door de initiator ingenomen securitisatieposities die zijn gegarandeerd met directe kredietvervangingen (DCS). Overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de volgende posten buiten de balanstelling met een volledig risico als DCS beschouwd: 0380 IRS/CRS IRS staat voor renteswaps en CRS staat voor valutaswaps. Die derivaten worden genoemd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013. 0390 LIQUIDITEITSFACILITEITEN Liquiditeitsfaciliteiten in de zin van artikel 242, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0400 OVERIGE Overige posten buiten de balanstelling 0411 BLOOTSTELLINGSWAARDE Deze informatie houdt nauw verband met kolom 0180 van de CR SEC-template. 0420 (–) VAN EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN BLOOTSTELLINGSWAARDE Deze informatie houdt nauw verband met kolom 0190 van de CR SEC-template. In deze kolom wordt een negatieve waarde gerapporteerd. 0430 TOTALE RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR BEGRENZING Deze kolom bevat informatie over de risicogewogen posten vóór de op de securitisatieposities van toepassing zijnde begrenzing als berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. In het geval van securitisaties in de handelsportefeuille wordt de RWEA betreffende het specifieke risico gerapporteerd. Zie, respectievelijk, kolom 0570 van MKR SA SEC of (voor het betrokken eigenvermogensvereiste) de kolommen 0410 en 0420 van MKR SA CTP. 0431 (–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN BEGRENZING RISICOGEWICHTEN Artikelen 267 en 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 0432 (–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN TOTALE BEGRENZING Artikelen 268 en 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 0440 TOTALE RISICOGEWOGEN POSTEN NA BEGRENZING Deze kolom bevat informatie over de risicogewogen posten na de op de securitisatieposities van toepassing zijnde begrenzing als berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. In het geval van securitisaties in de handelsportefeuille wordt de RWEA betreffende het specifieke risico gerapporteerd. Zie, respectievelijk, kolom 0601 van MKR SA SEC of kolom 0450 van MKR SA CTP. 0447-0448 PRO-MEMORIEPOSTEN 0447 RISICOGEWOGEN POSTEN VOLGENS SEC-ERBA Artikelen 263 en 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt alleen gerapporteerd voor transacties met een rating vóór de begrenzing en wordt niet gerapporteerd voor transacties volgens SEC-ERBA. 0448 RISICOGEWOGEN POSTEN VOLGENS SEC-SA Artikelen 261 en 262 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt alleen gerapporteerd voor transacties met een rating vóór de begrenzing en wordt niet gerapporteerd voor transacties volgens SEC-SA. 0450-0470 SECURITISATIEPOSITIES – HANDELSPORTEFEUILLE 0450 CTP OF NIET-CTP? De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: 0460-0470 NETTOPOSITIES – LONG/SHORT Zie, respectievelijk, de kolommen 0050 / 0060 van MKR SA SEC of MKR SA CTP.

3.8.4118.

1) interneratingbenadering securitisaties (SEC-IRBA);

2) standaardbenadering securitisaties (SEC-SA);

3) externeratingbenadering securitisaties (SEC-ERBA);

4) 1250 %;

5) internebeoordelingsbenadering;

6) specifieke behandeling voor senior securitisatieposities van in aanmerking komende NPE-securitisaties.

– garanties met het karakter van kredietvervangingen;

– onherroepelijke stand by-accreditieven met het karakter van kredietvervangingen.

CTP – correlatiehandelsportefeuille;

Niet-CTP.

3.9. TEGENPARTIJKREDIETRISICO

3.9.
3.9.1.119.120.121.

Reikwijdte van de templates voor tegenpartijkredietrisico De templates voor tegenpartijkredietrisico (CCR) omvatten informatie over blootstellingen die onderworpen zijn aan tegenpartijkredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. In deze templates zijn de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico niet opgenomen (artikel 92, lid 3, punt d), en deel drie, titel VI, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Die worden in de template voor het CVA-risico gerapporteerd. Blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico met betrekking tot centrale tegenpartijen (deel drie, titel II, hoofdstuk 4, en deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013) moeten in de CCR-cijfers worden opgenomen, tenzij anders vermeld. Bijdragen aan wanbetalingsfondsen, berekend overeenkomstig de artikelen 307 tot en met 310 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden echter niet gerapporteerd in de templates voor tegenpartijkredietrisico, met uitzondering van template C 34.10, met name de overeenkomstige rijen. In de regel worden de risicogewogen posten van bijdragen aan wanbetalingsfondsen direct gerapporteerd in template C 02.00, rij 0460.

3.9.2. C 34.01 – Omvang van de derivatenactiviteiten

3.9.2.
3.9.2.1.122.123.

Algemene opmerkingen Overeenkomstig artikel 273 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag een instelling de blootstellingswaarde van haar derivatenposities berekenen volgens de methode van deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 4 of 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling gelijk is aan of kleiner dan vooraf bepaalde drempels. De desbetreffende toetsing moet maandelijks worden uitgevoerd op basis van gegevens per ultimo van de maand. Deze template bevat informatie over de naleving van die drempels en, meer algemeen, belangrijke informatie over de omvang van de derivatenactiviteiten. Maand 1, maand 2 en maand 3 hebben betrekking op, respectievelijk, de eerste, de tweede en de laatste maand van het kwartaal dat wordt gerapporteerd. De informatie wordt pas gerapporteerd voor maandeinden na 28 juni 2021.

3.9.2.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010, 0040, 0070 LANGE DERIVATENPOSITIES Artikel 273 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van de absolute marktwaarden van lange derivatenposities per ultimo van de maand wordt gerapporteerd. 0020,0050, 0080 KORTE DERIVATENPOSITIES Artikel 273 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van de absolute marktwaarden van korte derivatenposities per ultimo van de maand wordt gerapporteerd. 0030,0060, 0090 TOTAAL Artikel 273 bis, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van de absolute waarde van lange derivatenposities en de absolute waarde van korte derivatenposities. Rijen 0010 Omvang van de derivatenactiviteiten Artikel 273 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Alle derivaten binnen en buiten de balanstelling worden opgenomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne hedges tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen. 0020 Derivaten binnen en buiten de balanstelling Artikel 273 bis, lid 3, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De totale marktwaarde van de derivatenposities binnen en buiten de balanstelling per ultimo van de maand wordt gerapporteerd. Indien de marktwaarde van een positie op die datum niet beschikbaar is, nemen de instellingen een reële waarde voor de positie op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op die datum niet beschikbaar zijn, nemen de instellingen de meest recente marktwaarde of reële waarde voor die positie. 0030 (–) Kredietderivaten die als interne hedges tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen Artikel 273 bis, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De totale marktwaarde van de kredietderivaten die als interne hedges tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen. 0040 Totale activa De totale activa overeenkomstig de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen. Voor geconsolideerde rapportage rapporteert de instelling de totale activa volgens de prudentiële consolidatiekring overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0050 Percentage van de totale activa Ratio die moet worden berekend op basis van de omvang van de derivatenactiviteiten (rij 0010) gedeeld door de totale activa (rij 0040). AFWIJKING OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 273 BIS, LID 4, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 0060 Is voldaan aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, waaronder de toestemming van de bevoegde autoriteit? Artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Instellingen die de drempels voor het gebruik van een vereenvoudigde benadering voor tegenpartijkredietrisico overschrijden, maar die op grond van artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 nog een van deze drempels hanteren, vermelden (met ja/nee) of zij aan alle voorwaarden van dat artikel voldoen. Deze post wordt alleen gerapporteerd door instellingen die de afwijking toepassen overeenkomstig artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 Methode voor het berekenen van de blootstellingswaarden op geconsolideerd niveau Artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De methode voor het berekenen van de blootstellingswaarden van derivatenposities op geconsolideerde basis die ook op het niveau van de individuele entiteit wordt gebruikt overeenkomstig artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Deze post wordt alleen gerapporteerd door instellingen die de afwijking toepassen overeenkomstig artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

OEM: Oorspronkelijkeblootstellingsmethode

Vereenvoudigde SA-CCR: Vereenvoudigde standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico.

3.9.3. C 34.02 – CCR-blootstellingen per benadering

3.9.3.

3.9.3.1.124. Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren de template afzonderlijk voor alle CCR-blootstellingen en voor alle CCR-blootstellingen met uitsluiting van blootstellingen met betrekking tot centrale tegenpartijen (CTP’s) zoals gedefinieerd voor de toepassing van template C 34.10.

3.9.3.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 AANTAL TEGENPARTIJEN Aantal individuele tegenpartijen ten aanzien waarvan de instelling CCR-blootstellingen heeft. 0020 AANTAL TRANSACTIES Aantal transacties dat op de rapportagedatum aan tegenpartijkredietrisico onderhevig is. Voor CTP-activiteiten mogen de cijfers geen in- of uitstromen omvatten, maar moeten zij de totale posities in de CCR-portefeuille op de rapportagedatum geven. Voorts wordt een afgeleid instrument dat of een effectenfinancieringstransactie (SFT) die met het oog op modellering in (ten minste) twee of meer gedeelten wordt gesplitst, nog steeds als één enkele transactie beschouwd. 0030 NOTIONELE BEDRAGEN De som van de notionele bedragen voor derivaten en voor effectenfinancieringstransacties vóór netting en zonder aanpassingen overeenkomstig artikel 279 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0040 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF Artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle netting sets met positieve CMV in de zin van artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0050 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF Artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle netting sets met negatieve CMV in de zin van artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0060 VARIATION MARGIN (VM), ONTVANGEN Artikel 275, lid 2, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van de variation marginbedragen (VM) van alle marginovereenkomsten waarvoor de VM is ontvangen, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 VARIATION MARGIN (VM), GESTORT Artikel 275, lid 2, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van de variation marginbedragen (VM) van alle marginovereenkomsten waarvoor de VM is gestort, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0080 NETTOBEDRAG AAN ONAFHANKELIJKE ZEKERHEDEN (NICA), ONTVANGEN Artikel 272, punt 12 bis, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden (NICA) van alle marginovereenkomsten waarvoor de NICA is ontvangen, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0090 NETTOBEDRAG AAN ONAFHANKELIJKE ZEKERHEDEN (NICA), GESTORT Artikel 272, punt 12 bis, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De som van het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden (NICA) van alle marginovereenkomsten waarvoor de NICA is gestort, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0100 VERVANGINGSWAARDE (RC) Artikelen 275, 281 en 282 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De vervangingswaarde (RC) per netting set wordt berekend overeenkomstig: De instelling rapporteert de som van de vervangingswaarden van de netting sets in de desbetreffende rij. 0110 POTENTIËLE TOEKOMSTIGE BLOOTSTELLING (PFE) Artikelen 278, 281 en 282 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De potentiële toekomstige blootstelling (PFE) per netting set wordt berekend overeenkomstig: De instelling rapporteert de som van alle potentiële toekomstige blootstellingen van de netting sets in de desbetreffende rij. 0120 ACTUELE BLOOTSTELLING Artikel 272, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De actuele blootstelling per netting set is de waarde in de zin van artikel 272, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instelling rapporteert de som van alle actuele blootstellingen van de netting sets in de desbetreffende rij. 0130 EFFECTIEVE VERWACHTE POSITIEVE BLOOTSTELLING (EEPE) Artikel 272, punt 22, artikel 284, lid 3, en artikel 284, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De EEPE per netting set is omschreven in artikel 272, punt 22, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en wordt berekend overeenkomstig artikel 284, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instelling rapporteert de som van alle EEPE’s die zijn toegepast voor het bepalen van eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 284, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, d.w.z. ofwel de EEPE berekend met behulp van actuele marktgegevens, ofwel de EEPE berekend met behulp van een stresskalibratie, afhankelijk van wat een hoger eigenvermogensvereiste oplevert. 0140 ALFA GEBRUIKT VOOR DE BEREKENING VAN DE WETTELIJK VOORGESCHREVEN BLOOTSTELLINGSWAARDE Artikel 274, lid 2, artikel 282, lid 2, artikel 281, lid 1, artikel 284, leden 4 en 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De waarde van α wordt vastgesteld op 1,4 in de rijen voor OEM, vereenvoudigde SA-CCR en SA-CCR overeenkomstig artikel 282, lid 2, artikel 281, lid 1, en artikel 274, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Ten behoeve van de internemodellenmethode (IMM) kan de waarde van α ofwel de standaardwaarde van 1,4 zijn, ofwel een andere waarde wanneer de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 284, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een hogere α eisen of instellingen toestaan hun eigen ramingen te gebruiken overeenkomstig artikel 284, lid 9, van die verordening. 0150 BLOOTSTELLINGSWAARDE VÓÓR TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING De blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering voor CCR-netting sets wordt berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met het effect van netting, maar zonder rekening te houden met andere kredietrisicolimiteringstechnieken (bv. margezekerheden). In het geval van effectenfinancieringstransacties wordt het effectengedeelte niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering wanneer zekerheden zijn ontvangen. Het de blootstellingswaarde dus niet verlagen. Wanneer zekerheden zijn gestort, wordt het effectengedeelte van effectenfinancieringstransacties wel bij de bepaling van de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering volgens standaardmarktconventies in aanmerking genomen. Voorts worden door zekerheden gedekte activiteiten behandeld als ongedekte activiteiten, d.w.z. er zijn geen effecten van margeovereenkomsten van toepassing. De blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013. In de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering wordt, overeenkomstig artikel 273, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, geen rekening gehouden met de aftrekking van het geleden CVA-verlies. De instelling rapporteert de som van alle blootstellingswaarden vóór toepassing van kredietrisicolimitering in de desbetreffende rij. 0160 BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING De blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering voor CCR-netting sets wordt berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, nadat overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van die verordening kredietrisicolimiteringstechnieken zijn toegepast. De blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013. In de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering wordt, overeenkomstig artikel 273, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, geen rekening gehouden met de aftrekking van het geleden CVA-verlies. De instelling rapporteert de som van alle blootstellingswaarden na toepassing van kredietrisicolimitering in de desbetreffende rij. 0170 BLOOTSTELLINGSWAARDE De blootstellingswaarde voor CCR-netting sets berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zijnde het relevante bedrag voor de berekening van de risicogewogen posten, d.w.z. nadat overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kredietrisicolimiteringstechnieken zijn toegepast en rekening houdende met de aftrekking van het geleden CVA-verlies overeenkomstig artikel 273, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De blootstellingswaarde voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013. In gevallen waarin voor één tegenpartij meer dan één CCR-benadering wordt gebruikt, wordt het geleden CVA-verlies, dat op tegenpartijniveau wordt afgetrokken, toegewezen aan de blootstellingswaarde van de verschillende netting sets in elke CCR-benadering die de verhouding van de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de respectieve netting sets tot de totale blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de tegenpartij weergeven. De instelling rapporteert de som van alle blootstellingswaarden in de desbetreffende rij. 0180 Volgens de standaardbenadering voor kredietrisico behandelde posities Blootstellingswaarde voor CCR van posities die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de standaardbenadering voor kredietrisico worden behandeld. 0190 Volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico behandelde posities Blootstellingswaarde voor CCR van posities die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico worden behandeld. 0200 RISICOGEWOGEN POSTEN Risicogewogen posten voor CCR als omschreven in artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 2 en 3, van die verordening. De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen. 0210 Volgens de standaardbenadering voor kredietrisico behandelde posities Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de standaardbenadering voor kredietrisico worden behandeld. Het bedrag stemt overeen met het bedrag dat in kolom 0220 van template C 07.00 voor CCR-posities wordt opgenomen. 0220 Volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico behandelde posities Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico worden behandeld. Het bedrag stemt overeen met het bedrag dat in kolom 0260 van template C 08.01 voor CCR-posities wordt opgenomen. Rij 0010 OORSPRONKELIJKEBLOOTSTELLINGSMETHODE (VOOR DERIVATEN) Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor de instelling de blootstellingswaarde berekent overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze vereenvoudigde methode voor de berekening van de blootstellingswaarde kan alleen worden gebruikt door instellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 2, of artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0020 VEREENVOUDIGDE STANDAARDBENADERING VOOR CCR (VEREENVOUDIGDE SA-CCR VOOR DERIVATEN) Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor de instelling de blootstellingswaarde berekent overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze vereenvoudigde methode voor de berekening van de blootstellingswaarde kan alleen worden gebruikt door instellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, of artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030 STANDAARDBENADERING VOOR CCR (SA-CCR VOOR DERIVATEN) Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor de instelling de blootstellingswaarde berekent overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0040 IMM (VOOR DERIVATEN EN SFT’s) Derivaten, transacties met afwikkeling op lange termijn en effectenfinancieringstransacties (SFT’s) waarvoor de instelling de internemodellenmethode (IMM) mag toepassen om de blootstellingswaarde overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te berekenen. 0050 Netting sets met effectenfinancieringstransacties Netting sets die uitsluitend effectenfinancieringstransacties in de zin van artikel 4, punt 139, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevatten, waarvoor de instelling de IMM mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen. Effectenfinancieringstransacties die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen – en derhalve in rij 0070 worden gerapporteerd –, worden niet in deze rij gerapporteerd. 0060 Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn Netting sets die uitsluitend in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn in de zin van artikel 272, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevatten, waarvoor de instelling de IMM mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen. Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen – en derhalve in rij 0070 worden gerapporteerd –, worden niet in deze rij gerapporteerd. 0070 Van contractuele productoverschrijdende netting sets Artikel 272, punten 11 en 25, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Netting sets die transacties van verschillende productcategorieën bevatten (artikel 272, punt 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013), d.w.z. derivaten en effectenfinancieringstransacties, waarvoor een overeenkomst inzake contractuele productoverschrijdende netting in de zin van artikel 272, punt 25, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bestaat en waarvoor de instelling de IMM mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen. 0080 EENVOUDIGE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (VOOR SFT’s) Artikel 222 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties waarvoor de instelling, overeenkomstig artikel 271, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ervoor heeft gekozen de blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 222 van die verordening te bepalen in plaats van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van diezelfde verordening. 0090 UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (VOOR SFT’s) Artikelen 220 en 223 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties waarvoor de instelling, overeenkomstig artikel 271, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ervoor heeft gekozen de blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 223 van die verordening te bepalen in plaats van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van diezelfde verordening. 0100 VaR VOOR SFT’s Artikel 221 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of margeleningstransacties, of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties dan derivatentransacties waarvoor, overeenkomstig artikel 221 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en met toestemming van de bevoegde autoriteit, de blootstellingswaarde wordt berekend aan de hand van een internemodellenbenadering waarbij rekening wordt gehouden met zowel de correlatie-effecten tussen effectenposities die onder de master netting-overeenkomst vallen, als de liquiditeit van de betrokken instrumenten. 0110 TOTAAL 0120 Waarvan: SWWR-posities Artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013 CCR-blootstellingen waarvoor specifiek wrongwayrisico (SWWR) is vastgesteld overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0130 Door marges gedekte activiteiten Artikel 272, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 CCR-blootstellingen die door marges worden gedekt, d.w.z. netting sets die onderworpen zijn aan een margeovereenkomst in de zin van artikel 272, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0140 Niet door marges gedekte activiteiten CCR-blootstellingen die niet onder 0130 vallen.

artikel 282, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de oorspronkelijkeblootstellingsmethode;

artikel 281 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de vereenvoudigde SA-CCR;

artikel 275 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de SA-CCR.

artikel 282, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de oorspronkelijkeblootstellingsmethode;

artikel 281 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de vereenvoudigde SA-CCR;

artikel 278 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de SA-CCR.

3.9.4. C 34.03 – Met standaardbenaderingen behandelde CCR-blootstellingen: SA-CCR en vereenvoudigde SA-CCR

3.9.4.

3.9.4.1.125. Algemene opmerkingen De template wordt afzonderlijk gebruikt voor de rapportage van de CCR-blootstellingen berekend met de SA-CCR of met de vereenvoudigde SA-CCR, naargelang het geval.

3.9.4.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 VALUTA Voor naar de risicocategorie renterisico gemapte transacties wordt de valuta gerapporteerd waarin de transactie luidt. Voor naar de risicocategorie wisselkoersrisico gemapte transacties wordt de valuta gerapporteerd waarin een van de twee gedeelten van de transactie luidt. De instellingen vullen de valuta in het valutapaar in alfabetische volgorde in. Een voorbeeld: vul voor het paar USD/EUR deze kolom in met EUR en kolom 0020 met USD. Gebruik de ISO-valutacodes. 0020 TWEEDE VALUTA IN PAAR Voor naar de risicocategorie wisselkoersrisico gemapte transacties wordt de valuta gerapporteerd waarin het andere gedeelte van de transactie luidt (ten opzichte van het gedeelte dat in kolom 0010 in aanmerking is genomen). De instellingen vullen de valuta in het valutapaar in alfabetische volgorde in. Een voorbeeld: vul voor het paar USD/EUR deze kolom in met USD en kolom 0010 met EUR. Gebruik de ISO-valutacodes. 0030 AANTAL TRANSACTIES Zie de instructies voor kolom 0020 in template C 34.02. 0040 NOTIONELE BEDRAGEN Zie de instructies voor kolom 0030 in template C 34.02. 0050 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle hedging sets met positieve CMV in de respectieve risicocategorie. De CMV op het niveau van de hedging set wordt bepaald door verrekening van positieve en negatieve marktwaarden van de transacties binnen één hedging set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden. 0060 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF De som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle hedging sets met negatieve CMV in de respectieve risicocategorie. De CMV op het niveau van de hedging set wordt bepaald door verrekening van positieve en negatieve marktwaarden van de transacties binnen één hedging set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden. 0070 OPSLAGFACTOR Artikelen 280 bis tot en met 280 septies en artikel 281, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instelling rapporteert de som van alle opslagfactoren in de respectieve hedging set/risicocategorie. De opslagfactor per risicocategorie die overeenkomstig artikel 278, lid 1, of artikel 281, lid 2, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gebruikt om de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set te bepalen, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 280 bis tot en met 280 septies van die verordening. Op de vereenvoudigde SA-CCR is het bepaalde in artikel 281, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Rijen 0050, 0120, 0190, 0230, 0270, 0340 RISICOCATEGORIEËN Artikelen 277 en 277 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 Transacties worden ingedeeld naar risicocategorie waartoe zij behoren, overeenkomstig artikel 277, leden 1 tot en met 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De toewijzing aan hedging sets volgens risicocategorie gebeurt overeenkomstig artikel 277 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013. Op de vereenvoudigde SA-CCR is het bepaalde in artikel 281, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. 0020-0040 Waarvan naar meer dan één risicocategorie gemapt Artikel 277, punt 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Derivatentransacties met meer dan één substantiële risicodeterminant die zijn gemapt naar twee (0020), drie (0030) of meer dan drie (0040) risicocategorieën op basis van de meest substantiële van de risicodeterminanten in elke risicocategorie, overeenkomstig artikel 277, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de in artikel 277, lid 5, van die verordening bedoelde technische reguleringsnormen van de EBA. 0070-0110 en 0140-0180 Grootste valuta en valutapaar Deze indeling vindt plaats op basis van de CMV van de portefeuille van de instelling binnen het toepassingsbereik van de SA-CCR of de vereenvoudigde SA-CCR, naargelang het geval, voor transacties die naar de risicocategorie renterisico respectievelijk wisselkoersrisico zijn gemapt. Voor de indeling wordt de absolute waarde van de CMV van de posities opgeteld. 0060, 0130, 0200, 0240, 0280 Exclusieve mapping Artikel 277, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Derivatentransacties die uitsluitend naar één risicocategorie worden gemapt overeenkomstig artikel 277, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Transacties die overeenkomstig artikel 277, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 naar verschillende risicocategorieën worden gemapt, worden uitgesloten. 0210, 0250 Single-nametransacties Single-nametransacties die worden gemapt naar de risicocategorie kredietrisico respectievelijk de risicocategorie aandelenrisico. 0220, 0260 Multi-namestransacties Multi-namestransacties die worden gemapt naar de risicocategorie kredietrisico respectievelijk de risicocategorie aandelenrisico. 0290-0330 Hedging sets van de risicocategorie grondstoffenrisico Derivatentransacties toegewezen aan de hedging sets van de risicocategorie grondstoffenrisico als vermeld in artikel 277 bis, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.9.5. C 34.04 – Volgens de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OEM) behandelde CCR-blootstellingen

3.9.5.

3.9.5.1. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0020 De instructies voor de kolommen 0010 en 0020 zijn die van template C 34.02. 0030 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met positieve CMV in de respectieve risicocategorie. 0040 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF Som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met negatieve CMV in de respectieve risicocategorie. 0050 POTENTIËLE TOEKOMSTIGE BLOOTSTELLING (PFE) De instelling rapporteert de som van PFE’s voor alle transacties die tot dezelfde risicocategorie behoren. Rijen 0020-0070 RISICOCATEGORIEËN Derivatentransacties gemapt naar de risicocategorieën in artikel 282, lid 4, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

3.9.6. C 34.05 – Volgens de internemodellenmethode (IMM) behandelde CCR-blootstellingen

3.9.6.

3.9.6.1. Instructies voor specifieke posities Kolommen 00010-0080 DOOR MARGES GEDEKT Zie de instructies voor rij 0130 in template C 34.02. 0090-0160 NIET DOOR MARGES GEDEKT Zie de instructies voor rij 0140 in template C 34.02. 0010, 0090 AANTAL TRANSACTIES Zie de instructies voor kolom 0020 in template C 34.02. 0020, 0100 NOTIONELE BEDRAGEN Zie de instructies voor kolom 0030 in template C 34.02. 0030, 0110 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met positieve CMV die tot dezelfde activaklasse behoren. 0040, 0120 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF De som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met negatieve CMV die tot dezelfde activaklasse behoren. 0050, 0130 ACTUELE BLOOTSTELLING Zie de instructies voor kolom 0120 in template C 34.02. 0060, 0140 EFFECTIEVE VERWACHTE POSITIEVE BLOOTSTELLING (EEPE) Zie de instructies voor kolom 0130 in template C 34.02. 0070, 0150 STRESS-EEPE Artikel 284, lid 6, en artikel 292, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De stress-EEPE wordt naar analogie van de EEPE berekend (artikel 284, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013), maar met behulp van een stresskalibratie overeenkomstig artikel 292, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0080, 0160, 0170 BLOOTSTELLINGSWAARDE Zie de instructies voor kolom 0170 in template C 34.02. Rij Toelichting 0010 TOTAAL Artikel 283 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instelling rapporteert de relevante informatie over derivaten, transacties met afwikkeling op lange termijn en effectenfinancieringstransacties waarvoor zij overeenkomstig artikel 283 van Verordening (EU) nr. 575/2013 de internemodellenmethode (IMM) mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen. 0020 Waarvan: SWWR-posities Zie de instructies voor rij 0120 in C 34.02. 0030 Volgens de standaardbenadering voor kredietrisico behandelde netting sets Zie de instructies voor kolom 0180 in C 34.02. 0040 Volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico behandelde netting sets Zie de instructies voor kolom 0190 in C 34.02. 0050-0110 OTC-DERIVATEN De instelling rapporteert de relevante informatie over netting sets die uitsluitend otc-derivatentransacties of transacties met afwikkeling op lange termijn bevatten waarvoor zij de blootstellingswaarde aan de hand van de IMM mag bepalen, uitgesplitst naar de verschillende activaklassen met betrekking tot het onderliggende (rente, wisselkoers, krediet, aandelen, grondstoffen of overige). 0120-0180 BEURSVERHANDELDE DERIVATEN De instelling rapporteert de relevante informatie over netting sets die uitsluitend beursverhandelde derivatentransacties of transacties met afwikkeling op lange termijn bevatten waarvoor zij de blootstellingswaarde aan de hand van de IMM mag bepalen, uitgesplitst naar de verschillende activaklassen met betrekking tot het onderliggende (rente, wisselkoers, krediet, aandelen, grondstoffen of overige). 0190-0220 EFFECTENFINANCIERINGSTRANSACTIES De instelling rapporteert de relevante informatie over netting sets die uitsluitend effectenfinancieringstransacties bevatten waarvoor zij de blootstellingswaarde aan hand van de IMM mag bepalen, uitgesplitst naar het type van het onderliggende in het effectengedeelte van de effectenfinancieringstransactie (obligatie, aandelen of overige). 0230 CONTRACTUELE PRODUCTOVERSCHRIJDENDE NETTING SETS Zie de instructies voor rij 0070 in C 34.02.

3.9.7. C 34.06 – Top twintig tegenpartijen

3.9.7.
3.9.7.1.126.127.

Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren informatie over de twintig tegenpartijen waarmee zij de hoogste CCR-blootstellingen hebben. De rangschikking wordt opgesteld aan de hand van de CCR-blootstellingswaarden, zoals gerapporteerd in kolom 0120 van deze template, van alle netting sets met de respectieve tegenpartijen. Intragroepsblootstellingen of andere blootstellingen die aanleiding geven tot tegenpartijkredietrisico maar waarvoor de instellingen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 113, lid 6, en artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van nul toekennen, worden nog steeds in aanmerking genomen bij het bepalen van de lijst met de top twintig tegenpartijen. Instellingen die voor de berekening van CCR-blootstellingen de standaardbenadering (SA-CCR) of de internemodellenmethode (IMM) toepassen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 3 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rapporteren deze template op kwartaalbasis. Instellingen die voor de berekening van CCR-blootstellingen de vereenvoudigde standaardbenadering of de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OEM) toepassen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rapporteren deze template op halfjaarlijkse basis. Instructies voor specifieke posities

3.9.7.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0011 NAAM Naam van de tegenpartij 0020 CODE De code als onderdeel van een identificatiecode van de rij moet voor elke gerapporteerde entiteit uniek zijn. Voor instellingen en verzekeringsondernemingen is die code de LEI-code. Voor andere entiteiten is de code de LEI-code of, indien deze niet beschikbaar is, een niet-LEI-code. De code moet uniek zijn en consequent worden gebruikt, te allen tijde en in alle templates. De code moet steeds een waarde hebben. 0030 SOORT CODE De instelling geeft het in kolom 0020 gerapporteerde soort code aan als LEI-code of nationale code. Het soort code moet steeds worden gerapporteerd. 0035 NATIONALE CODE De instelling mag daarnaast de nationale code rapporteren wanneer zij de LEI-code als identificatiecode rapporteert in de kolom 0020 Code. 0040 SECTOR TEGENPARTIJ Voor elke tegenpartij wordt één sector gekozen op basis van de volgende FINREP-indeling van economische sectoren (zie deel 3 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening): 0050 TYPE TEGENPARTIJ De instelling vermeldt het type van de tegenpartij dat het volgende kan zijn: 0060 VESTIGINGSPLAATS VAN DE TEGENPARTIJ De tweeletterige ISO 3166-1-code van het land van oprichting van de tegenpartij wordt gebruikt (inclusief pseudo-ISO-codes voor internationale organisaties, beschikbaar in het Balance of Payments Vademecum van Eurostat (als gewijzigd)). 0070 AANTAL TRANSACTIES Zie de instructies voor kolom 0020 in template C 34.02. 0080 NOTIONELE BEDRAGEN Zie de instructies voor kolom 0030 in template C 34.02. 0090 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF Zie de instructies voor kolom 0040 in template C 34.02. De instelling rapporteert de som van de netting sets met positieve CMV indien er verschillende netting sets voor dezelfde tegenpartij zijn. 0100 ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF Zie de instructies voor kolom 0040 in template C 34.02. De instelling rapporteert de absolute som van de netting sets met negatieve CMV indien er verschillende netting sets voor dezelfde tegenpartij zijn. 0110 BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING Zie de instructies voor kolom 0160 in template C 34.02. De instelling rapporteert de som van de blootstellingswaarden na toepassing van kredietrisicolimitering van de netting sets indien er verschillende netting sets voor dezelfde tegenpartij zijn. 0120 BLOOTSTELLINGSWAARDE Zie de instructies voor kolom 0170 in template C 34.02. 0130 RISICOGEWOGEN POSTEN Zie de instructies voor kolom 0200 in template C 34.02.

3.9.7.2. i)

centrale banken;

ii)

algemene overheden;

iii)

kredietinstellingen;

iv)

beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

v)

overige financiële ondernemingen (met uitsluiting van beleggingsondernemingen);

vi)

niet-financiële vennootschappen.

gCTP: wanneer de tegenpartij een gekwalificeerde CTP is;

niet-gCTP: wanneer de tegenpartij een niet-gekwalificeerde CTP is;

geen CTP: wanneer de tegenpartij geen CTP is.

3.9.8. C 34.07 – Interneratingbenadering – CCR-blootstellingen naar blootstellingscategorie en PD-schaal

3.9.8.
3.9.8.1.128.129.130.

Algemene opmerkingen Deze template wordt gerapporteerd door instellingen die hetzij de geavanceerde hetzij de elementaire interneratingbenadering (F-IRB) gebruiken om de risicogewogen posten voor al hun CCR-blootstellingen of een deel daarvan te berekenen overeenkomstig artikel 107 van Verordening (EU) nr. 575/2013, ongeacht de CCR-benadering die wordt gebruikt om de blootstellingswaarden overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te bepalen. De template wordt afzonderlijk gerapporteerd voor het totaal van alle blootstellingscategorieën en afzonderlijk voor elk van de in artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingscategorieën. Via een CTP geclearde blootstellingen worden niet in deze template opgenomen. Om duidelijk te maken of de instelling gebruikmaakt van haar eigen LGD-ramingen en/of kredietomrekeningsfactoren, wordt voor iedere gerapporteerde blootstellingscategorie de volgende informatie verstrekt: NEE = ingeval LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren van de toezichthouder worden gebruikt (Foundation IRB – F-IRB) JA = ingeval eigen LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren worden gebruikt (Advanced IRB – A-IRB)

3.9.8.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 Blootstellingswaarde Blootstellingswaarde (zie de instructies voor kolom 0170 in template C 34.02), uitgesplitst naar de gegeven PD-schaal 0020 Naar blootstelling gewogen gemiddelde PD (%) Gemiddelde van de PD’s van individuele debiteurenklassen, gewogen naar hun overeenkomstige blootstellingswaarde zoals gedefinieerd voor kolom 0010. 0030 Aantal debiteuren Het aantal aan elke subklasse van de vaste PD-schaal toegewezen juridische entiteiten of debiteuren met een afzonderlijke rating, ongeacht het aantal verschillende leningen of blootstellingen dat is toegekend. Indien verschillende blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur een afzonderlijke rating hebben, worden zij afzonderlijk in aanmerking genomen. Die situatie kan zich voordoen indien afzonderlijke blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur overeenkomstig artikel 172, lid 1, punt e), tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verschillende debiteurenklassen worden ondergebracht. 0040 Naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD (%) Gemiddelde van de LGD’s van debiteurenklassen, gewogen naar hun overeenkomstige blootstellingswaarde zoals gedefinieerd voor kolom 0010. De gerapporteerde LGD stemt overeen met de definitieve LGD-raming die wordt gebruikt bij de berekening van risicogewogen posten verkregen na inaanmerkingneming van alle effecten van kredietrisicolimitering en omstandigheden van economische neergang als gespecificeerd in deel drie, titel II, hoofdstukken 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien van toepassing. Voor instellingen die de interneratingbenadering toepassen, maar geen eigen LGD-ramingen gebruiken, komen met name de risicolimiteringseffecten van financiële zekerheden tot uiting in E*, de volledig aangepaste blootstellingswaarde, en vervolgens in LGD*, overeenkomstig artikel 228, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien eigen LGD-ramingen worden toegepast, worden artikel 175, en artikel 181, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd. Voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich volgens de geavanceerde interneratingbenadering een wanbetaling heeft voorgedaan, wordt het bepaalde in artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. De gerapporteerde LGD stemt overeen met de raming van de LGD in wanbetaling. 0050 Naar blootstelling gewogen gemiddelde looptijd (jaren) Gemiddelde van de debiteurenlooptijden in jaren, gewogen naar hun overeenkomstige blootstellingswaarde zoals gedefinieerd voor kolom 0010. De looptijd wordt bepaald in overeenstemming met artikel 162 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0060 Risicogewogen posten Risicogewogen posten, in de zin van artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor posities waarvan de risicogewichten worden geraamd op basis van de vereisten van deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en waarvoor de blootstellingswaarde voor CCR-activiteiten wordt berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van die verordening. De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen. 0070 Densiteit van risicogewogen posten Verhouding tussen het totaal van de risicogewogen posten (gerapporteerd in kolom 0060) en de blootstellingswaarde (gerapporteerd in kolom 0010) Rijen 0010-0170 PD-schaal CCR-blootstellingen (bepaald op tegenpartijniveau) worden toegewezen aan de passende subklasse van de vaste PD-schaal op basis van de geraamde PD voor elke debiteur die in deze blootstellingscategorie is ondergebracht (zonder enige substitutie vanwege het bestaan van een garantie of een kredietderivaat in overweging te nemen). De instellingen mappen iedere blootstelling naar de in de template bepaalde PD-schaal, waarbij ook rekening wordt gehouden met continue schalen. Alle blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden opgenomen in de subklasse die een PD van 100 % vertegenwoordigt.

3.9.9. C 34.08 – Samenstelling van zekerheden voor CCR-blootstellingen

3.9.9.

3.9.9.1.131. Algemene opmerkingen In deze template worden de reële waarden ingevuld van zekerheden (gestort of ontvangen) die worden gebruikt in CCR-blootstellingen in verband met derivatentransacties, transacties met afwikkeling op lange termijn of effectenfinancieringstransacties, ongeacht of de transacties via een CTP worden gecleard en ongeacht of zekerheden bij een CTP worden gestort.

3.9.9.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0080 In derivatentransacties gebruikte zekerheden De instellingen rapporteren de zekerheden (met inbegrip van de zekerheden die de initial margin en de variation margin vormen) die worden gebruikt in CCR-blootstellingen in verband met een in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermeld derivaat of een transactie met afwikkeling op lange termijn als gedefinieerd in artikel 2, punt 272, van diezelfde verordening die niet als effectenfinancieringstransactie kan worden aangemerkt. 0090-0180 In SFT’s gebruikte zekerheden De instellingen rapporteren de zekerheden (met inbegrip van de zekerheden die de initial margin en de variation margin vormen en de zekerheden die als effect in de effectenfinancieringstransactie verschijnen) die worden gebruikt in CCR-blootstellingen in verband met een effectenfinancieringstransactie (SFT) of een transactie met afwikkeling op lange termijn die niet als derivaat kan worden aangemerkt. 0010, 0020, 0050, 0060, 0090, 0100, 0140, 0150 Afgescheiden Artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de zekerheden die op de in artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven wijze buiten het faillissement worden gehouden, verder uitgesplitst in zekerheden in de vorm van initial margin of in de vorm van variation margin. 0030, 0040, 0070, 0080, 0110, 0120, 0130, 0160, 0170, 0180 Niet afgescheiden Artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de zekerheden die niet op de in artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven wijze buiten het faillissement worden gehouden, verder uitgesplitst in initial margin, variation margin en effect van de effectenfinancieringstransactie. 0010, 0030, 0050, 0070, 0090, 0110, 0140, 0160 Initial margin Artikel 4, lid 1, punt 140, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de reële waarden van als initial margin ontvangen of gestorte zekerheden (omschreven in artikel 4, lid 1, punt 140, van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0020, 0040, 0060, 0080, 0100, 0120, 0150, 0170 Variation margin De instellingen rapporteren de reële waarde van als variation margin ontvangen of gestorte zekerheden. 0130, 0180 SFT-effect De instellingen rapporteren de reële waarden van zekerheden die als effect in effectenfinancieringstransacties (SFT’s) verschijnen (bv. het effectengedeelte van de effectenfinancieringstransactie dat voor kolom 0130 is ontvangen of voor kolom 0180 is gestort). Rijen 0010-0080 Soort zekerheid Uitsplitsing naar verschillende soorten zekerheden

3.9.10. C 34.09 – Blootstellingen in kredietderivaten

3.9.10.

3.9.10.1. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0040 KREDIETDERIVATENPROTECTIE Gekochte of verkochte kredietderivatenprotectie 0010, 0020 NOTIONELE BEDRAGEN Som van de notionele derivatenbedragen vóór enige netting, uitgesplitst naar productsoort 0030, 0040 REËLE WAARDEN Som van de reële waarden uitgesplitst naar gekochte protectie en verkochte protectie Rijen 0010-0050 Productsoort Uitsplitsing van productsoorten van kredietderivaten 0060 Totaal Som van alle productsoorten 0070, 0080 Reële waarden Reële waarden uitgesplitst naar productsoort en naar activa (positieve reële waarden) en verplichtingen (negatieve reële waarden)

3.9.11. C 34.10 – Blootstellingen met betrekking tot CTP’s

3.9.11.
3.9.11.1.132.

Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren de informatie over blootstellingen met betrekking tot CTP’s, d.w.z. de in artikel 301, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten en transacties zolang deze bij een CTP uitstaan, en blootstellingen uit hoofde van CTP-gerelateerde transacties, in de zin van artikel 300, punt 2, van die verordening, waarvoor de eigenvermogensvereisten worden berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van die verordening.

3.9.11.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 BLOOTSTELLINGSWAARDE Blootstellingswaarde voor transacties die binnen het toepassingsgebied van deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, berekend volgens de in dat hoofdstuk en met name afdeling 9 daarvan vastgestelde relevante methoden. De gerapporteerde blootstellingswaarde is het bedrag dat relevant is voor de berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de vereisten van artikel 497 van die verordening tijdens de overgangsperiode waarin dat artikel voorziet. Een blootstelling kan een transactieblootstelling zijn in de zin van artikel 4, lid 1, punt 91, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0020 RISICOGEWOGEN POSTEN De risicogewogen posten bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de vereisten van artikel 497 van die verordening tijdens de overgangsperiode waarin dat artikel voorziet. Rijen 0010-0100 Gekwalificeerde CTP (gCTP) Een gekwalificeerde CTP of gCTP in de zin van artikel 4, lid 1, punt 88, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070, 0080 0170, 0180 Initial margin Zie de instructies voor template C 34.08. Ten behoeve van deze template omvat de initial margin geen bijdragen aan een CTP voor regelingen voor het onderling delen van verliezen (d.w.z. in gevallen waarin een CTP de initial margin gebruikt om verliezen onderling te delen tussen de clearingleden, wordt zij behandeld als een blootstelling aan een wanbetalingsfonds). 0090, 0190 Voorgefinancierde bijdragen aan een wanbetalingsfonds Artikelen 308 en 309 van Verordening (EU) nr. 575/2013; een wanbetalingsfonds in de zin van artikel 4, lid 1, punt 89, van Verordening (EU) nr. 575/2013; de bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP die door de instelling wordt gestort. 0100, 0200 Niet-volgestorte bijdragen aan een wanbetalingsfonds Artikelen 309 en 310 van Verordening (EU) nr. 575/2013; een wanbetalingsfonds in de zin van artikel 4, lid 1, punt 89, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen rapporteren de bijdragen die een als clearinglid optredende instelling contractueel heeft toegezegd aan een CTP te zullen verstrekken nadat de CTP haar wanbetalingsfonds heeft uitgeput en die zijn bedoeld om de verliezen te dekken die de CTP heeft geleden als gevolg van de wanbetaling door een of meer van haar clearingleden. 0070, 0170 Afgescheiden Zie de instructies voor template C 34.08. 0080, 0180 Niet afgescheiden Zie de instructies voor template C 34.08.

3.9.12. C 34.11 – Stroomoverzichten van risicogewogen posten (RWEA) van CCR-blootstellingen in het kader van de IMM

3.9.12.
3.9.12.1.133.134.135.

Algemene opmerkingen Instellingen die de IMM toepassen om de risicogewogen posten voor al hun CCR-blootstellingen of een deel daarvan te berekenen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ongeacht de kredietrisicobenadering die wordt gebruikt om de overeenkomstige risicogewichten te bepalen, rapporteren deze template met het stroomoverzicht waarin veranderingen in risicogewogen posten van derivaten en effectenfinancieringstransacties die onder de IMM vallen, worden toegelicht, gedifferentieerd naar belangrijke factoren en op basis van redelijke schattingen. Instellingen die deze template op kwartaalbasis rapporteren, vullen alleen kolom 0010 in. Instellingen die deze template op jaarbasis rapporteren, vullen alleen kolom 0020 in. Deze template bevat geen risicogewogen posten voor blootstellingen met betrekking tot een centrale tegenpartij (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

3.9.12.2. Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010, 0020 RISICOGEWOGEN POSTEN Risicogewogen posten, in de zin van artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor posities waarvan de risicogewichten worden geraamd op basis van de vereisten van deel drie, titel II, hoofdstukken 2 en 3, van die verordening en waarvoor de instelling de IMM mag gebruiken om de blootstellingswaarde te berekenen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6, van die verordening. De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen. Rijen 0010 Risicogewogen posten aan het einde van de vorige rapportageperiode Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen volgens de IMM aan het einde van de vorige rapportageperiode 0020 Omvang van de activa Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen in de omvang en samenstelling van de portefeuille ten gevolge van de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten (met inbegrip van het initiëren van nieuwe activiteiten en vervallende blootstellingen), maar exclusief veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstotingen van entiteiten 0030 Kredietkwaliteit van tegenpartijen Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen in de beoordeelde kwaliteit van de tegenpartijen van de instelling, gemeten volgens het kredietrisicokader, ongeacht de benadering die de instelling hanteert. Deze rij bevat ook potentiële veranderingen in de risicogewogen posten als gevolg van IRB-modellen wanneer de instelling een interneratingbenadering hanteert. 0040 Actualisering modellen (alleen IMM) Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van de implementatie van modellen, veranderingen in de reikwijdte van modellen of veranderingen die tekortkomingen in modellen moeten tegengaan. Deze rij heeft alleen betrekking op veranderingen in het IMM-model. 0050 Methodologie en beleid (alleen IMM) Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van methodologische veranderingen in berekeningen door toedoen van wijzigingen in het reguleringsbeleid, zoals nieuwe regelgeving (alleen in het IMM-model) 0060 Acquisities en afstotingen Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstotingen van entiteiten 0070 Wisselkoersbewegingen Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen die voortvloeien uit bewegingen in de omrekening van vreemde valuta. 0080 Overige Deze categorie wordt gebruikt om veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) weer te geven die niet in de bovenstaande categorieën kunnen worden ondergebracht. 0090 Risicogewogen posten aan het einde van de lopende rapportageperiode Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen volgens de IMM aan het einde van de vorige rapportageperiode

4. TEMPLATES VOOR OPERATIONEEL RISICO

4.

4.1 C 16.00 – OPERATIONEEL RISICO (OPR)

4.1
4.1.1136.137.138.139.140.141.

Algemene opmerkingen Deze template bevat informatie over de berekening van eigenvermogensvereisten overeenkomstig de artikelen 312 tot en met 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor operationeel risico in het kader van de basisindicatorbenadering (BIA), de standaardbenadering (TSA), de alternatieve standaardbenadering (ASA) en de geavanceerde meetbenadering (AMA). Voor individuele rapportage mogen de instellingen niet tegelijkertijd de TSA en de ASA toepassen voor de bedrijfsonderdelen bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen en zakelijke bankdiensten. Instellingen die de BIA, de TSA of de ASA hanteren, berekenen hun eigenvermogensvereisten op basis van de informatie aan het eind van het boekjaar. Indien geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, kunnen de instellingen gebruikmaken van bedrijfsramingen. Bij gebruik van gecontroleerde cijfers rapporteren de instellingen de gecontroleerde cijfers die naar verwachting ongewijzigd blijven. Afwijkingen van dit beginsel van ongewijzigde cijfers zijn mogelijk, indien bijvoorbeeld tijdens de rapportageperiode sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, zoals recente acquisities of afstotingen van entiteiten of activiteiten. Indien een instelling ten genoegen van haar bevoegde autoriteit kan aantonen dat wegens uitzonderlijke omstandigheden (zoals een fusie of een afstoting van entiteiten of activiteiten) de berekening van de relevante indicator aan de hand van een driejaarsgemiddelde zou leiden tot een vertekende raming van het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico, kan de bevoegde autoriteit de instelling toestaan de berekening zodanig te wijzigen dat deze gebeurtenissen in aanmerking worden genomen. De bevoegde autoriteit kan ook ambtshalve van een instelling verlangen dat zij de berekening wijzigt. Een instelling die nog geen drie jaar actief is, mag toekomstgerichte bedrijfsramingen gebruiken voor het berekenen van de relevante indicator, mits zij historische gegevens begint te gebruiken zodra die gegevens beschikbaar zijn. Deze template bevat kolomsgewijs voor de drie meest recente jaren informatie over het bedrag van de relevante indicator van de aan operationeel risico onderhevige bankactiviteiten en over het bedrag aan leningen en voorschotten (laatstgenoemde alleen in het geval van ASA). Verder wordt informatie over het bedrag van de eigenvermogensvereiste voor operationeel risico gerapporteerd. In voorkomend geval moet worden gespecificeerd welk deel van dat bedrag het gevolg is van een allocatiemechanisme. Ten aanzien van de AMA worden pro-memorieposten toegevoegd om de gevolgen van verwacht verlies, diversificatie en limiteringstechnieken op het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico te specificeren. De rijen bevatten informatie op basis van de methode voor berekening van het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico en een specificatie van bedrijfsonderdelen voor de TSA en de ASA. Deze template wordt ingediend door alle instellingen die aan het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico zijn onderworpen.

4.1.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0030 RELEVANTE INDICATOR Instellingen die het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico berekenen met de relevante indicator (BIA, TSA en ASA), rapporteren voor elk jaar de desbetreffende indicator in de kolommen 0010 tot en met 0030. In het geval van een combinatie van verschillende benaderingen als bedoeld in artikel 314 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren de instellingen ter informatie bovendien de relevante indicator voor de aan de AMA onderworpen activiteiten. Hetzelfde geldt voor alle overige AMA-banken. Hierna wordt onder relevante indicator verstaan de som van de bestanddelen aan het eind van het boekjaar als genoemd in tabel 1 in artikel 316, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien de gegevens over de relevante indicator waarover de instelling beschikt, minder dan drie jaar bestrijken, worden de beschikbare historische gegevens (gecontroleerde cijfers) bij voorrang toegewezen aan de desbetreffende kolommen in de template. Indien er bijvoorbeeld slechts voor één jaar historische gegevens zijn, worden die in kolom 0030 gerapporteerd. Indien dat redelijk lijkt, moeten de toekomstgerichte ramingen dan worden opgenomen in kolom 0020 (raming voor het eerstvolgende jaar) en kolom 0010 (raming van jaar + 2). Verder mag de instelling zich baseren op toekomstgerichte bedrijfsramingen indien er geen historische gegevens over de relevante indicator beschikbaar zijn. 0040-0060 LENINGEN EN VOORSCHOTTEN (BIJ TOEPASSING VAN DE ASA) Deze kolommen worden gebruikt om de bedragen van de leningen en voorschotten te rapporteren voor de bedrijfsonderdelen zakelijke bankdiensten en bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen, als bedoeld in artikel 319, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Aan de hand van die bedragen wordt de alternatieve relevante indicator berekend die de eigenvermogensvereisten oplevert voor de activiteiten waarop de alternatieve standaardbenadering van toepassing is (artikel 319, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013). Voor het bedrijfsonderdeel zakelijke bankdiensten worden tevens in de niet-handelsportefeuille aangehouden effecten opgenomen. 0070 EIGENVERMOGENSVEREISTE Het eigenvermogensvereiste wordt berekend in overeenstemming met de gevolgde benaderingen en overeenkomstig de artikelen 312 tot en met 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De uitkomst wordt in kolom 0070 gerapporteerd. 0071 TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR OPERATIONEEL RISICO Artikel 92, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Eigenvermogensvereisten in kolom 0070 vermenigvuldigd met 12,5. 0080 WAARVAN: ALS GEVOLG VAN EEN ALLOCATIEMECHANISME Indien overeenkomstig artikel 312, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toestemming is verleend om de AMA op geconsolideerd niveau te gebruiken (artikel 18, lid 1, van die verordening), wordt het operationeel risicokapitaal aan de verschillende groepsentiteiten toegewezen op basis van de methode die de instellingen toepassen om de gevolgen van diversificatie-effecten te verwerken in het systeem van risicometing dat wordt gebruikt door een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of gezamenlijk door de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding. De uitkomst van die toewijzing wordt in deze kolom gerapporteerd. 0090-0120 TE RAPPORTEREN AMA-PRO-MEMORIEPOSTEN (INDIEN VAN TOEPASSING) 0090 EIGENVERMOGENSVEREISTE VÓÓR VERMINDERING VANWEGE VERWACHT VERLIES, DIVERSIFICATIE EN RISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN Het in kolom 090 te rapporteren eigenvermogensvereiste is dat van kolom 070, maar wordt berekend vóór inaanmerkingneming van de vermindering vanwege verwacht verlies, diversificatie en risicolimiteringstechnieken (zie hierna). 0100 (–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN VANWEGE HET IN DE BEDRIJFSPRAKTIJK IN AANMERKING GENOMEN VERWACHTE VERLIES In kolom 100 wordt de vermindering gerapporteerd van eigenvermogensvereisten vanwege verwacht verlies waarmee in de interne bedrijfspraktijk rekening is gehouden (als bedoeld in artikel 322, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0110 (–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN VANWEGE DIVERSIFICATIE Het in deze kolom te rapporteren diversificatie-effect is het verschil tussen de som van de per categorie operationeel risico apart berekende eigenvermogensvereisten (d.w.z. een situatie van volkomen afhankelijkheid) en het gediversifieerde eigenvermogensvereiste dat is berekend door rekening te houden met de correlaties en afhankelijkheden (d.w.z. in de aanname van een minder dan volkomen afhankelijkheid tussen de risicocategorieën). De situatie van volkomen afhankelijkheid doet zich voor in de standaardsituatie, d.w.z. indien de instelling niet uitgaat van een expliciete correlatiestructuur tussen de risicocategorieën, zodat het AMA-vermogen wordt berekend als de som van de afzonderlijke maatregelen voor operationeel risico van de gekozen risicocategorieën. In dat geval is de aanname dat de correlatie tussen de risicocategorieën 100 % is en moet de waarde in de kolom op nul worden gesteld. Indien de instelling wel een expliciete correlatiestructuur tussen de risicocategorieën berekent, moet zij in deze kolom het verschil opnemen tussen het AMA-vermogen dat voortkomt uit de standaardsituatie, en het AMA-vermogen verkregen na toepassing van de correlatiestructuur tussen de risicocategorieën. De waarde geeft de diversificatiecapaciteit van het AMA-model weer, d.w.z. de mate waarin het model in staat is rekening te houden met het niet-gelijktijdige optreden van ernstige verliesgebeurtenissen die ontstaan door operationeel risico. In kolom 110 rapporteert de instelling de verlaging van het AMA-vermogen ten opzichte van de aangenomen 100 %-correlatie als gevolg van de aangenomen correlatiestructuur. 0120 (–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTE VANWEGE RISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (VERZEKERING EN ANDERE MECHANISMEN VOOR RISICO-OVERDRACHT) Het effect van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht overeenkomstig artikel 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt in deze kolom gerapporteerd. Rijen 0010 BANKACTIVITEITEN IN HET KADER VAN DE BASISINDICATORBENADERING (BIA) Deze rij bevat de bedragen die overeenstemmen met activiteiten in het kader van de BIA, voor het berekenen van het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico (artikelen 315 en 316 van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0020 BANKACTIVITEITEN IN HET KADER VAN DE STANDAARDBENADERING (TSA) / ALTERNATIEVE STANDAARDBENADERING (ASA) Het eigenvermogensvereiste berekend volgens de TSA en de ASA (artikelen 317, 318 en 319 van Verordening (EU) nr. 575/2013) wordt gerapporteerd. 0030-0100 IN HET KADER VAN DE TSA Indien de TSA wordt toegepast, wordt de relevante indicator voor elk betrokken jaar in de rijen 0030 tot en met 0100 over de bedrijfsonderdelen verdeeld overeenkomstig tabel 2 in artikel 317 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De mapping van activiteiten naar bedrijfsonderdelen verloopt volgens de in artikel 318 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven beginselen. 0110-0120 IN HET KADER VAN DE ASA Instellingen die de ASA hanteren (artikel 319 van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de relevante indicator voor de desbetreffende jaren afzonderlijk voor elk bedrijfsonderdeel in de rijen 0030 tot en met 0050 en de rijen 0080 tot en met 0100, en voor de bedrijfsonderdelen zakelijke bankdiensten en bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen in de rijen 0110 en 0120. De rijen 110 en 120 bevatten het bedrag van de relevante indicator van aan ASA onderworpen activiteiten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het bedrag voor het bedrijfsonderdeel zakelijke bankdiensten en de bedragen voor het bedrijfsonderdeel bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen (artikel 319 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Er kunnen bedragen zijn voor de rijen voor zakelijke bankdiensten en bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen in het kader van de TSA (de rijen 0060 en 0070), alsmede in het kader van de ASA (de rijen 0110 en 0120) (indien bijvoorbeeld een dochteronderneming aan de TSA onderworpen is, maar de moederonderneming aan de ASA). 0130 BANKACTIVITEITEN DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN DE AMA De desbetreffende gegevens voor AMA-instellingen (artikel 312, lid 2, en artikelen 321, 322 en 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden gerapporteerd. Indien verschillende benaderingen in combinatie worden gehanteerd zoals beschreven in artikel 314 van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt voor aan de AMA onderworpen activiteiten informatie over de relevante indicator gerapporteerd. Hetzelfde geldt voor alle overige AMA-banken.

4.2. OPERATIONEEL RISICO: NADERE INFORMATIE OVER VERLIEZEN IN HET LAATSTE JAAR (OPR DETAILS)

4.2.
4.2.1142.143.144.145.146.147.148.149.150.

Algemene opmerkingen Template C 17.01 (OPR DETAILS 1) geeft een overzicht van de informatie over de brutoverliezen en goedgemaakte verliezen die een instelling in het afgelopen jaar heeft genoteerd, naar soort gebeurtenis en bedrijfsonderdeel. Template C 17.02 (OPR DETAILS 2) geeft nadere informatie over de grootste verliesgebeurtenissen in het laatste jaar. Operationele risicoverliezen die met kredietrisico verband houden en aan eigenvermogensvereisten voor kredietrisico zijn onderworpen (boundary kredietgrelateerde operationele risicogebeurtenissen), blijven buiten beschouwing in zowel template C 17.01 als template C 17.02. Bij gecombineerd gebruik van verschillende benaderingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor operationeel risico overeenkomstig artikel 314 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden verliezen en goedgemaakte verliezen die een instelling heeft genoteerd, gerapporteerd in C 17.01 en C 17.02, ongeacht de benadering die voor het berekenen van eigenvermogensvereisten is gehanteerd. Onder brutoverlies wordt verstaan een verlies – als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 – als gevolg van een operationele risicogebeurtenis of soort verliesgebeurtenis vóór goedmakingen van welk soort dan ook, onverminderd verliesgebeurtenissen die tot snel goedgemaakte verliezen leiden zoals die hierna zijn omschreven. Onder goedmaking wordt verstaan een onafhankelijke gebeurtenis in verband met het oorspronkelijke verlies uit hoofde van operationeel risico die in de tijd gescheiden is, waarbij geldmiddelen of instromen van economische voordelen van eerste of derde partijen, zoals verzekeraars of andere partijen, worden ontvangen. Goedmakingen worden uitgesplitst in goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen van risico-overdracht en directe goedmakingen. Onder verliesgebeurtenissen die tot snel goedgemaakte verliezen leiden wordt verstaan gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die tot verliezen leiden die binnen vijf werkdagen gedeeltelijk of volledig zijn goedgemaakt. In het geval van een verliesgebeurtenis die tot snel goedgemaakte verliezen leidt, valt alleen het deel van het verlies dat niet volledig is goedgemaakt (d.w.z. het verlies na aftrek van de gedeeltelijke snelle goedmaking) onder de definitie van brutoverlies. Bijgevolg vallen verliesgebeurtenissen die tot verliezen leiden die binnen vijf werkdagen volledig zijn goedgemaakt, niet onder de definitie van brutoverlies en evenmin onder de rapportage OPR DETAILS. Onder datum van administratieve verwerking wordt verstaan de datum waarop een verlies of een reserve/voorziening voor het eerst in de winst- en verliesrekening ten laste van een verlies uit hoofde van operationeel risico wordt gebracht. Die datum volgt logischerwijs op de datum van plaatsvinden (d.w.z. de datum waarop de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico zich voordeed of zich begon voor te doen) en de datum van ontdekking (d.w.z. de datum waarop de instelling kennis heeft gekregen van de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico). Verliezen die voortvloeien uit een gemeenschappelijke operationele risicogebeurtenis of uit een reeks gebeurtenissen die verband houden met een initiële operationele risicogebeurtenis die gebeurtenissen of verliezen veroorzaakt (root-event), worden gegroepeerd. De gegroepeerde gebeurtenissen worden beschouwd en gerapporteerd als één gebeurtenis, en zodoende worden de daarmee samenhangende brutoverliesbedragen en bedragen van verliesaanpassingen samengeteld. De in juni van het betrokken jaar gerapporteerde cijfers zijn tussentijdse cijfers, terwijl de definitieve cijfers in december worden gerapporteerd. De cijfers in juni hebben derhalve een referentieperiode van zes maanden (d.w.z. van 1 januari tot en met 30 juni van het kalenderjaar), terwijl de cijfers in december een referentieperiode van twaalf maanden hebben (d.w.z. van 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar). Bij de zowel voor juni als voor december gerapporteerde gegevens worden met voorgaande rapportagereferentieperiodes alle rapportagereferentieperiodes bedoeld tot en met de periode die afloopt aan het eind van het voorafgaande kalenderjaar.

4.2.2 C 17.01: Operationele risicoverliezen en goedgemaakte verliezen per bedrijfsonderdeel en soort verliesgebeurtenis in het laatste jaar (OPR DETAILS 1)

4.2.2
4.2.2.1151.152.153.154.

Algemene opmerkingen In template C 17.01 wordt de informatie zodanig verstrekt dat de verliezen en goedgemaakte verliezen die interne drempels overschrijden, worden verdeeld over bedrijfsonderdelen (zoals genoemd in tabel 2 in artikel 317 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van het extra bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013), en soorten verliesgebeurtenissen (als omschreven in artikel 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Het kan zijn dat de verliezen die met één verliesgebeurtenis overeenstemmen, over verschillende bedrijfsonderdelen gespreid zijn. De kolommen bevatten de verschillende soorten verliesgebeurtenissen en de totalen per bedrijfsonderdeel, samen met een pro-memoriepost die de laagste in de verzameling verliesgegevens toegepaste interne drempel laat zien. Als er meer dan één drempel is, wordt binnen elk bedrijfsonderdeel de laagste en de hoogste drempel vermeld. De rijen bevatten de bedrijfsonderdelen en, binnen elk bedrijfsonderdeel, informatie over het aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen), het brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen), het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen, de verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes, het grootste afzonderlijke verlies, de som van de vijf grootste verliezen en het totale goedgemaakte verlies (directe goedmakingen van verliezen, maar ook goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht). Voor de totale bedrijfsonderdelen worden ook gegevens over het aantal verliesgebeurtenissen en het brutoverliesbedrag gerapporteerd voor bepaalde bandbreedtes op basis van vastgestelde drempels, nl. 10 000, 20 000, 100 000 en 1 000 000. De drempels luiden in euro en worden opgenomen om de gerapporteerde verliezen tussen de instellingen te kunnen vergelijken. Die drempels hebben niet noodzakelijk betrekking op de minimumverliesdrempels ten behoeve van het verzamelen van interne verliesgegevens, die in een ander deel van de template moeten worden gerapporteerd.

4.2.2.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0070 SOORTEN GEBEURTENISSEN De instellingen rapporteren de verliezen in de desbetreffende kolommen 0010 tot en met 0070 overeenkomstig de in artikel 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde verliesgebeurtenissen. Instellingen die hun eigenvermogensvereiste berekenen volgens de basisindicatorbenadering (BIA), kunnen de verliezen waarvoor het soort verliesgebeurtenis niet wordt vermeld, uitsluitend in kolom 080 rapporteren. 0080 TOTAAL SOORTEN VERLIESGEBEURTENISSEN In kolom 0080 rapporteren instellingen voor elk bedrijfsonderdeel het totale aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen), het totaal van het brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen), het totale aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen, het totaal van de verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes, het grootste afzonderlijke verlies, de som van de vijf grootste verliezen en het totaal van het totale direct goedgemaakte verlies en het totaal van de totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht. Op voorwaarde dat de instelling voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, bevat kolom 080 de eenvoudige aggregatie van het aantal verliesgebeurtenissen, de totale bedragen aan brutoverliezen en de totale bedragen aan goedgemaakte verliezen en de verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes die in de kolommen 0010 tot en met 0070 zijn gerapporteerd. Het in kolom 0080 gerapporteerde grootste afzonderlijke verlies is het grootste afzonderlijke verlies binnen een bedrijfsonderdeel en is identiek aan het maximum van de in de kolommen 0010 tot en met 0070 gerapporteerde grootste afzonderlijke verliezen, mits de instelling voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd. Voor de som van de vijf grootste verliezen wordt in kolom 0080 de som van de vijf grootste verliezen binnen één bedrijfsonderdeel gerapporteerd. 0090-0100 PRO-MEMORIEPOST: BIJ GEGEVENSVERZAMELING TOEGEPASTE DREMPEL De instellingen rapporteren in de kolommen 0090 en 0100, overeenkomstig artikel 322, lid 3, punt c), laatste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de minimumverliesdrempels die zij hanteren voor de verzameling van interne verliesgegevens. Indien instellingen slechts één drempel hanteren per bedrijfsonderdeel, vullen zij alleen kolom 0090 in. Indien verschillende drempels worden gehanteerd binnen hetzelfde reglementaire bedrijfsonderdeel, wordt tevens de hoogste toepasselijke drempel (kolom 0100) ingevuld. Rijen 0010-0880 BEDRIJFSONDERDELEN: ONDERNEMINGSFINANCIERING, HANDEL EN VERKOOP, COURTAGEDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN, ZAKELIJKE BANKDIENSTEN, BANKDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN, BETALING EN AFWIKKELING, BEMIDDELINGSDIENSTEN, BEHEER VAN ACTIVA, ONDERNEMINGSAANGELEGENHEDEN Voor elk in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemd bedrijfsonderdeel, met inbegrip van het extra bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, en voor elk soort verliesgebeurtenis, rapporteert de instelling de volgende informatie overeenkomstig de interne drempels: het aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen), het brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen), het aantal aan verliesaanpassingen onderhevige gebeurtenissen, de verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes, het grootste afzonderlijke verlies, de som van de vijf grootste verliezen, het totale direct goedgemaakte verlies en de totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht. Voor een verliesgebeurtenis die betrekking heeft op meerdere bedrijfsonderdelen wordt het brutoverliesbedrag verdeeld over alle betrokken bedrijfsonderdelen. Instellingen die hun eigenvermogensvereiste berekenen volgens de basisindicatorbenadering (BIA), kunnen de verliezen waarvoor het bedrijfsonderdeel niet is geïdentificeerd, uitsluitend in de rijen 0910 tot en met 0980 rapporteren. 0010, 0110, 0210, 0310, 0410, 0510, 0610, 0710, 0810 Aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen) Het aantal verliesgebeurtenissen is het aantal verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode brutoverliezen administratief zijn verwerkt. Bij het aantal verliesgebeurtenissen gaat het om nieuwe gebeurtenissen, d.w.z. gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico: Nieuwe verliesgebeurtenissen omvatten geen verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die voor het eerst administratief zijn verwerkt tijdens een voorgaande rapportagereferentieperiode en die al waren opgenomen in voorgaande toezichtrapportage. 0020, 0120, 0220, 0320, 0420, 0520, 0620, 0720, 0820 Brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen) Het brutoverliesbedrag omvat de brutoverliesbedragen die betrekking hebben op verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico (bv. directe lasten, voorzieningen, afwikkelingen). Alle verliezen die verband houden met één verliesgebeurtenis en binnen de rapportagereferentieperiode administratief zijn verwerkt, worden samengeteld en beschouwd als het brutoverlies voor die verliesgebeurtenis voor die rapportagereferentieperiode. Het gerapporteerde brutoverliesbedrag betreft nieuwe verliesgebeurtenissen zoals gedefinieerd in de bovenstaande rij. Voor verliesgebeurtenissen die voor het eerst administratief zijn verwerkt binnen een voorgaande rapportagereferentieperiode die niet was opgenomen in voorgaande toezichtrapportage, wordt het totale verlies dat is opgebouwd tot de rapportagereferentiedatum (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) gerapporteerd als het brutoverlies op de rapportagereferentiedatum. In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen. 0030, 0130, 0230, 0330, 0430, 0530, 0630, 0730, 0830 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen Het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen is het aantal verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico dat voor het eerst administratief is verwerkt tijdens voorgaande rapportagereferentieperioden en dat al in vorige rapportages is opgenomen en waarvoor verliesaanpassingen zijn doorgevoerd tijdens de lopende rapportagereferentieperiode. Indien meer dan één verliesaanpassing is doorgevoerd voor een verliesgebeurtenis binnen de rapportagereferentieperiode, wordt de som van die verliesaanpassingen gerekend als één aanpassing in die periode. 0040, 0140, 0240, 0340, 0440, 0540, 0640, 0740, 0840 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiode zijn de som van de volgende elementen (positief of negatief): Indien meer dan één verliesaanpassing is doorgevoerd voor een verliesgebeurtenis binnen de rapportagereferentieperiode, worden de bedragen van al die verliesaanpassingen samengeteld, rekening houdende met het teken van de aanpassingen (positief, negatief). Die som wordt beschouwd als de verliesaanpassing voor die verliesgebeurtenis voor die rapportagereferentieperiode. Indien als gevolg van een negatieve verliesaanpassing het aan een verliesgebeurtenis toe te schrijven aangepaste verliesbedrag onder de drempel voor het verzamelen van interne gegevens van de instelling valt, rapporteert de instelling het totale voor die verliesgebeurtenis opgebouwde verliesbedrag tot en met het laatste tijdstip dat de gebeurtenis werd gerapporteerd voor een referentiedatum in december (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) met eenminteken – in plaats van het bedrag van de negatieve verliesaanpassing zelf. In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen. 0050, 0150, 0250, 0350, 0450, 0550, 0650, 0750, 0850 Grootste afzonderlijk verlies Het grootste afzonderlijke verlies is groter dan: In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen. 0060, 0160, 0260, 0360, 0460, 0560, 0660, 0760, 0860 Som van de vijf grootste verliezen De som van de vijf grootste verliezen is de som van de vijf grootste bedragen van: In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen. 0070, 0170, 0270, 0370, 0470, 0570, 0670, 0770, 0870 Totaal direct goedgemaakt verlies Directe goedmakingen van verliezen zijn alle goedmakingen die zijn verkregen met uitzondering van die welke onder artikel 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, als bedoeld in de onderstaande rij van deze tabel. Het totale direct goedgemaakte verlies is de som van alle directe goedmakingen en aanpassingen aan directe goedmakingen die binnen de rapportageperiode administratief zijn verwerkt en relevant zijn voor verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die binnen de rapportagereferentieperiode of in voorgaande rapportagereferentieperiodes voor het eerst administratief zijn verwerkt. 0080, 0180, 0280, 0380, 0480, 0580, 0680, 0780, 0880 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht Goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht zijn goedmakingen die onder artikel 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen. De totale goedmaking uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht is de som van alle goedmakingen uit hoofde van verzekeringen en andere mechanismen voor risico-overdracht en aanpassingen aan dit soort goedmakingen die binnen de rapportagereferentieperiode administratief zijn verwerkt en betrekking hebben op verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die binnen de rapportagereferentieperiode of in voorgaande rapportagereferentieperiodes voor het eerst administratief zijn verwerkt. 0910-0980 TOTAAL BEDRIJFSONDERDELEN Voor elk soort verliesgebeurtenis (de kolommen 0010 tot en met 0080) wordt de informatie over het totaal van de bedrijfsonderdelen gerapporteerd. 0910-0914 Aantal verliesgebeurtenissen In rij 0910 wordt het aantal verliesgebeurtenissen boven de interne drempel gerapporteerd naar soort verliesgebeurtenis voor het totaal van de bedrijfsonderdelen. Dit aantal kan lager zijn dan de som van het aantal verliesgebeurtenissen naar bedrijfsonderdeel, aangezien verliesgebeurtenissen met meervoudige impact (gevolgen in verschillende bedrijfsonderdelen) als één verliesgebeurtenis moeten worden beschouwd. Het kan hoger zijn indien een instelling die haar eigenvermogensvereisten volgens de basisindicatorbenadering (BIA) berekent, niet in elk van de gevallen het bedrijfsonderdeel of de bedrijfsonderdelen kan identificeren die door het verlies worden getroffen. In de rijen 0911 tot en met 0914 wordt het aantal verliesgebeurtenissen gerapporteerd met een brutobedrag binnen de bandbreedtes die in de betrokken rijen van de template zijn gedefinieerd. Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, dan wel voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, is het volgende van toepassing voor kolom 0080, al naar gelang: 0920-0924 Brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen) Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is het in rij 0920 gerapporteerde brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen) de eenvoudige aggregatie van de brutoverliesbedragen van nieuwe verliesgebeurtenissen voor elk bedrijfsonderdeel. In de rijen 0921 tot en met 0924 wordt het brutoverliesbedrag gerapporteerd voor verliesgebeurtenissen met een brutobedrag binnen de bandbreedtes die in de betrokken rijen zijn gedefinieerd. 0930, 0935, 0936 Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen In rij 0930 wordt het totale aantal in de rijen 0030, 0130, …, 0830, gerapporteerde aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen gerapporteerd. Dat aantal kan lager zijn dan de aggregatie van het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen naar bedrijfsonderdeel, aangezien verliesgebeurtenissen met meervoudige impact (gevolgen in verschillende bedrijfsonderdelen) als één verliesgebeurtenis moeten worden beschouwd. Het kan hoger zijn indien een instelling die haar eigenvermogensvereisten volgens de basisindicatorbenadering (BIA) berekent, niet in elk van de gevallen het bedrijfsonderdeel of de bedrijfsonderdelen kan identificeren die door het verlies worden getroffen. Het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen wordt uitgesplitst in het aantal verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode een positieve verliesaanpassing is doorgevoerd, en het aantal gebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode een negatieve verliesaanpassing is doorgevoerd. (Alle aanpassingen gerapporteerd met een positief teken.) 0940, 0945, 0946 Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes In rij 0940 wordt per bedrijfsonderdeel het totaal van de bedragen aan verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportagereferentieperiodes gerapporteerd (zoals gerapporteerd in de rijen 0040, 0140, …, 0840). Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is het in rij 0940 gerapporteerde bedrag de eenvoudige aggregatie van de met betrekking tot de voorgaande rapportagereferentieperiodes voor de verschillende bedrijfsonderdelen gerapporteerde verliesaanpassingen. Het bedrag van de verliesaanpassingen wordt uitgesplitst in het bedrag met betrekking tot verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode een positieve verliesaanpassing is doorgevoerd (rij 0945, gerapporteerd als positief cijfer), en het bedrag met betrekking tot verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportageperiode een negatieve verliesaanpassing is doorgevoerd (rij 0946, gerapporteerd als een negatief cijfer). Indien als gevolg van een negatieve verliesaanpassing het aan een verliesgebeurtenis toe te schrijven aangepaste verliesbedrag onder de drempel voor het verzamelen van interne gegevens van de instelling valt, rapporteert de instelling het totale voor die verliesgebeurtenis opgebouwde verliesbedrag tot en met het laatste tijdstip dat de verliesgebeurtenis werd gerapporteerd voor een referentiedatum in december (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd), in rij 0946 met een minteken – in plaats van het bedrag van de negatieve verliesaanpassing zelf. 0950 Grootste afzonderlijk verlies Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is het grootste afzonderlijke verlies het grootste verlies boven de interne drempel voor elke soort verliesgebeurtenis en onder alle bedrijfsonderdelen. Indien een verliesgebeurtenis gevolgen heeft voor verschillende bedrijfsonderdelen, kunnen die bedragen hoger zijn dan het hoogste afzonderlijke verlies dat in elk bedrijfsonderdeel is geboekt. Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, dan wel voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, is het volgende van toepassing voor kolom 0080: 0960 Som van de vijf grootste verliezen De som van de vijf grootste brutoverliezen voor elke soort verliesgebeurtenis en onder alle bedrijfsonderdelen wordt gerapporteerd. Die som kan groter zijn dan de grootste som van de vijf grootste verliezen die in elk bedrijfsonderdeel zijn geboekt. Die som wordt gerapporteerd ongeacht het aantal verliezen. Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en zij voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, is voor kolom 0080 de som van de vijf grootste verliezen de som van de vijf grootste verliezen in de hele matrix, hetgeen betekent dat dit bedrag niet noodzakelijkerwijs gelijk is aan de hoogste waarde van de som van de vijf grootste verliezen in rij 0960 of de hoogste waarde van de som van de vijf grootste verliezen in kolom 0080. 0970 Totaal direct goedgemaakt verlies Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, is het totale direct goedgemaakte verlies de eenvoudige aggregatie van het totale direct goedgemaakte verlies voor de verschillende bedrijfsonderdelen. 0980 Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel ondernemingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is de totale goedmaking uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht de eenvoudige aggregatie van de totale goedmaking uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht voor elk bedrijfsonderdeel.

4.2.2.2 i)

die binnen de rapportagereferentieperiode voor het eerst administratief zijn verwerkt; of

ii)

die in een voorgaande rapportagereferentieperiode voor het eerst administratief zijn verwerkt indien de verliesgebeurtenis niet was opgenomen in voorgaande toezichtrapportage, bijvoorbeeld omdat deze pas in de lopende rapportagereferentieperiode als verliesgebeurtenis uit hoofde van operationeel risico is geïdentificeerd of omdat het aan die verliesgebeurtenis toe te schrijven geaccumuleerde verlies (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) de drempel voor het verzamelen van interne gegevens pas in de lopende rapportagereferentieperiode heeft overschreden.

i)

de brutoverliesbedragen met betrekking tot binnen de rapportagereferentieperiode aangebrachte positieve verliesaanpassingen (bv. verhoging van voorzieningen, gerelateerde verliesgebeurtenissen, bijkomende afwikkelingen) voor gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die in voorgaande rapportagereferentieperiodes voor het eerst administratief verwerkt en gerapporteerd zijn;

ii)

de brutoverliesbedragen met betrekking tot binnen de rapportagereferentieperiode aangebrachte negatieve verliesaanpassingen (bijvoorbeeld vanwege verlaging van voorzieningen) voor verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die in voorgaande rapportagereferentieperiodes voor het eerst administratief verwerkt en gerapporteerd zijn.

i)

het grootste afzonderlijke verlies met betrekking tot een verliesgebeurtenis die voor het eerst wordt gerapporteerd binnen de rapportagereferentieperiode; en

ii)

het grootste bedrag van de positieve verliesaanpassing (zoals bedoeld in de rijen 0040, 0140, …, 0840) met betrekking tot een verliesgebeurtenis die voor het eerst wordt gerapporteerd binnen een voorgaande rapportagereferentieperiode.

i)

de brutoverliesbedragen met betrekking tot verliesgebeurtenissen die voor het eerst worden gerapporteerd binnen de rapportagereferentieperiode; en

ii)

de bedragen van de positieve verliesaanpassingen (zoals hierboven omschreven voor de rijen 0040, 0140, …, 0840) met betrekking tot verliesgebeurtenissen die voor het eerst worden gerapporteerd binnen een voorgaande rapportagereferentieperiode. Het bedrag dat kan kwalificeren als een van de vijf grootste verliezen, is het bedrag van de verliesaanpassing zelf – niet het totale verlies dat verbonden is aan de betrokken verliesgebeurtenis vóór of na de verliesaanpassing.

Het totale aantal in de rijen 0910 tot en met 0914 gerapporteerde verliesgebeurtenissen is gelijk aan de horizontale aggregatie van het aantal verliesgebeurtenissen in de overeenkomstige rij, aangezien in die cijfers de verliesgebeurtenissen met gevolgen in verschillende bedrijfsonderdelen al als één gebeurtenis zijn beschouwd.

Het in kolom 0080, rij 0910, gerapporteerde cijfer is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan de verticale aggregatie van het aantal verliesgebeurtenissen dat is opgenomen in kolom 0080, aangezien één verliesgebeurtenis tegelijkertijd gevolgen kan hebben in verschillende bedrijfsonderdelen.

Het gerapporteerde grootste individuele verlies is gelijk aan de hoogste van de in de kolommen 0010 tot en met 0070 van deze rij gerapporteerde waarden.

Indien verliesgebeurtenissen gevolgen hebben voor verschillende bedrijfsonderdelen, kan het in {r0950, c0080} gerapporteerde bedrag hoger zijn dan de bedragen van Grootste individueel verlies dat per bedrijfsonderdeel wordt gerapporteerd in andere rijen van kolom 0080.

4.2.3 C 17.02: Operationeel risico: Nadere informatie over de grootste verliesgebeurtenissen in het laatste jaar (OPR DETAILS 2)

4.2.3
4.2.3.1155.156.157.

Algemene opmerkingen In template C 17.02 wordt informatie gegeven over individuele verliesgebeurtenissen (één rij per verliesgebeurtenis). Bij de in deze template gerapporteerde informatie gaat het om nieuwe verliesgebeurtenissen, d.w.z. gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico: Alleen verliesgebeurtenissen die een brutoverliesbedrag van 100 000 EUR of meer met zich meebrengen, worden gerapporteerd. Rekening houdende met die drempel:

4.2.3.1155.156. a)

die binnen de rapportagereferentieperiode voor het eerst administratief zijn verwerkt; of

b)

die in een voorgaande rapportagereferentieperiode voor het eerst administratief zijn verwerkt indien de verliesgebeurtenis niet was opgenomen in voorgaande toezichtrapportages, bijvoorbeeld omdat deze pas in de lopende rapportagereferentieperiode als verliesgebeurtenis uit hoofde van operationeel risico is geïdentificeerd of omdat het aan die verliesgebeurtenis toe te schrijven geaccumuleerde verlies (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) de drempel voor het verzamelen van interne gegevens pas in de lopende rapportagereferentieperiode heeft overschreden.

4.2.3.1155.156.157. a)

de grootste gebeurtenis voor elke soort gebeurtenis, op voorwaarde dat de instelling voor verliezen de soorten gebeurtenissen heeft geïdentificeerd; en

b)

ten minste de tien grootste resterende gebeurtenissen met of zonder geïdentificeerd soort gebeurtenis, gerekend naar brutobedrag, worden opgenomen in de template;

c)

verliesgebeurtenissen worden gerangschikt op basis van het daaraan toegewezen brutoverlies;

d)

een verliesgebeurtenis wordt slechts eenmaal in aanmerking genomen.

4.2.3.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 Gebeurtenis-ID Het gebeurtenis-ID is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template. Wanneer een interne ID beschikbaar is, geven instellingen de interne ID. Anders volgt de gerapporteerde ID de numerieke volgorde 1, 2, 3 enz. 0020 Datum van administratieve verwerking De datum van administratieve verwerking is de datum waarop een verlies of een reserve/voorziening voor het eerst in de winst- en verliesrekening ten laste wordt gebracht van een verlies uit hoofde van operationeel risico. 0030 Datum van plaatsvinden De datum van plaatsvinden is de datum waarop de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico zich voordeed of zich begon voor te doen. 0040 Datum van ontdekking De datum van ontdekking is de datum waarop de instelling kennis heeft gekregen van de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico. 0050 Soorten verliesgebeurtenissen Soorten verliesgebeurtenissen als bedoeld in artikel 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0060 Brutoverlies Brutoverlies met betrekking tot de verliesgebeurtenis gerapporteerd in de rijen 0020, 0120 enz. van template C 17.01 0070 Brutoverlies ongerekend directe goedmakingen Brutoverlies met betrekking tot de verliesgebeurtenis gerapporteerd in de rijen 0020, 0120 enz. van template C 17.01, ongerekend directe goedmakingen die betrekking hebben op die verliesgebeurtenis 0080-0160 Brutoverlies per bedrijfsonderdeel Het in kolom 0060 gerapporteerde brutoverlies wordt toegewezen aan de betrokken bedrijfsonderdelen als bedoeld in tabel 2 in artikel 317, lid 4, en in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0170 Naam juridische entiteit Naam van de juridische entiteit als gerapporteerd in kolom 0011 van C 06.02 waar het verlies – of het grootste deel van het verlies, indien meerdere entiteiten werden getroffen – zich voordeed. 0181 Code Code van de juridische entiteit als gerapporteerd in kolom 0021 van C 06.02 waar het verlies – of het grootste deel van het verlies, indien meerdere entiteiten werden getroffen – zich voordeed. 0185 SOORT CODE De instellingen identificeren het in kolom 0181 gerapporteerde soort code als LEI-code of niet-LEI-code, mede in lijn met kolom 0026 van C 06.02. Het soort code moet steeds worden gerapporteerd. 0190 Bedrijfseenheid Bedrijfseenheid of bedrijfssegment van de instelling waar het verlies – of het grootste deel van het verlies, indien meerdere bedrijfseenheden of bedrijfssegmenten werden getroffen – zich voordeed. 0200 Beschrijving Beschrijving van de verliesgebeurtenis, waar nodig in algemene of geanonimiseerde vorm. Deze bevat ten minste informatie over de gebeurtenis zelf en informatie over de determinanten of oorzaken van de verliesgebeurtenis (voor zover bekend).

5.158.159. TEMPLATES VOOR MARKTRISICO Deze instructies hebben betrekking op de templates voor de rapportage over de berekening van eigenvermogensvereisten volgens de standaardbenadering voor valutarisico (MKR SA FX), grondstoffenrisico (MKR SA COM), renterisico (MKR SA TDI, MKR SA SEC, MKR SA CTP) en aandelenrisico (MKR SA EQU). Daarnaast bevat dit deel instructies ten behoeve van de template voor de rapportage van de berekening van eigenvermogensvereisten volgens de internemodellenbenadering (MKR IM). Het positierisico voor een verhandelbaar schuldinstrument of aandeel (of een van een schuldinstrument of een aandeel afgeleid instrument) wordt in twee componenten gesplitst om het daarvoor benodigde vermogen te kunnen berekenen. De eerste component betreft het specifieke risico ervan, d.w.z. het risico van een prijsverandering in het betrokken instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent ervan of, in het geval van een afgeleid instrument, de uitgevende instelling van het onderliggende instrument. De tweede component betreft het algemene risico ervan, d.w.z. het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van (bij een verhandelbaar schuldinstrument of van een schuldinstrument afgeleid instrument) een wijziging in de rentestand of (bij een aandeel of van een aandeel afgeleid instrument) een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband houdt met enigerlei specifieke aspecten van de betrokken effecten. De algemene behandeling van specifieke instrumenten en netteringsprocedures wordt beschreven in de artikelen 326 tot en met 333 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

5.158.159.

5.1. C 18.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VAN POSITIERISICO’S IN VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN (MKR SA TDI)

5.1.
5.1.1160.161.

Algemene opmerkingen Deze template geeft de posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten weer voor risico’s van posities in verhandelbare schuldinstrumenten in het kader van de standaardbenadering (artikel 325, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013). De verschillende risico’s en methoden die in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschikbaar zijn, worden in rijen gerapporteerd. Het specifieke risico in verband met blootstellingen die zijn opgenomen in MKR SA SEC en MKR SA CTP, wordt alleen in de Total-template van de MKR SA TDI gerapporteerd. De in die templates gerapporteerde eigenvermogensvereisten worden overgebracht naar, respectievelijk, cel {0325;0060} (securitisaties) en cel {0330;0060} (CTP). De template wordt afzonderlijk ingevuld voor Total; daarnaast moet een vooraf bepaalde lijst van de volgende valuta worden verstrekt: EUR, ALL, BGN, CZK, DKK, EGP, GBP, HRK, HUF, ISK, JPY, MKD, NOK, PLN, RON, RUB, RSD, SEK, CHF, TRY, UAH, USD en een resttemplate voor alle overige valuta.

5.1.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0020 ALLE POSITIES (LONG EN SHORT) Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit zijn brutoposities die niet worden gesaldeerd door instrumenten, maar met uitsluiting van bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities (artikel 345, lid 1, eerste alinea, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030-0040 NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT) Artikelen 327 tot en met 329 en artikel 334 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0050 AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES De nettoposities waarop overeenkomstig de verschillende in deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven benaderingen een kapitaalvereiste van toepassing is. 0060 EIGENVERMOGENSVEREISTEN Het kapitaalvereiste voor een bepaalde positie overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 TOTAAL RISICOPOSTEN Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5. Rijen 0010-0350 VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN IN DE HANDELSPORTEFEUILLE Posities in verhandelbare schuldinstrumenten in de handelsportefeuille en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor positierisico overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt b), i), en deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gerapporteerd naargelang de risicocategorie, looptijd en toegepaste benadering. 0011 ALGEMEEN RISICO 0012 Derivaten Derivaten die zijn opgenomen in de berekening van renterisico van posities in de handelsportefeuille, waarbij, in voorkomend geval, de artikelen 328 tot en met 331 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht worden genomen. 0013 Andere activa en verplichtingen Instrumenten niet zijnde derivaten die zijn opgenomen in de berekening van renterisico van posities in de handelsportefeuille. 0020-0200 BENADERING OP GROND VAN DE LOOPTIJD Posities in verhandelbare schuldinstrumenten die zijn onderworpen aan de benadering op grond van de looptijd overeenkomstig artikel 339, leden 1 tot en met 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten berekend overeenkomstig artikel 339, lid 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De positie wordt uitgesplitst in de zones 1, 2 en 3, en die zones worden zelf uitgesplitst naar de looptijd van de instrumenten. 0210-0240 ALGEMEEN RISICO BENADERING OP GROND VAN DE DURATION Posities in verhandelbare schuldinstrumenten die zijn onderworpen aan de benadering op grond van de duration overeenkomstig artikel 340, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten berekend overeenkomstig artikel 340, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De positie wordt uitgesplitst in de zones 1, 2 en 3. 0250 SPECIFIEK RISICO De som van de bedragen die zijn gerapporteerd in de rijen 0251, 0325 en 0330. Posities in verhandelbare schuldinstrumenten die zijn onderworpen aan kapitaalvereisten voor specifiek risico en de daarbij behorende kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt b), artikel 335, artikel 336, leden 1, 2 en 3, en de artikelen 337 en 338 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Houd ook rekening met de laatste zin van artikel 327, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0251-0321 Eigenvermogensvereiste voor niet-gesecuritiseerde schuldinstrumenten De som van de bedragen die zijn gerapporteerd in de rijen 260 tot en met 321. Het eigenvermogensvereiste van de nth-to-default kredietderivaten zonder externe rating wordt berekend door de risicogewichten van de referentie-entiteiten bij elkaar op te tellen (artikel 332, lid 1, punt e), en artikel 332, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 – doorkijk). Nth-to-default kredietderivaten met een externe rating (artikel 332, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden afzonderlijk in lijn 321 gerapporteerd. Rapportage van posities onderworpen aan artikel 336, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Obligaties die overeenkomstig artikel 129, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking komen voor een risicogewicht van 10 % in de niet-handelsportefeuille (gedekte obligaties), krijgen een aparte behandeling. De specifieke eigenvermogensvereisten bedragen de helft van het percentage van de tweede categorie van tabel 1 in artikel 336 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Die posities worden toegewezen aan de rijen 0280 tot en met 0300 volgens de resterende looptijd tot eindvervaldatum. Indien het algemene risico van renteposities met een kredietderivaat wordt gehedged, worden de artikelen 346 en 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepast. 0325 Eigenvermogensvereiste voor securitisatie-instrumenten Het totaal van de eigenvermogensvereisten gerapporteerd in kolom 0601 van template MKR SA SEC. Die totale eigenvermogensvereisten worden alleen op het niveau Total van MKR SA TDI gerapporteerd. 0330 Eigenvermogensvereiste voor de correlatiehandelsportefeuille Het totaal van de eigenvermogensvereisten gerapporteerd in kolom 0450 van template MKR SA CTP. Die totale eigenvermogensvereisten worden uitsluitend op het niveau Total van de MKR SA TDI gerapporteerd. 0350-0390 AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S) Artikel 329, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd uitgesplitst volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode.

5.2. C 19.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO IN SECURITISATIES (MKR SA SEC)

5.2.
5.2.1162.163.164.

Algemene opmerkingen In deze template wordt gevraagd naar informatie over posities (alle/netto en long/short) en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor de component specifiek risico van het positierisico in securitisaties/hersecuritisaties die in de handelsportefeuille worden ingenomen (niet in aanmerking komend voor de correlatiehandelsportefeuille) in het kader van de standaardbenadering. De MKR SA SEC-template bevat het eigenvermogensvereiste uitsluitend voor het specifieke risico van securitisatieposities overeenkomstig artikel 335 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 337 van die verordening. Indien securitisatieposities in de handelsportefeuille met kredietderivaten worden gehedged, zijn de artikelen 346 en 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Er is maar één template voor alle posities van de handelsportefeuille, ongeacht de benadering die instellingen toepassen om het risicogewicht voor elke positie te bepalen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De eigenvermogensvereisten van het algemene risico van die posities worden gerapporteerd in de MKR SA TDI-template of de MKR IM-template. Voor posities die een risicogewicht van 1250 % krijgen, bestaat de alternatieve mogelijkheid om deze af te trekken van het tier 1-kernkapitaal (zie artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245 lid 1, punt b), en artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Indien dat het geval is, worden die posities in rij 0460 van CA1 gerapporteerd.

5.2.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0020 ALLE POSITIES (LONG EN SHORT) Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, junctis artikel 337 van die verordening (securitisatieposities). Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op die brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030-0040 (–) VAN HET EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN POSITIES (LONG EN SHORT) Artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050-0060 NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT) Artikelen 327, 328, 329 en 334 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities, artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0061-0104 UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIES NAAR RISICOGEWICHT Artikelen 259 tot en met 262, artikel 263, tabellen 1 en 2, artikel 264, tabellen 3 en 4, en artikel 266 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De long- en shortposities worden afzonderlijk uitgesplitst. 0402-0406 UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE NAAR BENADERING Artikel 254 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0402 SEC-IRBA Artikelen 259 en 260 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0403 SEC-SA Artikelen 261 en 262 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0404 SEC-ERBA Artikelen 263 en 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0405 INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA) Artikelen 254 en 265 en artikel 266, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0900 SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES Artikel 269 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0406 OVERIGE (RW = 1250 %) Artikel 254, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0530-0540 ALGEHEEL EFFECT (CORRECTIE) ALS GEVOLG VAN INBREUKEN OP HOOFDSTUK 2 VAN VERORDENING (EU) 2017/2402 Artikel 270 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 0570 VÓÓR BEGRENZING Artikel 337 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening voor instellingen om het product van het gewicht en de nettopositie te begrenzen op het grootst mogelijke met het verzuimrisico samenhangende verlies. 0601 NA BEGRENZING / TOTALE EIGENVERMOGENSVEREISTEN Artikel 337 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening. Rijen 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN Totale bedrag aan uitstaande (in de handelsportefeuille aangehouden) securitisaties en hersecuritisaties gerapporteerd door de instelling in de rol van initiator of belegger of sponsor. 0040, 0070 en 0100 SECURITISATIEPOSITIES Artikel 4, lid 1, punt 62, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0020, 0050, 0080 en 0110 HERSECURITISATIEPOSITIES Artikel 4, lid 1, punt 64, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0041, 0071 en 0101 WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243 of artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen. 0030-0050 INITIATOR Artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0060-0080 BELEGGER Kredietinstelling die een securitisatiepositie inneemt in een securitisatietransactie waarvoor zij initiator, sponsor noch oorspronkelijke kredietverstrekker is. 0090-0110 SPONSOR Artikel 4, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een sponsor die tevens zijn eigen activa securitiseert, vermeldt in de rijen voor de initiator de informatie over die gesecuritiseerde eigen activa.

5.3. C 20.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO VOOR AAN DE CORRELATIEHANDELSPORTEFEUILLE TOEGEWEZEN POSITIES (MKR SA CTP)

5.3.
5.3.1165.166.167.168.

Algemene opmerkingen In deze template wordt gevraagd naar informatie over posities in de correlatiehandelsportefeuille (CTP) (bestaande uit securitisaties, nth-to-default kredietderivaten en andere overeenkomstig artikel 338, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgenomen CTP-posities) en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten in het kader van de standaardbenadering. De MKR SA CTP-template bevat het eigenvermogensvereiste uitsluitend voor het specifieke risico van aan de CTP overeenkomstig artikel 335 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 338, leden 2 en 3, van die verordening toegewezen posities. Indien CTP-posities in de handelsportefeuille met kredietderivaten worden gehedged, zijn de artikelen 346 en 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Er is maar één template voor alle CTP-posities van de handelsportefeuille, ongeacht de benadering die instellingen toepassen om het risicogewicht voor elke positie te bepalen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De eigenvermogensvereisten van het algemene risico van die posities worden gerapporteerd in de MKR SA TDI-template of de MKR IM-template. In de template wordt onderscheiden tussen securitisatieposities, nth-to-default kredietderivaten en andere CTP-posities. Securitisatieposities worden steeds gerapporteerd in de rijen 0030, 0060 of 0090 (naargelang de rol van de instelling in de securitisatie). Nth-to-default kredietderivaten worden steeds gerapporteerd in lijn 0110. De andere CTP-posities zijn posities die noch securitisatieposities noch nth-to-default kredietderivaten zijn (zie artikel 338, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013), maar zij zijn uitdrukkelijk gekoppeld (vanwege de beoogde hedge) aan een van die beide posities. Voor posities die een risicogewicht van 1250 % krijgen, bestaat de alternatieve mogelijkheid om deze af te trekken van het tier 1-kernkapitaal (zie artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Indien dat het geval is, worden die posities in rij 0460 van CA1 gerapporteerd.

5.3.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0020 ALLE POSITIES (LONG EN SHORT) Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, junctis artikel 338, leden 2 en 3 van die verordening (aan de correlatiehandelsportefeuille toegewezen posities). Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030-0040 (–) VAN HET EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN POSITIES (LONG EN SHORT) Artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050-0060 NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT) Artikelen 327, 328, 329 en 334 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0071-0097 UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIES NAAR RISICOGEWICHT Artikelen 259 tot en met 262, artikel 263, tabellen 1 en 2, artikel 264, tabellen 3 en 4, en artikel 266 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0402-0406 UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE NAAR BENADERING Artikel 254 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0402 SEC-IRBA Artikelen 259 en 260 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0403 SEC-SA Artikelen 261 en 262 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0404 SEC-ERBA Artikelen 263 en 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0405 INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA) Artikelen 254 en 265 en artikel 266, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0900 SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES Artikel 269 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0406 OVERIGE (RW = 1250 %) Artikel 254, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0410-0420 VÓÓR BEGRENZING – GEWOGEN NETTO LONG-/SHORTPOSITIES Artikel 338 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening. 0430-0440 NA BEGRENZING – GEWOGEN NETTO LONG-/SHORTPOSITIES Artikel 338 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening. 0450 TOTAAL EIGENVERMOGENSVEREISTEN Het eigenvermogensvereiste wordt bepaald als de grootste van beide waarden: i) het specifieke risicovereiste dat uitsluitend op de netto longposities van toepassing zou zijn (kolom 0430), of ii) het specifieke risicovereiste dat alleen op de netto shortposities van toepassing zou zijn (kolom 0440). Rijen 0010 TOTALE BLOOTSTELLINGEN Totale bedrag aan uitstaande (in de correlatiehandelsportefeuille aangehouden) posities gerapporteerd door de instelling in de rol van initiator, belegger of sponsor. 0020-0040 INITIATOR Artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050-0070 BELEGGER Kredietinstelling die securitisatieposities inneemt in een securitisatietransactie waarvoor zij initiator, sponsor noch oorspronkelijke kredietverstrekker is. 0080-0100 SPONSOR Artikel 4, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Een sponsor die tevens zijn eigen activa securitiseert, vermeldt in de rijen voor de initiator de informatie over die gesecuritiseerde eigen activa. 0030, 0060 en 0090 SECURITISATIEPOSITIES De correlatiehandelsportefeuille omvat securitisaties, nth-to-default kredietderivaten en eventueel andere hedgingposities die aan de in artikel 338, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven criteria voldoen. Derivaten van securitisatieblootstellingen die een evenredig aandeel bieden, worden, evenals posities die dienen voor het hedgen van CTP-posities, opgenomen in de rij Andere CTP-posities. 0110 NTH-TO-DEFAULT KREDIETDERIVATEN Nth-to-default kredietderivaten en nth-to-default kredietderivaten die deze hedgen, worden hier samen gerapporteerd overeenkomstig artikel 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De posities van initiator, belegger en sponsor zijn niet geschikt voor nth-to-default kredietderivaten. Bijgevolg is met betrekking tot securitisatieposities geen uitsplitsing mogelijk voor nth-to-default kredietderivaten. 0040, 0070, 0100 en 0120 ANDERE CTP-POSITIES De volgende posities worden opgenomen:

derivaten van securitisatieblootstellingen die een evenredig aandeel bieden, alsmede posities die dienen voor het hedgen van CTP-posities;

CTP-posities die overeenkomstig artikel 346 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gehedged door kredietderivaten;

Andere posities die aan artikel 338, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

5.4. C 21.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR POSITIERISICO IN AANDELEN (MKR SA EQU)

5.4.
5.4.1169.170.

Algemene opmerkingen In deze template wordt gevraagd naar informatie over de posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor positierisico in aandelen in de handelsportefeuille die volgens de standaardbenadering worden behandeld. De template wordt afzonderlijk ingevuld voor Total; daarnaast moet een statische, vooraf bepaalde lijst van de volgende markten worden verstrekt: Bulgarije, Kroatië, Tsjechische Republiek, Denemarken, Egypte, Hongarije, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Polen, Roemenië, Zweden, Verenigd Koninkrijk, Albanië, Japan, Noord-Macedonië, de Russische Federatie, Servië, Zwitserland, Turkije, Oekraïne, VS, de eurozone, plus één resttemplate voor alle overige markten. Voor de toepassing van dit rapportagevereiste moet markt worden gelezen als land (behalve voor landen die tot de eurozone behoren; zie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 525/2014 van de Commissie).

5.4.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0020 ALLE POSITIES (LONG EN SHORT) Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit zijn brutoposities die niet worden gesaldeerd door instrumenten, maar met uitsluiting van bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities (artikel 345, lid 1, eerste alinea, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0030-0040 NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT) Artikelen 327, 329, 332, 341 en 345 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050 AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES De nettoposities waarop overeenkomstig de verschillende in deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven benaderingen een kapitaalvereiste van toepassing is. Het kapitaalvereiste wordt voor elke nationale markt apart berekend. Posities in aandelenindexfutures als bedoeld in artikel 344, lid 4, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden niet in deze kolom opgenomen. 0060 EIGENVERMOGENSVEREISTEN Het eigenvermogensvereiste overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 TOTAAL RISICOPOSTEN Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5. Rijen 0010-0130 AANDELEN IN DE HANDELSPORTEFEUILLE Eigenvermogensvereisten voor positierisico als bedoeld in artikel 92, lid 3, punt b), i), en deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0020-0040 ALGEMEEN RISICO Posities in aandelen die aan algemeen risico onderhevig zijn (artikel 343 van Verordening (EU) nr. 575/2013), en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, afdeling 3, van die verordening. Beide uitsplitsingen (rijen 0021/0022 en rijen 0030/0040) zijn een uitsplitsing van alle aan algemeen risico onderworpen posities. In de rijen 0021 en 0022 wordt naar informatie over de uitsplitsing naar instrumenten gevraagd. Uitsluitend de uitsplitsing in de rijen 0030 en 0040 dient als uitgangspunt voor de berekening van eigenvermogensvereisten. 0021 Derivaten Derivaten die zijn opgenomen in de berekening van renterisico van posities in de handelsportefeuille, waarbij, in voorkomend geval, de artikelen 329 en 332 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht worden genomen. 0022 Andere activa en verplichtingen Instrumenten niet zijnde derivaten die zijn opgenomen in de berekening van aandelenrisico van posities in de handelsportefeuille. 0030 Beursverhandelde aandelenindexfutures die ruim zijn gediversifieerd en aan een specifieke benadering zijn onderworpen Beursverhandelde aandelenindexfutures die ruim zijn gediversifieerd en aan een specifieke benadering zijn onderworpen overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2014 van de Commissie. Die posities zijn uitsluitend aan algemeen risico onderhevig en hoeven derhalve niet te worden gerapporteerd in rij 0050. 0040 Aandelen niet zijnde ruim gediversifieerde beursverhandelde aandelenindexfutures Andere posities in aandelen die aan specifiek risico onderhevig zijn, alsmede de daarbij behorende eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 343 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van overeenkomstig artikel 344, lid 3, van die verordening behandelde posities in aandelenindexfutures. 0050 SPECIFIEK RISICO Posities in aandelen die aan specifiek risico onderhevig zijn, en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 342 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitsluiting van overeenkomstig artikel 344, lid 4, tweede zin, van die verordening behandelde posities in aandelenindexfutures. 0090-0130 AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S) Artikel 329, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode.

5.5. C 22.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR VALUTARISICO (MKR SA FX)

5.5.
5.5.1171.172.

Algemene opmerkingen De instellingen rapporteren informatie over de posities in elke valuta (met inbegrip van de rapportagevaluta) en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor valutarisico, behandeld volgens de standaardbenadering. De positie wordt berekend voor elke valuta (met inbegrip van de euro), goud en posities in icb’s. De rijen 0100 tot en met 0480 van deze template worden gerapporteerd ook al zijn instellingen niet verplicht om overeenkomstig artikel 351 van Verordening (EU) nr. 575/2013 eigenvermogenvereisten voor valutarisico te berekenen. In die pro-memorieposten worden alle posities in de rapportagevaluta opgenomen, ongeacht de vraag of zij voor de toepassing van artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking worden genomen. De rijen 0130 tot en met 0480 van de pro-memorieposten van de template worden afzonderlijk ingevuld voor alle valuta van de lidstaten van de Unie, de valuta GBP, USD, CHF, JPY, RUB, TRY, AUD, CAD, RSD, ALL, UAH, MKD, EGP, ARS, BRL, MXN, HKD, ICK, TWD, NZD, NOK, SGD, KRW, CNY en alle overige valuta.

5.5.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0020-0030 ALLE POSITIES (LONG EN SHORT) Brutoposities als gevolg van activa, te ontvangen bedragen en vergelijkbare in artikel 352, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde posten. Overeenkomstig artikel 352, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met inachtneming van toestemming van de bevoegde autoriteiten, worden posities die zijn ingenomen om het negatieve effect van de wisselkoers op hun ratio’s te hedgen overeenkomstig artikel 92, lid 1, van die verordening, en posities betreffende posten die bij de berekening van het eigen vermogen reeds zijn afgetrokken, niet gerapporteerd. 0040-0050 NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT) Artikel 352, lid 3, artikel 352, lid 4, eerste twee zinnen, en artikel 353 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De nettoposities worden voor elke valuta berekend overeenkomstig artikel 352, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Dit betekent dat long- en shortposities tegelijkertijd mogen worden gerapporteerd. 0060-0080 AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES Artikel 352, lid 4, derde zijn, en artikelen 353 en 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0060-0070 AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES (LONG EN SHORT) De netto long- en shortposities worden per valuta berekend door het totaal aan shortposities af te trekken van het totaal aan longposities. De netto longposities voor elke transactie in een valuta worden opgeteld, om de netto longpositie in die valuta te verkrijgen. De netto shortposities voor elke transactie in een valuta worden opgeteld, om de netto shortpositie in die valuta te verkrijgen. Niet-gematchte posities in niet-rapportagevaluta worden bij aan kapitaalvereisten voor andere valuta onderworpen posities (rij 030) opgeteld in kolom 060 of 070, naargelang de regeling short of long is. 0080 AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES (GEMATCHT) Gematchte posities voor nauw gecorreleerde valuta. 0090 EIGENVERMOGENSVEREISTEN Het kapitaalvereiste voor een toepasselijke positie overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0100 TOTAAL RISICOPOSTEN Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5. Rijen 0010 TOTAAL POSITIES Alle posities in niet-rapportagevaluta en de posities in de rapportagevaluta die voor de toepassing van artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking worden genomen, alsmede de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor het in artikel 92, lid 3, punt c), i), bedoelde valutarisico, rekening houdende met artikel 352, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (voor omrekening naar de rapportagevaluta). 0020 NAUW GECORRELEERDE VALUTA Posities en de bijbehorende eigenvermogensvereisten voor in artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde nauw gecorreleerde valuta. 0025 Nauw gecorreleerde valuta waarvan: rapportagevaluta Posities in de rapportagevaluta die bijdragen in de berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030 ALLE OVERIGE VALUTA (met inbegrip van als andere valuta behandelde icb’s) Posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor valuta die aan de algemene procedure van artikel 351 en artikel 352, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn onderworpen. Rapportage van als afzonderlijke valuta behandelde icb’s overeenkomstig artikel 353 Verordening (EU) nr. 575/2013: Er zijn twee verschillende behandelingen van icb’s als afzonderlijke valuta voor het berekenen van de kapitaalvereisten: De rapportage van die icb’s volgt de berekening van de kapitaalvereisten. 0040 GOUD Posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor valuta die aan de algemene procedure van artikel 351 en artikel 352, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn onderworpen. 0050-0090 AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S) Artikel 352, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd uitgesplitst volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode. 0100-0120 Uitsplitsing van totale posities (rapportagevaluta inbegrepen) naar soort blootstelling De totale posities worden uitgesplitst naar derivaten, andere activa en verplichtingen, en posten buiten de balanstelling. 0100 Andere activa en verplichtingen niet zijnde posten buiten de balanstelling en derivaten Posities die niet in rij 0110 of rij 0120 zijn opgenomen, worden hier vermeld. 0110 Posten buiten de balanstelling Posten die onder artikel 352 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, ongeacht de valuta waarin zij luiden, en die in bijlage I bij die verordening zijn opgenomen, behalve die welke zijn opgenomen als effectenfinancieringstransacties en transacties met afwikkeling op lange termijn of die voortvloeien uit contractuele productoverschrijdende nettering. 0120 Derivaten Posities gewaardeerd overeenkomstig artikel 352 van Verordening (EU) nr. 575/2013 0130-0480 PRO-MEMORIEPOSTEN: VALUTAPOSITIES De pro-memorieposten van de template worden apart ingevuld voor alle valuta van de lidstaten van de Unie, voor de valuta GBP, USD, CHF, JPY, RUB, TRY, AUD, CAD, RSD, ALL, UAH, MKD, EGP, ARS, BRL, MXN, HKD, ICK, TWD, NZD, NOK, SGD, KRW, CNY en alle overige valuta.

5.5.2

1. De gewijzigde behandeling van goud, indien de richting van de icb-belegging niet beschikbaar is (die icb’s moeten worden opgeteld bij de totale nettovalutapositie van een instelling).

2. Indien de richting van de icb-belegging wel beschikbaar is, worden die icb’s opgeteld bij de totale openstaande valutapositie (long of short, naargelang de richting van de icb).

5.6. C 23.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR GRONDSTOFFEN (MKR SA COM)

5.6.

5.6.1173. Algemene opmerkingen In deze template wordt gevraagd naar informatie over de posities in grondstoffen en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten, behandeld volgens de standaardbenadering.

5.6.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0020 ALLE POSITIES (LONG EN SHORT) Bruto long-/shortposities die overeenkomstig artikel 357, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden beschouwd als posities in dezelfde grondstof (zie ook artikel 359, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013). 0030-0040 NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT) Overeenkomstig de definitie in artikel 357, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0050 AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES De nettoposities waarop overeenkomstig de verschillende in deel drie, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven benaderingen een kapitaalvereiste van toepassing is. 0060 EIGENVERMOGENSVEREISTEN Het eigenvermogensvereiste voor een toepasselijke positie overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 TOTAAL RISICOPOSTEN Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5. Rijen 0010 TOTAAL POSITIES IN GRONDSTOFFEN Posities in grondstoffen en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt c), iii), en deel drie, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0020-0060 POSITIES NAAR CATEGORIE GRONDSTOFFEN Ten behoeve van de rapportage worden grondstoffen ingedeeld in de vier groepen grondstoffen die in tabel 2 in artikel 361 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden genoemd. 0070 BENADERING OP GROND VAN LOOPTIJDKLASSEN Posities in grondstoffen die zijn onderworpen aan de benadering op grond van looptijdklassen als bedoeld in artikel 359 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0080 UITGEBREIDE BENADERING OP GROND VAN LOOPTIJDKLASSEN Posities in grondstoffen die zijn onderworpen aan de uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen als bedoeld in artikel 361 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0090 VEREENVOUDIGDE BENADERING Posities in grondstoffen die zijn onderworpen aan de vereenvoudigde benadering als bedoeld in artikel 360 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0100-0140 AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S) Artikel 358, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode.

5.7. C 24.00 – INTERNE MODELLEN VOOR MARKTRISICO (MKR IM)

5.7.
5.7.1174.175.

Algemene opmerkingen Deze template bevat een uitsplitsing van de cijfers van de VaR en de stressed VaR (sVaR) naar de verschillende marktrisico’s (schuld, aandelen, valuta, grondstoffen) en andere voor de berekening van de eigenvermogensvereisten relevante informatie. In de regel hangt de rapportage af van de structuur van het model van de instellingen, d.w.z. of de cijfers voor algemeen en specifiek risico afzonderlijk of gezamenlijk kunnen worden bepaald en gerapporteerd. Hetzelfde geldt voor de uitsplitsing van de VaR/stressed VaR naar risicocategorie (renterisico, aandelenrisico, grondstoffenrisico en valutarisico). Een instelling kan afzien van rapportage van die uitsplitsingen als zij aantoont dat rapportage van die cijfers te belastend zou zijn.

5.7.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0030-0040 Value at Risk (VaR) Value-at-Risk (VaR) is het grootste potentiële verlies dat met een gegeven waarschijnlijkheid over een bepaalde tijdhorizon zou ontstaan door een prijsverandering. 0030 Vermenigvuldigingsfactor (mc) x gemiddelde VaR van voorgaande 60 werkdagen (VaRavg) Artikel 364, lid 1, punt a), ii), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0040 VaR voorgaande dag (VaRt-1) Artikel 364, lid 1, punt a), i), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0050-0060 Stressed VaR Stressed-Value-at-Risk (sVaR) is het grootste potentiële verlies dat met een gegeven waarschijnlijkheid over een bepaalde tijdhorizon zou ontstaan door een prijsverandering, verkregen met aan de hand van historische gegevens geijkte input uit een ononderbroken periode van twaalf maanden van voor de portefeuille van die instelling relevante financiële stress. 0050 Vermenigvuldigingsfactor (ms) x gemiddelde van voorgaande 60 werkdagen (sVaRavg) Artikel 364, lid 1, punt b), ii), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0060 Meest recent beschikbare (sVaRt-1) Artikel 364, lid 1, punt b), i), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0070-0080 KAPITAALVEREISTE VOOR ADDITIONEEL WANBETALINGSRISICO EN MIGRATIERISICO Kapitaalvereiste voor additioneel wanbetalingsrisico en voor migratierisico is het grootste potentiële verlies dat zou ontstaan door een prijsverandering in verband met wanbetalingsrisico en migratierisico berekend overeenkomstig artikel 364, lid 2, punt b), juncto deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 Gemiddelde waarde over de voorgaande twaalf weken Artikel 364, lid 2, punt b), ii), juncto deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0080 Meest recente waarde Artikel 364, lid 2, punt b), i), juncto deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0090-0110 KAPITAALVEREISTE VOOR ALLE PRIJSRISICO’S VOOR CTP 0090 ONDERGRENS Artikel 364, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 8 % van het kapitaalvereiste dat overeenkomstig artikel 338, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zou zijn berekend voor alle posities in het kapitaalvereiste alle prijsrisico’s. 0100-0110 GEMIDDELDE OVER DE VOORGAANDE TWAALF WEKEN EN MEEST RECENTE WAARDE Artikel 364, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0110 MEEST RECENTE WAARDE Artikel 364, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0120 EIGENVERMOGENSVEREISTEN Eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 364 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verband met alle risicofactoren, rekening houdende met correlatie-effecten (indien van toepassing), plus additioneel wanbetalings- en migratierisico en alle prijsrisico’s voor CTP, maar niet met de kapitaalvereisten voor securitisatie en nth-to-default kredietderivaten overeenkomstig artikel 364, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0130 TOTAAL RISICOPOSTEN Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5. 0140 Aantal overschrijdingen (tijdens voorgaande 250 werkdagen) Bedoeld in artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het aantal overschrijdingen op basis waarvan het optelgetal wordt bepaald, wordt gerapporteerd. Indien het instellingen is toegestaan bepaalde overschrijdingen uit te sluiten van de berekening van de opslagfactor overeenkomstig artikel 500 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, is het aantal in deze kolom gerapporteerde overschrijdingen exclusief die uitgesloten overschrijdingen. 0150-0160 VaR-vermenigvuldigingsfactor (mc) en sVaR-vermenigvuldigingsfactor (ms) Als bedoeld in artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De vermenigvuldigingsfactoren die daadwerkelijk van toepassing zijn voor de berekening van eigenvermogensvereisten worden gerapporteerd; in voorkomend geval, na toepassing van artikel 500 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0170-0180 GESTELD VEREISTE VOOR CTP-ONDERGRENS– GEWOGEN NETTO LONG/SHORTPOSITIES NA BEGRENZING Het bedrag dat wordt gerapporteerd en dient als basis voor het berekenen van de ondergrens voor het kapitaalvereiste voor alle prijsrisico’s overeenkomstig artikel 364, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de discretie van artikel 335 van die verordening waarbij de instelling het product van het gewicht en de nettopositie mag begrenzen op het maximaal mogelijke met het wanbetalingsrisico samenhangende verlies. Rijen 0010 TOTAAL POSITIES Betreft het deel van de in artikel 363, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s in verband met de in artikel 367, lid 2, van die verordening beschreven risicofactoren. Ten aanzien van de kolommen 0030 tot en met 0060 (VaR en stressed VaR) zijn de cijfers in de rij totaal niet gelijk aan de uitsplitsing van de cijfers voor de VaR/stressed VaR van de betrokken risicocomponenten. 0020 VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN (TDI’s) Betreft het deel van het in artikel 363, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde positierisico in verband met de in artikel 367, lid 2, punt a), van die verordening beschreven renterisicofactoren. 0030 TDI – ALGEMEEN RISICO De component algemeen risico als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0040 TDI – SPECIFIEK RISICO De component specifiek risico als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0050 AANDELEN Betreft het deel van het in artikel 363, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde positierisico in verband met de in artikel 367, lid 2, punt c), van die verordening beschreven aandelenrisicofactoren. 0060 AANDELEN – ALGEMEEN RISICO De component algemeen risico als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0070 AANDELEN – SPECIFIEK RISICO De component specifiek risico als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0080 VALUTARISICO Artikel 363, lid 1, en artikel 367, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0090 GRONDSTOFFENRISICO Artikel 363, lid 1, en artikel 367, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0100 TOTAALBEDRAG VOOR ALGEMEEN RISICO Marktrisico dat het gevolg is van algemene marktontwikkelingen van verhandelbare schuldinstrumenten, aandelen, valuta en grondstoffen. VaR voor algemeen risico van alle risicofactoren (rekening houdende met correlatie-effecten, indien van toepassing). 0110 TOTAALBEDRAG VOOR SPECIFIEK RISICO De component specifiek risico van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen. VaR voor specifiek risico van aandelen en verhandelbare schuldinstrumenten van de handelsportefeuille (rekening houdende met correlatie-effecten, indien van toepassing).

5.8. C 25.00 – RISICO VAN AANPASSING VAN KREDIETWAARDERING (CVA)

5.8.

5.8.1 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 Blootstellingswaarde Artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 382 van die verordening. Totale blootstelling bij wanbetaling (EAD) uit alle aan CVA-vereiste onderworpen transacties. 0020 Waarvan: Otc-derivaten Artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 382, lid 1, van die verordening. Het uitsluitend uit otc-derivaten voortkomende deel van de totale blootstelling aan tegenpartijkredietrisico. Deze informatie wordt niet gevraagd van instellingen die de internemodellenmethode (IMM) toepassen en otc-derivaten en effectenfinancieringstransacties (SFT’s) aanhouden in dezelfde netting set. 0030 Waarvan: Effectenfinancieringstransacties (SFT’s) Artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 382, lid 2, van die verordening. Het uitsluitend uit SFT-derivaten voortkomende deel van de totale blootstelling aan tegenpartijkredietrisico. Deze informatie wordt niet gevraagd van instellingen die de internemodellenmethode (IMM) toepassen en otc-derivaten en effectenfinancieringstransacties (SFT’s) aanhouden in dezelfde netting set. 0040 VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (mc) x GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (VaRavg) Artikel 383 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 363, lid 1, punt d), van die verordening. VaR-berekening op basis van interne modellen voor marktrisico. 0050 VOORGAANDE DAG (VaRt-1) Zie de instructies voor kolom 0040. 0060 VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (ms) × GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (sVaRavg) Zie de instructies voor kolom 0040. 0070 MEEST RECENT BESCHIKBARE (sVaRt-1) Zie de instructies voor kolom 0040. 0080 EIGENVERMOGENSVEREISTEN Artikel 92, lid 3, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico, berekend met de gekozen methode. 0090 TOTAAL RISICOPOSTEN Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Eigenvermogensvereisten vermenigvuldigd met 12,5. Pro-memorieposten 0100 Aantal tegenpartijen Artikel 382 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Aantal tegenpartijen dat is opgenomen in de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico. Tegenpartijen zijn een subgroep van debiteuren. Zij komen alleen voor bij derivatentransacties of effectenfinancieringstransacties en zijn dan de tegenpartij bij de overeenkomst. 0110 Waarvan: creditspread is bepaald aan de hand van een vervangende waarde Aantal tegenpartijen waarbij de creditspread is bepaald aan de hand van een vervangende waarde in plaats van rechtstreeks waargenomen marktgegevens. 0120 AANGEGANE CVA Boekhoudkundige voorzieningen in verband met verlaagde kredietwaardigheid van tegenpartijen bij derivatentransacties. 0130 SINGLE-NAME-KREDIETVERZUIMSWAPS Artikel 386, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Totaal van notionele bedragen van single-name-kredietverzuimswaps gebruikt als hedge van CVA-risico. 0140 INDEX-KREDIETVERZUIMSWAPS Artikel 386, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Totaal van notionele bedragen van index-kredietverzuimswaps gebruikt als hedge van CVA-risico. Rijen 0010 Totaal CVA-risico Som van de kolommen 0020-0040. 0020 Geavanceerde methode Geavanceerde methode voor CVA-risico zoals voorgeschreven door artikel 383 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0030 Standaardmethode Standaardmethode voor CVA-risico zoals voorgeschreven door artikel 384 van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0040 Op basis van de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OEM) Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 385 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

6. PRUDENTE WAARDERING (PRUVAL)

6.

6.1. C 32.01 – PRUDENTE WAARDERING: TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN (PRUVAL 1)

6.1.
6.1.1176.177.

Algemene opmerkingen Deze template wordt door alle instellingen ingevuld, ongeacht of zij voor de vereenvoudigde benadering voor het bepalen van aanvullende waardeaanpassingen (AWA’s) hebben gekozen. Deze template betreft de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die wordt gebruikt om te bepalen of de in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de Commissie vastgestelde voorwaarden voor het gebruik van de vereenvoudigde benadering voor het bepalen van AWA’s, zijn vervuld. Met betrekking tot instellingen die de vereenvoudigde benadering gebruiken, bevat deze template de totale overeenkomstig de artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen af te trekken AWA zoals bepaald in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101; deze wordt dienovereenkomstig gerapporteerd in rij 0290 van C 01.00.

6.1.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, vóór enige aftrek op grond van artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0020 WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen, zoals gerapporteerd in 010, die overeenkomt met in de handelsportefeuille ingenomen posities. 0030-0070 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN, UITGESLOTEN WEGENS GEDEELTELIJKE INVLOED OP HET TIER 1-KERNKAPITAAL De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die op grond van artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten. 0030 EXACTE MATCH Tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren, worden overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 uitgesloten. 0040 HEDGE ACCOUNTING Voor posities die conform het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving aan hedge accounting zijn onderworpen, de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die op grond van artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten in verhouding tot het effect van de desbetreffende waarderingswijziging op het tier 1-kernkapitaal. 0050 PRUDENTIËLE FILTERS De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten wegens de in de artikelen 467 en 468 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde prudentiële overgangsfilters. 0060 OVERIGE Alle overige posities die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten omdat aanpassingen aan hun boekhoudkundige waardering slechts proportioneel op het tier 1-kernkapitaal van invloed zijn. Deze rij wordt alleen ingevuld in de zeldzame gevallen waarin overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 uitgesloten elementen niet aan de kolommen 0030, 0040 of 0050 van deze template kunnen worden toegewezen. 0070 OPMERKING VOOR OVERIGE Hier worden de voornaamste redenen vermeld waarom de in kolom 0060 gerapporteerde posities zijn uitgesloten. 0080 IN DE IN ARTIKEL 4, LID 1, GENOEMDE DREMPEL BEGREPEN TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN De absolute waarde van de tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die daadwerkelijk in de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende drempel zijn begrepen. 0090 WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen, zoals gerapporteerd in kolom 0080, die overeenkomt met in de handelsportefeuille ingenomen posities. Rijen 0010-0210 De definities van deze categorieën komen overeen met die van de overeenkomstige rijen van de FINREP-templates 1.1 en 1.2. 0010 1 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN Totaal van de in de rijen 0020 tot en met 0210 gerapporteerde tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen. 0020 1.1 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA Totaal van de in de rijen 0030 tot en met 0140 gerapporteerde tegen reële waarde gewaardeerde activa. De desbetreffende cellen van de rijen 0030 tot en met 0130 worden gerapporteerd in lijn met FINREP-template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening, naargelang de toepasselijke standaarden van de instelling: 0030 1.1.1 VOOR HANDELSDOELEINDEN AANGEHOUDEN FINANCIËLE ACTIVA IFRS 9, Bijlage A. De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0050 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0040 1.1.2. FINANCIËLE ACTIVA VOOR HANDELSDOELEINDEN Artikelen 32 en 33 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; deel 1.17 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met de tegen reële waarde gewaardeerde activa die zijn opgenomen in de waarde die in rij 0091 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening wordt gerapporteerd. 0050 1.1.3 VERPLICHT TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES IFRS 7.8(a)(ii); IFRS 9.4.1.4. De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0096 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0060 1.1.4 FINANCIËLE ACTIVA DIE ALS GEWAARDEERD TEGEN REËLE WAARDE MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES ZIJN AANGEWEZEN IFRS 7.8(a)(i); IFRS 9.4.1.5; artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2013/34/EU De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0100 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0070 1.1.5 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE FINANCIËLE ACTIVA MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN DE OVERIGE ONDERDELEN VAN HET TOTAALRESULTAAT IFRS 7.8(h); IFRS 9.4.1.2A. De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0141 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0080 1.1.6 NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN DIE TEGEN REËLE WAARDE ZIJN GEWAARDEERD MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES Artikel 36, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0171 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0090 1.1.7 NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN DIE TEGEN REËLE WAARDE ZIJN GEWAARDEERD MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN HET EIGEN VERMOGEN Artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 8, van Richtlijn 2013/34/EU De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0175 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0100 1.1.8 OVERIGE NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN Artikelen 37 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 12, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 1.20 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met de tegen reële waarde gewaardeerde activa die zijn opgenomen in de waarde die in rij 0234 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening wordt gerapporteerd. 0110 1.1.9 DERIVATEN – HEDGE ACCOUNTING IFRS 9.6.2.1; deel 1.22 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, leden 6 en 8, van Richtlijn 2013/34/EU; IAS 39.9 De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0240 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0120 1.1.10 VERANDERINGEN IN REËLE WAARDE VAN GEHEDGDE POSITIES BIJ HEDGE VAN HET RENTERISICO VAN EEN PORTEFEUILLE IAS 39.89A(a); IFRS 9.6.5.8; artikel 8, leden 5 en 6, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad. De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0250 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0130 1.1.11 DEELNEMINGEN IN DOCHTERONDERNEMINGEN, JOINT VENTURES EN GEASSOCIEERDE DEELNEMINGEN IAS 1.54(e); de delen 1.21 en 2.4 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 4, punten 7 en 8, van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2013/34/EU De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0260 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0140 1.1.12 (–) REDUCTIEFACTOREN VOOR ACTIVA VOOR HANDELSDOELEINDEN TEGEN REËLE WAARDE Deel 1.29 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0375 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0142 1.1.13 ANDERE ACTIVA Activa als bedoeld in de punten 5 en 6 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd. 0143 1.1.14 ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP GECLASSIFICEERDE VASTE ACTIVA EN GROEPEN ACTIVA DIE WORDEN AFGESTOTEN Activa als bedoeld in punt 7 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd. 0150 1.2 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN Totaal van de in de rijen 0160 tot en met 0210 gerapporteerde tegen reële waarde gewaardeerde verplichtingen. De desbetreffende cellen van de rijen 0150 tot en met 0190 worden gerapporteerd in lijn met FINREP-template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening, naargelang de toepasselijke standaarden van de instelling: 0160 1.2.1 VOOR HANDELSDOELEINDEN AANGEHOUDEN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN IFRS 7.8(e)(ii); IFRS 9.BA.6. De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0010 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0170 1.2.2. FINANCIËLE VERPLICHTINGEN VOOR HANDELSDOELEINDEN Artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, leden 3 en 6, van Richtlijn 2013/34/EU De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0061 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0180 1.2.3 FINANCIËLE VERPLICHTINGEN DIE ALS GEWAARDEERD TEGEN REËLE WAARDE MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES ZIJN AANGEWEZEN IFRS 7.8(e)(i); IFRS 9.4.2.2; artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2013/34/EU; IAS 39.9. De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0070 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0190 1.2.4 DERIVATEN – HEDGE ACCOUNTING IFRS 9.6.2.1; deel 1.26 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 8, lid 1, punt a), artikel 8, lid 6, en artikel 8, lid 8, punt a), van Richtlijn 2013/34/EU De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0150 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0200 1.2.5 VERANDERINGEN IN REËLE WAARDE VAN GEHEDGDE POSITIES BIJ HEDGING VAN HET RENTERISICO VAN EEN PORTEFEUILLE IAS 39.89A(b), IFRS 9.6.5.8; artikel 8, leden 5 en 6, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 2.8 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0160 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0210 1.2.6 REDUCTIEFACTOREN VOOR VERPLICHTINGEN VOOR HANDELSDOELEINDEN TEGEN REËLE WAARDE Deel 1.29 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0295 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening. 0220 1.2.7 ANDERE VERPLICHTINGEN Verplichtingen als bedoeld in de punt 13 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd. 0230 1.2.8 VERPLICHTINGEN DIE DEEL UITMAKEN VAN ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP GECLASSIFICEERDE GROEPEN DIE WORDEN AFGESTOTEN Verplichtingen als bedoeld in de punt 14 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd.

IFRS zoals bekrachtigd door de Unie uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (EU IFRS);

met de EU IFRS verenigbare nationale standaarden voor jaarrekeningen (met IFRS verenigbare nationale GAAP); of

Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad ((FINREP Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad).

IFRS zoals bekrachtigd door de Unie uit hoofde van Verordening (EU) 1606/2002 (EU IFRS);

met de EU IFRS verenigbare nationale standaarden voor jaarrekeningen (met IFRS verenigbare nationale GAAP);

of Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad ((FINREP Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad).

6.2. C 32.02 – PRUDENTE WAARDERING: KERNBENADERING (PRUVAL 2)

6.2.
6.2.1178.179.180.

Algemene opmerkingen Deze template dient om informatie te verstrekken over de samenstelling van de totale overeenkomstig de artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen af te trekken AWA, alsmede relevante informatie over de boekhoudkundige waardering van de posities waarvoor AWA’s worden vastgesteld. Deze template wordt ingevuld door alle instellingen die: Ten behoeve van deze template wordt onder opwaartse onzekerheid verstaan: Zoals bepaald in artikel 8, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, worden AWA’s berekend als het verschil tussen de reële waarde en een prudente waardering, op basis van een zekerheid van 90 % dat de instelling binnen de notionele range van plausibele waarden op dat punt (of beter) de blootstelling kan verlaten. De opwaartse waarde of opwaartse onzekerheid is het tegenovergestelde punt in de distributie van plausibele waarden waarop de instelling slechts met een zekerheid van 10 % op dat punt (of beter) de blootstelling kan verlaten. De opwaartse onzekerheid wordt berekend en geaggregeerd op dezelfde basis als de totale AWA, doch met substitutie van het bij het vaststellen van de totale AWA gebruikte zekerheidsniveau van 90 % door een zekerheidsniveau van 10 %.

6.2.1178.179. a)

de kernbenadering moeten gebruiken omdat zij hetzij op individuele basis hetzij op geconsolideerde basis de in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde drempel overschrijden, zoals bepaald in artikel 4, lid 3, van die verordening; of

b)

ervoor hebben gekozen de kernbenadering toe te passen hoewel zij de drempel niet overschrijden.

6.2.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0010-0100 AWA’S OP CATEGORIENIVEAU De AWA’s op categorieniveau voor onzekerheid van de marktprijzen, close-out-kosten, modelrisico, geconcentreerde posities, toekomstige administratiekosten, vervroegde beëindiging en operationele risico’s worden berekend zoals beschreven in, respectievelijk, de artikelen 9, 10, 11, en 14 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. Voor de categorieën onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico, waarvoor diversificatievoordeel geldt zoals bepaald in, respectievelijk, artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, worden AWA’s op categorieniveau, tenzij anders bepaald, gerapporteerd als de eenvoudige som van de individuele AWA’s vóór diversificatievoordeel [aangezien de diversificatievoordelen die worden berekend volgens methode 1 of methode 2 van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, in de posten 1.1.2, 1.1.2.1 en 1.1.2.2 van de template worden gerapporteerd]. Voor de categorieën onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico worden de bedragen die zijn berekend volgens de op deskundigenopinies gebaseerde benadering, als bedoeld in artikel 9, lid 5, punt b), artikel 10, lid 6, punt b), en artikel 11, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, afzonderlijk gerapporteerd in de kolommen 0020, 0040 en 0060. 0010 ONZEKERHEID VAN DE MARKTPRIJZEN Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen berekend overeenkomstig artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0020 WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen berekend overeenkomstig artikel 9, lid 5, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0030 CLOSE-OUTKOSTEN Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 AWA’s in verband met close-outkosten berekend overeenkomstig artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0040 WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING AWA’s in verband met close-outkosten berekend overeenkomstig artikel 10, lid 6, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0050 MODELRISICO Artikel 105, punt 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 AWA’s in verband met modelrisico berekend overeenkomstig artikel 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0060 WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING AWA’s in verband met modelrisico berekend overeenkomstig artikel 11, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0070 GECONCENTREERDE POSITIES Artikel 105, lid 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013 AWA’s in verband met geconcentreerde posities berekend overeenkomstig artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0080 TOEKOMSTIGE ADMINISTRATIEKOSTEN Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 AWA’s in verband met toekomstige administratiekosten berekend overeenkomstig artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0090 VERVROEGDE BEËINDIGING Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 AWA’s in verband met vervroegde beëindiging berekend overeenkomstig artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0100 OPERATIONEEL RISICO Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 AWA’s in verband met operationeel risico berekend overeenkomstig artikel 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0110 TOTALE AWA Rij 0010: Totale AWA die overeenkomstig de artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen moet worden afgetrokken, en dienovereenkomstig in rij 0290 van C 01.00 wordt gerapporteerd. De totale AWA is de som van de rijen 0030 en 0180. Rij 0020: Aandeel van de in rij 0010 gerapporteerde totale AWA afkomstig van posities in de handelsportefeuille (absolute waarde). De rijen 0030 tot en met 0160: Som van de kolommen 0010, 0030, 0050 en 0070 tot en met 0100. De rijen 0180 tot en met 0210: Totale AWA afkomstig van portefeuilles volgens de fall-backbenadering. 0120 OPWAARTSE ONZEKERHEID Artikel 8, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 De opwaartse onzekerheid wordt berekend en geaggregeerd op dezelfde basis als de in kolom 0110 berekende totale AWA, doch met substitutie van het bij het bepalen van de totale AWA gebruikte zekerheidsniveau van 90 % door een zekerheidsniveau van 10 %. 0130-0140 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomt met de in de rijen 0010 tot en met 0130 en rij 0180 gerapporteerde AWA-bedragen. Voor sommige rijen, en met name de rijen 0090 tot en met 0130, kunnen deze bedragen bij benadering worden vastgesteld of op basis van een deskundigenopinie worden toegewezen. Rij 0010: De totale absolute waarde van de tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die in de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende drempel zijn begrepen. Dat omvat de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen waarvan de AWA’s overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden geacht een waarde nul te hebben, die ook afzonderlijk in de rijen 0070 en 0080 worden gerapporteerd. Rij 0010 is de som van rij 0030 en rij 0180. Rij 0020: Aandeel van de in rij 0010 gerapporteerde totale absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen afkomstig van posities in de handelsportefeuille (absolute waarde). Rij 0030: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenstemt met de in de artikelen 9 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 bedoelde portefeuilles. Dat omvat de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen waarvan de AWA’s overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden geacht een waarde nul te hebben, die ook afzonderlijk in de rijen 0070 en 0080 worden gerapporteerd. Rij 0030 is de som van de rijen 0090 tot en met 0130. Rij 0050: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van AWA’s in verband met unearned credit spreads. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren. Rij 0060: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de AWA in verband met beleggings- en financieringskosten. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren. Rij 0070: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die geacht worden een in artikel 9, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 bedoelde AWA-waarde nul te hebben. Rij 0080: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die geacht worden een in artikel 10, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 bedoelde AWA-waarde nul te hebben. De rijen 0090 tot en met 0130: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zoals hieronder uiteengezet (zie de instructies rijen voor de desbetreffende rijen) zijn toegewezen volgens de onderstaande risicocategorieën: rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen. Dat omvat de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen waarvan de AWA’s overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden geacht een waarde nul te hebben, die ook afzonderlijk in de rijen 0070 en 0080 worden gerapporteerd. Rij 0180: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomt met de portefeuilles volgens de fall-backbenadering. 0130 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa die overeenkomt met de verschillende rijen zoals uiteengezet in de instructies voor de kolommen 0130-0140 hierboven. 0140 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde verplichtingen die overeenkomt met de verschillende rijen zoals uiteengezet in de instructies voor de kolommen 0130-0140 hierboven. 0150 QTD-INKOMSTEN De inkomsten van het lopende kwartaal (QTD-inkomsten) sinds de laatste rapportagedatum die zijn toegewezen aan de tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de verschillende rijen zoals uiteengezet in de instructies voor de kolommen 0130-0140 hierboven, indien nodig toegewezen of bij benadering vastgesteld op basis van een deskundigenopinie. 0160 IPV-VERSCHIL De som voor alle posities en risicofactoren van niet-gecorrigeerde verschillen (IPV-verschil) berekend aan het einde van de maand die het dichtst bij de rapportagedatum ligt, bij de onafhankelijke prijsverificatie (independent price verification – IPV) overeenkomstig artikel 105, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot de best beschikbare onafhankelijke gegevens voor de betrokken positie of risicofactor. Niet-gecorrigeerde verschillen betreffen niet-gecorrigeerde verschillen tussen de door het handelssysteem gegenereerde waarderingen en de waarderingen die tijdens het maandelijkse IPV-proces worden gevormd. Bij de berekening van het IPV-verschil worden in de boeken en bescheiden van de instelling voor de betrokken datum einde maand geen gecorrigeerde verschillen opgenomen. 0170-0250 AANPASSINGEN REËLE WAARDE Aanpassingen, soms ook reserves genoemd, die mogelijk worden aangebracht aan de boekhoudkundige reële waarde van de instelling en die worden aangebracht buiten het waarderingsmodel dat wordt gebruikt om boekwaarden te genereren (met uitsluiting van bij eerste opname (day one) uitgestelde winst of verlies) en waarvan kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreffen als de betrokken AWA. Zij kunnen risicofactoren weergeven die niet tot uitdrukking komen in de waarderingstechniek, in de vorm van een risicopremie of uitstapkosten, en die aan de definitie van reële waarde voldoen. Marktdeelnemers moeten daarmee echter rekening houden bij het bepalen van een prijs. (IFRS 13.9 en IFRS 13.88) 0170 ONZEKERHEID VAN DE MARKTPRIJZEN Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om de risicopremie weer te geven die voortvloeit uit het bestaan van een reeks waargenomen prijzen voor gelijkwaardige instrumenten of, bij marktparameters als input voor een waarderingsmodel, de instrumenten waarvan de input is gekalibreerd, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met onzekerheid van de marktprijzen. 0180 CLOSE-OUTKOSTEN Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling ter correctie van het feit dat in de waarderingen op positieniveau geen verkoopprijs (exit price) voor de positie of de portefeuille wordt weergegeven, met name wanneer dergelijke waarderingen op een middenkoers (mid-market price) worden gekalibreerd, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreffen als de AWA in verband met close-outkosten. 0190 MODELRISICO Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om markt- of productfactoren weer te geven die niet tot uitdrukking komen in het voor de berekening van de dagelijkse positiewaarden en -risico’s gebruikte model (waarderingsmodel) of om een passend niveau van voorzichtigheid weer te geven gezien de onzekerheid ten gevolge van het bestaan van een reeks alternatieve valide modellen en modelkalibraties, en waarvan kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met modelrisico. 0200 GECONCENTREERDE POSITIES Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om weer te geven dat de door de instelling aangehouden geaggregeerde positie groter is dan het normale verhandelde volume of groter is dan de omvang van de posities waarop waarneembare noteringen of transacties zijn gebaseerd die worden gebruikt om de door het waarderingsmodel gebruikte prijs of inputs te kalibreren, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met geconcentreerde posities. 0210 UNEARNED CREDIT SPREADS Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling ter dekking van verwachte verliezen als gevolg van wanbetaling door de tegenpartij ten aanzien van posities in derivaten (d.w.z. totale Credit Valuation Adjustment (CVA) op het niveau van de instelling). 0220 BELEGGINGS- EN FINANCIERINGSKOSTEN Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling als compensatie voor gevallen waarin waarderingsmodellen niet volledig de financieringskosten weergeven die marktdeelnemers meerekenen in de verkoopprijs voor een positie of portefeuille (d.w.z. totale Funding Valuation Adjustment (FVA) op instellingsniveau indien een instelling die aanpassing berekent, of anders, een gelijkwaardige aanpassing). 0230 TOEKOMSTIGE ADMINISTRATIEKOSTEN Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om administratiekosten weer te geven die door de portefeuille of de positie worden gemaakt maar die niet tot uiting komen in het waarderingsmodel of in de voor het kalibreren van inputs voor dat model gebruikte prijzen, en waarvan kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met toekomstige administratiekosten. 0240 VERVROEGDE BEËINDIGING Aanpassingen die worden aangebracht in de reële waarde van de instelling om de verwachtingen inzake contractuele of niet-contractuele vervroegde beëindiging weer te geven die niet in het waarderingsmodel tot uiting komen, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met vervroegde beëindiging. 0250 OPERATIONEEL RISICO Aanpassingen die worden aangebracht aan de reële waarde van de instelling om de risicopremie weer te geven die marktdeelnemers ter compensatie van operationele risico’s wegens hedging, administratie en afwikkeling van contracten in de portefeuille in rekening zouden brengen, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreffen als de AWA in verband met operationeel risico. 0260 WINST EN VERLIES BIJ EERSTE OPNAME Aanpassingen om rekening te houden met gevallen waarin het waarderingsmodel plus alle andere desbetreffende op een positie of portefeuille toepasselijke reëlewaardeaanpassingen de bij eerste opname (day one) betaalde of ontvangen prijs niet weerspiegelden, d.w.z. de bij eerste opname (day one) uitgestelde winst of verlies (IFRS 9.B5.1.2.A). 0270 BESCHRIJVING EN UITLEG Beschrijving van de posities die zijn behandeld overeenkomstig artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, en de reden waarom de artikelen 9 tot en met 17 niet konden worden toegepast. Rijen 0010 1. TOTAAL KERNBENADERING Artikel 7, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 Voor elke in de kolommen 0010 tot en met 0110 bedoelde desbetreffende categorie AWA’s, de volgens de in hoofdstuk 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 uiteengezette kernbenadering berekende totale AWA’s voor tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de drempel overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening. Dat omvat de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 in rij 0140 gerapporteerde diversificatievoordelen. 0020 WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE Artikel 7, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 Voor elke in de kolommen 0010 tot en met 0110 bedoelde desbetreffende categorie AWA’s, het aandeel van de in rij 0010 gerapporteerde totale AWA’s afkomstig van posities in de handelsportefeuille (absolute waarde). 0030 1.1 PORTEFEUILLES OVEREENKOMSTIG DE ARTIKELEN 9 T/M 17 VAN GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/101 VAN DE COMMISSIE – TOTALE AWA OP CATEGORIENIVEAU NA DIVERSIFICATIE Artikel 7, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 Voor elke in de kolommen 0010 tot en met 0110 bedoelde desbetreffende categorie AWA’s, de volgens de artikelen 9 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA’s voor tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de drempel overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening, met uitzondering van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die aan de in artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 beschreven behandeling zijn onderworpen. Dat omvat de overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 in de rijen 0050 en 0060 gerapporteerde AWA’s die begrepen zijn in de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico, zoals beschreven in artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 2, van die verordening. Dat omvat de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 in rij 0140 gerapporteerde diversificatievoordelen. Rij 0030 is het verschil tussen de rijen 0040 en 0140. 0040-0130 1.1.1. TOTALE AWA OP CATEGORIENIVEAU VÓÓR DIVERSIFICATIE Voor de rijen 0090 tot en met 0130 wijzen de instellingen hun tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende drempel (handelsportefeuille en niet-handelsportefeuille), toe volgens de onderstaande risicocategorieën: rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen. Hiertoe doen de instellingen een beroep op hun interne risicobeheersstructuur en, na een op basis van deskundigenopinie ontwikkelde mapping, wijzen zij hun bedrijfsonderdelen of tradingafdelingen toe aan de meest geschikte risicocategorie. AWA’s, reëlewaardeaanpassingen en andere vereiste informatie, die overeenkomen met de toegewezen bedrijfsonderdelen of tradingafdelingen, worden vervolgens aan dezelfde desbetreffende risicocategorie toegewezen, om op rijniveau voor elke risicocategorie een samenhangend overzicht te bieden van de om prudentiële en boekhoudkundige redenen aangebrachte aanpassingen, alsmede een indicatie van de omvang van de betrokken posities (in termen van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen). Indien AWA’s of andere aanpassingen op een ander aggregatieniveau zijn berekend, met name op ondernemingsniveau, ontwikkelen de instellingen een methode om de AWA’s aan de relevante reeksen posities toe te wijzen. De toewijzingsmethode resulteert erin dat rij 0040 de som is van de rijen 0050 tot en met 0130 voor de kolommen 0010 tot en met 0100. Welke benadering ook wordt toegepast, de gerapporteerde informatie is op rijniveau zo consistent mogelijk, aangezien de verstrekte informatie op dit niveau zal worden vergeleken (AWA-bedragen, opwaartse onzekerheid, reëlewaardebedragen en eventuele reëlewaardeaanpassingen). De uitsplitsing in de rijen 0090 tot en met 0130 omvat niet de overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende AWA’s die in de rijen 0050 en 0060 worden gerapporteerd en begrepen zijn in de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico, zoals beschreven in artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 2, van die verordening. De diversificatievoordelen worden overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 gerapporteerd in rij 0140 en worden dus in de rijen 0040 tot en met 0130 buiten beschouwing gelaten. 0050 WAARVAN: AWA IN VERBAND MET UNEARNED CREDIT SPREADS Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 De berekende totale AWA in verband met unearned credit spreads (AVA on CVA) en de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico overeenkomstig artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. Kolom 0110 De totale AWA wordt louter ter informatie verstrekt, aangezien deze door de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico – na inaanmerkingneming van de diversificatievoordelen – wordt opgenomen onder de respectieve AWA’s op categorieniveau. Kolom 0130 en 0140: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van AWA’s in verband met unearned credit spreads. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren. 0060 WAARVAN: AWA IN VERBAND MET BELEGGINGS- EN FINANCIERINGSKOSTEN Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 De berekende totale AWA in verband met beleggings- en financieringskosten en de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico overeenkomstig artikel 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. Kolom 0110: De totale AWA wordt louter ter informatie verstrekt, aangezien deze door de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico – na inaanmerkingneming van de diversificatievoordelen – wordt opgenomen onder de respectieve AWA’s op categorieniveau. Kolom 0130 en 0140: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de AWA in verband met beleggings- en financieringskosten. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren. 0070 WAARVAN: AWA MET EEN GEACHTE WAARDE NUL OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 9, LID 2, VAN Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die volgens artikel 9, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 geacht worden een AWA-waarde nul te hebben. 0080 WAARVAN: AWA MET EEN GEACHTE WAARDE NUL OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 10, LEDEN 2 EN 3, VAN GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/101 Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die volgens artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 geacht worden een AWA-waarde nul te hebben. 0090 1.1.1.1 RENTE 0100 1.1.1.2 VALUTA 0110 1.1.1.3 KREDIET 0120 1.1.1.4 AANDELEN 0130 1.1.1.5 GRONDSTOFFEN 0140 1.1.2 (–) DIVERSIFICATIEVOORDELEN Totaal van de diversificatievoordelen. Som van de kolommen 0150 en 0160. 0150 1.1.2.1 (–) DIVERSIFICATIEVOORDEEL BEREKEND VOLGENS METHODE 1 Voor de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 volgens methode 1 geaggregeerde AWA-categorieën, het verschil tussen de som van de individuele AWA’s en de totale AWA op categorieniveau na correctie voor aggregatie. 0160 1.1.2.2 (–) DIVERSIFICATIEVOORDEEL BEREKEND VOLGENS METHODE 2 Voor de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 volgens methode 2 geaggregeerde AWA-categorieën, het verschil tussen de som van de individuele AWA’s en de totale AWA op categorieniveau na correctie voor aggregatie. 0170 1.1.2.2* PRO-MEMORIEPOST: AWA’S VÓÓR DIVERSIFICATIE VERMINDERD MET MEER DAN 90 % DOOR DIVERSIFICATIE VOLGENS METHODE 2 Volgens de terminologie van methode 2, de som van RW – PW voor alle waarderingsblootstellingen waarbij APWA < 10 % (RW – PW). 0180 1.2. PORTEFEUILLES BEREKEND VOLGENS DE FALL-BACKBENADERING Artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 Voor overeenkomstig artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 aan de fall-backbenadering onderworpen portefeuilles wordt de totale AWA berekend als de som van de rijen 0190, 0200 en 0210. De desbetreffende balansinformatie en andere contextuele informatie worden verstrekt in de kolommen 0130 tot en met 0260. Een beschrijving van de posities en de reden waarom de artikelen 9 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 niet konden worden toegepast, worden verstrekt in kolom 0270. 0190 1.2.1 FALL-BACKBENADERING; 100% VAN NIET-GEREALISEERDE WINST Artikel 7, lid 2, punt b), i), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 0200 1.2.2 FALL-BACKBENADERING; 10 % VAN NOTIONELE WAARDE Artikel 7, lid 2, punt b), ii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 0210 1.2.3 FALL-BACKBENADERING; 25 % VAN WAARDE BIJ AANVANG Artikel 7, lid 2, punt b), iii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

6.3. C 32.03 – PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET MODELRISICO (PRUVAL 3)

6.3.
6.3.1181.182.183.184.185.

Algemene opmerkingen Deze template hoeft alleen te worden ingevuld door instellingen die de in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde drempel op hun niveau overschrijden. Instellingen die deel uitmaken van een groep die de drempel op geconsolideerde basis overschrijdt, hoeven deze template alleen te rapporteren indien zij de drempel ook op hun niveau overschrijden. Deze template wordt gebruikt om nadere bijzonderheden te rapporteren van de 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met modelrisico in termen van het AWA-bedrag dat bijdraagt aan de overeenkomstig artikel 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA in verband met modelrisico op categorieniveau. Die informatie komt overeen met de in kolom 0050 van template C 32.02 gerapporteerde informatie. De 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met modelrisico, en de overeenkomstige productinformatie, worden gerapporteerd in afnemende volgorde, te beginnen bij de grootste individuele AWA in verband met modelrisico. Producten die overeenkomen met die belangrijkste individuele AWA’s in verband met modelrisico, worden gerapporteerd aan de hand van de in artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten. Indien de producten voldoende homogeen zijn wat betreft het waarderingsmodel en de AWA in verband met modelrisico, worden zij samengevoegd en op één lijn getoond zodat in deze template de totale AWA in verband met modelrisico op categorieniveau van de instelling maximaal wordt weergegeven.

6.3.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0005 RANG De rang is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template. Hij volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort, waarbij de hoogste individuele AWA in verband met modelrisico rang 1 krijgt, de op één na hoogste rang 2 enz. 0010 MODEL Interne (alfanumerieke) naam van het model waarmee de instelling het model identificeert. 0020 RISICOCATEGORIE De risicocategorie (rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen) die het product of de productgroep waarvoor de waardeaanpassing in verband met modelrisico wordt uitgevoerd, het adequaatst kenmerkt. De instellingen rapporteren de volgende codes: IR rente FX valuta CR krediet EQ aandelen CO grondstoffen. 0030 PRODUCT Interne (alfanumerieke) naam van het product of de productgroep, overeenkomstig de op grond van artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten, waarvoor de waardering met gebruikmaking van het model is uitgevoerd. 0040 WAARNEEMBAARHEID Aantal prijswaarnemingen voor het product of de productgroep tijdens de afgelopen twaalf maanden die aan een van de volgende criteria voldoen: De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: none (geen), 1-6, 6-24, 24-100, 100+. 0050 AWA IN VERBAND MET MODELRISICO Artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 Individuele AWA in verband met modelrisico vóór diversificatievoordelen, doch in voorkomend geval na nettering van portefeuilles. 0060 WAARVAN: VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING Bedragen in kolom 0050 die zijn berekend volgens de op deskundigenopinies gebaseerde benadering, als bedoeld in artikel 11, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0070 WAARVAN: GEAGGREGEERD VOLGENS METHODE 2 Bedragen in kolom 0050 die zijn geaggregeerd volgens methode 2 van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. Deze bedragen komen overeen met RW – PW in de terminologie van die bijlage. 0080 GEAGGREGEERDE AWA BEREKEND VOLGENS METHODE 2 De bijdrage aan de overeenkomstig artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA in verband met modelrisico op categorieniveau, van volgens methode 2 van de bijlage bij die verordening geaggregeerde individuele AWA’s in verband met modelrisico. Dat bedrag komt overeen met APWA in de terminologie van de bijlage. 0090-0100 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die volgens het in kolom 0010 gerapporteerde model zijn gewaardeerd, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving. 0090 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa die volgens het in kolom 0010 gerapporteerde model zijn gewaardeerd, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving. 0100 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde verplichtingen die volgens het in kolom 0010 gerapporteerde model zijn gewaardeerd, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving. 0110 IPV-VERSCHIL (OUTPUT TESTING) De som van niet-gecorrigeerde verschillen (IPV-verschil) berekend aan het einde van de maand die het dichtst ligt bij de rapportagedatum, bij de onafhankelijke prijsverificatie overeenkomstig artikel 105, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot de best beschikbare onafhankelijke gegevens voor het overeenkomstige product of de overeenkomstige productgroep. Niet-gecorrigeerde verschillen betreffen niet-gecorrigeerde verschillen tussen de door het handelssysteem gegenereerde waarderingen en de waarderingen die tijdens het maandelijkse IPV-proces worden gevormd. Bij de berekening van het IPV-verschil worden in de boeken en bescheiden van de instelling voor de betrokken datum einde maand geen gecorrigeerde verschillen opgenomen. Alleen resultaten die zijn gekalibreerd op basis van prijzen van instrumenten die naar hetzelfde product zouden worden gemapt (output testing), worden hier opgenomen. De resultaten van input testing op basis van inputs van marktgegevens die getest zijn tegen niveaus die op basis van verschillende producten zijn gekalibreerd, worden niet opgenomen. 0120 IPV-DEKKING (OUTPUT TESTING) Het percentage van die posities die naar het model worden gemapt, gewogen naar AWA in verband met modelrisico, dat wordt gedekt door de in kolom 0110 opgegeven resultaten van de output IPV-testing. 0130-0140 AANPASSINGEN REËLE WAARDE Reëlewaardeaanpassingen als bedoeld in de kolommen 0190 en 0240 van template C 32.02 die zijn toegepast op de posities die naar het model in kolom 0010 zijn gemapt. 0150 WINST EN VERLIES BIJ EERSTE OPNAME Aanpassingen als gedefinieerd in kolom 0260 van template C 32.02 die zijn toegepast op de posities die naar het model in kolom 0010 zijn gemapt.

de prijswaarneming is een prijs waartegen de instelling een transactie heeft uitgevoerd;

het is een controleerbare prijs voor een daadwerkelijke transactie tussen derden;

de prijs is afkomstig van een bindende notering.

6.4 C 32.04 – PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET GECONCENTREERDE POSITIES (PRUVAL 4)

6.4
6.4.1186.187.188.189.190.

Algemene opmerkingen Deze template hoeft alleen te worden ingevuld door instellingen die de in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde drempel op hun niveau overschrijden. Instellingen die deel uitmaken van een groep die de drempel op geconsolideerde basis overschrijdt, hoeven deze template alleen te rapporteren indien zij de drempel ook op hun niveau overschrijden. Deze template wordt gebruikt om nadere bijzonderheden te rapporteren van de 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met geconcentreerde posities in termen van het AWA-bedrag dat bijdraagt aan de overeenkomstig artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA in verband met geconcentreerde posities op categorieniveau. Deze informatie komt overeen met de in kolom 0070 van template C 32.02 gerapporteerde informatie. De 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met geconcentreerde posities, en de overeenkomstige productinformatie, worden gerapporteerd in afnemende volgorde, te beginnen bij de grootste individuele AWA in verband met geconcentreerde posities. Producten die overeenkomen met die belangrijkste individuele AWA’s in verband met geconcentreerde posities, worden gerapporteerd aan de hand van de in artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten. Posities die homogeen zijn wat betreft de methode voor de berekening van de AWA, worden waar mogelijk geaggregeerd om de dekking van deze template te maximaliseren.

6.4.2 Instructies voor specifieke posities Kolommen 0005 RANG De rang is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template. Hij volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort, waarbij de hoogste individuele AWA in verband met geconcentreerde posities rang 1 krijgt, de op één na hoogste rang 2 enz. 0010 RISICOCATEGORIE De risicocategorie (rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen) die de positie het beste kenmerkt. De instellingen rapporteren de volgende codes: IR Rente FX Valuta CR Krediet EQ Aandelen CO Grondstoffen. 0020 PRODUCT Interne naam van het product of de productgroep, overeenkomstig de op grond van artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten. 0030 ONDERLIGGENDE Interne naam van het of de onderliggende of onderliggenden in geval van derivaten, of van de instrumenten ingeval het geen derivaten betreft. 0040 OMVANG GECONCENTREERDE POSITIE Omvang van de overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde individuele geconcentreerde waarderingspositie, uitgedrukt in de in kolom 0050 beschreven eenheid. 0050 MAATSTAF VAN OMVANG Eenheid van de maatstaf van omvang die intern wordt gebruikt bij de vaststelling van de geconcentreerde waarderingspositie om de in kolom 0040 bedoelde omvang van de geconcentreerde positie te berekenen. Rapporteer bij posities in obligaties of aandelen de voor intern risicobeheer gebruikte eenheid, zoals aantal obligaties, aantal aandelen of marktwaarde. Bij posities in derivaten de voor intern risicobeheer gebruikte eenheid rapporteren, zoals PV01; EUR per 1 basispunt van parallelle verschuiving van de rentecurve. 0060 MARKTWAARDE Marktwaarde van de positie. 0070 PRUDENTE EXITPERIODE De prudente exitperiode in aantal dagen geraamd overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. 0080 AWA IN VERBAND MET GECONCENTREERDE POSITIES De overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende AWA in verband met geconcentreerde posities voor de desbetreffende individuele geconcentreerde waarderingspositie. 0090 REËLEWAARDEAANPASSING VOOR GECONCENTREERDE POSITIE Het bedrag van alle toegepaste reëlewaardeaanpassingen om weer te geven dat de door de instelling aangehouden geaggregeerde positie groter is dan het normale verhandelde volume of groter is dan de omvang van de posities waarop de noteringen of transacties zijn gebaseerd die worden gebruikt om de door het waarderingsmodel gebruikte prijs of inputs te kalibreren. Het gerapporteerde bedrag komt overeen met het bedrag dat op de desbetreffende individuele geconcentreerde waarderingspositie is toegepast. 0100 IPV-VERSCHIL De som van niet-gecorrigeerde verschillen (IPV-verschil) berekend aan het einde van de maand die het dichtst ligt bij de rapportagedatum, bij de onafhankelijke prijsverificatie overeenkomstig artikel 105, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot de best beschikbare onafhankelijke gegevens voor het overeenkomstige product of de overeenkomstige productgroep. Niet-gecorrigeerde verschillen verwijzen naar niet-gecorrigeerde verschillen tussen de door het handelssysteem gegenereerde waarderingen en de waarderingen die tijdens het maandelijkse IPV-proces worden gevormd. Bij de berekening van het IPV-verschil worden in de boekhouding van de instelling voor de betrokken datum einde maand geen gecorrigeerde verschillen opgenomen.

7. C 33.00 – BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT ALGEMENE OVERHEDEN (GOV)

7.
7.1.191.192.193.194.195.196.

ALGEMENE OPMERKINGEN De informatie voor template C 33.00 bestrijkt alle blootstellingen met betrekking tot Algemene overheden in de zin van punt 42, punt b), van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening. Indien de blootstellingen met betrekking tot Algemene overheden onderworpen zijn aan eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden blootstellingen met betrekking tot Algemene overheden opgenomen in verschillende blootstellingscategorieën overeenkomstig de artikelen 112 en 147 van die verordening, zoals nader uitgewerkt in de instructies voor het invullen van de templates C 07.00, C 08.01 en C 08.02. Tabel 2 (Standaardbenadering) en tabel 3 (Interneratingbenadering), opgenomen in deel drie van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, worden in acht genomen wanneer in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor het berekenen van vermogensvereisten gebruikte blootstellingscategorieën worden gemapt naar de tegenpartijsector Algemene overheden. Informatie wordt gerapporteerd voor de totale geaggregeerde blootstellingen (d.w.z. de som van alle landen waarin de bank blootstellingen aan overheden heeft) en voor elk land op grond van de vestigingsplaats van de tegenpartij op directeleningnemerbasis. De toewijzing van blootstellingen aan blootstellingsklassen of rechtsgebieden gebeurt zonder rekening te houden met kredietrisicolimiteringstechnieken en met name zonder rekening te houden met substitutie-effecten. Wel omvat de berekening van de blootstellingswaarden en risicogewogen posten voor elke blootstellingscategorie en elk rechtsgebied de impact van kredietrisicolimiteringstechnieken, daaronder begrepen substitutie-effecten. Voor het rapporteren van informatie over blootstellingen met betrekking tot Algemene overheden volgens rechtsgebied van de vestigingsplaats van de directe tegenpartij niet zijnde het nationale rechtsgebied van de rapporterende instelling gelden de drempels in artikel 6, lid 3, van deze uitvoeringsverordening.

7.2.197.198.199.

REIKWIJDTE VAN DE TEMPLATE BETREFFENDE BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT ALGEMENE OVERHEDEN De GOV-template bestrijkt rechtstreekse blootstellingen met betrekking tot Algemene overheden in de vorm van posten binnen en posten buiten de balanstelling en derivaten in de niet-handels- en de handelsportefeuille. Daarnaast wordt ook een pro-memoriepost gevraagd over indirecte blootstellingen in de vorm van met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten. Een blootstelling is een directe blootstelling wanneer de directe tegenpartij een entiteit is die een algemene overheid is in de zin van punt 42, punt b), van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening. De template is verdeeld in twee delen. Het eerste deel is gebaseerd op een uitsplitsing van blootstelling naar risico, regelgevingsbenadering en blootstellingscategorieën, terwijl het tweede deel is gebaseerd op een uitsplitsing naar resterende looptijd.

7.3. INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES Kolommen Instructies 0010-0260 DIRECTE BLOOTSTELLINGEN 0010-0140 BLOOTSTELLINGEN BINNEN DE BALANSTELLING 0010 Totale brutoboekwaarde van niet-afgeleide financiële activa Totaal van de brutoboekwaarde, zoals bepaald in overeenstemming met punt 34 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van niet-afgeleide financiële activa tegenover algemene overheden, voor alle boekhoudkundige portefeuilles overeenkomstig IFRS of op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP zoals omschreven in de punten 15 tot en met 22 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, en opgenomen in de kolommen 0030 tot en met 0120. Prudente waardeaanpassingen verminderen de brutoboekwaarde van tegen reële waarde gemeten blootstellingen in de handels- en niet-handelsportefeuille niet. 0020 Totale boekwaarde van niet-afgeleide financiële activa (na aftrek van shortposities) Totaal van de brutoboekwaarde, als bedoeld in punt 27 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van niet-afgeleide financiële activa tegenover algemene overheden, voor alle boekhoudkundige portefeuilles overeenkomstig IFRS of op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP zoals omschreven in de punten 15 tot en met 22 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, en opgenomen in de kolommen 0030 tot en met 0120, na aftrek van shortposities. Indien de instelling een shortpositie heeft ingenomen voor dezelfde resterende looptijd en voor dezelfde directe tegenpartij die in dezelfde valuta luidt, wordt de boekwaarde van de shortpositie gesaldeerd met de boekwaarde van de directe positie. Dat nettobedrag wordt geacht nul te zijn wanneer het een negatief bedrag betreft. Indien een instelling een shortpositie heeft zonder een matchende directe positie, wordt het bedrag van de shortpositie voor de toepassing van deze kolom geacht nul te zijn. 0030-0120 NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOLGENS BOEKHOUDKUNDIGE PORTEFEUILLES Totaal van de boekwaarde van niet-afgeleide financiële activa (zoals omschreven in de rij boven deze tabel) voor algemene overheden, uitgesplitst naar boekhoudkundige portefeuille op grond van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving. 0030 Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa IFRS 7.8(a)(ii); IFRS 9 bijlage A 0040 Financiële activa voor handelsdoeleinden Artikelen 32 en 33 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; punt 16 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 8, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/34/EU Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen. 0050 Verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies IFRS 7.8(a)(ii); IFRS 9.4.1.4 0060 Financiële activa die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen IFRS 7.8(a)(i); IFRS 9.4.1.5 en artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2013/34/EU 0070 Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies Artikelen 36, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 8, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/34/EU Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen. 0080 Tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat IFRS 7.8(d); IFRS 9.4.1.2A 0090 Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen Artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 8, van Richtlijn 2013/34/EU Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen. 0100 Financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs IFRS 7.8(f); IFRS 9.4.1.2; punt 15 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening 0110 Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die op basis van een kostprijsmethode zijn gewaardeerd Artikel 35 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 6, lid 1, punt i), en artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 1, punt 16, van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen. 0120 Overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden Artikel 37 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 12, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 1, punt 16, van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen. 0130 Shortposities Boekwaarde van shortposities, zoals omschreven in IFRS 9 BA.7, punt b), indien de directe tegenpartij een algemene overheid in de zin van de punten 155 tot en met 160 van deze bijlage is. Shortposities ontstaan indien de instelling effecten verkoopt die zijn verworven via een omgekeerde retrocessieovereenkomst of zijn geleend in een effectenuitleentransactie. De boekwaarde is de reële waarde van de shortposities. Shortposities worden gerapporteerd volgens resterend looptijdsegment, zoals vermeld in de rijen 0170 tot en met 0230, en volgens directe tegenpartij. De in deze kolom gerapporteerde shortposities kunnen worden verrekend met in dezelfde valuta luidende posities met dezelfde resterende looptijd en directe tegenpartij als die welke in de kolommen 0030 tot en met 0120 worden gerapporteerd, om de nettopositie te verkrijgen die in kolom 0020 wordt gerapporteerd. 0140 Waarvan: Shortposities uit omgekeerde retrocessieovereenkomsten aangemerkt als aangehouden voor handelsdoeleinden of financiële activa voor handelsdoeleinden Boekwaarde van shortposities, zoals omschreven in IFRS 9 BA.7(b), die ontstaan wanneer de instelling de effecten verkoopt die bij omgekeerde retrocessieovereenkomsten zijn verworven, indien de directe tegenpartij van die effecten een algemene overheid is en die effecten zijn opgenomen in de boekhoudkundige portefeuilles aangehouden voor handelsdoeleinden of financiële activa voor handelsdoeleinden (kolommen 0030 en 0040). Shortposities die ontstaan wanneer de verkochte effecten zijn geleend bij een effectenuitleentransactie, worden niet in deze kolom opgenomen. 0150 Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering Totale geaccumuleerde bijzondere waardevermindering met betrekking tot niet-afgeleide financiële activa gerapporteerd in de kolommen 0080 tot en met 0120 (de punten 70 en 71 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening). 0160 Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering – waarvan: uit hoofde van tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of uit hoofde van niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen Totale geaccumuleerde bijzondere waardevermindering met betrekking tot niet-afgeleide financiële activa gerapporteerd in de kolommen 0080 en 0090. 0170 Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s Totale geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico in verband met posities gemeld in de kolommen 0050, 0060, 0070, 0080 en 0090 (punt 69 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening). 0180 Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s – waarvan: uit hoofde van verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, financiële activa die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen of uit hoofde van financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies Totale geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico in verband met posities gemeld in de kolommen 0050, 0060 en 0070. 0190 Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s – waarvan: uit hoofde van tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of uit hoofde van niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen Totale geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico in verband met posities gemeld in de kolommen 0080 en 0090. 0200-0230 DERIVATEN Directe derivatenposities worden gerapporteerd in de kolommen 0200 tot en met 0230. Zie, voor de rapportage van aan kapitaalvereisten voor zowel aan tegenpartijkredietrisico als aan marktrisico onderhevige derivaten, de instructies voor de uitsplitsing in rijen. 0200-0210 Derivaten met een positieve reële waarde Alle afgeleide instrumenten met een algemene overheid als tegenpartij met een positieve reële waarde voor de instelling op de rapportagedatum, ongeacht of die instrumenten worden gebruikt bij een kwalificerende hedgerelatie, worden aangehouden voor handelsdoeleinden of worden in de handelsportefeuille opgenomen overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP. Voor economische hedging gebruikte derivaten worden hier gerapporteerd wanneer deze zijn opgenomen in de handelsportefeuille of de boekhoudkundige portefeuille aangehouden voor handelsdoeleinden (de punten 120, 124, 125 en de punten 137 tot en met 140 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening). 0200 Derivaten met een positieve reële waarde: Boekwaarde Boekwaarde van de op de rapportagereferentiedatum administratief als financiële activa verwerkte derivaten. Overeenkomstig op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP omvatten de in deze kolommen te rapporteren derivaten de afgeleide instrumenten gewaardeerd tegen kostprijs of volgens de minimumwaarderingsregel (LOCOM) opgenomen in de handelsportefeuille of aangewezen als hedge-instrumenten. 0210 Derivaten met een positieve reële waarde: Notionele waarde Overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP, de notionele waarde, zoals omschreven in de punten 133 tot en met 135 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van alle op de rapportagereferentiedatum afgesloten en nog niet afgewikkelde derivatencontracten indien de tegenpartij een algemene overheid is in de zin van de punten 191 tot en met 196 van deze bijlage en de reële waarde van het derivaat op de referentiedatum positief is voor de instelling. 0220-0230 Derivaten met een negatieve reële waarde Alle afgeleide instrumenten met een algemene overheid als tegenpartij met een voor de instelling op de rapportagereferentiedatum negatieve reële waarde, ongeacht of die instrumenten worden gebruikt bij een kwalificerende hedgerelatie dan wel worden aangehouden voor handelsdoeleinden of in de handelsportefeuille worden opgenomen overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP. Voor economische hedging gebruikte derivaten worden hier gerapporteerd wanneer deze zijn opgenomen in de handelsportefeuille of de boekhoudkundige portefeuille aangehouden voor handelsdoeleinden (de punten 120, 124, 125 en de punten 137 tot en met 140 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening). 0220 Derivaten met een negatieve reële waarde: Boekwaarde Boekwaarde van de derivaten administratief verwerkt als financiële verplichtingen op de rapportagereferentiedatum. Overeenkomstig op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP omvatten de in deze kolommen te rapporteren derivaten de afgeleide instrumenten gewaardeerd tegen kostprijs of volgens de minimumwaarderingsregel (LOCOM) opgenomen in de handelsportefeuille of aangewezen als hedge-instrumenten. 0230 Derivaten met een negatieve reële waarde: Notionele waarde Overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP, de notionele waarde, zoals omschreven in de punten 133 tot en met 135 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van alle op de referentiedatum afgesloten en nog niet afgewikkelde derivatencontracten indien de tegenpartij een algemene overheid is in de zin van de punten 191 tot en met 196 van deze bijlage en de reële waarde van het derivaat op de referentiedatum positief is voor de instelling. 0240-0260 BLOOTSTELLINGEN BUITEN DE BALANSTELLING 0240 Nominaal bedrag Indien de directe tegenpartij van de post buiten de balanstelling een algemene overheid is in de zin van de punten 155 tot en met 160 van deze bijlage, het nominale bedrag van de toezeggingen en financiële garanties die overeenkomstig IFRS of op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP niet als een derivaat worden beschouwd (de punten 102 tot en met 119 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening). Overeenkomstig de punten 43 en 44 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverodening is de algemene overheid de directe tegenpartij: a) bij een afgegeven financiële garantie, wanneer zij de directe tegenpartij van het gegarandeerde schuldinstrument is, en b) bij leningtoezeggingen en overige gedane toezeggingen wanneer zij de tegenpartij is waarvan het kredietrisico door de rapporterende instelling is overgenomen. 0250 Voorzieningen Artikel 4, Passiva, punt 6, c), en Posten buiten de balanstelling, artikel 27, punt 11, artikel 28, punt 8, en artikel 33 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; IFRS 9.4.2.1(c)(ii), (d)(ii), 9.5.5.20; IAS 37; IFRS 4, en deel 2.11 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening. Voorzieningen voor alle blootstellingen buiten de balanstelling, ongeacht hoe deze worden gemeten, behalve voor de blootstellingen tegen reële waarde gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in overeenstemming met IFRS 9. Overeenkomstig IFRS wordt de bijzondere waardevermindering van een leningtoezegging in kolom 150 gerapporteerd indien de instelling de verwachte kredietverliezen in verband met het opgenomen en niet-opgenomen bedrag van het schuldinstrument niet kan identificeren. Ingeval de gecombineerde verwachte kredietverliezen voor dat financiële instrument hoger uitvallen dan de brutoboekwaarde van de leningcomponent van het instrument, wordt het resterende saldo van de verwachte kredietverliezen in kolom 0250 als een voorziening gerapporteerd. 0260 Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s Voor posten buiten de balanstelling tegen reële waarde gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in overeenstemming met IFRS 9, de geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s (punt 110 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening). 0270-280 Pro-memoriepost: met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten Kredietderivaten die niet aan de definitie van financiële garanties in bijlage V, deel 2, punt 58, voldoen en die de rapporterende instelling heeft afgesloten met tegenpartijen niet zijnde algemene overheden en waarvan de referentieblootstelling een algemene overheid is, worden gerapporteerd. Deze kolommen worden niet gerapporteerd voor blootstellingen uitgesplitst naar risico, regelgevingsbenadering en blootstellingscategorieën (de rijen 0020 tot 0160). 0270 Derivaten met een positieve reële waarde – Boekwaarde De totale gerapporteerde boekwaarde van de met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten die voor de instelling op de rapportagereferentiedatum een positieve reële waarde hebben, zonder rekening te houden met prudente waardeaanpassingen. Voor derivaten onder IFRS is de in deze kolom te rapporteren waarde de boekwaarde van de derivaten die op de rapportagedatum financiële activa zijn. Voor derivaten onder op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP is de in deze kolom te rapporteren waarde de reële waarde van de derivaten met een positieve reële waarde op de rapportagereferentiedatum, ongeacht hoe deze administratief zijn verwerkt. 0280 Derivaten met een negatieve reële waarde – Boekwaarde De totale gerapporteerde boekwaarde van de met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten die voor de instelling op de rapportagereferentiedatum een negatieve reële waarde hebben, zonder rekening te houden met prudente waardeaanpassingen. Voor derivaten onder IFRS is de in deze kolom te rapporteren waarde de boekwaarde van de derivaten die op de rapportagedatum financiële verplichtingen zijn. Voor derivaten onder op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP is de in deze kolom te rapporteren waarde de reële waarde van de derivaten met een negatieve reële waarde op de rapportagereferentiedatum, ongeacht hoe deze administratief zijn verwerkt. 0290 Blootstellingswaarde Blootstellingswaarde voor blootstellingen die aan het raamwerk voor kredietrisico zijn onderworpen. Voor blootstellingen volgens de standaardbenadering, zie ook artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor blootstellingen volgens de interneratingbenadering, zie artikel 166 en artikel 230, lid 1, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor de rapportage van aan kapitaalvereisten voor zowel aan tegenpartijkredietrisico als aan marktrisico onderhevige derivaten, de instructies voor de uitsplitsing in rijen. De in de kolommen 0270 en 0280 gerapporteerde blootstellingen mogen niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van deze kolom, aangezien de waarde in deze kolom uitsluitend op directe blootstellingen is gebaseerd. 0300 Risicogewogen posten Risicogewogen posten voor blootstellingen die aan het raamwerk voor kredietrisico zijn onderworpen. Voor blootstellingen in het kader van de standaardbenadering (SA), zie artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor blootstellingen in het kader van de interneratingbenadering (IRB), zie artikel 153, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor de rapportage van onder artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende directe blootstellingen die zijn onderworpen aan eigenvermogensvereisten voor zowel tegenpartijkredietrisico als marktrisico, de instructies voor uitsplitsing in rijen. De in de kolommen 0270 en 0280 gerapporteerde blootstellingen mogen niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van deze kolom, aangezien de waarde in deze kolom uitsluitend op directe blootstellingen is gebaseerd. Rijen Instructies UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR REGELGEVINGSBENADERING 0010 Totale blootstellingen Totaal van de blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in de zin van de punten 191 tot en met 196 van deze bijlage. 0020-0155 Blootstelling volgens het kredietrisicoraamwerk Totaal van de in overeenstemming met deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 naar risico gewogen blootstellingen met betrekking tot algemene overheden. Blootstellingen die onder het raamwerk voor kredietrisico vallen, omvatten blootstellingen als gevolg van zowel de niet-handelsportefeuille als de handelsportefeuille die aan een kapitaalvereiste voor tegenpartijkredietrisico zijn onderworpen. Onder artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende directe blootstellingen die zijn onderworpen aan eigenvermogensvereisten voor zowel tegenpartijkredietrisico als marktrisico, worden gerapporteerd in zowel de rijen voor kredietrisico (de rijen 0020 tot en met 0155) als de rij voor marktrisico (rij 0160): de blootstellingen als gevolg van tegenpartijkredietrisico worden gerapporteerd in de rijen voor kredietrisico, terwijl de blootstellingen als gevolg van marktrisico worden gerapporteerd in de rij voor marktrisico. 0030 Standaardbenadering Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die naar risico moeten worden gewogen in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van blootstellingen uit hoofde van de niet-handelsportefeuille, waarvoor de risicoweging in overeenstemming met dat hoofdstuk tegenpartijkredietrisico ondervangt. 0040 Centrale overheden Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die centrale overheden zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Centrale overheden of centrale banken in overeenstemming met de artikelen 112 en 114 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0050 Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die regionale of lokale overheden zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten in overeenstemming met de artikelen 112 en 115 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0060 Publiekrechtelijke lichamen Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die publiekrechtelijke lichamen zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Publiekrechtelijke lichamen in overeenstemming met de artikelen 112 en 116 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0070 Internationale organisaties Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die internationale organisaties zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Internationale organisaties in overeenstemming met de artikelen 112 en 118 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0075 Overige blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in het kader van de standaardbenadering Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden niet zijnde de overheden in de rijen 0040 tot en met 0070 hierboven, die overeenkomstig artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de berekening van de eigenvermogensvereisten worden toegewezen aan blootstellingscategorieën volgens de standaardbenadering. 0080 Interneratingbenadering Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die naar risico moeten worden gewogen in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van blootstellingen uit hoofde van de niet-handelsportefeuille, waarvoor de risicoweging in overeenstemming met dat hoofdstuk tegenpartijkredietrisico ondervangt. 0090 Centrale overheden Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die centrale overheden zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Centrale overheden en centrale banken in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0100 Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten [Centrale overheden en centrale banken] Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die regionale regionale overheden of lokale autoriteiten zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Centrale overheden en centrale banken in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0110 Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten [Instellingen] Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die regionale regionale overheden of lokale autoriteiten zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Instellingen in overeenstemming met artikel 147, lid 4, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0120 Publiekrechtelijke lichamen [Centrale overheden en centrale banken] Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die publiekrechtelijke lichamen zijn in de zin van artikel 4, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Centrale overheden en centrale banken in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt a), van die verordening, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0130 Publiekrechtelijke lichamen [Instellingen] Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die publiekrechtelijke lichamen zijn in de zin van artikel 4, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Instellingen in overeenstemming met artikel 147, lid 4, punt b), van die verordening, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0140 Internationale organisaties [Centrale overheden en centrale banken] Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die internationale organisaties zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie Centrale overheden en centrale banken in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn. 0155 Overige blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in het kader van de interneratingbenadering Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden niet zijnde de overheden in de rijen 0090 tot en met 0140 hierboven, die overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de berekening van de eigenvermogensvereisten worden toegewezen aan blootstellingscategorieën volgens de interneratingbenadering. 0160 Blootstellingen onderworpen aan marktrisico Deze rij heeft betrekking op posities waarvoor een van de volgende eigenvermogensvereisten van deel drie, titel IV, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt berekend: Onder artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende directe blootstellingen die zijn onderworpen aan eigenvermogensvereisten voor zowel tegenpartijkredietrisico als marktrisico, worden gerapporteerd in zowel de rijen voor kredietrisico (de rijen 0020 tot en met 0155) als de rij voor marktrisico (rij 0160): de blootstelling als gevolg van tegenpartijkredietrisico wordt gerapporteerd in de rijen voor kredietrisico, terwijl de blootstelling als gevolg van marktrisico wordt gerapporteerd in de rij voor marktrisico. 0170-0230 UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR RESTERENDE LOOPTIJD De resterende looptijd wordt berekend in dagen tussen de contractuele vervaldatum en de rapportagereferentiedatum voor alle posities. Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden worden uitgesplitst naar resterende looptijd en ingedeeld in de onderstaande segmenten: Indien de contractuele vervaldatum eerder is dan de rapportagereferentiedatum (d.w.z. het verschil tussen de rapportagereferentiedatum en de vervaldatum is een negatieve waarde), wordt de blootstelling in het segment [0 – 3M] ingedeeld. Blootstellingen zonder resterende looptijd worden aan een resterendelooptijdsegment toegewezen op basis van de opzegtermijn of andere contractuele aanwijzingen over de looptijd. Indien er geen vooraf bepaalde opzegtermijn is of er geen andere contractuele aanwijzingen over de looptijd bestaan, worden blootstellingen ingedeeld in het resterendelooptijdsegment [10J – meer].

Eigenvermogensvereisten voor positierisico overeenkomstig artikel 326 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Eigenvermogensvereisten voor specifiek of algemeen risico overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

[ 0 - 3M ] : Minder dan 90 dagen;

[ 3M - 1J ] : Gelijk aan of meer dan 90 dagen en minder dan 365 dagen;

[ 1J – 2J ] : Gelijk aan of meer dan 365 dagen en minder dan 730 dagen;

[ 2J – 3J ] : Gelijk aan of meer dan 730 dagen en minder dan 1095 dagen;

[ 3J – 5J ] : Gelijk aan of meer dan 1095 dagen en minder dan 1825 dagen;

[ 5J – 10J ] : Gelijk aan of meer dan 1825 dagen en minder dan 3650 dagen;

[ 10J – meer] : Gelijk aan of meer dan 3650 dagen.

8. NPE-VERLIESDEKKING (NPE LC)

8.
8.1.200.201.202.203.204.205.

ALGEMENE OPMERKINGEN De templates voor NPE-verliesdekking bevatten informatie over niet-renderende blootstellingen (NPE’s) voor de berekening van het minimale verliesdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen als gespecificeerd in de artikelen 47 bis, 47 ter en 47 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het blok templates bestaat uit een reeks van drie templates: Het minimale verliesdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen is van toepassing op: i) blootstellingen die zijn geïnitieerd op en na 26 april 2019 en die niet-renderend worden, en ii) blootstellingen die vóór 26 april 2019 zijn geïnitieerd wanneer zij na die datum zodanig worden gewijzigd dat daarmee de blootstelling aan de debiteur toeneemt (artikel 469 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013) en die niet-renderend worden. De instellingen berekenen de aftrekkingen voor NPE’s overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van de berekening van de minimumdekkingsvereisten en het totaal aan voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen, op het niveau van de individuele blootstelling (transactiegebaseerd) – en niet op debiteur- of portefeuilleniveau. Voor de berekening van de aftrekkingen voor NPE’s maken de instellingen een onderscheid tussen het niet-gedekte en het gedekte deel van een NPE overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Daartoe rapporteren de instellingen de blootstellingswaarden en minimumdekkingsvereisten afzonderlijk voor het niet-gedekte en voor het gedekte deel van NPE’s. Ten behoeve van de mapping van de relevante toepasselijke factoren en de berekening van de minimumdekkingsvereisten classificeren de instellingen het gedekte deel van NPE’s overeenkomstig artikel 47 quater, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 naargelang het soort kredietprotectie, als volgt: i) gedekt door onroerend goed of woonkrediet gedekt door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201; ii) gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie, of iii) gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling. Wanneer een niet-renderende blootstelling door meer dan één soort kredietprotectie wordt gedekt, wordt de blootstellingswaarde ervan ingedeeld volgens de kwaliteit van de kredietprotectie, te beginnen bij die met de beste kwaliteit.

8.1.200.201. a)

De berekening van aftrekkingen voor NPE’s (C 35.01): dit is een overzichtstemplate met het toepasselijke bedrag van onvoldoende dekking, berekend als het verschil tussen de totale minimumdekkingsvereisten voor NPE’s en de totale voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen die reeds zijn verricht. De template bestrijkt zowel de niet-renderende blootstellingen waarvoor geen respijtmaatregel is toegekend, als niet-renderende respijtblootstellingen.

b)

Minimumdekkingsvereisten en blootstellingswaarden van niet-renderende blootstellingen, exclusief respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen (C 35.02): de template berekent de totale minimumdekkingsvereisten voor niet-renderende blootstellingen die geen niet-renderende respijtblootstellingen zijn die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, met vermelding van de factoren die ten behoeve van deze berekening op de blootstellingswaarden moeten worden toegepast, afhankelijk van de vraag of de blootstelling gedekt of niet-gedekt is en afhankelijk van hoeveel tijd verstreken is sinds de blootstelling niet-renderend is geworden.

c)

Minimumdekkingsvereisten en blootstellingswaarden van niet-renderende blootstellingen, exclusief respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen (C 35.03): de template berekent de totale minimumdekkingsvereisten voor niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, met vermelding van de factoren die bij deze berekening op de blootstellingswaarden moeten worden toegepast, afhankelijk van de vraag of de blootstelling gedekt of niet-gedekt is en afhankelijk van hoeveel tijd verstreken is sinds de blootstelling niet-renderend is geworden.

8.2. C 35.01 – BEREKENING VAN AFTREKKINGEN VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE LC1)

8.2.

8.2.1. Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010-0100 Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend Onder tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend wordt verstaan de tijd in jaren die verstreken is, vanaf de referentiedatum, sinds de blootstelling als niet-renderend is geclassificeerd. Voor gekochte niet-renderende blootstellingen begint de termijn in jaren te lopen vanaf de datum waarop de blootstelling oorspronkelijk als niet-renderend werd geclassificeerd – en niet vanaf de datum van aankoop ervan. De instellingen rapporteren gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum in het overeenkomstige tijdsinterval valt, met vermelding van de periode in jaren na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend, ongeacht de toepassing van respijtmaatregelen. Voor het tijdsinterval > X jaar (jaren), ≤ Y jaar (jaren) rapporteren de instellingen gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum overeenkomt met de periode tussen de eerste en de laatste dag van het Yde jaar volgend op de classificatie van deze blootstellingen als niet-renderend. 0110 Totaal De instellingen rapporteren de som van alle kolommen van 0010 tot en met 0100. Rijen Instructies 0010 Toepasselijk bedrag aan onvoldoende dekking Artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor de berekening van het toepasselijke bedrag aan onvoldoende dekking trekken de instellingen de totale voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (gemaximeerd) (rij 0080) af van het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen (rij 0020). Het toepasselijke bedrag aan onvoldoende dekking (d.w.z. het tekort in het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen) is gelijk aan of groter dan nul. 0020 Totaal minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen Artikel 47 quater, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor de berekening van het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen tellen de instellingen het minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0030) en het minimumdekkingsvereiste voor het gedekte deel van NPE’s (rij 0040) bij elkaar op. 0030 Niet-gedekt deel van NPE’s Artikel 47 quater, lid 1, punt a), i), artikel 47 quater, lid 2, en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instelling rapporteert het totale minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s, d.w.z. de som van de berekeningen op blootstellingsniveau. Het in elke kolom gerapporteerde bedrag is gelijk aan de som van de bedragen gerapporteerd in rij 0020 van C 35.02 en rij 0020 van C 35.03 (indien van toepassing) in de respectieve kolommen. 0040 Gedekt deel van NPE’s Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), en artikel 47 quater, leden 3, 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instelling rapporteert het totale minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s, d.w.z. de som van de berekeningen op blootstellingsniveau. Het in elke kolom gerapporteerde bedrag is gelijk aan de som van de bedragen gerapporteerd in rij 0030-0050 van C 35.02 en rij 0030-0040 van C 35.03 (indien van toepassing) in de respectieve kolommen. 0050 Blootstellingswaarde Artikel 47 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van NPE’s, met inbegrip van zowel de niet-gedekte als de gedekte blootstellingen. Dit stemt overeen met de som van rij 0060 en rij 0070. 0060 Niet-gedekt deel van NPE’s Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0070 Gedekt deel van NPE’s Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 0080 Totaal voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (gemaximeerd) De instellingen rapporteren het gemaximeerde bedrag van de som van de in de rijen 0100-0150 vermelde posten overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De bovengrens voor gemaximeerde voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen is het bedrag van het minimumdekkingsvereiste op blootstellingsniveau. Het gemaximeerde bedrag wordt voor elke blootstelling afzonderlijk berekend als het laagste bedrag tussen het minimumdekkingsvereiste voor deze blootstelling en de totale voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen voor dezelfde blootstelling. 0090 Totaal voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (niet-gemaximeerd) De instellingen rapporteren de som van het niet-gemaximeerde bedrag van de in de rijen 0100-0150 vermelde posten overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (niet-gemaximeerd) zijn niet beperkt tot het bedrag van het minimumdekkingsvereiste op blootstellingsniveau. 0100 Specifieke kredietrisicoaanpassingen Artikel 47 quater, lid 1, punt b), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0110 Aanvullende waardeaanpassingen Artikel 47 quater, lid 1, punt b), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0120 Andere eigenvermogensverlagingen Artikel 47 quater, lid 1, punt b), iii), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0130 IRB-tekort Artikel 47 quater, lid 1, punt b), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0140 Verschil tussen de aankoopprijs en het door de debiteur verschuldigde bedrag Artikel 47 quater, lid 1, punt b), v), van Verordening (EU) nr. 575/2013 0150 Door de instelling afgeschreven bedragen sinds de blootstelling als niet-renderend werd geclassificeerd Artikel 47 quater, lid 1, punt b), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013

8.3. C 35.02 – MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN MET UITSLUITING VAN RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VALLEN (NPE LC2)

8.3.

8.3.1. Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010-0100 Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend Onder tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend wordt verstaan de tijd in jaren die verstreken is sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. De instellingen rapporteren gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum in het overeenkomstige tijdsinterval valt, met vermelding van de periode in jaren na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend, ongeacht de toepassing van respijtmaatregelen. Voor het tijdsinterval > X jaar (jaren), ≤ Y jaar (jaren) rapporteren de instellingen gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum overeenkomt met de periode tussen de eerste en de laatste dag van het Yde jaar volgend op de classificatie van deze blootstellingen als niet-renderend. 0110 Totaal De instellingen rapporteren de som van alle kolommen van 0010 tot en met 0100. Rijen Instructies 0010 Totaal minimumdekkingsvereiste Artikel 47 quater, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor de berekening van het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen, met uitsluiting van respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, tellen de instellingen het minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0020) en het minimumdekkingsvereiste voor het gedekte deel van NPE’s (rijen 0030-0050) bij elkaar op. 0020 Niet-gedekt deel van NPE’s Artikel 47 quater, lid 1, punt a), i), en artikel 47 quater, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0070 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom. 0030 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0080 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom. 0040 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0090 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom. 0050 Deel van NPE’s gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling Artikel 47 quater, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0100 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom. 0060 Blootstellingswaarde Artikel 47 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor de berekening van rij 0060 tellen de instellingen de gerapporteerde blootstellingswaarden voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0070), het deel van NPE’s dat gedekt wordt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever (rij 0080), het deel van NPE’s dat gedekt wordt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie (rij 0090) en het deel van NPE’s dat gegarandeerd of verzekerd is door een officiële exportkredietinstelling (rij 0100), bij elkaar op. 0070 Niet-gedekt deel van NPE’s Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van het niet-gedekte deel van NPE’s, uitgesplitst naar de tijd die verstreken is sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0080 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever Artikel 47 quater, lid 2, artikel 47 quater, lid 1, en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die door onroerend goed overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gedekt of die woonkredieten zijn die gedekt worden door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201 van die verordening. 0090 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie Artikel 47 bis, lid 2, artikel 47 quater, lid 1, en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die gedekt zijn door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0100 Deel van NPE’s gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die gegarandeerd of verzekerd zijn door een officiële exportkredietinstelling of die een garantie of tegengarantie hebben van een andere toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 47 quater, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

8.4. C 35.03 – MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VALLEN (NPE LC3)

8.4.

8.4.1. Instructies voor specifieke posities Kolommen Instructies 0010-0100 Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend Onder tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend wordt verstaan de tijd in jaren die verstreken is sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. De instellingen rapporteren gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum in het overeenkomstige tijdsinterval valt, met vermelding van de periode in jaren na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend, ongeacht de toepassing van respijtmaatregelen. Voor het tijdsinterval > X jaar (jaren), ≤ Y jaar (jaren) rapporteren de instellingen gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum overeenkomt met de periode tussen de eerste en de laatste dag van het Yde jaar volgend op de classificatie van deze blootstellingen als niet-renderend. 0110 Totaal De instellingen rapporteren de som van alle kolommen van 0010 tot en met 0100. Rijen Instructies 0010 Totaal minimumdekkingsvereiste Artikel 47 quater, lid 1, punt a), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor de berekening van het totale minimumdekkingsvereiste van niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, tellen de instellingen de minimumdekkingsvereisten voor het niet-gedekte deel van niet-renderende respijtblootstellingen (rij 0020), het deel van niet-renderende respijtblootstellingen dat gedekt wordt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever (rij 0030), en het deel van niet-renderende respijtblootstellingen dat gedekt wordt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie (rij 0040), bij elkaar op. 0020 Niet-gedekt deel van NPE’s Artikel 47 quater, lid 1, punt a), i), artikel 47 quater, lid 2, en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het totale minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, d.w.z. de som van berekeningen op blootstellingsniveau. 0030 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het totale minimumdekkingsvereiste voor delen van niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gedekt of die woonkredieten zijn die gedekt zijn door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201 van die verordening, en die onder artikel 47 quater, lid 6, van die verordening vallen, d.w.z. de som van berekeningen op blootstellingsniveau. 0040 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren het totale minimumdekkingsvereiste voor delen van niet-renderende respijtblootstellingen die gedekt zijn door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie, en die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, d.w.z. de som van berekeningen op blootstellingsniveau. 0050 Blootstellingswaarde Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Voor de berekening van de blootstellingswaarde tellen de instellingen de blootstellingswaarden voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0060), het deel van NPE’s dat door onroerend goed gedekt wordt of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever (rij 0070), en het deel van NPE’s dat gedekt wordt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie (rij 0120), indien van toepassing, bij elkaar op. 0060 Niet-gedekt deel van NPE’s Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, leden 1, 2 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van het niet-gedekte deel van niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het tweede jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend (> 1 jaar; ≤ 2 jaar), 0070 Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever Artikel 47 quater, lid 2, artikel 47 quater, lid 1, en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en door onroerend goed overeenkomstig deel drie, titel II, van die verordening worden gedekt of die woonkredieten zijn die gedekt worden door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201 van die verordening. 0080 > 2 en ≤ 3 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het derde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0090 > 3 en ≤ 4 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vierde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0100 > 4 en ≤ 5 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vijfde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0110 > 5 en ≤ 6 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat door een toelaatbare protectiegever gedekt wordt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het zesde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0120 Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie Artikel 47 quater, lid 1, artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en gedekt worden door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0130 > 2 en ≤ 3 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het derde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0140 > 3 en ≤ 4 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vierde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0150 > 4 en ≤ 5 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vijfde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. 0160 > 5 en ≤ 6 jaar na classificatie als NPE De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het zesde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

BIJLAGE III

BIJLAGE XVI RAPPORTAGETEMPLATES BETREFFENDE ACTIVABEZWARING F 32.01 – ACTIVA VAN DE RAPPORTERENDE INSTELLING (AE-ASS) F 32.02 – ONTVANGEN ZEKERHEDEN (AE-COL) F 32.03 – UITGEGEVEN EN NOG NIET IN PAND GEGEVEN EIGEN GEDEKTE OBLIGATIES EN SECURITISATIES (AE-NPL) F 32.04 – BRONNEN VAN BEZWARING (AE-SOU) F 33.00 – LOOPTIJDGEGEVENS (AE-MAT) F 34.00 — VOORWAARDELIJKE BEZWARING (AE-CONT) A.B. F 35.00 – UITGIFTE VAN GEDEKTE OBLIGATIES (AE-CB) F 36.01 - GEAVANCEERDE GEGEVENS. DEEL I (AE-ADV-1) F 36.02 - GEAVANCEERDE GEGEVENS. DEEL II (AE-ADV-2) z-as Identificatiecode cover pool (open)

TEMPLATES ACTIVABEZWARING Template nummer Template code Naam van de (groep) template(s) Verkorte naam DEEL A – OVERZICHT BEZWARING 32.1 F 32.01 ACTIVA RAPPORTERENDE INSTELLING AE-ASS 32.2 F 32.02 ONTVANGEN ZEKERHEDEN AE-COL 32.3 F 32.03 UITGEGEVEN EN NOG NIET IN PAND GEGEVEN EIGEN GEDEKTE OBLIGATIES EN SECURITISATIES AE-NPL 32.4 F 32.04 BRONNEN BEZWARING AE-SOU DEEL B – LOOPTIJDGEGEVENS 33 F 33.00 LOOPTIJDGEGEVENS AE-MAT DEEL C – VOORWAARDELIJKE BEZWARING 34 F 34.00 VOORWAARDELIJKE BEZWARING AE-CONT DEEL D – GEDEKTE OBLIGATIES 35 F 35.00 UITGIFTE VAN GEDEKTE OBLIGATIES AE-CB DEEL E – GEAVANCEERDE GEGEVENS 36.1 F 36.01 GEAVANCEERDE GEGEVENS. DEEL I AE-ADV1 36.2 F 36.02 GEAVANCEERDE GEGEVENS. DEEL II AE-ADV2 Boekwaarde bezwaarde activa Reële waarde bezwaarde activa Boekwaarde niet-bezwaarde activa Reële waarde niet-bezwaarde activa waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: voor centrale bank toelaatbaar waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA waarvan: voor centrale bank toelaatbaar waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: voor centrale bank toelaatbaar waarvan EHQLA en HQLA waarvan: voor centrale bank toelaatbaar waarvan EHQLA en HQLA 0010 0020 0030 0035 0040 0050 0055 0060 0070 0080 0085 0090 0100 0105 0010 Activa van de rapporterende instelling 0015 waarvan: kwalificerende fiduciaire activa 0020 Onmiddellijk opeisbare leningen 0030 Eigenvermogensinstrumenten 0040 Schuldtitels 0050 waarvan: gedekte obligaties 0060 waarvan: securitisaties 0070 waarvan: uitgegeven door algemene overheden 0080 waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen 0090 waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen 0100 Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn 0110 waarvan: door onroerend goed zekergestelde leningen 0120 Overige activa Reële waarde bezwaarde ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels Niet-bezwaard Reële waarde ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels beschikbaar voor bezwaring Nominale waarde ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels niet beschikbaar voor bezwaring waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: voor centrale bank toelaatbaar waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: voor centrale bank toelaatbaar waarvan EHQLA en HQLA 0010 0020 0030 0035 0040 0050 0060 0065 0070 0130 Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden 0140 Onmiddellijk opeisbare leningen 0150 Eigenvermogensinstrumenten 0160 Schuldtitels 0170 waarvan: gedekte obligaties 0180 waarvan: securitisaties 0190 waarvan: uitgegeven door algemene overheden 0200 waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen 0210 waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen 0220 Leningen en voorschotten niet zijnde onmiddellijk opeisbare leningen 0230 Overige ontvangen zekerheden 0240 Uitgegeven eigen schuldtitels niet zijnde eigen gedekte obligaties of securitisaties 0245 Uitgegeven en nog niet verpande eigen gedekte obligaties en securitisaties 0250 TOTALE ACTIVA, ONTVANGEN ZEKERHEDEN EN UITGEGEVEN EIGEN SCHULDTITELS Niet-bezwaard Boekwaarde onderliggende activapool Reële waarde uitgegeven schuldtitels beschikbaar voor bezwaring Nominale waarde uitgegeven eigen schuldtitels niet beschikbaar voor bezwaring waarvan: voor centrale bank toelaatbaar waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA 0010 0020 0030 0035 0040 0010 Uitgegeven en nog niet verpande eigen gedekte obligaties en securitisaties 0020 Behouden uitgegeven gedekte obligaties 0030 Behouden uitgegeven securitisaties 0040 Senior 0050 Mezzanine 0060 First Loss Matchende verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen of uitgeleende effecten Activa, ontvangen zekerheden en uitgegeven eigen effecten niet zijnde bezwaarde gedekte obligaties en securitisaties waarvan: afkomstig van andere groepsentiteiten waarvan: hergebruikte ontvangen zekerheden waarvan: bezwaarde eigen schuldtitels 0010 0020 0030 0040 0050 0010 Boekwaarde geselecteerde financiële verplichtingen 0020 Derivaten 0030 waarvan: Over-the-counter 0040 Deposito’s 0050 Retrocessieovereenkomsten 0060 waarvan: centrale banken 0070 Door zekerheden gedekte deposito’s niet zijnde retrocessieovereenkomsten 0080 waarvan: centrale banken 0090 Uitgegeven schuldtitels 0100 waarvan: uitgegeven gedekte obligaties 0110 waarvan: uitgegeven securitisaties 0120 Overige bronnen van bezwaring 0130 Nominale waarde ontvangen toegezegde leningen 0140 Nominale waarde ontvangen financiële garanties 0150 Reële waarde effecten ontleend tegen zekerheden niet zijnde contanten 0160 Overige 0170 BRONNEN VAN BEZWARING: TOTAAL Niet in te vullen in een template voor geconsolideerde rapportage In geen geval in te vullen Resterende looptijd verplichtingen Open looptijd Onmiddellijk opvraagbaar > 1 dag ≤ 1 week > 1 week ≤ 2 weken > 2 weken ≤ 1 maand > 1 maand ≤ 3 maanden > 3 maanden ≤ 6 maanden > 6 maanden ≤ 1 jaar > 1 jaar ≤ 2 jaar > 2 jaar ≤ 3 jaar > 3 jaar ≤ 5 jaar > 5 jaar ≤ 10 jaar > 10 jaar 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0010 Bezwaarde activa 0020 Hergebruikte ontvangen zekerheden (ontvangstgedeelte) 0030 Hergebruikte ontvangen zekerheden (hergebruiksgedeelte) Matchende verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen of uitgeleende effecten Voorwaardelijke bezwaring Daling van reële waarde bezwaarde activa met 30 % Netto-effect depreciatie van belangrijke valuta Extra bedrag bezwaarde activa Extra bedrag bezwaarde activa Belangrijke valuta 1 Belangrijke valuta 2 … Belangrijke valuta n 0010 0020 0030 0040 … … 0010 Boekwaarde geselecteerde financiële verplichtingen 0020 Derivaten 0030 waarvan: Over-the-counter 0040 Deposito’s 0050 Retrocessieovereenkomsten 0060 waarvan: centrale banken 0070 Door zekerheden gedekte deposito’s niet zijnde retrocessieovereenkomsten 0080 waarvan: centrale banken 0090 Uitgegeven schuldtitels 0100 waarvan: uitgegeven gedekte obligaties 0110 waarvan: uitgegeven securitisaties 0120 Overige bronnen van bezwaring 0170 BRONNEN VAN BEZWARING: TOTAAL Naleving van artikel 129 van Verordening (EG) nr. 575/2013 Verplichtingen uit hoofde van gedekte obligaties Cover pool Rapportagedatum + 6 maanden + 12 maanden + 2 jaar + 5 jaar + 10 jaar Van cover pool afgeleide posities met negatieve netto marktwaarde Externe rating gedekte obligatie Rapportagedatum + 6 maanden + 12 maanden + 2 jaar + 5 jaar + 10 jaar Van cover pool afgeleide posities met positieve netto marktwaarde Bedragen cover pools die minimumdekkingsvereisten overtreffen [JA/NEE] Zo JA, vermeld de primaire activaklasse van cover pool Volgens desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties Volgens methodologie van ratingbureaus om huidige externe rating gedekte obligatie te handhaven Rapportage-datum Rating-bureau 1 Rating-bureau 1 Rating-bureau 2 Rating-bureau 2 Rating-bureau 3 Rating-bureau 3 Rapportage-datum Ratingbureau 1 Ratingbureau 2 Ratingbureau 3 0010 0012 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0250 0010 Nominale waarde 0020 Contante waarde (swap) / Marktwaarde 0030 Activaspecifieke waarde 0040 Boekwaarde Bronnen van bezwaring Activa/passiva Soort zekerheden – Indeling per soort activum Totaal Onmiddellijk opeisbare leningen Eigenvermogensinstrumenten Schuldtitels Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn Overige activa Totaal waarvan: gedekte obligaties waarvan: securitisaties waarvan: uitgegeven door algemene overheden waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen Centrale banken en algemene overheden Financiële vennootschappen Niet-financiële ondernemingen Huishoudens waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0010 Centralebankfinanciering (van alle soorten, met inbegrip van o.a. repo’s) Bezwaarde activa 0020 Matchende verplichtingen 0030 Beursverhandelde derivaten Bezwaarde activa 0040 Matchende verplichtingen 0050 Otc-derivaten Bezwaarde activa 0060 Matchende verplichtingen 0070 Retrocessieovereenkomsten Bezwaarde activa 0080 Matchende verplichtingen 0090 Door zekerheden gedekte deposito’s niet zijnde retrocessieovereenkomsten Bezwaarde activa 0100 Matchende verplichtingen 0110 Uitgegeven gedekte obligaties Bezwaarde activa 0120 Matchende verplichtingen 0130 Uitgegeven securitisaties Bezwaarde activa 0140 Matchende verplichtingen 0150 Uitgegeven schuldtitels niet zijnde gedekte obligaties en securitisaties Bezwaarde activa 0160 Matchende verplichtingen 0170 Overige bronnen van bezwaring Bezwaarde activa 0180 Voorwaardelijke passiva of uitgeleende effecten 0190 Totale bezwaarde activa 0200 waarvan voor centrale bank toelaatbaar 0210 Totale niet-bezwaarde activa 0220 waarvan voor centrale bank toelaatbaar 0230 Bezwaarde + niet-bezwaarde activa Bronnen van bezwaring Activa/passiva Soort zekerheden – Indeling per soort activum Totaal Onmiddellijk opeisbare leningen Eigenvermogensinstrumenten Schuldtitels Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn Overige ontvangen zekerheden Uitgegeven eigen schuldtitels niet zijnde eigen gedekte obligaties of securitisaties Totaal waarvan: gedekte obligaties waarvan: securitisaties waarvan: uitgegeven door algemene overheden waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen Centrale banken en algemene overheden Financiële vennootschappen Niet-financiële ondernemingen Huishoudens waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0010 Centralebankfinanciering (van alle soorten, met inbegrip van o.a. repo’s) Ontvangen bezwaarde zekerheden 0020 Matchende verplichtingen 0030 Beursverhandelde derivaten Ontvangen bezwaarde zekerheden 0040 Matchende verplichtingen 0050 Otc-derivaten Ontvangen bezwaarde zekerheden 0060 Matchende verplichtingen 0070 Retrocessieovereenkomsten Ontvangen bezwaarde zekerheden 0080 Matchende verplichtingen 0090 Door zekerheden gedekte deposito’s niet zijnde retrocessieovereenkomsten Ontvangen bezwaarde zekerheden 0100 Matchende verplichtingen 0110 Uitgegeven gedekte obligaties Ontvangen bezwaarde zekerheden 0120 Matchende verplichtingen 0130 Uitgegeven securitisaties Ontvangen bezwaarde zekerheden 0140 Matchende verplichtingen 0150 Uitgegeven schuldtitels niet zijnde gedekte obligaties en securitisaties Ontvangen bezwaarde zekerheden 0160 Matchende verplichtingen 0170 Overige bronnen van bezwaring Ontvangen bezwaarde zekerheden 0180 Voorwaardelijke passiva of uitgeleende effecten 0190 Totaal ontvangen bezwaarde zekerheden 0200 waarvan voor centrale bank toelaatbaar 0210 Totaal ontvangen niet-bezwaarde zekerheden 0220 waarvan voor centrale bank toelaatbaar 0230 Ontvangen bezwaarde + niet-bezwaarde zekerheden Niet in te vullen op een template voor geconsolideerde rapportage In geen geval in te vullen

BIJLAGE IV

BIJLAGE XVII INSTRUCTIES VOOR RAPPORTAGE OVER ACTIVABEZWARING

ALGEMENE INSTRUCTIES

1. STRUCTUUR EN CONVENTIES

1.

1.1.1.2. Structuur Het kader bestaat uit vijf reeksen templates, die in totaal negen templates omvatten volgens dit schema: Voor elke template zijn verwijzingen naar wetgeving opgenomen, alsmede nadere informatie over meer algemene aspecten van de rapportage.

1.1.1.

(a) Deel A: Overzicht bezwaring:

AE-ASS-template. Activa van de rapporterende instelling;

AE-COL-template. Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden;

AE-NPL-template. Uitgegeven en nog niet verpande eigen gedekte obligaties en securitisaties;

AE-SOU-template. Bronnen van bezwaring;

(b) Deel B: Looptijdgegevens;

AE-SOU-template. Looptijdgegevens;

(c) Deel C: Voorwaardelijke bezwaring;

AE-CONT-template. Voorwaardelijke bezwaring;

(d) Deel D: Gedekte obligaties:

AE-CB-template. Uitgifte van gedekte obligaties;

(e) Deel E: Geavanceerde gegevens:

AE-ADV-1-template. Geavanceerde template voor activa van de rapporterende instelling;

AE-ADV-2-template. Geavanceerde template voor door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden.

1.2.3.4. Standaarden voor jaarrekeningen Voor de rapportage van financiële informatie overeenkomstig de artikelen 11 en 12 rapporteren instellingen boekwaarden op basis van het kader voor financiële verslaggeving dat zij hanteren. instellingen die niet verplicht zijn financiële informatie te rapporteren, maken gebruik van hun respectieve kader voor financiële verslaggeving. In AE-SOU rapporteren instellingen in de regel boekwaarden zonder (eventuele) boekhoudkundige verrekening, in overeenstemming met de brutorapportage van bezwaring van activa en zekerheden. Voor de toepassing van deze bijlage worden met IAS en IFRS de internationale standaarden voor jaarrekeningen bedoeld als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002. Ten behoeve van de instellingen die zich bij hun rapportage op de IFRS-standaarden baseren, zijn verwijzingen naar de desbetreffende IFRS-standaarden opgenomen.

1.3.5.6. Gebruik van nummering In deze instructies wordt de volgende algemene notatie gehanteerd om naar de kolommen, rijen en cellen van een template te verwijzen: {Template; Rij; Kolom}. Een asterisk geeft aan dat de validatie geldt voor de gehele rij of kolom. Zo verwijst {AE-ASS; *; 2} naar het datapunt van een rij van kolom 2 van de AE-ASS-template. Bij validaties binnen een template wordt de volgende notatie gebruikt om naar datapunten uit die template te verwijzen: {Rij; Kolom}.

1.4.7. Gebruik van tekens Voor de templates in bijlage XVI gelden dezelfde conventies voor het gebruik van tekens als die welke in bijlage V, deel 1, punten 9 en 10, is beschreven.

1.5.8. Toepassingsniveau Het toepassingsniveau van de rapportage over activabezwaring volgt dat van de rapportagevereisten met betrekking tot het eigen vermogen op grond van artikel 430, lid 1, eerste alinea, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013. instellingen die overeenkomstig artikel 7 van die verordening niet aan prudentiële vereisten onderworpen zijn, hoeven dus geen informatie over activabezwaring te rapporteren.

1.6.9.10. Evenredigheid Voor de toepassing van artikel 19, lid 3, punt c), van deze verordening wordt het activabezwaringsniveau als volgt berekend: [Verwijderd]

Boekwaarde van bezwaarde activa en zekerheden = {AE-ASS;0010;0010} — {AE-ASS;0015;0010} + {AE-COL;0130;0010};

Totale activa en zekerheden = {AE-ASS;0010;0010} + {AE-ASS;0010;0060} — {AE-ASS;0015;0010} + {AE-COL;0130;0010} + {AE-COL;0130;0040};

Activabezwaringsratio = (boekwaarde van bezwaarde activa en zekerheden)/(totale activa en zekerheden).

1.7.11. Definitie van bezwaring Voor de toepassing van deze bijlage en van bijlage XVI wordt een activum als bezwaard behandeld indien het verpand is of onderworpen is aan enige regeling ter waarborging, zekerheidsstelling of kredietverbetering van een transactie waaruit het niet vrijelijk kan worden teruggetrokken. Het is van belang erop te wijzen dat verpande activa waarvan de terugtrekking aan beperkingen onderhevig is — zoals activa die pas na voorafgaande toestemming mogen worden teruggetrokken of door andere activa mogen worden vervangen — als bezwaard moeten worden beschouwd. De definitie is niet op een expliciete juridische definitie (zoals overdracht van titel) gebaseerd maar veeleer op economische beginselen, omdat rechtskaders in dit opzicht van land tot land kunnen verschillen. Zij is echter sterk op contractvoorwaarden geënt. Volgens de EBA vallen de volgende soorten contracten duidelijk onder de definitie (het betreft hier een niet-limitatieve lijst):

financieringstransacties met zekerheidsstelling, met inbegrip van retrocessiecontracten en -overeenkomsten, effectenleningen en andere vormen van leningstransacties met zekerheidsstelling;

diverse zekerheidsovereenkomsten, zoals zekerheden die zijn verstrekt voor de marktwaarde van derivatentransacties;

financiële garanties die door zekerheden zijn gedekt. Indien er geen beletsel, zoals voorafgaande toestemming, bestaat voor de terugtrekking van het ongebruikte deel van de garantie, mag alleen het gebruikte bedrag worden toegerekend (pro-ratatoerekening);

aan clearingsystemen, centrale tegenpartijen en andere infrastructuurinstellingen verstrekte zekerheden om toegang te krijgen tot de dienstverlening. Deze omvatten wanbetalingsfondsen en initial margins;

centralebankfaciliteiten. Pre-positioned activa mogen niet als bezwaard worden beschouwd, tenzij de centrale bank terugtrekking van verstrekte activa zonder voorafgaande toestemming niet toestaat. Het ongebruikte deel van financiële garanties, d.w.z. het deel dat het door de centrale bank vereiste minimumbedrag overschrijdt, dient pro rata te worden toegerekend aan de bij de centrale bank geplaatste activa;

onderliggende activa van securitisatiestructuren waarbij de financiële activa niet langer bij de financiële activa van de instelling zijn opgenomen. De onderliggende activa van behouden effecten worden alleen als bezwaard beschouwd indien deze effecten op enigerlei wijze zijn verpand of als zekerheid zijn verstrekt ter dekking van een transactie;

activa die deel uitmaken van cover pools ter dekking van de uitgifte van gedekte obligaties. De onderliggende activa van gedekte obligaties worden als bezwaard beschouwd, behalve in bepaalde situaties waarin de instelling de overeenkomstige gedekte obligaties bezit (eigen uitgegeven obligaties);

als algemeen beginsel geldt dat bij faciliteiten geplaatste activa en die niet worden gebruikt en vrijelijk kunnen worden teruggetrokken, niet als bezwaard mogen worden beschouwd.

INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES

2.12.13. DEEL A: BEZWARINGSOVERZICHT In de templates voor het bezwaringsoverzicht wordt een onderscheid gemaakt tussen activa voor de ondersteuning van financiering of voor het voldoen aan behoeften aan zekerheden op de balansdatum (bezwaring op een punt in de tijd), en activa die beschikbaar zijn voor potentiële financieringsbehoeften. De overzichtstemplate geeft in tabelvorm en per product het bedrag van de bezwaarde en niet-bezwaarde activa van de rapporterende instelling. Dezelfde uitsplitsing geldt ook voor ontvangen zekerheden en uitgegeven eigen schuldtitels die geen gedekte obligaties en securitisaties zijn.

2.12.13.

2.1. AE-ASS-template. Activa van de rapporterende instelling

2.1.

2.1.1.14. Algemene opmerkingen Dit punt geeft instructies die van toepassing zijn op de belangrijkste soorten transacties die voor het invullen van de AE-templates relevant zijn. Alle transacties die het bezwaringsniveau van een instelling verhogen, hebben twee aspecten die in alle AE-templates los van elkaar moeten worden gerapporteerd. Dergelijke transacties worden enerzijds als bron van bezwaring en anderzijds als een bezwaard activum of een bezwaarde zekerheid gerapporteerd. De onderstaande voorbeelden beschrijven alleen hoe een bepaald type transactie van dit deel moet worden gerapporteerd, maar voor de overige AE-templates gelden dezelfde regels.

2.1.1.14.

(a) Door zekerheden gedekt deposito Een door zekerheden gedekt deposito wordt als volgt gerapporteerd:

(a)

(i) de boekwaarde van het deposito wordt als bron van bezwaring geregistreerd in {AE-SOU; r0070; c0010};

(ii) indien de zekerheid de vorm aanneemt van een activum van de rapporterende instelling: de boekwaarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0010} en {AE-SOU; r0070; c0030}; de reële waarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0040};

(iii) indien de zekerheid door de rapporterende instelling is ontvangen, wordt de reële waarde ervan gerapporteerd in {AE-COL; *; c0010}, {AE-SOU; r0070; c0030} en {AE-SOU; r0070; c0040}.

(b) Repo’s/matchende repo’s Een retrocessieovereenkomst (repo) wordt als volgt gerapporteerd:

(b)

(i) de brutoboekwaarde van de repo wordt als bron van bezwaring gerapporteerd in {AE-SOU; r0050; c0010};

(ii) de zekerheid van de repo wordt als volgt gerapporteerd:

indien de zekerheid de vorm aanneemt van een activum van de rapporterende instelling: de boekwaarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0010} en {AE-SOU; r0050; c0030}; de reële waarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0040};

indien de zekerheid door de rapporterende instelling via een eerdere omgekeerde retrocessieovereenkomst (matchende repo) is ontvangen, wordt de reële waarde ervan gerapporteerd in {AE-COL; *; c0010}, {AE-SOU; r0050; c0030} en in {AE-SOU; r0050; c0040}.

(c) Centralebankfinanciering Omdat door zekerheden gedekte centralebankfinanciering niets anders is dan een bijzonder geval van een door zekerheden gedekt deposito of een repo waarbij de tegenpartij een centrale bank is, zijn de in dit punt 14, a) en b), beschreven regels van toepassing. Voor transacties waarbij het niet mogelijk is de specifieke zekerheid voor elke transactie te bepalen omdat de zekerheden in een pool zijn samengebracht, moet de uitsplitsing van de zekerheden evenredig plaatsvinden op basis van de samenstelling van de pool van zekerheden. Bij centrale banken pre-positioned activa zijn geen bezwaarde activa, tenzij de centrale bank terugtrekking van verstrekte activa zonder voorafgaande toestemming niet toestaat. Het ongebruikte deel van financiële garanties, d.w.z. het bedrag dat het door de centrale bank vereiste minimumbedrag overschrijdt, wordt pro rata aan de bij de centrale bank geplaatste activa toegerekend.

(d) Effectenleningen Voor effectenleningen tegen zekerheden in de vorm van contanten gelden de regels voor repo’s/matchende repo’s. Effectenleningen zonder zekerheden in de vorm van contanten worden als volgt gerapporteerd:

(d)

(i) de reële waarde van de ontleende effecten wordt als bron van bezwaring gerapporteerd in {AE-SOU; r0150; c0010}. Wanneer de partij die de effecten uitleent, in ruil voor de uitgeleende effecten geen effecten maar een vergoeding ontvangt, wordt voor {AE-SOU; r0150; c0010} de waarde nul gerapporteerd;

(ii) indien de als zekerheden uitgeleende effecten de vorm aannemen van een activum van de rapporterende instelling: de boekwaarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0010} en {AE-SOU; r0150; c0030}; de reële waarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0040};

(iii) indien de als zekerheden uitgeleende effecten door de rapporterende instelling worden ontvangen, wordt de reële waarde ervan gerapporteerd in {AE-COL; *; c0010}, {AE-SOU; r0150; c0030} en {AE-SOU; r0150; c0040}.

(e) Derivaten (verplichtingen) Door zekerheden gedekte derivaten met een negatieve reële waarde worden als volgt gerapporteerd:

(e)

(i) de boekwaarde van het derivaat wordt als bron van bezwaring gerapporteerd in {AE-SOU; r0020; c0010};

(ii) de zekerheden (initial margins vereist om de positie te openen en alle verstrekte zekerheden voor de marktwaarde van derivatentransacties) worden als volgt gerapporteerd:

indien de zekerheid de vorm aanneemt van een activum van de rapporterende instelling: de boekwaarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0010} en {AE-SOU; r0020; c0030}; de reële waarde ervan wordt gerapporteerd in {AE-ASS; *; c0040};

indien de zekerheid door de rapporterende instelling is ontvangen, wordt de reële waarde ervan gerapporteerd in {AE-COL; *; c0010}, {AE-SOU; r0020; c0030} en {AE-SOU; r0020; c0040}.

(f) Gedekte obligaties Voor de volledige rapportage van activabezwaring geldt dat gedekte obligaties de instrumenten zijn als bedoeld in artikel 52, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2009/65/EU, ongeacht of die instrumenten al dan niet de rechtsvorm van een effect hebben. Voor gedekte obligaties gelden geen specifieke regels indien de rapporterende instelling geen deel van de uitgegeven effecten behoudt. Ingeval een deel van de uitgifte wordt behouden, wordt de volgende behandeling gevolgd om dubbeltellingen te vermijden: Onderstaande tabel laat zien hoe te werk moet worden gegaan bij de rapportage van een uitgifte van gedekte obligaties ter waarde van 100 EUR waarvan 15 % wordt behouden en niet is verpand en 10 % wordt behouden en als zekerheid is verstrekt bij een repo van 11 EUR met een centrale bank, waarbij de cover pool leningen zonder zekerheidsstelling omvat en de boekwaarde van de leningen 150 EUR bedraagt. BRONNEN VAN BEZWARING Type Bedrag Cellen Bezwaarde leningen Cellen Gedekte obligaties 75 % (100) = 75 {AE-Sources, r110, c010} 75 % (150) = 112.5 {AE-Assets, r100, c010} {AE-Sources, r110, c030} Centralebank-financiering 11 {AE-Sources, r060, c010} 10 % (150) = 15 {AE-Assets, r100, c010} {AE-Sources, r060, c030} GEEN BEZWARING Type Bedrag Cellen Niet-bezwaarde leningen Cellen Behouden eigen gedekte obligaties 15 % (100) = 15 {AE-Not pledged, r010, c040} 15 % (150) = 22.5 {AE-Assets, r100, c060} {AE-Not pledged, r020, c010}

(f)

(i) indien de eigen gedekte obligaties niet zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool ter dekking van deze behouden en nog niet verpande effecten in de AE-ASS-templates als niet-bezwaarde activa gerapporteerd. Aanvullende informatie over de behouden en nog niet verpande gedekte obligaties (onderliggende activa, reële waarde en toelaatbaarheid van de voor bezwaring beschikbare gedekte obligaties en nominale waarde van de niet voor bezwaring beschikbare gedekte obligaties), wordt gerapporteerd in de AE-NPL-template;

(ii) indien de eigen gedekte obligaties zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool ter dekking van deze behouden en verpande effecten in de AE-ASS-template als bezwaarde activa gerapporteerd.

(g) Securitisaties Securitisaties zijn door de rapporterende instelling aangehouden schuldtitels die hun oorsprong vinden in een securitisatietransactie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 61, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor securitisaties die op de balans opgenomen blijven (niet-verwijderd), gelden de regels voor gedekte obligaties. Voor uit de balans verwijderde securitisaties is er geen sprake van bezwaring indien de instelling een aantal effecten in haar bezit houdt. Evenals andere door derden uitgegeven effecten worden die effecten in de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille van de rapporterende instellingen opgenomen.

2.1.2. Instructies voor bepaalde rijen Rijen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0015 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120

2.1.2. Activa van de rapporterende instelling

IAS 1.9 (a), toepassingsleidraad (TL) 6; totale activa van de rapporterende instelling die op haar balans zijn opgenomen.

Waarvan: kwalificerende fiduciaire activa

Fiduciaire activa die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij worden in de balans van de instelling opgenomen volgens de nationale algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen (GAAP) overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 86/635/EEG;

b)

zij voldoen aan de criteria voor verwijdering uit de balans van de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS) 9, zoals van toepassing krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002;

c)

zij voldoen aan de criteria voor niet-consolidatie van IFRS 10, zoals van toepassing krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 (indien toepasselijk).

Onmiddellijk opeisbare leningen

IAS 1.54(i) De instellingen rapporteren de direct opvraagbare tegoeden bij centrale banken en andere instellingen. Kasmiddelen, d.w.z. de aangehouden nationale en buitenlandse bankbiljetten en munten in omloop die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen, worden opgenomen in de rij Overige activa.

Eigenvermogensinstrumenten

Door de rapporterende instelling aangehouden eigenvermogensinstrumenten als omschreven in IAS 32.1.

Schuldtitels

Bijlage V, deel 1, punt 31 De instellingen rapporteren schuldinstrumenten die door de rapporterende instelling worden aangehouden en zijn uitgegeven als effecten die geen leningen zijn overeenkomstig Verordening (EU) 2021/379.

waarvan: gedekte obligaties

Door de rapporterende instelling aangehouden schuldtitels die obligaties zijn als bedoeld in artikel 52, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2009/65/EG.

waarvan: securitisaties

Door de rapporterende instelling aangehouden schuldtitels die securitisaties zijn in de zin van artikel 4, lid 1, punt 61, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

waarvan: uitgegeven door algemene overheden

Door de rapporterende instelling aangehouden schuldtitels die door algemene overheden zijn uitgegeven.

waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen

Door de rapporterende instelling aangehouden schuldtitels die zijn uitgegeven door financiële vennootschappen in de zin van bijlage V, deel 1, punt 42, punten c) en d).

waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen

Door de rapporterende instelling aangehouden schuldtitels die zijn uitgegeven door niet-financiële vennootschappen die zijn omschreven in bijlage V, deel 1, punt 42, punt e).

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn

Leningen en voorschotten die schuldinstrumenten zijn, andere dan door de rapporterende instelling aangehouden effecten; andere dan direct opvraagbare tegoeden.

waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn die door onroerend goed zijn zekergesteld in de zin van bijlage V, deel 2, punt 86.

Overige activa

Op de balans opgenomen activa van de rapporterende instelling die niet in de rijen 0020 tot en met 0040 en 0100 zijn vermeld en die verschillen van de eigen schuldtitels en eigen schuld-/eigenvermogensinstrumenten welke door een niet-IFRS-instelling niet uit de balans mogen worden verwijderd. In dit geval worden eigen schuldinstrumenten in rij 0240 van de AE-COL-template opgenomen en eigen eigenvermogensinstrumenten van de rapportage van activabezwaring uitgesloten.

2.1.3. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0035 0040 0050 0055 0060 0070 0080 0085 0090 0100 0105

2.1.3. Boekwaarde bezwaarde activa

Instellingen rapporteren de boekwaarde van hun activa die bezwaard zijn overeenkomstig de definitie van activabezwaring in punt 11 van deze bijlage. Met boekwaarde wordt het aan de actiefzijde van de balans gerapporteerde bedrag bedoeld.

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Boekwaarde van door de rapporterende instelling aangehouden bezwaarde activa die zijn uitgegeven door een entiteit die binnen de prudentiële consolidatiekring valt.

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Boekwaarde van door de rapporterende instelling aangehouden bezwaarde activa die toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft. Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA

De boekwaarde van bezwaarde activa die theoretisch in aanmerking komen voor kwalificatie als activa van uiterst hoge liquiditeit en kredietkwaliteit (EHQLA) en activa van hoge liquiditeit en kredietkwaliteit (HQLA). Voor de toepassing van deze verordening zijn theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA de activa die worden genoemd in de artikelen 10 tot en met 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 en die aan de algemene en operationele voorschriften van de artikelen 7 en 8 van de genoemde gedelegeerde verordening zouden voldoen, mochten zij niet de status hebben van bezwaarde activa in de zin van deze bijlage. Theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA voldoen ook aan de specifiek voor de desbetreffende blootstellingscategorie geldende voorschriften van de artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 35 tot en met 37 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. De boekwaarde van theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA is de boekwaarde vóór toepassing van de in de artikelen 10 tot en met 16 van die gedelegeerde verordening gespecificeerde reductiefactoren.

Reële waarde bezwaarde activa

IFRS 13 en artikel 8 van Richtlijn 2013/34/EU voor niet-IFRS-instellingen Instellingen rapporteren de reële waarde van hun schuldtitels die bezwaard zijn overeenkomstig de definitie van activabezwaring in punt 11 van deze bijlage. De reële waarde van een financieel instrument is de prijs die zou worden ontvangen om een activum te verkopen of die zou worden betaald om een verplichting over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum (zie IFRS 13 — Waardering tegen reële waarde).

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Reële waarde van door de rapporterende instelling aangehouden bezwaarde schuldtitels die toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft. Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA

Reële waarde van bezwaarde activa die theoretisch in aanmerking komen voor de kwalificatie als EHQLA en HQLA Voor de toepassing van deze verordening zijn theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA de activa die worden genoemd in de artikelen 10 tot en met 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 en die aan de algemene en operationele voorschriften van de artikelen 7 en 8 van de genoemde gedelegeerde verordening zouden voldoen, mochten zij niet de status hebben van bezwaarde activa in de zin van deze bijlage. Theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA voldoen ook aan de specifiek voor de desbetreffende blootstellingscategorie geldende voorschriften van de artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 35 tot en met 37 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. De reële waarde van theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA is de reële waarde vóór toepassing van de in de artikelen 10 tot en met 16 van die gedelegeerde verordening gespecificeerde reductiefactoren.

Boekwaarde niet-bezwaarde activa

Instellingen rapporteren de boekwaarde van hun activa die niet-bezwaard zijn volgens de definitie van activabezwaring in punt 11 van deze bijlage. Met boekwaarde wordt het aan de actiefzijde van de balans gerapporteerde bedrag bedoeld.

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Boekwaarde van door de rapporterende instelling aangehouden niet-bezwaarde activa die zijn uitgegeven door een entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring.

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Boekwaarde van door de rapporterende instelling aangehouden niet-bezwaarde activa die toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft. Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

waarvan EHQLA en HQLA

De boekwaarde van de niet-bezwaarde EHQLA en HQLA die worden genoemd in de artikelen 10 tot en met 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 en die voldoen aan zowel de algemene en operationele voorschriften van de artikelen 7 en 8 van de genoemde gedelegeerde verordening als aan de specifiek voor de desbetreffende blootstellingscategorie geldende voorschriften van de artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 35 tot en met 37 van de genoemde gedelegeerde verordening. De boekwaarde van EHQLA en HQLA is de boekwaarde vóór toepassing van de in de artikelen 10 tot en met 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 gespecificeerde reductiefactoren.

Reële waarde niet-bezwaarde activa

IFRS 13 en artikel 8 van Richtlijn 2013/34/EU voor niet-IFRS-instellingen Instellingen rapporteren de reële waarde van hun schuldtitels die bezwaard zijn overeenkomstig de definitie van activabezwaring in punt 11 van deze bijlage. De reële waarde van een financieel instrument is de prijs die zou worden ontvangen om een activum te verkopen of die zou worden betaald om een verplichting over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum (zie IFRS 13 — Waardering tegen reële waarde).

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Reële waarde van door de rapporterende instelling aangehouden niet-bezwaarde schuldtitels die toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft. Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

waarvan EHQLA en HQLA

De reële waarde van niet-bezwaarde EHQLA en HQLA die worden genoemd in de artikelen 10 tot en met 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 en die voldoen aan zowel de algemene en operationele voorschriften van de artikelen 7 en 8 van de genoemde gedelegeerde verordening als aan de specifiek voor de desbetreffende blootstellingscategorie geldende voorschriften van de artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 35 tot en met 37 van de genoemde gedelegeerde verordening. De reële waarde van EHQLA en HQLA is de reële waarde vóór toepassing van de in de artikelen 10 tot en met 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 gespecificeerde reductiefactoren.

2.2. Template: AE-COL. Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden

2.2.
2.2.1.15.16.17.

Algemene opmerkingen Voor de door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden en de uitgegeven eigen schuldtitels die geen eigen gedekte obligaties of securitisaties zijn, wordt de categorie niet-bezwaarde activa uitgesplitst in activa beschikbaar voor bezwaring of potentieel toelaatbaar voor bezwaring, en activa niet beschikbaar voor bezwaring. Activa zijn niet beschikbaar voor bezwaring wanneer zij als zekerheden zijn ontvangen en het de rapporterende instelling de zekerheden niet mag verkopen of herbelenen, behalve bij wanbetaling door de eigenaar van de zekerheden. Uitgegeven eigen schuldtitels die geen eigen gedekte obligaties of securitisaties zijn, zijn niet beschikbaar voor bezwaring wanneer er in de uitgiftevoorwaarden een beperking is opgenomen ten aanzien van de verkoop of de herbelening van de aangehouden effecten. In het kader van de rapportage van activabezwaring worden effecten die tegen een vergoeding zijn ontleend zonder dat zekerheden, al dan niet in de vorm van contanten, worden verstrekt, als ontvangen zekerheden gerapporteerd.

2.2.2. Instructies voor bepaalde rijen Rijen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0245 0250

2.2.2. Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden

Alle klassen van door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden

Onmiddellijk opeisbare leningen

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die onmiddellijk opeisbare leningen omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0020 van de AE-ASS-template.

Eigenvermogensinstrumenten

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die eigenvermogensinstrumenten omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0030 van de AE-ASS-template.

Schuldtitels

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die schuldtitels omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0040 van de AE-ASS-template.

waarvan: gedekte obligaties

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die gedekte obligaties omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0050 van de AE-ASS-template.

waarvan: securitisaties

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die securitisaties omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0060 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door algemene overheden

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die door algemene overheden uitgegeven schuldtitels omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0070 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die door financiële vennootschappen uitgegeven schuldtitels omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0080 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die door niet-financiële vennootschappen uitgegeven schuldtitels omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0090 van de AE-ASS-template.

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die leningen en voorschotten omvatten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0100 van de AE-ASS-template.

Overige ontvangen zekerheden

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die andere activa omvatten. Zie de verwijzingen naar wetgeving en de instructies betreffende rij 0120 van de AE-ASS-template.

Uitgegeven eigen schuldtitels die geen eigen gedekte obligaties of securitisaties zijn

Uitgegeven eigen schuldtitels die door de rapporterende instelling worden behouden en die geen uitgegeven eigen gedekte obligaties of uitgegeven eigen securitisaties zijn. Aangezien de behouden of teruggekochte uitgegeven eigen schuldtitels volgens IAS 39.42 de gerelateerde financiële verplichtingen verminderen, worden deze effecten niet opgenomen in de categorie activa van de rapporterende instelling (rij 0010 van de AE-ASS-template). Eigen schuldtitels die door een niet-IFRS-instelling niet uit de balans mogen worden verwijderd, worden in deze rij opgenomen. Uitgegeven eigen gedekte obligaties of uitgegeven eigen securitisaties worden niet in deze categorie gerapporteerd omdat er in dergelijke gevallen andere regels van toepassing zijn om dubbeltellingen te vermijden:

(a) indien de eigen schuldtitels zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool/onderliggende activa ter dekking van die behouden en verpande effecten in de AE-ASS-template gerapporteerd als bezwaarde activa;

(b) indien de eigen schuldtitels nog niet zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool/onderliggende activa ter dekking van die behouden en nog niet verpande effecten in de AE-ASS-template gerapporteerd als niet-bezwaarde activa. Aanvullende informatie over deze tweede soort eigen schuldtitels die nog niet zijn verpand (onderliggende activa, reële waarde en toelaatbaarheid van de voor bezwaring beschikbare schuldtitels en nominale waarde van de niet- voor bezwaring beschikbare schuldtitels), wordt gerapporteerd in de AE-NPL-template.

Uitgegeven en nog niet verpande eigen gedekte obligaties en securitisaties

Uitgegeven eigen gedekte obligaties en securitisaties die door de rapporterende instelling worden behouden en niet zijn bezwaard. Om dubbeltellingen te vermijden, geldt de volgende regel voor door de rapporterende instelling uitgegeven en behouden eigen gedekte obligaties en securitisaties:

a)

indien deze effecten zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool/onderliggende activa ter dekking daarvan in de AE-ASS-template (F32.01) in de vorm van bezwaarde activa gerapporteerd. De financieringsbron in geval van verpanding van eigen gedekte obligaties en securitisaties is de nieuwe transactie waarbij de effecten worden verpand (centralebankfinanciering of een ander soort gedekte financiering) — en niet de oorspronkelijke uitgifte van gedekte obligaties of securitisaties;

b)

indien deze effecten nog niet zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool/onderliggende activa ter dekking van deze effecten in de AE-ASS-template (F32.01) in de vorm van niet-bezwaarde activa gerapporteerd.

TOTALE ACTIVA, ONTVANGEN ZEKERHEDEN EN UITGEGEVEN EIGEN SCHULDTITELS

Alle activa van de rapporterende instelling die op haar balans zijn opgenomen, alle klassen zekerheden die door de rapporterende instelling zijn ontvangen, en uitgegeven eigen schuldtitels die door de rapporterende instelling zijn behouden en die geen uitgegeven eigen gedekte obligaties of uitgegeven eigen securitisaties zijn.

2.2.3. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0035 0040 0050 0060 0065 0070

2.2.3. Reële waarde bezwaarde ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels

Instellingen rapporteren de reële waarde van ontvangen zekerheden of aangehouden/behouden eigen schuldtitels die bezwaard zijn overeenkomstig de definitie van activabezwaring in punt 11 van deze bijlage. De reële waarde van een financieel instrument is de prijs die zou worden ontvangen om een activum te verkopen of die zou worden betaald om een verplichting over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum (zie IFRS 13 — Waardering tegen reële waarde).

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Reële waarde (waarde in het economisch verkeer) van de door de rapporterende instelling ontvangen bezwaarde zekerheden of aangehouden/behouden bezwaarde uitgegeven eigen schuldtitels die zijn uitgegeven door een entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring.

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Reële waarde van de door de rapporterende instelling ontvangen bezwaarde zekerheden of aangehouden/behouden bezwaarde uitgegeven eigen schuldtitels die toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft. Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA

De reële waarde van de bezwaarde ontvangen zekerheden, ook in het kader van opgenomen effectenleningen, of van door de instelling aangehouden/behouden uitgegeven eigen schuldtitels die theoretisch in aanmerking komen voor de kwalificatie als EHQLA en HQLA Voor de toepassing van deze verordening zijn theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA de posten van ontvangen zekerheden of door de instelling aangehouden/behouden uitgegeven eigen schuldtitels die worden genoemd in de artikelen 10 tot en met 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 en die aan de algemene en operationele voorschriften van de artikelen 7 en 8 van de genoemde gedelegeerde verordening zouden voldoen, mochten zij niet de status hebben van bezwaarde activa in de zin van deze bijlage. Theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en bezwaarde HQLA voldoen ook aan de specifiek voor de desbetreffende blootstellingscategorie geldende voorschriften van de artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 35 tot en met 37 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. De reële waarde van theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA is de reële waarde vóór toepassing van de in de artikelen 10 tot en met 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 gespecificeerde reductiefactoren.

Reële waarde ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels beschikbaar voor bezwaring

Reële waarde van de door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die niet zijn bezwaard maar voor bezwaring beschikbaar zijn omdat het de rapporterende instelling is toegestaan de zekerheden te verkopen of te herbelenen als de eigenaar van de zekerheden niet in gebreke blijft. Hier wordt tevens melding gemaakt van de reële waarde van uitgegeven eigen schuldtitels die geen eigen gedekte obligaties of securitisaties zijn en die niet zijn bezwaard maar voor bezwaring beschikbaar zijn.

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Reële waarde van ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels die geen eigen gedekte obligaties of securitisaties zijn die voor bezwaring beschikbaar zijn en zijn uitgegeven door een entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring.

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Reële waarde van ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels die geen eigen gedekte obligaties of securitisaties zijn die voor bezwaring beschikbaar zijn en toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

waarvan EHQLA en HQLA

De reële waarde van de andere niet-bezwaarde ontvangen zekerheden of door de instelling aangehouden/behouden uitgegeven eigen schuldtitels dan de eigen gedekte obligaties of securitisatieposities beschikbaar voor bezwaring, die kwalificeren als EHQLA en HQLA als genoemd in de artikelen 10 tot en met 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, en die voldoen aan zowel de algemene en operationele voorschriften van de artikelen 7 en 8 van de genoemde gedelegeerde verordening als aan de specifiek voor de desbetreffende blootstellingscategorie geldende voorschriften van de artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 35 tot en met 37 van de genoemde gedelegeerde verordening. De reële waarde van EHQLA en HQLA is de reële waarde vóór toepassing van de in de artikelen 10 tot en met 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 gespecificeerde reductiefactoren.

Nominale waarde van ontvangen zekerheden of uitgegeven eigen schuldtitels niet beschikbaar voor bezwaring

Nominale waarde van de door de rapporterende instelling aangehouden ontvangen zekerheden die niet zijn bezwaard en die niet voor bezwaring beschikbaar zijn. Hier wordt melding gemaakt van het nominale bedrag van de uitgegeven eigen schuldtitels met uitsluiting van door de rapporterende instelling behouden eigen gedekte obligaties of securitisaties die niet zijn bezwaard en evenmin voor bezwaring beschikbaar zijn.

2.3. Template: AE-NPL-template. Uitgegeven en nog niet verpande eigen gedekte obligaties en securitisaties

2.3.

2.3.1.18. Algemene opmerkingen Om dubbeltellingen te vermijden, geldt de volgende regel voor door de rapporterende instelling uitgegeven en behouden eigen gedekte obligaties en securitisaties:

2.3.1.18.

(a) indien deze effecten zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool/onderliggende activa ter dekking daarvan in de AE-ASS-template in de vorm van bezwaarde activa gerapporteerd. De financieringsbron in geval van verpanding van eigen gedekte obligaties en securitisaties is de nieuwe transactie waarbij de effecten worden verpand (centralebankfinanciering of een ander soort gedekte financiering) en niet de oorspronkelijke uitgifte van gedekte obligaties of securitisaties;

(b) indien deze effecten nog niet zijn verpand, wordt het bedrag van de cover pool/onderliggende activa ter dekking van deze effecten in de AE-ASS-template in de vorm van niet-bezwaarde activa gerapporteerd.

2.3.2. Instructies voor bepaalde rijen Rijen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 0050 0060

2.3.2. Uitgegeven en nog niet verpande eigen gedekte obligaties en securitisaties

Uitgegeven eigen gedekte obligaties en securitisaties die door de rapporterende instelling worden behouden en niet zijn bezwaard.

Behouden uitgegeven gedekte obligaties

Uitgegeven eigen gedekte obligaties die door de rapporterende instelling worden behouden en niet zijn bezwaard.

Behouden uitgegeven securitisaties

Uitgegeven eigen securitisaties die door de rapporterende instelling worden behouden en niet zijn bezwaard.

Senior

Senior tranches van de uitgegeven eigen securitisaties die door de rapporterende instelling worden behouden en niet zijn bezwaard. Zie artikel 4, lid 1, punt 67, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Mezzanine

Mezzanine-tranches van de uitgegeven eigen securitisaties die door de rapporterende instelling worden behouden en niet zijn bezwaard Alle tranches die geen senior-tranches (d.w.z. de laatste tranches om het verlies op te vangen) of first loss-tranches zijn, worden als mezzanine-tranches aangemerkt. Zie artikel 4, lid 1, punt 67, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

First loss

First loss-tranches van de uitgegeven eigen securitisaties die door de rapporterende instelling worden behouden en niet zijn bezwaard. Zie artikel 4, lid 1, punt 67, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.3.3. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0035 0040

2.3.3. Boekwaarde onderliggende activapool

Boekwaarde van de cover pool/onderliggende activa ter dekking van de eigen gedekte obligaties en eigen securitisaties die worden behouden en nog niet zijn verpand.

Reële waarde uitgegeven schuldtitels beschikbaar voor bezwaring

Reële waarde van de behouden eigen gedekte obligaties en eigen securitisaties die niet zijn bezwaard maar voor bezwaring beschikbaar zijn.

Waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Reële waarde van de behouden eigen gedekte obligaties en eigen securitisaties die aan alle volgende voorwaarden voldoen: Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

a)

zij zijn niet bezwaard;

b)

zij zijn beschikbaar voor bezwaring;

c)

zij zijn toelaatbaar voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft.

waarvan theoretisch in aanmerking komende EHQLA en HQLA

De reële waarde van de bezwaarde ontvangen zekerheden, ook in het kader van opgenomen effectenleningen, of van door de instelling aangehouden/behouden uitgegeven eigen schuldtitels die theoretisch in aanmerking komen voor de kwalificatie als EHQLA en HQLA Voor de toepassing van deze verordening zijn theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA de posten van ontvangen zekerheden of door de instelling aangehouden/behouden uitgegeven eigen schuldtitels die worden genoemd in de artikelen 10 tot en met 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 en die aan de algemene en operationele voorschriften van de artikelen 7 en 8 van de genoemde gedelegeerde verordening zouden voldoen, mochten zij niet de status hebben van bezwaarde activa in de zin van deze bijlage XVII. Theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en bezwaarde HQLA voldoen ook aan de specifiek voor de desbetreffende blootstellingscategorie geldende voorschriften van de artikelen 10 tot en met 16 en de artikelen 35 tot en met 37 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. De reële waarde van theoretisch in aanmerking komende bezwaarde EHQLA en theoretisch in aanmerking komende bezwaarde HQLA is de reële waarde vóór toepassing van de in de artikelen 10 tot en met 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 gespecificeerde reductiefactoren.

Nominale waarde uitgegeven eigen schuldtitels niet beschikbaar voor bezwaring

Nominale waarde van de behouden eigen gedekte obligaties en eigen securitisaties die niet zijn bezwaard en evenmin voor bezwaring beschikbaar zijn.

2.4. Template: AE-SOU-template. Bronnen van bezwaring

2.4.

2.4.1.19.20. Algemene opmerkingen Deze template verschaft informatie over het belang voor de rapporterende instelling van de verschillende bronnen van bezwaring, met inbegrip van die zonder bijbehorende financiering, zoals ontvangen toegezegde leningen of financiële garanties en effectenleningen tegen zekerheden die geen contanten zijn. De in de AE-ASS- en AE-COL-templates opgenomen totaalbedragen aan activa en ontvangen zekerheden voldoen aan de volgende validatieregel: {AE-SOU; r0170; c0030} = {AE-ASS; r0010; c0010} + {AE-COL; r0130; c0010} + {AE-COL; r0240; c0010}.

2.4.2. Instructies voor bepaalde rijen Rijen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170

2.4.2. Boekwaarde geselecteerde financiële verplichtingen

Boekwaarde van geselecteerde, door zekerheden gedekte financiële verplichtingen van de rapporterende instelling, voor zover deze verplichtingen voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Derivaten

Boekwaarde van de door zekerheden gedekte derivaten van de rapporterende instelling die financiële verplichtingen zijn (d.w.z. met een negatieve reële waarde), voor zover deze verplichtingen voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

waarvan: over-the-counter

Boekwaarde van de door zekerheden gedekte derivaten van de rapporterende instelling die financiële verplichtingen zijn die over-the-counter (otc) worden verhandeld, voor zover deze derivaten activabezwaring met zich meebrengen.

Deposito’s

Boekwaarde van de door zekerheden gedekte deposito’s van de rapporterende instelling, voor zover deze deposito’s voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Retrocessieovereenkomsten

Brutoboekwaarde (zonder dat in het kader voor financiële verslaggeving enige netting is toegestaan) van de retrocessieovereenkomsten van de rapporterende instelling voor zover deze transacties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen. Retrocessieovereenkomsten (repo’s) zijn transacties waarbij de rapporterende instelling contanten ontvangt in ruil voor financiële activa die tegen een bepaalde prijs zijn verkocht onder beding van wederinkoop van dezelfde (of identieke) activa tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst. Alle volgende varianten van repo-achtige transacties moeten als retrocessieovereenkomsten worden gerapporteerd:

a)

bedragen ontvangen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een effectenlening tegen zekerheid in de vorm van contanten, en

b)

bedragen ontvangen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een verkoop-/terugkoopovereenkomst.

waarvan: centrale banken

Boekwaarde van de retrocessieovereenkomsten van de rapporterende instelling met centrale banken, voor zover deze transacties activabezwaring met zich meebrengen.

Door zekerheden gedekte deposito’s die geen retrocessieovereenkomsten zijn

Boekwaarde van de door zekerheden gedekte deposito’s die geen retrocessieovereenkomsten van de rapporterende instelling zijn, voor zover deze deposito’s voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

waarvan: centrale banken

Boekwaarde van de door zekerheden gedekte deposito’s die geen retrocessieovereenkomsten van de rapporterende instelling met centrale banken zijn, voor zover deze deposito’s voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Uitgegeven schuldtitels

Boekwaarde van de door de rapporterende instelling uitgegeven schuldtitels, voor zover deze effecten voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen. Voor het behouden deel van elke uitgifte wordt de specifieke behandeling toegepast die in deel A, punt 15, vi), is beschreven, hetgeen inhoudt dat alleen het percentage van de niet bij de groepsentiteiten geplaatste schuldtitels in deze categorie moet worden opgenomen.

waarvan: uitgegeven gedekte obligaties

Boekwaarde van gedekte obligaties waarvan de activa bij de rapporterende instelling hun oorsprong vinden, voor zover deze effecten voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

waarvan: uitgegeven securitisaties

Boekwaarde van de door de rapporterende instelling uitgegeven securitisaties, voor zover deze securitisaties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Overige bronnen van bezwaring

Bedrag van de door zekerheden gedekte transacties van de rapporterende instelling die geen financiële verplichtingen zijn, voor zover deze transacties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Nominale waarde ontvangen toegezegde leningen

Nominale waarde van de door de rapporterende instelling ontvangen toegezegde leningen, voor zover deze ontvangen toezeggingen voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Nominale waarde ontvangen financiële garanties

Nominale waarde van de door de rapporterende instelling ontvangen financiële garanties, voor zover deze ontvangen garanties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Reële waarde effecten ontleend tegen zekerheden die geen contanten zijn

Reële waarde van de effecten die door de rapporterende instelling zonder zekerheden in de vorm van contanten zijn ontleend, voor zover deze transacties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Overige

Bedrag van de door zekerheden gedekte transacties van de rapporterende instelling niet zijnde financiële verplichtingen, die niet onder de posten in de rijen 0130 tot en met 0150 vallen, voor zover deze transacties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

BRONNEN VAN BEZWARING: TOTAAL

Bedrag van alle door zekerheden gedekte transacties van de rapporterende instelling, voor zover deze transacties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

2.4.3. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 050

2.4.3. Matchende verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen of uitgeleende effecten

Bedrag van de matchende financiële verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen (ontvangen toegezegde leningen en ontvangen financiële garanties) en van de tegen niet in contanten gestelde zekerheden uitgeleende effecten, voor zover deze transacties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen. Financiële verplichtingen worden gerapporteerd tegen hun boekwaarde; voorwaardelijke verplichtingen worden gerapporteerd tegen hun nominale waarde; en tegen niet in contanten gestelde zekerheden uitgeleende effecten worden gerapporteerd tegen hun reële waarde.

waarvan: afkomstig van andere groepsentiteiten

Bedrag van de matchende financiële verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen (ontvangen toegezegde leningen en ontvangen financiële garanties) en van de tegen niet in contanten gestelde zekerheden uitgeleende effecten, voor zover de tegenpartij een andere entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring is en de transactie voor de rapporterende instelling activabezwaring met zich meebrengt. Zie, voor de regels die op de soorten bedragen van toepassing zijn, de instructies voor kolom 0010.

Activa, ontvangen zekerheden en uitgegeven eigen effecten die geen bezwaarde gedekte obligaties en securitisaties zijn

Bedrag van de activa, ontvangen zekerheden en uitgegeven eigen effecten die geen als gevolg van de in de rijen gespecificeerde verschillende soorten transactie bezwaarde gedekte obligaties en securitisaties zijn. Om de consistentie met de criteria in de AE-ASS- en AE-COL-templates te verzekeren, worden de op de balans opgenomen activa van de rapporterende instelling tegen hun boekwaarde gerapporteerd, terwijl hergebruikte ontvangen zekerheden en bezwaarde uitgegeven eigen effecten die geen gedekte obligaties en securitisaties zijn tegen hun reële waarde worden gerapporteerd.

waarvan: hergebruikte ontvangen zekerheden

Reële waarde van de ontvangen zekerheden die zijn hergebruikt/bezwaard als gevolg van de in de rijen gespecificeerde verschillende soorten transacties.

Waarvan: bezwaarde eigen schuldtitels

Reële waarde van de uitgegeven eigen effecten die geen als gevolg van de in de rijen gespecificeerde verschillende soorten transacties bezwaarde gedekte obligaties en securitisaties zijn.

3. DEEL B: LOOPTIJDGEGEVENS

3.

3.1.21. Algemene opmerkingen In de in template in deel B wordt een algemeen overzicht gegeven van de waarde van de bezwaarde activa en de hergebruikte ontvangen zekerheden die vallen onder de gedefinieerde intervallen van de resterende looptijd van de matchende verplichtingen.

3.2. Template: AE-MAT. Looptijdgegevens

3.2.

3.2.1. Instructies voor bepaalde rijen Rijen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030

3.2.1. Bezwaarde activa

In deze template omvatten bezwaarde activa al het volgende: Die bedragen worden volgens de resterende looptijd van de bron van bezwaring (matchende verplichting, voorwaardelijke verplichting of effectenleningstransactie) uitgesplitst over de reeks in de kolommen gespecificeerde resterende-looptijdsegmenten.

(a) de activa van de rapporterende instelling (zie de instructie voor rij 0010 van de AE-ASS-template), die tegen hun boekwaarde worden gerapporteerd;

(b) uitgegeven eigen schuldtitels die geen gedekte obligaties of securitisaties zijn (zie de instructie voor rij 240 van de AE-COL-template), die tegen reële waarde worden gerapporteerd.

Hergebruikte ontvangen zekerheden (ontvangstgedeelte)

Zie de instructies voor rij 130 van de AE-COL-template en kolom 0040 van de AE-SOU-template. Instellingen rapporteren de bedragen tegen reële waarde en splitsen deze volgens de resterende looptijd van de transactie die voor de entiteit resulteerde in de ontvangst van de zekerheden die worden hergebruikt, uit over de reeks in de kolommen gespecificeerde resterendelooptijdsegmenten (ontvangstgedeelte).

Hergebruikte ontvangen zekerheden (hergebruiksgedeelte)

Zie de instructies voor rij 130 van de AE-COL-template en kolom 0040 van de AE-SOU-template. Instellingen rapporteren de bedragen tegen reële waarde en splitsen deze volgens de resterende looptijd van de bron van bezwaring uit over de reeks in de kolommen gespecificeerde resterende-looptijdsegmenten (hergebruiksgedeelte): matchende verplichting, voorwaardelijke verplichting of effectenleningstransactie.

3.2.2. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130

3.2.2. Open looptijd

Op verzoek, zonder een specifieke vervaldatum

Onmiddellijk opvraagbaar

Vervaldatum vroeger dan of gelijk aan één dag

> één dag ≤ één week

Vervaldatum later dan één dag en vroeger dan of gelijk aan één week

> één week ≤ twee weken

Vervaldatum later dan één week en vroeger dan of gelijk aan twee weken

> twee weken ≤ één maand

Vervaldatum later dan twee weken en vroeger dan of gelijk aan één maand

> één maand ≤ drie maanden

Vervaldatum later dan één maand en vroeger dan of gelijk aan drie maanden

> drie maanden ≤ zes maanden

Vervaldatum later dan drie maanden en vroeger dan of gelijk aan zes maanden

> zes maanden ≤ één jaar

Vervaldatum later dan zes maanden en vroeger dan of gelijk aan één jaar

> 1jaar ≤ 2jaar

Vervaldatum later dan één jaar en vroeger dan of gelijk aan 2 jaar

> 2jaar ≤ 3jaar

Vervaldatum later dan 2 jaar en vroeger dan of gelijk aan 3 jaar

> 3jaar ≤ 5jaar

Vervaldatum later dan 3 jaar en vroeger dan of gelijk aan 5 jaar

> 5jaar ≤ 10jaar

Vervaldatum later dan 5 jaar en vroeger dan of gelijk aan 10 jaar

> 10jaar Vervaldatum later dan 10 jaar

4. DEEL C: VOORWAARDELIJKE BEZWARING

4.
4.1.22.23.24.25.

Algemene opmerkingen In deze template presenteren instellingen het niveau van activabezwaring dat in een aantal stressscenario’s resulteert. Voorwaardelijke bezwaring heeft betrekking op de extra activa die eventueel moeten worden bezwaard wanneer de rapporterende instelling wordt geconfronteerd met ongunstige ontwikkelingen die worden veroorzaakt door een externe gebeurtenis waarover de rapporterende instelling geen controle heeft (zoals onder meer een ratingverlaging, een daling van de reële waarde van de bezwaarde activa of een algemeen vertrouwensverlies). In dergelijke gevallen zal de rapporterende instelling extra activa moeten bezwaren als gevolg van reeds bestaande transacties. Het extra bedrag aan bezwaarde activa wordt gecorrigeerd voor het effect van de hedgetransacties die de instelling is aangegaan om zich tegen de in de bovenvermelde stressscenario’s beschreven gebeurtenissen in te dekken. In deze template worden de volgende twee scenario’s voor de rapportage van voorwaardelijke bezwaring behandeld die in de punten 4.1.1 en 4.1.2 nader zijn uiteengezet. De gerapporteerde informatie betreft een redelijke raming door de instelling op basis van de best beschikbare gegevens. De scenario’s worden los van elkaar gerapporteerd. Ook depreciaties van belangrijke valuta worden los van depreciaties van andere belangrijke valuta gerapporteerd. De instellingen houden derhalve geen rekening met correlaties tussen de scenario’s.

4.1.22.23.24.

(a) Daling van de reële waarde van de bezwaarde activa met 30 %. Dit scenario heeft uitsluitend betrekking op een verandering in de onderliggende reële waarde van de activa — en niet op enigerlei andere verandering die de boekwaarde ervan kan beïnvloeden, zoals wisselkoerswinsten of -verliezen of mogelijke bijzondere waardeverminderingsverliezen. In dergelijke gevallen kan de rapporterende instelling zich verplicht zien meer zekerheden te verschaffen om de waarde van de zekerheden constant te houden.

(b) Een depreciatie met 10 % van elke valuta waarin de instelling geaggregeerde verplichtingen heeft die 5 % of meer van de totale verplichtingen van de instelling vertegenwoordigen.

4.1.22.23.24.25.

4.1.1.26.27. Scenario A: Waardedaling van bezwaarde activa met 30 % Er wordt aangenomen dat alle bezwaarde activa met 30 % in waarde dalen. Voor het bepalen van de behoefte aan extra zekerheden die uit een dergelijke daling voortvloeit, wordt rekening gehouden met bestaande niveaus van overpanding, zodat alleen het minimumniveau van zekerheidsstelling wordt gehandhaafd. Voor het bepalen van de behoefte aan extra zekerheden wordt ook rekening gehouden met de contractuele voorwaarden van de getroffen contracten en overeenkomsten, zoals onder meer drempelwaarden. Alleen contracten en overeenkomsten waarbij er een wettelijke verplichting bestaat om extra zekerheden te verschaffen, worden in aanmerking genomen. Het betreft onder meer uitgiften van gedekte obligaties waarbij er een wettelijke verplichting bestaat om de minimumniveaus van overpanding te handhaven, maar geen verplichting om bestaande ratingniveaus van de gedekte obligatie te handhaven.

4.1.2.28.29.30.

Scenario B: Depreciatie met 10 % van belangrijke valuta Een valuta is een belangrijke valuta indien de rapporterende instelling geaggregeerde verplichtingen heeft die 5 % of meer van de totale verplichtingen van de instelling vertegenwoordigen. Bij de berekening van een depreciatie met 10 % wordt rekening gehouden met veranderingen aan zowel de actief- als de passiefzijde. Er wordt met andere woorden de nadruk gelegd op mismatches tussen activa en passiva. Zo leidt een repo-transactie in USD die op in USD luidende activa is gebaseerd niet tot extra bezwaring, terwijl een repo-transactie in USD die op in EUR luidende activa is gebaseerd wel tot extra bezwaring leidt. Alle transacties met een cross-currency-element worden in deze berekening meegenomen.

4.2. Template: AE-CONT. Voorwaardelijke bezwaring

4.2.

4.2.1.31. Instructies voor bepaalde rijen Zie de instructies betreffende specifieke rijen van de AE-SOU-template in punt 2.4.2. De inhoud van de kolommen van de AE-CONT-template verschilt niet van die van de AE-SOU-template.

4.2.2. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040

4.2.2. Matchende verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen of uitgeleende effecten

Hier zijn de instructies en gegevens als dezelfde voor kolom 0010 van de AE-SOU-template. Bedrag van de matchende financiële verplichtingen, voorwaardelijke verplichtingen (ontvangen toegezegde leningen en ontvangen financiële garanties) en van de tegen zekerheden niet zijnde contanten uitgeleende effecten, voor zover deze transacties voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen. Zoals gezegd, rapporteren de instellingen in elke rij van de template de financiële verplichtingen tegen boekwaarde, de voorwaardelijke verplichtingen tegen nominale waarde en niet in contanten gestelde zekerheden uitgeleende effecten tegen reële waarde.

A.

Extra bedrag aan bezwaarde activa Het extra bedrag aan activa dat bezwaard zou worden als gevolg van een wettelijk voorschrift, een voorschrift van regelgevende instanties of een contractueel voorschrift dat in werking kan treden als scenario A zich voordoet. Overeenkomstig de instructies in deel A van deze bijlage rapporteren instellingen die bedragen tegen boekwaarde als het bedrag op activa van de rapporterende instelling betrekking heeft, dan wel tegen reële waarde als het op ontvangen zekerheden betrekking heeft. Bedragen die de niet-bezwaarde activa en de zekerheden van de instelling overtreffen, worden tegen reële waarde gerapporteerd.

B.

Extra bedrag aan bezwaarde activa. Belangrijke valuta 1 Het extra bedrag aan activa dat bezwaard zou worden als gevolg van een wettelijk voorschrift, een voorschrift van regelgevende instanties of een contractueel voorschrift dat in werking kan treden als zich in scenario B een depreciatie van belangrijke valuta 1 voordoet. Zie de instructies betreffende rij 0020 voor de soorten bedragen.

Extra bedrag aan bezwaarde activa. Belangrijke valuta 2 Het extra bedrag aan activa dat bezwaard zou worden als gevolg van een wettelijk voorschrift, een voorschrift van regelgevende instanties of een contractueel voorschrift dat in werking kan treden als zich in scenario B een depreciatie van belangrijke valuta 2 voordoet. Zie de instructies betreffende rij 0020 voor de soorten bedragen.

5. DEEL D: GEDEKTE OBLIGATIES

5.
5.1.32.33.34.

Algemene opmerkingen De informatie in deze template wordt gerapporteerd voor alle door de rapporterende instelling uitgegeven gedekte obligaties die aan de voorwaarden van de icbe-richtlijn voldoen. Gedekte obligaties die aan de voorwaarden van de icbe-richtlijn voldoen, zijn obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2009/65/EG. Het betreft door de rapporterende instelling uitgegeven gedekte obligaties waarbij de rapporterende instelling ten aanzien van de gedekte obligatie op grond van de toepasselijke wetgeving onderworpen is aan speciaal overheidstoezicht dat obligatiehouders moet beschermen, en waarbij de uit de uitgifte van die obligaties verkregen bedragen overeenkomstig de wet worden belegd in activa die, gedurende de gehele looptijd van de obligaties, de aan de obligaties verbonden vorderingen kunnen dekken en die, ingeval de uitgevende instelling in gebreke blijft, bij voorrang zullen worden gebruikt voor de aflossing van de hoofdsom en de betaling van de opgelopen rente. Gedekte obligaties die door of voor rekening van de rapporterende instelling worden uitgegeven en die niet aan de voorwaarden van de icbe-richtlijn voldoen, worden niet in de AE-CB-templates gerapporteerd. De rapportage is gebaseerd op de wettelijke regeling voor gedekte obligaties, d.w.z. het rechtskader dat op het programma voor gedekte obligaties van toepassing is.

5.2. Template: AE-CB. Uitgifte van gedekte obligaties

5.2.

5.2.1. Instructies voor de z-as z-as Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010

5.2.1. Identificatiecode van de cover pool (open)

De identificatiecode van de cover pool bestaat uit de naam of ondubbelzinnige afkorting van de uitgevende entiteit van de cover pool en de aanduiding van de cover pool die individueel aan de beschermende maatregelen van de gedekte obligatie in kwestie onderworpen is.

5.2.2. Instructies voor bepaalde rijen Rijen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040

5.2.2. Nominale waarde

De nominale waarde is gelijk aan de som van de vorderingen tot aflossing van de hoofdsom, vastgesteld overeenkomstig de voor de bepaling van voldoende dekking toepasselijke voorschriften van de desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties.

Contante waarde (swap)/Marktwaarde

De contante waarde (swap) is gelijk aan de som van de vorderingen tot betaling van hoofdsom en rente, gedisconteerd aan de hand van een valutaspecifieke risicovrije rendementscurve en vastgesteld overeenkomstig de voor de bepaling van voldoende dekking toepasselijke voorschriften van de desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties. Voor de kolommen 0080 en 0210, die op van een cover pool afgeleide posities betrekking hebben, wordt de marktwaarde gerapporteerd.

Activaspecifieke waarde

De activaspecifieke waarde is de economische waarde van de activa van de cover pool, die kan overeenstemmen met een overeenkomstig IFRS 13 bepaalde reële waarde, een marktwaarde die waarneembaar is bij op liquide markten uitgevoerde transacties, dan wel een contante waarde waarbij de toekomstige kasstromen van een activum aan de hand van een activaspecifieke rentecurve worden gedisconteerd.

Boekwaarde

De boekwaarde van een verplichting uit hoofde van een gedekte obligatie of van een activum van een cover pool is gelijk aan de boekwaarde bij de uitgevende instelling van de gedekte obligatie.

5.2.3. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0012 0020-0140 0020 0030 0040-0070 0080 0090-0140 0090 0100 0110, 0130 0120, 0140 0150-0250 0150 0160 0170-0200 0210 0220-0250 0220 0230-0250 0230 0240-0250

5.2.3. Naleving van artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013? [JA/NEE]

Instellingen geven aan of de cover pool voldoet aan de voorwaarden van artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 om in aanmerking te kunnen komen voor de preferentiële behandeling die in artikel 129, leden 4 en 5, van genoemde verordening is beschreven.

Zo JA, vermeld de primaire activaklasse van de cover pool

Indien de cover pool voor de preferentiële behandeling van artikel 129, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking komt (antwoord JA in kolom 0011), wordt de primaire activaklasse van de cover pool in deze cel vermeld. Hiertoe wordt de classificatie van artikel 129, lid 1, van genoemde verordening gebruikt en worden de overeenkomstige codes a, b, c, d, e, f en g vermeld. Code h wordt vermeld wanneer de primaire activaklasse van de cover pool niet onder een van de eerder genoemde categorieën valt.

Verplichtingen uit hoofde van gedekte obligaties

Verplichtingen uit hoofde van gedekte obligaties zijn de verplichtingen die de uitgevende entiteit is aangegaan door gedekte obligaties uit te geven. Het betreft alle posities, als omschreven door de desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties die aan de beschermende maatregelen van de gedekte obligatie in kwestie onderworpen zijn (het kan bijvoorbeeld gaan om effecten in omloop, alsook om de positie van de tegenpartijen van de uitgevende instelling van de gedekte obligaties in derivatenposities met een, uit oogpunt van de uitgevende instelling van de gedekte obligaties, negatieve marktwaarde die aan de cover pool wordt toegerekend en die overeenkomstig de desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties als met verplichtingen uit hoofde van gedekte obligaties worden behandeld).

Rapportagedatum

Bedragen van verplichtingen uit hoofde van gedekte obligaties, exclusief van een cover pool afgeleide posities, volgens de verschillende data in de toekomst.

+ zes maanden

De datum + zes maanden is het tijdstip zes maanden na de rapportagereferentiedatum. De bedragen worden vermeld in de aanname dat er zich, behalve aflossing, geen verandering in de verplichtingen uit hoofde van de gedekte obligaties zal voordoen ten opzichte van de rapportagereferentiedatum. Is er geen vast betalingsschema, dan moet de verwachte vervaldatum van de op toekomstige data uitstaande bedragen op consistente wijze worden gebruikt.

+ twaalf maanden — + 10 jaar

Evenals voor + zes maanden (kolom 0030) gaat het om het betrokken tijdstip, te rekenen vanaf de rapportagereferentiedatum.

Van cover pool afgeleide posities met negatieve netto marktwaarde

De negatieve netto marktwaarde van posities afgeleid van een cover pool die uit oogpunt van de uitgevende instelling van de gedekte obligaties een negatieve netto marktwaarde hebben. Van een cover pool afgeleide posities zijn netto derivatenposities die overeenkomstig de desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties in de cover pool zijn opgenomen en aan de beschermende maatregelen van de gedekte obligatie in kwestie onderworpen zijn, in die zin dat dergelijke derivatenposities met een negatieve marktwaarde door toelaatbare activa van de cover pool gedekt moeten zijn. De negatieve netto marktwaarde wordt alleen voor de rapportagereferentiedatum gerapporteerd.

Externe rating gedekte obligatie

Instellingen verstrekken informatie over de externe ratings van de gedekte obligatie in kwestie, zoals die op de rapportagedatum voorhanden zijn.

Ratingbureau 1

Als er op de rapportagedatum een rating van ten minste één ratingbureau voorhanden is, vermelden instellingen de naam van één van die ratingbureaus. Als er op de rapportagedatum ratings van meer dan drie ratingbureaus voorhanden zijn, worden de drie ratingbureaus waaraan informatie wordt verstrekt, geselecteerd op basis van hun respectieve marktinvloed.

Rating 1 De rating die het in kolom 0090 gerapporteerde ratingbureau op de rapportagereferentiedatum voor de gedekte obligatie in kwestie heeft afgegeven. Als er langetermijn- en kortetermijnratings van hetzelfde ratingbureau voorhanden zijn, wordt de langetermijnrating gerapporteerd. Bij de te rapporteren rating moeten eventuele modifiers worden vermeld.

Ratingbureau 2 en ratingbureau 3

Net zoals bij ratingbureau 1 (kolom 0090) worden hier de andere ratingbureaus vermeld die op de rapportagereferentiedatum ratings voor de gedekte obligatie in kwestie hebben afgegeven.

Rating 2 en rating 3

Net zoals bij rating 1 (kolom 0100) worden hier de andere ratings vermeld die de ratingbureaus 2 en 3 op de rapportagereferentiedatum voor de gedekte obligatie in kwestie hebben afgegeven.

Cover pool

De cover pool bestaat uit alle posities, met inbegrip van posities afgeleid van de cover pool, die uit oogpunt van de uitgevende instelling van de gedekte obligatie een positieve netto marktwaarde hebben en die aan de beschermende maatregelen van de gedekte obligatie in kwestie onderworpen zijn.

Rapportagedatum

Bedragen van de activa in de cover pool, exclusief van de cover pool afgeleide posities. Dit bedrag omvat de minimaal vereiste overpanding, vermeerderd met eventuele extra overpanding boven op het minimum, voor zover deze aan de beschermende maatregelen van de gedekte obligatie in kwestie onderworpen is.

+ zes maanden

De datum + zes maanden is het tijdstip zes maanden na de rapportagereferentiedatum. instellingen rapporteren de bedragen in de aanname dat er zich, behalve aflossing, geen verandering in de cover pool zal voordoen ten opzichte van de rapportagereferentiedatum. Is er geen vast betalingsschema, dan moet de verwachte vervaldatum van de op toekomstige data uitstaande bedragen op consistente wijze worden gebruikt.

+ twaalf maanden — + 10 jaar

Evenals voor + zes maanden (kolom 0160) gaat het om het betrokken tijdstip, te rekenen vanaf de rapportagereferentiedatum.

Van cover pool afgeleide posities met positieve netto marktwaarde

De positieve netto marktwaarde van posities afgeleid van een cover pool die uit oogpunt van de uitgevende instelling van de gedekte obligaties een positieve netto marktwaarde hebben. Van een cover pool afgeleide posities zijn netto derivatenposities die overeenkomstig de desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties in de cover pool zijn opgenomen en aan de beschermende maatregelen van de gedekte obligatie in kwestie onderworpen zijn, in die zin dat dergelijke derivatenposities met een positieve marktwaarde geen deel zouden uitmaken van de totale insolvente boedel van de uitgevende instelling van de gedekte obligaties. De positieve netto marktwaarde moet alleen voor de rapportagedatum worden gerapporteerd.

Bedragen van cover pools die minimumdekkingsvereisten overtreffen

Bedragen van cover pools, met inbegrip van van cover pools afgeleide posities met positieve netto marktwaarden, die de minimumdekkingsvereisten overtreffen (overpanding).

Volgens desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties

Bedrag van de overpanding in vergelijking met de bij de desbetreffende wettelijke regeling voor gedekte obligaties vereiste minimumdekking.

Volgens methodologie van ratingbureaus om huidige externe rating gedekte obligatie te handhaven

Bedragen van de overpanding in vergelijking met het niveau dat volgens de informatie over de methodologie van het respectieve ratingbureau waarover de uitgevende instelling van de gedekte obligatie beschikt, ten minste vereist is om de bestaande rating die door het respectieve ratingbureau is afgegeven, te ondersteunen.

Ratingbureau 1

Bedragen van de overpanding in vergelijking met het niveau dat volgens de informatie over de methodologie van ratingbureau 1 (kolom 0090) waarover de uitgevende instelling van de gedekte obligatie beschikt, ten minste vereist is om de rating 1 te ondersteunen (kolom 0100).

Ratingbureau 2 en ratingbureau 3

De instructies voor ratingbureau 1 (kolom 0230) gelden ook voor ratingbureau 2 (kolom 0110) en ratingbureau 3 (kolom 0130).

6. DEEL E: GEAVANCEERDE GEGEVENS

6.

6.1.35. Algemene opmerkingen Dit deel E heeft dezelfde structuur als de in deel A beschreven templates van het bezwaringsoverzicht, waarbij voor de bezwaring van de activa van de rapporterende instelling en voor de ontvangen zekerheden verschillende templates worden gehanteerd: respectievelijk AE-ADV1 en AE-ADV2. De matchende verplichtingen stemmen derhalve overeen met de verplichtingen die door de bezwaarde activa zijn gedekt, en er hoeft geen sprake te zijn van een één-op-één-relatie.

6.2. Template: AE-ADV1. Geavanceerde template voor activa van de rapporterende instelling

6.2.

6.2.1. Instructies voor bepaalde rijen Rijen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010-0020 0030-0040 0050-0060 0070-0080 0090-0100 0110-0120 0130-0140 0150-0160 0170-0180 0190 0200 0210 0220 0230

6.2.1. Centralebankfinanciering (van alle soorten, met inbegrip van repo’s)

Alle soorten verplichtingen van de rapporterende instelling waarbij de tegenpartij van de transactie een centrale bank is. Bij centrale banken pre-positioned activa worden niet als bezwaarde activa behandeld, tenzij de centrale bank terugtrekking van een verstrekt activum zonder voorafgaande toestemming niet toestaat. Het ongebruikte deel van financiële garanties, d.w.z. het bedrag dat het door de centrale bank vereiste minimumbedrag overschrijdt, wordt pro rata toegerekend aan de bij de centrale bank geplaatste activa.

Beursverhandelde derivaten

Boekwaarde van de als zekerheden verstrekte derivaten van de rapporterende instelling die financiële verplichtingen zijn, voor zover die derivaten worden genoteerd of verhandeld op een erkende of aangewezen effectenbeurs en deze voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen.

OTC-derivaten

Boekwaarde van de als zekerheden verstrekte derivaten van de rapporterende instelling die financiële verplichtingen zijn, voor zover die derivaten over-the-counter (otc) worden verhandeld en deze voor deze instelling activabezwaring met zich meebrengen. (Dezelfde instructie als voor rij 030 van de AE-SOU-template.)

Retrocessieovereenkomsten

Boekwaarde van de retrocessieovereenkomsten van de rapporterende instelling waarbij de tegenpartij van de transactie geen centrale bank is, voor zover die transacties activabezwaring voor deze instelling met zich meebrengen. Tripartiete retrocessieovereenkomsten worden op dezelfde wijze behandeld als retrocessieovereenkomsten, voor zover die transacties voor de rapporterende instelling activabezwaring met zich meebrengen.

Door zekerheden gedekte deposito’s die geen retrocessieovereenkomsten

Boekwaarde van de door zekerheden gedekte deposito’s die geen retrocessieovereenkomsten van de rapporterende instelling zijn waarbij de tegenpartij van de transactie geen centrale bank is, voor zover die deposito’s transacties activabezwaring voor deze instelling met zich meebrengen.

Uitgegeven gedekte obligaties

Zie de instructies in rij 0100 van de AE-SOU-template.

Uitgegeven securitisaties

Zie de instructies in rij 0110 van de AE-SOU-template.

Uitgegeven schuldtitels die geen gedekte obligaties en securitisaties zijn

Boekwaarde van de door de rapporterende instelling uitgegeven schuldtitels die geen gedekte obligaties en securitisaties zijn, voor zover deze effecten voor die instelling activabezwaring met zich meebrengen. Wanneer de rapporterende instelling een deel van de uitgegeven schuldtitels heeft behouden — hetzij vanaf de uitgiftedatum, hetzij vanaf een latere datum als gevolg van een terugkoop —, mogen die behouden effecten niet in deze post worden opgenomen. Daarnaast moeten de daaraan toegewezen zekerheden in het kader van deze template als niet-bezwaard worden geclassificeerd.

Overige bronnen van bezwaring

Zie de instructies in rij 0120 van de AE-SOU-template.

Totale bezwaarde activa

Voor elk type activum dat in de rijen van de AE-ADV1-template wordt gespecificeerd, wordt de boekwaarde vermeld van de door de rapporterende instelling aangehouden activa die zijn bezwaard.

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Voor elk type activum dat in de rijen van de AE-ADV1-template wordt gespecificeerd, wordt de boekwaarde vermeld van de door de rapporterende instelling aangehouden activa die zijn bezwaard en die toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft. Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

Totale niet-bezwaarde activa

Voor elk type activum dat in de rijen van de AE-ADV1-template wordt gespecificeerd, wordt de boekwaarde vermeld van de door de rapporterende instelling aangehouden activa die niet zijn bezwaard. Met boekwaarde wordt het aan de actiefzijde van de balans gerapporteerde bedrag bedoeld.

waarvan: voor de centrale bank toelaatbaar

Voor elk type activum dat in de rijen van de AE-ADV1-template wordt gespecificeerd, wordt de boekwaarde vermeld van de door de rapporterende instelling aangehouden activa die niet-bezwaard zijn en die toelaatbaar zijn voor transacties met de centrale banken waartoe de rapporterende instelling toegang heeft. Rapporterende instellingen die niet met zekerheid kunnen vaststellen of een post voor de centrale bank toelaatbaar is (zoals in rechtsgebieden waar geen duidelijke definitie van voor repo’s van centrale banken toelaatbare activa voorhanden is, of waar geen toegang tot een continu functionerende markt voor repo’s van centrale banken bestaat), kunnen afzien van de rapportage van het bijbehorende bedrag van die post; zij kunnen met andere woorden het betrokken veld openlaten.

Bezwaarde + niet-bezwaarde activa

Voor elk type activum dat in de rijen van de AE-ADV1-template wordt gespecificeerd, wordt de boekwaarde vermeld van de door de rapporterende instelling aangehouden activa.

6.2.2. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180

6.2.2. Onmiddellijk opeisbare leningen

Zie de instructies voor rij 0020 van de AE-ASS-template.

Eigenvermogensinstrumenten

Zie de instructies voor rij 0030 van de AE-ASS-template.

Totaal

Zie de instructies voor rij 0040 van de AE-ASS-template.

waarvan: gedekte obligaties

Zie de instructies voor rij 0050 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Gedekte obligaties als omschreven in de instructies voor rij 0050 van de AE-ASS-template, die zijn uitgegeven door een entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring.

waarvan: securitisaties

Zie de instructies voor rij 0060 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Securitisaties obligaties als omschreven in de instructies voor rij 0060 van de AE-ASS-template, die zijn uitgegeven door een entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring.

waarvan: uitgegeven door algemene overheden

Zie de instructies voor rij 0070 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen

Zie de instructies voor rij 0080 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen

Zie de instructies voor rij 0090 van de AE-ASS-template.

Centrale banken en algemene overheden

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen aan een centrale bank of een algemene overheid zijn

Financiële vennootschappen

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen aan financiële vennootschappen zijn.

Niet-financiële vennootschappen

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen aan niet-financiële vennootschappen zijn.

waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare,leningen zijn die worden gegarandeerd door een met onroerend goed zekergestelde lening aan niet-financiële vennootschappen.

Huishoudens

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen aan huishoudens zijn.

waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen

Leningen en voorschotten die geen onmiddellijk opeisbare leningen zijn die worden gegarandeerd door een met onroerend goed zekergestelde lening aan huishoudens.

Overige activa

Zie de instructie voor rij 120 van de AE-ASS-template.

Totaal

Zie de instructie voor rij 010 van de AE-ASS-template.

6.3. Template: AE-ADV2. Geavanceerde template voor door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden

6.3.

6.3.1.36. Instructies voor bepaalde rijen Zie punt 6.2.1; de instructies zijn namelijk gelijklopend voor beide templates.

6.3.2. Instructies voor bepaalde kolommen Kolommen Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190

6.3.2. Onmiddellijk opeisbare leningen

Zie de instructies voor rij 0140 van de AE-ASS-template.

Eigenvermogensinstrumenten

Zie de instructies voor rij 0150 van de AE-ASS-template.

Totaal

Zie de instructies voor rij 0160 van de AE-ASS-template.

waarvan: gedekte obligaties

Zie de instructies in rij 0170 van de AE-SOU-template.

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die gedekte obligaties zijn die zijn uitgegeven door een entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring.

waarvan: securitisaties

Zie de instructies voor rij 0180 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door andere groepsentiteiten

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die securitisaties zijn die zijn uitgegeven door een entiteit binnen de prudentiële consolidatiekring.

waarvan: uitgegeven door algemene overheden

Zie de instructies voor rij 0190 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door financiële vennootschappen

Zie de instructies voor rij 0200 van de AE-ASS-template.

waarvan: uitgegeven door niet-financiële vennootschappen

Zie de instructies voor rij 0210 van de AE-ASS-template.

Centrale banken en algemene overheden

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die andere leningen en voorschotten dan onmiddellijk opeisbare leningen aan centrale banken en algemene overheden zijn.

Financiële vennootschappen

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die andere leningen en voorschotten dan onmiddellijk opeisbare leningen aan financiële vennootschappen zijn.

Niet-financiële vennootschappen

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die andere leningen en voorschotten dan onmiddellijk opeisbare leningen aan niet-financiële vennootschappen zijn.

waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die door onroerend goed zekergestelde leningen en voorschotten zijn die zijn verstrekt aan niet-financiële vennootschappen, exclusief onmiddellijk opeisbare leningen.

Huishoudens

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die andere leningen en voorschotten dan onmiddellijk opeisbare leningen aan huishoudens zijn.

waarvan: Door onroerend goed zekergestelde leningen

Door de rapporterende instelling ontvangen zekerheden die andere leningen en voorschotten zijn dan onmiddellijk opeisbare leningen gegarandeerd door een met onroerend goed zekergestelde lening aan huishoudens.

Overige activa

Zie de instructies voor rij 0230 van de AE-ASS-template.

Uitgegeven eigen schuldtitels die geen eigen gedekte obligaties of securitisaties zijn

Zie de instructies voor rij 0240 van de AE-ASS-template.

Totaal

Zie de instructies voor de rijen 0130 en 0140 van de AE-COL-template.

BIJLAGE V

BIJLAGE XVIII C 67.00 – CONCENTRATIE VAN FINANCIERING PER TEGENPARTIJ 1.2. C 68.00 – CONCENTRATIE VAN FINANCIERING PER PRODUCTSOORT C 69.00 – PRIJZEN VOOR DIVERSE FINANCIERINGSTERMIJNEN C 70.00 — DOORROLLEN VAN FINANCIERING Totale en significante valuta Totale en significante valuta Totale en significante valuta Totale en significante valuta

AMM-TEMPLATES Template nummer Template code Naam van de (groep) template(s) TEMPLATES VOOR DE ADDITIONELE MONITORINGINSTRUMENTEN 67 C 67.00 CONCENTRATIE VAN FINANCIERING PER TEGENPARTIJ 68 C 68.00 CONCENTRATIE VAN FINANCIERING PER PRODUCTSOORT 69 C 69.00 PRIJZEN VOOR DIVERSE FINANCIERINGSTERMIJNEN 70 C 70.00 DOORROLLEN VAN FINANCIERING Concentratie van financiering per tegenpartij Naam tegenpartij Code Soort code Nationale code Sector tegenpartij Vestigingsplaats tegenpartij Productsoort Ontvangen bedrag Gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd Gewogen gemiddelde resterende looptijd Rij ID 0010 0015 0016 0017 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0010 TIEN GROOTSTE TEGENPARTIJEN DIE ELK GROTER ZIJN DAN 1 % VAN DE TOTALE VERPLICHTINGEN 0020 1.01 0030 1.02 0040 1.03 0050 1.04 0060 1.05 0070 1.06 0080 1.07 0090 1.08 0100 1.09 0110 1.1 0120 ALLE OVERIGE FINANCIERING Concentratie van financiering per productsoort Rij ID Productnaam Boekwaarde ontvangen Bedrag gedekt door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land Bedrag niet gedekt door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land Gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd Gewogen gemiddelde resterende looptijd 0010 0020 0030 0040 0050 0010 1 RETAILFINANCIERING 0020 1.1 waarvan direct opvraagbare deposito’s 0031 1.2 waarvan termijndeposito’s niet opvraagbaar binnen de volgende 30 dagen 0041 1.3 waarvan termijndeposito’s opvraagbaar binnen de volgende 30 dagen 0070 1.4 Spaarrekeningen 0080 1.4.1 met een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen 0090 1.4.2 met een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen 0100 2 WHOLESALEFINANCIERING 0110 2.1 Ongedekte wholesalefinanciering 0120 2.1.1 waarvan leningen en deposito’s van financiële cliënten 0130 2.1.2 waarvan leningen en deposito’s van niet-financiële cliënten 0140 2.1.3 waarvan leningen en deposito’s van intragroepsentiteiten 0150 2.2 Gedekte wholesalefinanciering 0160 2.2.1 waarvan SFT’s 0170 2.2.2 waarvan uitgifte van gedekte obligaties 0180 2.2.3 waarvan uitgiften van door activa gedekte effecten (ABS) 0190 2.2.4 waarvan financiële verplichtingen die geen derivaten en shortposities van intragroepsentiteiten zijn Prijzen voor diverse financieringstermijnen Overnight 1 week 1 maand 3 maanden 6 maanden 1 jaar 2 jaar 5 jaar 10 jaar Spread Volume Spread Volume Spread Volume Spread Volume Spread Volume Spread Volume Spread Volume Spread Volume Spread Volume Rij ID Post 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0010 1 Totale financiering 0020 1.1 Retailfinanciering 0030 1.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0035 1.2.1 waarvan: senior ongedekte effecten 0045 1.3 Gedekte financiering (niet van een centrale bank) 0065 1.3.1 waarvan: gedekte obligaties 0075 1.3.2 waarvan: door activa gedekte effecten (ABS) met inbegrip van ABCP 0080 1.4 Overige financiering Doorrollen financiering Overnight > 1 dag ≤ 7 dagen > 7 dagen ≤ 14 dagen > 14 dagen ≤ 1 maand > 1 maand ≤ 3 maanden > 3 maanden ≤ 6 maanden > 6 maanden Totaal netto kasstromen Gemiddelde termijn (dagen) Vervallend Doorrol Nieuwe fondsen Netto Vervallend Doorrol Nieuwe fondsen Netto Vervallend Doorrol Nieuwe fondsen Netto Vervallend Doorrol Nieuwe fondsen Netto Vervallend Doorrol Nieuwe fondsen Netto Vervallend Doorrol Nieuwe fondsen Netto Vervallend Doorrol Nieuwe fondsen Netto Vervallend Fondsen Termijn Termijn doorrolmiddelen Nieuwe fondsen Termijn Rij ID Dag Post 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0230 0240 0250 0260 0270 0280 0290 0300 0310 0320 0010 1.1 1 Totale financiering 0020 1.1.1 Retailfinanciering 0030 1.1.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0040 1.1.3 Gedekte financiering 0050 1.2 2 Totale financiering 0060 1.2.1 Retailfinanciering 0070 1.2.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0080 1.2.3 Gedekte financiering 0090 1.3 3 Totale financiering 0100 1.3.1 Retailfinanciering 0110 1.3.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0120 1.3.3 Gedekte financiering 0130 1.4 4 Totale financiering 0140 1.4.1 Retailfinanciering 0150 1.4.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0160 1.4.3 Gedekte financiering 0170 1.5 5 Totale financiering 0180 1.5.1 Retailfinanciering 0190 1.5.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0200 1.5.3 Gedekte financiering 0210 1.6 6 Totale financiering 0220 1.6.1 Retailfinanciering 0230 1.6.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0240 1.6.3 Gedekte financiering 0250 1.7 7 Totale financiering 0260 1.7.1 Retailfinanciering 0270 1.7.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0280 1.7.3 Gedekte financiering 0290 1.8 8 Totale financiering 0300 1.8.1 Retailfinanciering 0310 1.8.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0320 1.8.3 Gedekte financiering 0330 1.9 9 Totale financiering 0340 1.9.1 Retailfinanciering 0350 1.9.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0360 1.9.3 Gedekte financiering 0370 1.10 10 Totale financiering 0380 1.10.1 Retailfinanciering 0390 1.10.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0400 1.10.3 Gedekte financiering 0410 1.11 11 Totale financiering 0420 1.11.1 Retailfinanciering 0430 1.11.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0440 1.11.3 Gedekte financiering 0450 1.12 12 Totale financiering 0460 1.12.1 Retailfinanciering 0470 1.12.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0480 1.12.3 Gedekte financiering 0490 1.13 13 Totale financiering 0500 1.13.1 Retailfinanciering 0510 1.13.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0520 1.13.3 Gedekte financiering 0530 1.14 14 Totale financiering 0540 1.14.1 Retailfinanciering 0550 1.14.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0560 1.14.3 Gedekte financiering 0570 1.15 15 Totale financiering 0580 1.15.1 Retailfinanciering 0590 1.15.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0600 1.15.3 Gedekte financiering 0610 1.16 16 Totale financiering 0620 1.16.1 Retailfinanciering 0630 1.16.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0640 1.16.3 Gedekte financiering 0650 1.17 17 Totale financiering 0660 1.17.1 Retailfinanciering 0670 1.17.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0680 1.17.3 Gedekte financiering 0690 1.18 18 Totale financiering 0700 1.18.1 Retailfinanciering 0710 1.18.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0720 1.18.3 Gedekte financiering 0730 1.19 19 Totale financiering 0740 1.19.1 Retailfinanciering 0750 1.19.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0760 1.19.3 Gedekte financiering 0770 1.20 20 Totale financiering 0780 1.20.1 Retailfinanciering 0790 1.20.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0800 1.20.3 Gedekte financiering 0810 1.21 21 Totale financiering 0820 1.21.1 Retailfinanciering 0830 1.21.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0840 1.21.3 Gedekte financiering 0850 1.22 22 Totale financiering 0860 1.22.1 Retailfinanciering 0870 1.22.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0880 1.22.3 Gedekte financiering 0890 1.23 23 Totale financiering 0900 1.23.1 Retailfinanciering 0910 1.23.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0920 1.23.3 Gedekte financiering 0930 1.24 24 Totale financiering 0940 1.24.1 Retailfinanciering 0950 1.24.2 Ongedekte wholesalefinanciering 0960 1.24.3 Gedekte financiering 0970 1.25 25 Totale financiering 0980 1.25.1 Retailfinanciering 0990 1.25.2 Ongedekte wholesalefinanciering 1000 1.25.3 Gedekte financiering 1010 1.26 26 Totale financiering 1020 1.26.1 Retailfinanciering 1030 1.26.2 Ongedekte wholesalefinanciering 1040 1.26.3 Gedekte financiering 1050 1.27 27 Totale financiering 1060 1.27.1 Retailfinanciering 1070 1.27.2 Ongedekte wholesalefinanciering 1080 1.27.3 Gedekte financiering 1090 1.28 28 Totale financiering 1100 1.28.1 Retailfinanciering 1110 1.28.2 Ongedekte wholesalefinanciering 1120 1.28.3 Gedekte financiering 1130 1.29 29 Totale financiering 1140 1.29.1 Retailfinanciering 1150 1.29.2 Ongedekte wholesalefinanciering 1160 1.29.3 Gedekte financiering 1170 1.30 30 Totale financiering 1180 1.30.1 Retailfinanciering 1190 1.30.2 Ongedekte wholesalefinanciering 1200 1.30.3 Gedekte financiering 1210 1.31 31 Totale financiering 1220 1.31.1 Retailfinanciering 1230 1.31.2 Ongedekte wholesalefinanciering 1240 1.31.3 Gedekte financiering

ANNEX VI

BIJLAGE XIX INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN DE TEMPLATE VOOR ADDITIONELE MONITORINGINSTRUMENTEN VAN BIJLAGE XVIII

1. Additionele monitoringinstrumenten

1.

1.1.1.2.3.4.5.6.7.8.9.

Algemeen [leeg] De totale financiering bestaat uit alle financiële verplichtingen die geen derivaten en shortposities zijn. Alle financiering met open looptijd, met inbegrip van direct opvraagbare deposito’s, wordt beschouwd als financiering die de volgende dag vervalt. De oorspronkelijke looptijd is de tijd tussen de datum van initiëring en de vervaldatum van de financiering. De vervaldatum van de financiering wordt bepaald overeenkomstig punt 12 van bijlage XXIII. In het geval van optionaliteit zoals in punt 12 van bijlage XXIII betekent dit dat de oorspronkelijke looptijd van een financieringspost korter kan zijn dan de tijd die is verstreken sinds de initiëring ervan. De resterende looptijd is de tijd tussen het einde van de rapportageperiode en de vervaldatum van de financiering. De vervaldatum van de financiering wordt bepaald overeenkomstig punt 12 van bijlage XXIII. Voor de berekening van de oorspronkelijke of de resterende gewogen gemiddelde looptijd worden deposito’s die de volgende dag vervallen of alle soorten financiering met een open looptijd, beschouwd als deposito’s met een looptijd van één dag. Voor de berekening van de oorspronkelijke en de resterende looptijd wordt, in geval van financiering met een opzegtermijn of een clausule voor annulering of vervroegde opvraging voor de tegenpartij van de instelling, uitgegaan van opvraging op de eerst mogelijke datum. Voor perpetual liabilities wordt, tenzij er sprake is van optionaliteit als bedoeld in punt 12 van bijlage XXIII, uitgegaan van een vaste oorspronkelijke en resterende looptijd van 20 jaar. Voor de berekening van de in templates C 67.00 bedoelde percentuele drempel per significante valuta gebruiken de instellingen een drempel van 1 % van de totale verplichtingen in alle valuta.

1.2.1.2.3.4.5.6.7.8.

Concentratie van financiering per tegenpartij (C 67.00) Om in template C 67.00 informatie te verzamelen over de concentratie van financiering per tegenpartij van de rapporterende instellingen, passen de instellingen de instructies in deze afdeling toe. De instellingen rapporteren de tien grootste tegenpartijen of een groep verbonden cliënten als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 39, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wanneer de financiering die van elke tegenpartij of groep verbonden cliënten is verkregen, een drempel van 1 % van de totale verplichtingen in de rijen 020 tot en met 110 van afdeling 1 van de template overschrijdt. De in post 1.01 gerapporteerde tegenpartij is het grootste bedrag aan van één tegenpartij of groep verbonden cliënten ontvangen financiering dat op de rapportagedatum boven de drempel van 1 % ligt. Post 1.02 is het op één na grootste bedrag boven de drempel van 1 % enz. voor de overige posten. Indien een tegenpartij tot diverse groepen verbonden cliënten behoort, wordt deze slechts één keer gerapporteerd in de groep met het hoogste bedrag aan financiering. De instellingen rapporteren het totaal van alle andere overblijvende financiering in afdeling 2. De som van afdeling 1 (Top tien tegenpartijen) en afdeling 2 (Alle overige financiering) is gelijk aan de totale financiering van een instelling volgens haar balans, gerapporteerd op grond van het financiële rapportagekader (FINREP — dat financiële verplichtingen weergeeft bijgesteld voor de uitsluiting van derivaten en shortposities, overeenkomstig afdeling 1.1, punt 2) voor de rapportageperiodes waarvoor beide rapportages beschikbaar zijn (bv. Finrep Q1 en C 67.00 maart/Q1). Voor elke tegenpartij rapporteren de instellingen alle kolommen 0010 tot en met 0080. Indien de financiering in meer dan één productsoort wordt verkregen, is het gerapporteerde soort product het product waarin het grootste deel van de financiering werd verkregen. De vaststelling van de onderliggende houder van effecten kan op een best efforts-basis plaatsvinden. Indien een instelling op grond van haar functie als bewarende bank informatie heeft over de houder van de effecten, neemt zij dat bedrag in aanmerking voor het rapporteren van de concentratie van tegenpartijen. Indien geen informatie beschikbaar is over de houder van de effecten, hoeft het overeenkomstige bedrag niet te worden gerapporteerd. Instructies voor bepaalde kolommen: Kolom Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0015 0016 0017 0030 0040 0050 0060 0070 0080

Naam tegenpartij

De naam van elke tegenpartij waarvan de verkregen financiering meer dan 1 % van de totale verplichtingen bedraagt, wordt in kolom 0010 in afnemende volgorde gerapporteerd, d.w.z. in de volgorde van de omvang van de verkregen financiering. De naam van de tegenpartij, ongeacht of deze een rechtspersoon of een natuurlijke persoon is, wordt gerapporteerd. Indien de tegenpartij een rechtspersoon is, wordt als naam van de tegenpartij de volledige naam gerapporteerd van de rechtspersoon waarvan de financiering afkomstig is, met inbegrip van alle verwijzingen naar de ondernemingsvorm overeenkomstig het nationale vennootschapsrecht. In de gevallen waarin de groep verbonden cliënten geen moederonderneming heeft, is de tegenpartij die wordt gerapporteerd, de individuele entiteit die de instelling als meest significant binnen de groep verbonden cliënten beschouwt. In alle overige gevallen komt de naam overeen met de individuele tegenpartij.

Code

Deze code is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke tegenpartij. Voor instellingen en verzekeringsondernemingen is deze code de identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI-code). Voor andere entiteiten is de code de LEI-code of, als die niet beschikbaar is, een nationale code. Deze code is uniek en wordt consequent gebruikt, te allen tijde en in alle templates. De code heeft steeds een waarde.

Soort code

De instellingen identificeren het in kolom 0015 gerapporteerde soort code als LEI-code of niet-LEI-code. Het soort code wordt steeds gerapporteerd.

Nationale code

Instellingen mogen, wanneer zij in de kolom Code de LEI-code als identificatiecode rapporteren, daarnaast ook de nationale code rapporteren.

Sector tegenpartij

Elke tegenpartij krijgt één sector toegewezen op basis van de volgende [FINREP-]indeling van economische sectoren (zie deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening): i) centrale banken; ii) algemene overheden; iii) kredietinstellingen; iv) overige financiële vennootschappen; v) niet-financiële vennootschappen; vi) huishoudens. Voor groepen verbonden cliënten wordt geen sector gerapporteerd.

Vestigingsplaats tegenpartij

De tweeletterige ISO-3166-1-code van het land van oprichting van de tegenpartij wordt gebruikt, met inbegrip van pseudo-ISO-codes voor internationale organisaties; zie de meest recente uitgave van het Balance of Payments Vademecum van Eurostat. Voor groepen verbonden cliënten wordt geen land gerapporteerd.

Productsoort

In kolom 0010 gerapporteerde tegenpartijen krijgen een productsoort toegewezen die overeenstemt met het uitgegeven product waarin de financiering werd ontvangen of waarin het grootste deel van de financiering werd ontvangen wanneer het gemengde productsoorten betreft. Daarbij wordt de volgende vetgedrukte codes gebruikt:

UWF (van financiële cliënten verkregen ongedekte wholesalefinanciering, met inbegrip van interbancair geld);

UWNF (van niet-financiële cliënten verkregen ongedekte wholesalefinanciering);

SFT (financiering afkomstig van retrocessieovereenkomsten als gedefinieerd in artikel 4, lid 82, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013);

CB (financiering afkomstig van de uitgifte van gedekte obligaties als gedefinieerd in artikel 129, lid 4 of 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG);

ABS (financiering afkomstig van de uitgifte van door activa gedekte effecten, met inbegrip van door activa gedekt commercial paper);

CBM (centrale-bankfinanciering in verband met monetaire beleidstransacties);

IGUWF (van intragroepstegenpartijen verkregen ongedekte wholesalefinanciering);

IGSWF (van intragroepstegenpartijen verkregen gedekte wholesalefinanciering);

OSWF (andere gedekte wholesalefinanciering);

OFP (andere financieringsproducten, bv. retailfinanciering).

Ontvangen bedrag

Het totale bedrag van de in kolom 0010 gerapporteerde van tegenpartijen ontvangen financiering wordt in kolom 0060 opgenomen en instellingen rapporteren daarin boekwaarden.

Gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd

Voor het in kolom 0060 gerapporteerde bedrag aan financiering afkomstig van de in kolom 0010 gerapporteerde tegenpartij wordt een gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd (in dagen) voor die financiering gerapporteerd in kolom 0070. De gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd wordt berekend als de gemiddelde oorspronkelijke looptijd (in dagen) van de van die tegenpartij ontvangen financiering. Het gemiddelde wordt gewogen naar omvang, op basis van de omvang van de verschillende aan financiering ontvangen bedragen in verhouding tot de totale van die tegenpartij ontvangen financiering. Voor perpetuele verplichtingen hanteren instellingen een vaste looptijd van 20 jaar, en voor opvraagbare deposito’s een looptijd van één dag.

Gewogen gemiddelde resterende looptijd

Voor het in kolom 0060 gerapporteerde bedrag aan financiering afkomstig van de in kolom 0010 gerapporteerde tegenpartij wordt in kolom 0080 een gewogen gemiddelde resterende looptijd (in dagen) voor die financiering gerapporteerd. De gewogen gemiddelde resterende looptijd wordt berekend als de gemiddelde looptijd, in resterende dagen, van de van die tegenpartij ontvangen financiering. Het gemiddelde wordt gewogen naar omvang, op basis van de omvang van de verschillende aan financiering ontvangen bedragen in verhouding tot de totale van die tegenpartij ontvangen financiering. Voor perpetuele verplichtingen hanteren instellingen een vaste looptijd van 20 jaar, en voor opvraagbare deposito’s een looptijd van één dag.

1.3.1.1.1.1.2.1.3.1.4.1.4.1.1.4.2.2.1.2.1.1.2.1.2.2.1.3.2.2.2.2.1.2.2.2.2.2.3.2.2.4.3.4.5.6.

Concentratie van financiering per productsoort (C 68.00) Deze template dient om informatie te verzamelen over de concentratie van financiering van de rapporterende instellingen per productsoort, uitgesplitst naar de volgende soorten financiering, als omschreven in de volgende instructies voor rijen: Rij Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 waarvan direct opvraagbare deposito’s Van de retailfinanciering van rij 0010 de direct opvraagbare deposito’s. 0031 waarvan termijndeposito’s niet opvraagbaar binnen de volgende 30 dagen; Van de retailfinanciering van rij 0010 de termijndeposito’s die niet opvraagbaar zijn binnen de volgende 30 dagen. 0041 waarvan termijndeposito’s opvraagbaar binnen de volgende 30 dagen; Van de retailfinanciering van rij 0010 de termijndeposito’s die opvraagbaar zijn binnen de volgende 30 dagen. 0070 Spaarrekeningen Van de retailfinanciering van rij 0010 de spaarrekeningen met een van de volgende kenmerken: Deze rij wordt niet gerapporteerd. 0080 met een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen; Van de retailfinanciering van rij 0010 de spaarrekeningen met een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen. 0090 zonder een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen Van de retailfinanciering van rij 0010 de spaarrekeningen zonder een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen. 0100 0110 Ongedekte wholesalefinanciering Alle tegenpartijen die geen retaildeposito’s als gedefinieerd in artikel 411, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 575/2013 zijn, indien de financiering niet gedekt is. 0120 waarvan leningen en deposito’s van financiële cliënten; Van de financiering in rij 0110 de financiering die bestaat uit leningen en deposito’s van financiële cliënten. Financiering van centrale banken wordt niet in deze rij opgenomen. 0130 waarvan leningen en deposito’s van niet-financiële cliënten; Van de financiering in rij 0110 de financiering die bestaat uit leningen en deposito’s afkomstig van niet-financiële cliënten. Financiering van centrale banken wordt niet in deze rij opgenomen. 0140 waarvan leningen en deposito’s van intragroepsentiteiten; Van de financiering in rij 0110 de financiering die bestaat uit leningen en deposito’s van intragroepsentiteiten, indien de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling van de instelling is of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling, dan wel met de kredietinstelling verbonden door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU. Wholesalefinanciering afkomstig van intragroepsentiteiten wordt alleen op individuele of gesubconsolideerde basis gerapporteerd. 0150 Gedekte wholesalefinanciering; Alle tegenpartijen die geen retaildeposito’s als gedefinieerd in artikel 411, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 575/2013 zijn, indien de financiering gedekt is. 0160 waarvan effectenfinancieringstransacties; Van de financiering in rij 0150 de financiering die afkomstig is van retrocessieovereenkomsten als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 82, van Verordening (EU) nr. 575/2013. 0170 waarvan uitgiften van gedekte obligaties; Van de financiering in rij 0150 de financiering die afkomstig is van de uitgifte van gedekte obligaties als gedefinieerd in artikel 129, lid 4 of 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG. 0180 waarvan uitgiften van door activa gedekte effecten Van de financiering in rij 0150 de financiering die afkomstig is van de uitgifte van door activa gedekte effecten (ABS), met inbegrip van door activa gedekt commercial paper. 0190 waarvan financiële verplichtingen die geen derivaten en shortposities van intragroepsentiteiten zijn. Van de financiering in rij 0150 de van intragroepsentiteiten verkregen financiering, indien de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling van de instelling is of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling, dan wel met de kredietinstelling verbonden door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU. Wholesalefinanciering afkomstig van intragroepsentiteiten wordt alleen op individuele of gesubconsolideerde basis gerapporteerd. Voor elke productsoort rapporteren de instellingen alle kolommen 0010 tot en met 0050. De cijfers gerapporteerd in de rijen 1. Retail, 2.1 Ongedekte wholesalefinanciering, 2.2 Gedekte wholesalefinanciering kunnen bredere productsoorten omvatten dan de onderliggende waarvan-posten. In deze template worden geen aandelen gerapporteerd. Instructies voor bepaalde kolommen: Kolom Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 0050

1.3.1.

1. Retailfinanciering Retaildeposito’s als gedefinieerd in artikel 411, punt 2), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en retailobligaties als gedefinieerd in artikel 28, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie.

met een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen

zonder een opzegtermijn voor opvraging van meer dan 30 dagen.

1.3.1.1.1.1.2.1.3.1.4.1.4.1.1.4.2.

2. Wholesalefinanciering Alle tegenpartijen die geen retaildeposito’s als gedefinieerd in artikel 411, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 575/2013 zijn. Deze rij wordt niet gerapporteerd.

1.3.1.1.1.1.2.1.3.1.4.1.4.1.1.4.2.2.1.2.1.1.2.1.2.2.1.3.2.2.2.2.1.2.2.2.2.2.3.2.2.4.3.4.5.6. Boekwaarde ontvangen

De boekwaarde van de voor elk van de productsoorten in de kolom Productnaam ontvangen financiering wordt gerapporteerd in kolom 0010 van de template.

Bedrag gedekt door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land

Van het in kolom 0010 gerapporteerde totale bedrag van de voor elk van de productsoorten in de kolom Productnaam ontvangen financiering, het bedrag dat gedekt is door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land. Opmerking: De in kolom 0020 en kolom 0030 voor elk van de productcategorieën in de kolom Productnaam gerapporteerde bedragen zijn gelijk aan het in kolom 0010 gerapporteerde totale ontvangen bedrag.

Bedrag niet gedekt door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land

Van het in kolom 0010 gerapporteerde totale bedrag van de voor elk van de productsoorten in de kolom Productnaam ontvangen financiering, het bedrag dat niet gedekt is door een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU of een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land. Opmerking: De in kolom 0020 en kolom 0030 voor elk van de productsoorten in de kolom Productnaam gerapporteerde bedragen zijn gelijk aan het in kolom 0010 gerapporteerde totale ontvangen bedrag.

Gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd

Voor het in kolom 0010 gerapporteerde bedrag aan financiering afkomstig van de in de kolom Productnaam vermelde productsoorten wordt in kolom 0040 een gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd (in dagen) voor die financiering gerapporteerd. De gewogen gemiddelde oorspronkelijke looptijd wordt berekend als de gemiddelde oorspronkelijke looptijd (in dagen) van de financiering die voor die productsoort is ontvangen. Het gemiddelde wordt gewogen naar omvang, op basis van de omvang van de verschillende aan financiering ontvangen bedragen in verhouding tot de totale uit alle uitgiften van dat soort product ontvangen financiering.

Gewogen gemiddelde resterende looptijd

Voor het in kolom 0010 gerapporteerde bedrag aan financiering afkomstig van de in de kolom Productnaam vermelde productsoorten wordt in kolom 0050 een gewogen gemiddelde resterende looptijd (in dagen) voor die financiering gerapporteerd. De gewogen gemiddelde resterende looptijd wordt berekend als de gemiddelde looptijd (in dagen) van de financiering die is ontvangen voor die productsoort. Het gemiddelde wordt gewogen naar omvang, op basis van de omvang van verschillende aan financiering ontvangen bedragen in verhouding tot de totale uit alle uitgiften van dat soort product ontvangen financiering.

1.4.1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.13.14.15.16.17.

Prijzen voor diverse financieringstermijnen (C 69.00) De instellingen rapporteren de informatie over het transactievolume en de prijzen die door de instellingen zijn betaald voor financiering verkregen tijdens de rapportageperiode en die aan het einde van de rapportageperiode nog steeds voorhanden is, in template C 69.00 in overeenstemming met de volgende oorspronkelijke looptijden: In het geval van valutaherwaarderingen wordt geen nieuwe financiering in de oorspronkelijke valuta verkregen en heeft de rapporterende instelling niet méér betaald dan de oorspronkelijke prijs bij het initiële deposito van de middelen. Een positieve aanwas ten gevolge van een valutaherwaardering wordt dus niet in deze template worden gerapporteerd. Financieringsbronnen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan tien jaar worden niet gerapporteerd. Om de looptijd van de verkregen financiering te bepalen, laten de instellingen de periode tussen transactie- en afwikkelingsdatum buiten beschouwing; zo wordt bijvoorbeeld een driemaandsverplichting die over twee weken wordt afgewikkeld, in de looptijd drie maanden (kolommen 0070 en 0080) gerapporteerd. De in de linker kolom van elk tijdsinterval gerapporteerde spread is een van de volgende: de door de instelling voor verplichtingen met een looptijd van één jaar of minder te betalen spread, als deze op de dag van de transactie vóór het einde van de werkdag naar de benchmarkovernightindex voor de passende valuta zouden zijn geswapt; de door de onderneming bij uitgifte te betalen spread voor verplichtingen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar, indien deze uiterlijk op de dag van de transactie vóór het einde van de werkdag naar de relevante driemaands benchmarkindex voor de passende valuta (zoals driemaands Euribor voor EUR) zouden zijn geswapt. Uitsluitend ten behoeve van de berekening van de spread op grond van de punten a) en b) hierboven kan de instelling, op basis van historische gegevens, de oorspronkelijke looptijd bepalen en daarbij al dan niet rekening houden met optionaliteit, naargelang van het geval. Spreads worden gerapporteerd in basispunten met een minteken indien de nieuwe financiering goedkoper is dan op grond van de desbetreffende referentierente. Zij worden berekend op basis van een gewogen gemiddelde. Voor de berekening van de gemiddelde te betalen spread voor meervoudige uitgiften/deposito’s/leningen berekenen de instellingen de totale kosten in de valuta van uitgifte, waarbij zij geen rekening houden met valutaswaps, maar wel met alle premies of kortingen en te betalen of te ontvangen vergoedingen, met als basis de termijn van elke theoretische of daadwerkelijke renteswap die met de termijn van de verplichting overeenstemt. De spread is de rente van de verplichting minus de swaprente. Het bedrag van de voor de financieringscategorieën in de kolom Post verkregen financiering wordt in de kolom Volume van het toepasselijke tijdsinterval gerapporteerd. In de kolom Volume vermelden instellingen de bedragen die de boekwaarde weergeven van de verkregen nieuwe financiering in het toepasselijke tijdsinterval volgens de oorspronkelijke looptijd. Voor alle posten, ook verplichtingen buiten de balanstelling, rapporteren de instellingen alleen de desbetreffende bedragen die op de balans zijn weergegeven. Een aan de instelling buiten de balanstelling verstrekte verplichting wordt alleen na een opneming gerapporteerd in C 69.00. In het geval van een opneming zijn het volume en de spread die moeten worden gerapporteerd, het opgenomen bedrag en de toepasselijke spread op het einde van de rapportageperiode. Indien de opneming niet kan worden doorgerold volgens goeddunken van de instelling, wordt de werkelijke looptijd van de opneming gerapporteerd. Indien de instelling aan het einde van de vorige rapportageperiode de faciliteit reeds heeft opgenomen en indien de instelling vervolgens meer gebruikmaakt van de faciliteit, wordt uitsluitend het extra opgenomen bedrag gerapporteerd. Door retailcliënten geplaatste deposito’s zijn deposito’s als gedefinieerd in artikel 411, punt 2, van Verordening (EU) 575/2013. Voor financiering die tijdens de rapportageperiode is doorgerold en die aan het einde van de rapportageperiode nog steeds uitstaat, wordt het gemiddelde van de op dat moment (d.w.z. aan het einde van de rapportageperiode) toepasselijke spreads gerapporteerd. Ten behoeve van C 69.00 wordt doorgerolde financiering die aan het einde van de rapportageperiode nog steeds voorhanden is, als nieuwe financiering beschouwd. In afwijking van de rest van afdeling 1.4 worden het volume en de spread van direct opvraagbare deposito’s alleen gerapporteerd indien de deposant in de vorige rapportageperiode niet beschikte over een direct opvraagbaar deposito of indien het depositobedrag is toegenomen ten opzichte van de vorige referentiedatum, in welk geval de aanwas wordt beschouwd als nieuwe financiering. De spread is de spread aan het einde van de periode. Wanneer er niets te rapporteren valt, worden de cellen voor de spreads blanco gelaten. In deze template worden geen aandelen gerapporteerd. Instructies betreffende specifieke rijen: Rij Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0035 0045 0065 0075 0080

1.4.1.

(a) overnight in de kolommen 0010 en 0020;

b)

meer dan overnight en minder dan of gelijk aan één week in de kolommen 0030 en 0040;

c)

meer dan één week en minder dan of gelijk aan één maand in de kolommen 0050 en 0060;

d)

meer dan één maand en minder dan of gelijk aan drie maanden in de kolommen 0070 en 0080;

e)

meer dan drie maanden en minder dan of gelijk aan zes maanden in de kolommen 0090 en 0100;

f)

meer dan zes maanden en minder dan of gelijk aan één jaar in de kolommen 0110 en 0120;

g)

meer dan één jaar en minder dan of gelijk aan twee jaar in de kolommen 0130 en 0140;

h)

meer dan twee jaar en minder dan of gelijk aan vijf jaar in de kolommen 0150 en 0160;

i)

meer dan vijf jaar en minder dan of gelijk aan tien jaar in de kolommen 0170 en 0180.

1.4.1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.13.14.15.16.17.

1 Totale financiering Het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van alle financiering worden voor alle volgende looptijden als volgt verkregen:

1

(a) overnight in de kolommen 0010 en 0020;

(b) meer dan overnight en minder dan of gelijk aan één week in de kolommen 0030 en 0040;

(c) meer dan één week en minder dan of gelijk aan één maand in de kolommen 0050 en 0060;

(d) meer dan één maand en minder dan of gelijk aan drie maanden in de kolommen 0070 en 0080;

(e) meer dan drie maanden en minder dan of gelijk aan zes maanden in de kolommen 0090 en 0100;

(f) meer dan zes maanden en minder dan of gelijk aan één jaar in de kolommen 0110 en 0120;

(g) meer dan één jaar en minder dan of gelijk aan twee jaar in de kolommen 0130 en 0140;

(h) meer dan twee jaar en minder dan of gelijk aan vijf jaar in de kolommen 0150 en 0160;

(i) meer dan vijf jaar en minder dan of gelijk aan tien jaar in de kolommen 0170 en 0180.

1.1 Retailfinanciering Van de in post 1 gerapporteerde totale financiering, het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van de verkregen retailfinanciering.

1.2 Ongedekte wholesalefinanciering Van de in post 1 gerapporteerde totale financiering, het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van de verkregen ongedekte wholesalefinanciering.

1.2.1 waarvan: Senior ongedekte effecten Van de in post 1.2 gerapporteerde totale financiering, het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van de verkregen senior ongedekte effecten.

1.3 Gedekte financiering (niet van een centrale bank) Van de in post 1 gerapporteerde totale financiering, het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van de van een derde partij niet zijnde een centrale bank verkregen gedekte financiering.

1.3.1 waarvan: Gedekte obligaties Van de in post 1.3 gerapporteerde totale financiering, het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van alle uitgiften van gedekte obligaties die de eigen activa van de instellingen bezwaren.

1.3.2 waarvan: Door activa gedekte effecten met inbegrip van door activa gedekt handelspapier Van de in post 1.3 gerapporteerde totale financiering, het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van de uitgegeven door activa gedekte effecten (ABS), met inbegrip van door activa gedekt commercial paper (ABCP).

1.4 Overige financiering Van de in post 1 gerapporteerde totale financiering, het totale volume en de gewogen gemiddelde spread van niet in de posten 1.1 tot en met 1.3 opgenomen financiering, met inbegrip van gedekte financiering van centrale banken.

1.5.1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.

Doorrollen van financiering (C 70.00) Deze template dient om informatie te verzamelen over het volume van vervallende geldmiddelen en nieuwe verkregen financiering, d.w.z. dagelijkse doorrol van financiering gedurende de maand voorafgaand aan de rapportagedatum. De instellingen rapporteren (in kalenderdagen) de financiering die vervalt volgens de onderstaande tijdsintervallen overeenkomstig de oorspronkelijke looptijd: Voor elk in punt 2 beschreven tijdsinterval wordt het vervallende bedrag gerapporteerd in de linker kolom. In de rechter kolom worden de doorgerolde bedragen in de kolom Doorrol gerapporteerd, de nieuwe verkregen geldmiddelen in de kolom Nieuwe middelen en het nettoverschil tussen, enerzijds, nieuwe middelen en, anderzijds, doorrol- minus vervallende middelen. De totale nettokasstromen worden gerapporteerd in kolom 290 en zijn gelijk aan de som van alle netto-kolommen met nummer 0040, 0080, 0120, 0160, 0200, 0240 en 0280. De gemiddelde termijn van financiering (in dagen) voor vervallende termijngeldmiddelen wordt gerapporteerd in kolom 0300. De gemiddelde termijn van financiering (in dagen) voor doorgerolde middelen wordt gerapporteerd in kolom 0310. De gemiddelde termijn van financiering (in dagen) voor nieuwe termijngeldmiddelen wordt gerapporteerd in kolom 0320. Het vervallende bedrag omvat alle verplichtingen die contractueel konden worden opgezegd door de verstrekker van de financiering of die op de desbetreffende dag in de rapportageperiode betaalbaar waren. Dit bedrag wordt steeds met een plusteken gerapporteerd. Het doorrol-bedrag omvat het vervallende bedrag als gedefinieerd in de punten 2 en 3 dat op de desbetreffende dag van de rapportageperiode bij de instelling blijft. Dit bedrag wordt steeds met een plusteken gerapporteerd. Indien de looptijd van de financiering door de doorrolgebeurtenis is gewijzigd, wordt het doorrol-bedrag gerapporteerd in een tijdsinterval overeenkomstig de nieuwe looptijd. Het Nieuwe middelen-bedrag omvat de daadwerkelijke instromen van financiering op de desbetreffende dag in de rapportageperiode. Dit bedrag wordt steeds met een plusteken gerapporteerd. Het Netto-bedrag wordt beschouwd als een wijziging van de financiering binnen een bepaalde oorspronkelijke looptijdklasse op de desbetreffende dag van de rapportageperiode en wordt berekend door in de netto-kolom de nieuwe middelen plus de doorgerolde middelen minus de vervallende middelen op te nemen. Instructies voor bepaalde kolommen: Kolom Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 tot 0040 0050 tot 0080 0090 tot 0120 0130 tot 0160 0170 tot 0200 0210 tot 0240 0250 tot 0280 0290 0300 tot 0320

1.5.1.2.

(a) overnight in de kolommen 0010 tot en met 0040;

(b) tussen 1 en zeven dagen in de kolommen 0050 tot en met 0080;

(c) tussen 7 en 14 dagen in de kolommen 0090 tot en met 0120;

(d) tussen 14 dagen en één maand in de kolommen 0130 tot en met 0160;

(e) tussen 1 en drie maanden in de kolommen 0170 tot en met 0200;

(f) tussen 3 en zes maanden in de kolommen 0210 tot en met 0240;

(g) in meer dan zes maanden in de kolommen 0250 tot en met 0280.

1.5.1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12. Overnight

Het totale bedrag aan financiering die vervalt op de desbetreffende dag van de rapportageperiode met een oorspronkelijke overnight-looptijd, wordt gerapporteerd in kolom 0010 van lijnpost 1.1-1.31. Voor maanden met minder dan 31 dagen en voor weekends worden irrelevante lijnen blanco gelaten. Het totale bedrag van de op de desbetreffende dag van de rapportageperiode doorgerolde financiering met een oorspronkelijke overnight-looptijd wordt gerapporteerd in kolom 0020 van lijnpost 1.1-1.31. Het totale bedrag aan verkregen nieuwe financiering op de desbetreffende dag van de rapportageperiode met een oorspronkelijke overnight-looptijd wordt gerapporteerd in kolom 0030 van lijnpost 1.1-1.31. Het nettoverschil tussen, enerzijds, vervallende dagelijkse financiering en, anderzijds, doorgerolde financiering plus verkregen nieuwe dagelijkse financiering wordt gerapporteerd in kolom 0040 van lijnpost 1.1-1.31.

> één dag ≤ zeven dagen

Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één dag en één week die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0050 van lijnpost 1.1-1.31. Voor maanden met minder dan 31 dagen en voor weekends worden irrelevante lijnen blanco gelaten. Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één dag en één week die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode is doorgerold, wordt gerapporteerd in kolom 0060 van lijnpost 1.1-1.31. Het totale bedrag aan op de desbetreffende dag van de rapportageperiode verkregen nieuwe financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één dag en één week wordt gerapporteerd in kolom 0070 van lijnpost 1.1-1.31. Het nettoverschil tussen, enerzijds, vervallende financiering en, anderzijds, doorgerolde financiering plus verkregen nieuwe financiering wordt gerapporteerd in kolom 0080 van lijnpost 1.1-1.31.

> zeven dagen ≤ 14 dagen

Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één week en twee weken die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0090 van lijnpost 1.1-1.31. Voor maanden met minder dan 31 dagen en voor weekends worden irrelevante lijnen blanco gelaten. Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één week en twee weken die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode is doorgerold, wordt gerapporteerd in kolom 0100 van lijnpost 1.1-1.31. Het totale bedrag aan op de desbetreffende dag van de rapportageperiode verkregen nieuwe financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één week en twee weken wordt gerapporteerd in kolom 0110 van lijnpost 1.1-1.31. Het nettoverschil tussen, enerzijds, vervallende financiering en, anderzijds, doorgerolde financiering plus verkregen nieuwe financiering wordt gerapporteerd in kolom 0120 van lijnpost 1.1-1.31.

> 14 dagen ≤ één maand

Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen twee weken en één maand die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0130 van post 1.1-1.31. Voor maanden met minder dan 31 dagen en voor weekends worden irrelevante lijnen blanco gelaten. Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen twee weken en één maand die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode is doorgerold, wordt gerapporteerd in kolom 0140 van post 1.1-1.31. Het totale bedrag aan op de desbetreffende dag van de rapportageperiode verkregen nieuwe financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen twee weken en één maand wordt gerapporteerd in kolom 0150 van lijnpost 1.1-1.31. Het nettoverschil tussen, enerzijds, vervallende financiering en, anderzijds, doorgerolde financiering plus verkregen nieuwe financiering wordt gerapporteerd in kolom 0160 van lijnpost 1.1-1.31.

> één maand ≤ drie maanden

Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één maand en drie maanden die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0170 van lijnpost 1.1-1.31. Voor maanden met minder dan 31 dagen en voor weekends worden irrelevante lijnen blanco gelaten. Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één maand en drie maanden die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode is doorgerold, wordt gerapporteerd in kolom 0180 van lijnpost 1.1-1.31. Het totale bedrag aan op de desbetreffende dag van de rapportageperiode verkregen nieuwe financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen één maand en drie maanden wordt gerapporteerd in kolom 0190 van lijnpost 1.1-1.31. Het nettoverschil tussen, enerzijds, vervallende financiering en, anderzijds, doorgerolde financiering plus verkregen nieuwe financiering wordt gerapporteerd in kolom 0200 van lijnpost 1.1-1.31.

> drie maanden ≤ zes maanden

Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen drie maanden en zes maanden die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0210 van lijnpost 1.1-1.31. Voor maanden met minder dan 31 dagen en voor weekends worden irrelevante lijnen blanco gelaten. Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen drie maanden en zes maanden die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode is doorgerold, wordt gerapporteerd in kolom 0220 van lijnpost 1.1-1.31. Het totale bedrag aan op de desbetreffende dag van de rapportageperiode verkregen nieuwe financiering met een oorspronkelijke looptijd tussen drie maanden en zes maanden wordt gerapporteerd in kolom 0230 van lijnpost 1.1-1.31. Het nettoverschil tussen, enerzijds, vervallende financiering en, anderzijds, doorgerolde financiering plus verkregen nieuwe financiering wordt gerapporteerd in kolom 0240 van lijnpost 1.1-1.31.

> zes maanden

Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd van meer dan zes maanden die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0250 van lijnpost 1.1-1.31. Voor maanden met minder dan 31 dagen en voor weekends worden irrelevante lijnen blanco gelaten. Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd van meer dan zes maanden die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0260 van lijnpost 1.1-1.31. Het totale bedrag aan financiering met een oorspronkelijke looptijd van meer dan zes maanden die op de desbetreffende dag van de rapportageperiode vervalt, wordt gerapporteerd in kolom 0270 van lijnpost 1.1-1.31. Het nettoverschil tussen, enerzijds, vervallende financiering en, anderzijds, doorgerolde financiering plus verkregen nieuwe financiering wordt gerapporteerd in kolom 0280 van lijnpost 1.1-1.31.

Totale nettokasstromen

De totale nettokasstromen zijn gelijk aan de som van alle netto-kolommen met nummer 0040, 0080, 0120, 0160, 0200, 0240 en 0280, en worden gerapporteerd in kolom 0290.

Gemiddelde termijn (dagen)

De gewogen gemiddelde termijn (in dagen) van alle vervallende geldmiddelen wordt gerapporteerd in kolom 0300. De gewogen gemiddelde termijn (in dagen) van alle doorgerolde geldmiddelen wordt gerapporteerd in kolom 0310, terwijl de gewogen gemiddelde termijn (in dagen) van alle verkregen nieuwe middelen wordt gerapporteerd in kolom 0320.

BIJLAGE VII

BIJLAGE XX RAPPORTAGE OVER NEUTRALISERENDE CAPACITEIT C 71.00 — CONCENTRATIE VAN NEUTRALISERENDE CAPACITEIT PER UITGEVENDE INSTELLING 1.2. Totale en significante valuta

AMM-TEMPLATES Template nummer Template code Naam van de (groep) template(s) TEMPLATES VOOR CONCENTRATIE VAN NEUTRALISERENDE CAPACITEIT 71 C 71.00 CONCENTRATIE VAN NEUTRALISERENDE CAPACITEIT PER EMITTENT Concentratie van neutraliserende capaciteit per uitgevende instelling Uitgevende instelling LEI-code Sector uitgevende instelling Vestigingsplaats uitgevende instelling Productsoort Valuta Kredietkwaliteitscategorie Marktwaarde/nominale waarde Voor centrale bank toelaatbare waarde van zekerheden Rij ID 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0010 TIEN GROOTSTE UITGEVENDE INSTELLINGEN 0020 1.01 0030 1.02 0040 1.03 0050 1.04 0060 1.05 0070 1.06 0080 1.07 0090 1.08 0100 1.09 0110 1.10 0120 ALLE ANDERE ALS NEUTRALISERENDE CAPACITEIT GEBRUIKTE POSTEN

BIJLAGE VIII

BIJLAGE XXI INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN DE TEMPLATE INZAKE CONCENTRATIE VAN NEUTRALISERENDE CAPACITEIT (C 71.00) VAN BIJLAGE XX

Concentratie van neutraliserende capaciteit per uitgevende instelling/tegenpartij (CCC) (C 71.00) 1.2.3.4.5.6.

Om aan de hand van template C 71.00 over de concentratie van neutraliserende capaciteit (Counterbalancing Capacity) van de rapporterende instellingen informatie te verzamelen aan de hand van de tien grootse portefeuilles van activa of voor dit doeleinde aan de instelling toegekende liquiditeitslijnen, volgen de instellingen de in deze bijlage opgenomen instructies. Indien een uitgevende instelling of tegenpartij bij meer dan één productsoort, valuta of kredietkwaliteitscategorie wordt ingedeeld, wordt het totale bedrag gerapporteerd. De productsoort, valuta of kredietkwaliteitscategorie wordt gerapporteerd die relevant is voor het grootste gedeelte van de concentratie van neutraliserende capaciteit. De neutraliserende capaciteit in C 71.00 is dezelfde als die in C 66.01, met dien verstande dat de activa die als neutraliserende capaciteit voor C 71.00 worden gerapporteerd, onbezwaard zijn, zodat de instelling er op de rapportagereferentiedatum over kan beschikken om ze te gelde te maken. Voor de berekening van de concentraties voor rapportagetemplate C 71.00 per significante valuta gebruiken de instellingen de concentraties in alle valuta. Indien een uitgevende instelling of tegenpartij tot verschillende groepen verbonden cliënten behoort, wordt deze slechts één keer gerapporteerd in de groep met de hoogste concentratie van neutraliserende capaciteit. Behalve in rij 0120 worden in deze template geen concentraties van neutraliserende capaciteit met een centrale bank als uitgevende instelling of tegenpartij gerapporteerd. In geval bij een centrale bank prepositioning van activa door een instelling heeft plaatsgevonden voor normale liquiditeitsoperaties en voor zover deze activa tot de tien grootste uitgevende instellingen of tegenpartijen van onbezwaarde neutraliserende capaciteit behoren, rapporteert de instelling de oorspronkelijke uitgevende instelling en de oorspronkelijke productsoort. Kolom Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 0020 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090

Naam uitgevende instelling

De naam van de tien grootste uitgevende instellingen van onbezwaarde activa of tegenpartijen van aan de instelling toegekende onbenutte gecommitteerde liquiditeitslijnen wordt in afnemende grootte vermeld in kolom 0010. De grootste post wordt vermeld in 1.01, de op één na grootste in 1.02 enz. Uitgevende instellingen en tegenpartijen die een groep verbonden cliënten vormen, worden als één concentratie gerapporteerd. De naam van de uitgevende instelling of tegenpartij die wordt vermeld, is de volledige naam van de rechtspersoon die de activa heeft uitgegeven of de liquiditeitslijnen heeft toegekend, inclusief de aanduiding van de ondernemingsvorm overeenkomstig het nationale vennootschapsrecht.

LEI-code

De identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI) van de tegenpartij

Sector uitgevende instelling

Iedere uitgevende instelling of tegenpartij krijgt één sector toegewezen op basis van de volgende FINREP-indeling van economische sectoren (zie deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening): i) algemene overheden; ii) kredietinstellingen; iii) overige financiële vennootschappen; iv) niet-financiële vennootschappen; v) huishoudens. Voor groepen verbonden cliënten wordt geen sector gerapporteerd.

Vestigingsplaats uitgevende instelling

De tweeletterige ISO-3166-1-code van het land van oprichting van de uitgevende instelling of tegenpartij wordt gebruikt, inclusief pseudo-ISO-codes voor internationale organisaties; zie de meest recente uitgave van het Balance of Payments Vademecum van Eurostat. Voor groepen verbonden cliënten wordt geen land gerapporteerd.

Productsoort

In kolom 0010 gerapporteerde uitgevende instellingen/tegenpartijen krijgen een productsoort toegewezen die overeenstemt met het uitgegeven product waarin het activum wordt gehouden of de stand-by liquiditeitsfaciliteit is ontvangen. Daarbij worden de volgende vetgedrukte codes gebruikt:

SrB (senior obligatie);

SubB (achtergestelde obligatie);

CP (commercial paper);

CB (gedekte obligaties);

US (icbe-effect, d.w.z. financiële instrumenten die een aandeel in of een door een instelling voor collectieve belegging in effecten uitgegeven effect vertegenwoordigen);

ABS (door activa gedekt effect);

CrCl (kredietvordering);

Eq (aandelen);

Goud (indien fysiek goud, dat als één tegenpartij kan worden behandeld);

LiqL (aan de instelling toegekende niet-opgenomen toegezegde kredietlijn);

OPT (andere productsoort).

Valuta

Bij de in kolom 0010 vermelde uitgevende instellingen of tegenpartijen wordt in kolom 0060 een valuta-ISO-code vermeld die overeenstemt met de valuta van het ontvangen activum of van de aan de instelling toegekende onbenutte gecommitteerde liquiditeitslijnen. Hier wordt de drieletterige ISO 4217-valutacode vermeld. Wanneer een lijn in meerdere valuta deel uitmaakt van een concentratie van neutraliserende capaciteit, wordt deze lijn vermeld in de valuta die in de rest van de concentratie overheerst. Wat betreft de afzonderlijke rapportage in significante valuta zoals bepaald onder artikel 415, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, maken instellingen een beoordeling van de valuta waarin de stroom waarschijnlijk zal plaatsvinden en rapporteren zij de post alleen in die significante valuta, in lijn met de instructies voor de afzonderlijke rapportage van significante valuta met betrekking tot de liquiditeitsdekkingsvereisten (LCR), in overeenstemming met Verordening (EU) 2021/451.

Kredietkwaliteitscategorie

De passende kredietkwaliteitscategorie wordt toegekend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 en is dezelfde als die van de in de looptijdklassen gerapporteerde posten. Indien er geen rating is, wordt de vermelding zonder rating gebruikt.

Marktwaarde/nominale waarde

De marktwaarde of de reële waarde van de activa of, indien toepasselijk, de nominale waarde van de aan de instelling toegekende niet-opgenomen toegezegde kredietlijn.

Voor centrale bank toelaatbare waarde van zekerheden

De waarde van zekerheden volgens de regels van de centrale bank voor permanente faciliteiten voor de specifieke activa. Voor activa in een valuta die in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/233 van de Commissie is opgenomen als een valuta waarvoor de centrale bank zeer nauw omschreven toelaatbaarheidscriteria hanteert, laten de instellingen dit veld open.

BIJLAGE IX

BIJLAGE XXII RAPPORTAGE OVER AMM-LOOPTIJDKLASSEN C 66.01 – LOOPTIJDKLASSEN Totaal en significante valuta

AMM-TEMPLATES Template nummer Template code Naam van de (groep) template(s) TEMPLATE VOOR LOOPTIJDKLASSEN 66 C 66.01 TEMPLATE VOOR LOOPTIJDKLASSEN Code ID Post Looptijd van de contractuele stroom 0010 0020 0025 0030 0040 0050 0060 0070 0080 0090 0100 0110 0120 0130 0140 0150 0160 0170 0180 0190 0200 0210 0220 0010-0380 1 UITSTROMEN Beginstand Langer dan overnight tot 2 dagen Langer dan 2 dagen tot 3 dagen Langer dan 3 dagen tot 4 dagen Langer dan 4 dagen tot 5 dagen Langer dan 5 dagen tot 6 dagen Langer dan 6 dagen tot 7 dagen Langer dan 7 dagen tot 2 weken Langer dan 2 weken tot 3 weken Langer dan 3 weken tot 30 dagen Langer dan 30 dagen tot 5 weken Langer dan 5 weken tot 2 maanden Langer dan 2 maanden tot 3 maanden Langer dan 3 maanden tot 4 maanden Langer dan 4 maanden tot 5 maanden Groter dan 5 maanden tot 6 maanden Langer dan 6 maanden tot 9 maanden Langer dan 9 maanden tot 12 maanden Langer dan 12 maanden tot 2 jaar Langer dan 2 jaar tot 5 jaar Langer dan 5 jaar Overnight waarvan: Openlooptijdposten 0010 1.1 Verplichtingen voortvloeiend uit uitgegeven effecten (indien niet behandeld als retaildeposito’s) 0011 1.1.0.1 waarvan: Intragroeps of IPS 0020 1.1.1 vervallen ongedekte obligaties 0030 1.1.2 gereglementeerde gedekte obligaties 0040 1.1.3 vervallen securitisaties 0050 1.1.4 overige 0065 1.2 Verplichtingen voortvloeiend uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door (tegenpartij is geen centrale bank): 0066 1.2.0.1 waarvan: Intragroeps of IPS 0075 1.2.1 Verhandelbare activa van niveau 1 0085 1.2.1.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties 0095 1.2.1.1.1 Centrale banken van niveau 1 0105 1.2.1.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1) 0115 1.2.1.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorieën 2 en 3) 0125 1.2.1.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+) 0135 1.2.1.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1) 0145 1.2.2 Verhandelbare activa van niveau 2A 0155 1.2.2.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1) 0165 1.2.2.2 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2) 0175 1.2.2.3 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2) 0185 1.2.3 Verhandelbare activa van niveau 2B 0195 1.2.3.1 Door activa gedekte effecten (ABS) van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1) 0205 1.2.3.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorieën 1-6) 0215 1.2.3.3 Niveau 2B: bedrijfsobligaties (kredietkwaliteitscategorieën 1-3) 0225 1.2.3.4 Aandelen van niveau 2B 0235 1.2.3.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorieën 3-5) 0245 1.2.4 Overige verhandelbare activa 0251 1.2.5 Overige activa 0252 1.2a Verplichtingen voortvloeiend uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door (tegenpartij is centrale bank): 0253 1.2a.1 Verhandelbare activa van niveau 1 0254 1.2a.2 Verhandelbare activa van niveau 2A 0255 1.2a.3 Verhandelbare activa van niveau 2B 0256 1.2a.4 Overige verhandelbare activa 0257 1.2a.5 Overige activa 0260 1.3 Niet in 1.2 gerapporteerde verplichtingen voortvloeiend uit deposito’s (met uitsluiting van als zekerheid ontvangen deposito’s) 0261 1.3.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS 0270 1.3.1 Stabiele retaildeposito’s 0280 1.3.2 Overige retaildeposito’s 0290 1.3.3 Operationele deposito’s 0300 1.3.4 Niet-operationele deposito’s van kredietinstellingen 0310 1.3.5 Niet-operationele deposito’s van andere financiële cliënten 0320 1.3.6 Niet-operationele deposito’s van centrale banken 0330 1.3.7 Niet-operationele deposito’s van niet-financiële vennootschappen 0340 1.3.8 Niet-operationele deposito’s van andere tegenpartijen 0350 1.4 Vervallende valutaswaps 0360 1.5 Andere uit hoofde van derivaten te betalen bedragen dan de in 1.4 gerapporteerde 0370 1.6 Andere uitstromen 0380 1.7 Totale uitstromen 0390-0720 2 INSTROMEN Beginstand Langer dan overnight tot 2 dagen Langer dan 2 dagen tot 3 dagen Langer dan 3 dagen tot 4 dagen Langer dan 4 dagen tot 5 dagen Langer dan 5 dagen tot 6 dagen Langer dan 6 dagen tot 7 dagen Langer dan 7 dagen tot 2 weken Langer dan 2 weken tot 3 weken Langer dan 3 weken tot 30 dagen Langer dan 30 dagen tot 5 weken Langer dan 5 weken tot 2 maanden Langer dan 2 maanden tot 3 maanden Langer dan 3 maanden tot 4 maanden Langer dan 4 maanden tot 5 maanden Langer dan 5 maanden tot 6 maanden Langer dan 6 maanden tot 9 maanden Langer dan 9 maanden tot 12 maanden Langer dan 12 maanden tot 2 jaar Langer dan 2 jaar tot 5 jaar Langer dan 5 jaar Overnight waarvan: Openlooptijdposten 0390 2.1 Verschuldigde gelden uit hoofde van leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties zekergesteld door: 0391 2.1.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS 0400 2.1.1 Verhandelbare activa van niveau 1 0410 2.1.1.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties 0420 2.1.1.1.1 Centrale banken van niveau 1 0430 2.1.1.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1) 0440 2.1.1.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorieën 2 en 3) 0450 2.1.1.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+) 0460 2.1.1.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1) 0470 2.1.2 Verhandelbare activa van niveau 2A 0480 2.1.2.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1) 0490 2.1.2.2 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2) 0500 2.1.2.3 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2) 0510 2.1.3 Verhandelbare activa van niveau 2B 0520 2.1.3.1 ABS van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1) 0530 2.1.3.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorieën 1-6) 0540 2.1.3.3 Niveau 2B: bedrijfsobligaties (kredietkwaliteitscategorieën 1-3) 0550 2.1.3.4 Aandelen van niveau 2B 0560 2.1.3.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorieën 3-5) 0570 2.1.4 Overige verhandelbare activa 0580 2.1.5 Overige activa 0590 2.2 Niet in 2.1 gerapporteerde verschuldigde gelden voortvloeiend uit leningen en voorschotten toegekend aan: 0600 2.2.1 Retailcliënten 0610 2.2.2 Niet-financiële vennootschappen 0620 2.2.3 Kredietinstellingen 0621 2.2.3.1 Waarvan: intragroeps of IPS 0630 2.2.4 Andere financiële cliënten 0640 2.2.5 Centrale banken 0650 2.2.6 Andere tegenpartijen 0660 2.3 Vervallende valutaswaps 0670 2.4 Te ontvangen bedragen uit derivaten, andere dan in 2.3 gerapporteerd 0680 2.5 Vervallend papier in eigen portefeuille 0690 2.6 Overige instromen 0691 2.6.1 Waarvan: intragroeps of IPS 0700 2.7 Totale instromen 0710 2.8 Netto contractueel tekort 0720 2.9 Gecumuleerd netto contractueel tekort 0730-1080 3 NEUTRALISERENDE CAPACITEIT Beginstand Langer dan overnight tot 2 dagen Langer dan 2 dagen tot 3 dagen Langer dan 3 dagen tot 4 dagen Langer dan 4 dagen tot 5 dagen Langer dan 5 dagen tot 6 dagen Langer dan 6 dagen tot 7 dagen Langer dan 7 dagen tot 2 weken Langer dan 2 weken tot 3 weken Langer dan 3 weken tot 30 dagen Langer dan 30 dagen tot 5 weken Langer dan 5 weken tot 2 maanden Langer dan 2 maanden tot 3 maanden Langer dan 3 maanden tot 4 maanden Langer dan 4 maanden tot 5 maanden Langer dan 5 maanden tot 6 maanden Langer dan 6 maanden tot 9 maanden Langer dan 9 maanden tot 12 maanden Langer dan 12 maanden tot 2 jaar Langer dan 2 jaar tot 5 jaar Langer dan 5 jaar Overnight waarvan: Openlooptijdposten 0730 3.1 Munten en bankbiljetten 0740 3.2 Opvraagbare reserves bij centrale banken 0750 3.3 Verhandelbare activa van niveau 1 0760 3.3.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties 0770 3.3.1.1 Centrale banken van niveau 1 0780 3.3.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1) 0790 3.3.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorieën 2 en 3) 0800 3.3.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+) 0810 3.3.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1) 0820 3.4 Verhandelbare activa van niveau 2A 0830 3.4.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1) 0840 3.4.3 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2) 0850 3.4.4 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorieën 1 en 2) 0860 3.5 Verhandelbare activa van niveau 2B 0870 3.5.1 ABS van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1) 0880 3.5.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorieën 1-6) 0890 3.5.3 Bedrijfsobligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorieën 1-3) 0900 3.5.4 Aandelen van niveau 2B 0910 3.5.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorieën 3-5) 0920 3.6 Overige verhandelbare activa 0930 3.6.1 Centrale overheid (kredietkwaliteitscategorie 1) 0940 3.6.2 Centrale overheid (kredietkwaliteitscategorieën 2 en 3) 0950 3.6.3 Aandelen 0960 3.6.4 Gedekte obligaties 0970 3.6.5 ABS 0980 3.6.7 Overige verhandelbare activa 0990 3.7 Voor centrale banken beleenbare niet-verhandelbare activa 0991 3.7a Voor centrale banken beleenbare eigen uitgiften 1000 3.8 ontvangen onbenutte gecommitteerde faciliteiten 1010 3.8.1 Faciliteiten van niveau 1 1020 3.8.2 Beperkt te gebruiken faciliteiten van niveau 2B 1030 3.8.3 IPS-faciliteiten van niveau 2B 1040 3.8.4 Overige faciliteiten 1050 3.8.4.1 Van tegenpartijen binnen de groep 1060 3.8.4.2 Van andere tegenpartijen 1070 3.9 Nettowijziging neutraliserende capaciteit 1080 3.10 Gecumuleerde neutraliserende capaciteit 1090-1140 4 VOORWAARDELIJKE UITSTROMEN Beginstand Langer dan overnight tot 2 dagen Langer dan 2 dagen tot 3 dagen Langer dan 3 dagen tot 4 dagen Langer dan 4 dagen tot 5 dagen Langer dan 5 dagen tot 6 dagen Langer dan 6 dagen tot 7 dagen Langer dan 7 dagen tot 2 weken Langer dan 2 weken tot 3 weken Langer dan 3 weken tot 30 dagen Langer dan 30 dagen tot 5 weken Langer dan 5 weken tot 2 maanden Langer dan 2 maanden tot 3 maanden Langer dan 3 maanden tot 4 maanden Langer dan 4 maanden tot 5 maanden Langer dan 5 maanden tot 6 maanden Langer dan 6 maanden tot 9 maanden Langer dan 9 maanden tot 12 maanden Langer dan 12 maanden tot 2 jaar Langer dan 2 jaar tot 5 jaar Langer dan 5 jaar Overnight waarvan: Openlooptijdposten 1090 4.1 Uitstromen uit hoofde van gecommitteerde faciliteiten 1091 4.1.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS 1100 4.1.1 Gecommitteerde kredietfaciliteiten 1110 4.1.1.1 Door de ontvanger als niveau 2B beschouwd 1120 4.1.1.2 Overige 1130 4.1.2 Liquiditeitsfaciliteiten 1131 4.1a Uitstromen uit hoofde van niet-gecommitteerde faciliteiten 1140 4.2 Uitstromen ten gevolge van ratingverlagingstriggers 1150-1290 PRO-MEMORIEPOSTEN Beginstand Langer dan overnight tot 2 dagen Langer dan 2 dagen tot 3 dagen Langer dan 3 dagen tot 4 dagen Langer dan 4 dagen tot 5 dagen Langer dan 5 dagen tot 6 dagen Langer dan 6 dagen tot 7 dagen Langer dan 7 dagen tot 2 weken Langer dan 2 weken tot 3 weken Langer dan 3 weken tot 30 dagen Langer dan 30 dagen tot 5 weken Langer dan 5 weken tot 2 maanden Langer dan 2 maanden tot 3 maanden Langer dan 3 maanden tot 4 maanden Langer dan 4 maanden tot 5 maanden Langer dan 5 maanden tot 6 maanden Langer dan 6 maanden tot 9 maanden Langer dan 9 maanden tot 12 maanden Langer dan 12 maanden tot 2 jaar Langer dan 2 jaar tot 5 jaar Langer dan 5 jaar Overnight waarvan: Openlooptijdposten 1230 13 HQLA voor centrale bank beleenbaar – Verhandelbare activa 1241 14 In 3.6 gerapporteerde activa die geen voor een centrale bank beleenbare HQLA zijn 1270 17 Gedragsgebaseerde uitstromen van deposito’s 1280 18 Gedragsgebaseerde instromen van leningen en voorschotten 1290 19 Gedragsgebaseerde opvragingen van gecommitteerde faciliteiten

BIJLAGE X

BIJLAGE XXIII INSTRUCTIES VOOR HET INVULLEN VAN DE LOOPTIJDKLASSENTEMPLATE VAN BIJLAGE XXII

DEEL I ALGEMENE INSTRUCTIES 1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.13.14.15.16.17.18.19.20.21.

Om de looptijdmismatch van de activiteiten van een instelling (looptijdklassen) in de template van bijlage XXII in beeld te brengen, volgen de instellingen de instructies van deze bijlage. Het monitoringinstrument voor looptijdklassen heeft betrekking op contractuele stromen en voorwaardelijke uitstromen. De contractuele stromen uit hoofde van juridisch bindende overeenkomsten en de resterende looptijd vanaf de rapportagedatum worden gerapporteerd overeenkomstig de bepalingen van deze juridische overeenkomsten. De instellingen tellen instromen niet dubbel. In de kolom initiële stand wordt de stand van posten op de rapportagedatum gerapporteerd. Alleen de blanco witte cellen van de template in bijlage XXII worden ingevuld. De afdeling van de looptijdklassentemplate getiteld Uitstromen en instromen heeft betrekking op toekomstige contractuele kasstromen uit hoofde van alle posten binnen en buiten de balanstelling. Alleen uit- en instromen ingevolge op de rapportagedatum geldige contracten worden gerapporteerd. Rente-uitstromen en -instromen uit alle instrumenten binnen en buiten de balanstelling niet zijnde garanties worden opgenomen in alle betrokken posten van de afdelingen uitstromen en instromen, in het desbetreffende tijdsinterval waarin zij vervallen. Rentebetalingen en ontvangsten die vervallen na vijf jaar te rekenen vanaf de rapportagereferentiedatum, worden niet opgenomen in de looptijdklassen. De afdeling van de looptijdklassentemplate getiteld Neutraliserende capaciteit (Counterbalancing Capacity) geeft de stand weer van de onbezwaarde activa of andere financieringsbronnen die op de rapportagedatum voor de instelling juridisch en praktisch beschikbaar zijn om potentiële contractuele tekorten te dekken. Alleen uit- en instromen ingevolge op de rapportagedatum geldige contracten worden gerapporteerd. Kasuitstromen en -instromen in de afdeling uitstromen respectievelijk instromen worden op brutobasis met een plusteken gerapporteerd. Te betalen en te ontvangen bedragen worden respectievelijk in de afdelingen uitstroom en instroom gerapporteerd. Voor de afdeling van de looptijdklassentemplate getiteld Neutraliserende capaciteit worden uit- en instromen op nettobasis gerapporteerd met een plusteken als het een instroom betreft en een minteken als het een uitstroom betreft. Voor kasstromen worden opeisbare bedragen gerapporteerd. Effectenstromen worden tegen actuele marktwaarde gerapporteerd. Voor stromen uit hoofde van krediet- en liquiditeitslijnen worden de contractueel beschikbare bedragen gerapporteerd. Contractuele stromen worden volgens hun resterende looptijd over de tweeëntwintig tijdsintervallen verdeeld, waarbij het bij dagen om kalenderdagen gaat. Alle contractuele stromen worden gerapporteerd, inclusief alle materiële kasstromen uit hoofde van niet-financiële activiteiten zoals belastingen, bonussen, dividenden en rente. Kasstromen uit niet-financiële activiteiten worden gerapporteerd in het desbetreffende tijdsinterval waarin zij vervallen. Deze kasstromen worden niet opgenomen in de looptijdklassen wanneer zij vervallen na vijf jaar te rekenen vanaf de rapportagereferentiedatum. Om conservatief te werk te gaan bij het bepalen van de contractuele looptijden van stromen, zorgen de instellingen voor het volgende: [leeg] Vervallende valuta (FX) swaps geven de vervallende notionele waarde van cross-currency swaps, valutaforwardtransacties en niet-afgewikkelde contante valutaovereenkomsten in de toepasselijke tijdsintervallen van de template weer. Kasstromen uit niet-afgewikkelde transacties worden, in de korte periode vóór de afwikkeling, in de passende rijen en intervallen gerapporteerd. Voor posten waarvoor de instelling geen onderliggende bedrijfsactiviteit heeft (bijvoorbeeld indien zij geen deposito’s van een bepaalde categorie heeft), wordt niets ingevuld. Posten waarvan de vervaldatum is verstreken en posten waarvoor de instelling reden heeft om aan te nemen dat zij niet worden betaald, worden niet gerapporteerd. Indien de ontvangen zekerheid wordt herverpand in een transactie die vervalt na de transactie waarbij de instelling de zekerheid heeft ontvangen, wordt in de afdeling neutraliserende capaciteit in het desbetreffende tijdsinterval een effectenuitstroom ten belope van de reële waarde van de ontvangen zekerheid gerapporteerd overeenkomstig de vervaldatum van de transactie die tot de ontvangst van de zekerheid heeft geleid. Indien overeenkomstig artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 de direct opvraagbare deposito’s die de rapporterende kredietinstelling bij de centrale instelling aanhoudt, als liquide activa worden behandeld, worden de direct opvraagbare deposito’s in de looptijdklassen behandeld als een contractuele interbancaire instroom. Intragroepsposten hebben geen invloed op de rapportage op geconsolideerde basis. Het niet-opvraagbare deel van de reserves bij een centrale bank wordt niet in de template gerapporteerd.

ALGEMENE INSTRUCTIES 1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.

a)

indien de mogelijkheid bestaat om een betaling uit te stellen of een vervroegde betaling te ontvangen, wordt deze mogelijkheid geacht te worden gebruikt indien dit voor de instelling tot een vervroegde uitstroom of een verlate instroom zou leiden;

b)

indien de mogelijkheid om uitstromen uit de instelling te vervroegen uitsluitend een beslissing van de instelling is, wordt deze mogelijkheid alleen geacht te worden gebruikt wanneer de marktverwachting is dat de instelling dit daadwerkelijk zal doen. De mogelijkheid wordt geacht niet te worden gebruikt indien dit voor de instelling zou leiden tot vervroegde instromen of verlate uitstromen. Elke kasuitstroom die door een dergelijke instroom contractueel in werking zou treden — zoals bij pass through-financiering — wordt gerapporteerd op dezelfde datum als deze instroom;

c)

deposito’s die de volgende dag vervallen, met inbegrip van direct opvraagbare en niet-vervallende deposito’s, worden als eendagsdeposito gerapporteerd in kolom 0020. Daarnaast worden die transacties zonder contractueel bepaalde vervaldatum in kolom 0025 gerapporteerd;

d)

open of omgekeerde retrocessieovereenkomsten (repo’s) en soortgelijke transacties die door elk van beide partijen op om het even welke dag kunnen worden opgezegd, worden geacht binnen één dag te vervallen tenzij de opzegtermijn langer dan één dag is; in dat geval worden zij overeenkomstig de opzegtermijn in het desbetreffende tijdsinterval gerapporteerd;

e)

retailtermijndeposito’s met een mogelijkheid tot vervroegde opvraging worden geacht te vervallen in de periode waarin de vervroegde opvraging van het deposito niet zou leiden tot een boete overeenkomstig artikel 25, lid 4, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61;

f)

indien de instelling voor een bepaalde post (of gedeelte daarvan) niet in staat is een schema voor minimale contractuele betalingen vast te stellen, wordt deze post (of het gedeelte daarvan) in kolom 0220 gerapporteerd als langer dan vijf jaar.

DEEL II INSTRUCTIES VOOR BEPAALDE RIJEN

Rij Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010 t/m 0380 0010 0011 0020 0030 0040 0050 0065 0066 0075 0085 0095 0105 0115 0125 0135 0145 0155 0165 0175 0185 0195 0205 0215 0225 0235 0245 0251 0252 0253 0254 0255 0256 0257 0260 0261 0270 0280 0290 0300 0310 0320 0330 0340 0350 0360 0370 0380 0390 t/m 0700 0390 0391 0400 0410 0420 0430 0440 0450 0460 0470 0480 0490 0500 0510 0520 0530 0540 0550 0560 0570 0580 0590 0600 0610 0620 0621 0630 0640 0650 0660 0670 0680 0690 0691 0700 0710 0720 0730-1080 0730 0740 0750 0760 0770 0780 0790 0800 0810 0820 0830 0840 0850 0860 0870 0880 0890 0900 0910 0920 0930 0940 0950 0960 0970 0980 0990 0991 1000 1010 1020 1030 1040 1050 1060 1070 1080 1090-1140 1090 1091 1100 1110 1120 1130 1131 1140 1150-1290 1230 1241 1270 1280 1290

1 UITSTROMEN Het totale bedrag van de kasuitstromen wordt in de volgende subcategorieën gerapporteerd:

1.1 Verplichtingen voortvloeiend uit uitgegeven effecten (indien niet behandeld als retaildeposito’s)

Kasuitstromen uit hoofde van door de rapporterende instelling uitgegeven schuldtitels, d.w.z. eigen uitgiften.

1.1.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS

Het in lijn 1.1 gerapporteerde bedrag aan uitstromen waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.1.1 Vervallen ongedekte obligaties

Het in lijn 1.1 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen uit hoofde van uitgegeven effecten, zijnde door de rapporterende instelling aan derden uitgegeven ongedekte schuld.

1.1.2. Gereglementeerde gedekte obligaties

Het in lijn 1.1 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen uit hoofde van uitgegeven effecten, zijnde obligaties die in aanmerking komen voor de behandeling bedoeld in artikel 129, lid 4 of 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, of artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG.

1.1.3 Vervallen securitisaties

Het in lijn 1.1 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen uit hoofde van uitgegeven effecten, zijnde securitisatietransacties met derden, overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 61, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.1.4 Overige

Het in lijn 1.1 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen uit hoofde van uitgegeven effecten dat niet onder de hierboven gerapporteerde subcategorieën valt.

1.2 Verplichtingen voortvloeiend uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door (tegenpartij is geen centrale bank):

Totaalbedrag van alle kasuitstromen uit hoofde van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties waarbij de tegenpartij geen centrale bank is, zoals omschreven in artikel 192 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Opmerking: Hier worden alleen kasstromen gerapporteerd; effectenstromen betreffende gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties worden in de afdeling neutraliserende capaciteit gerapporteerd.

1.2.0.1 waarvan: intragroeps of IPS

Het in post 1.2 gerapporteerde bedrag aan uitstromen waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.2.1 Verhandelbare activa van niveau 1

Het in post 1.2 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die aan de vereisten van de artikelen 7, 8 en 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 zouden voldoen indien zij niet als zekerheid voor de desbetreffende transactie waren gebruikt. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 1 kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

1.2.1.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties

Het bedrag van de in post 1.2.1 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door activa die geen gedekte obligaties zijn.

1.2.1.1.1 Niveau 1 — centrale bank

Het bedrag van de in post 1.2.1.1 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door centrale banken.

1.2.1.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 1.2.1.1 gerapporteerde kasuitstromen dat niet in post 1.2.1.1.1 wordt gerapporteerd en dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend.

1.2.1.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 2 of 3)

Het bedrag van de in post 1.2.1.1 gerapporteerde kasuitstromen die niet in post 1.2.1.1.1 worden gerapporteerd, en dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is toegekend.

1.2.1.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+)

Het bedrag van de in post 1.2.1.1 gerapporteerde kasuitstromen die niet in post 1.2.1.1.1 worden gerapporteerd, en dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 4 of lager is toegekend.

1.2.1.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 1.2.1 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door activa die gedekte obligaties zijn. Opmerking: Overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt f), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 komen alleen gedekte obligaties met kredietkwaliteitscategorie 1 in aanmerking als activa van niveau 1.

1.2.2 Verhandelbare activa van niveau 2A

Het in post 1.2 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die aan de vereisten van de artikelen 7, 8 en 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 zouden voldoen indien zij niet als zekerheid voor de desbetreffende transactie waren gebruikt. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2A kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

1.2.2.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 1.2.2 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door bedrijfsobligaties waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend.

1.2.2.2 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)

Het bedrag van de in post 1.2.2 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door gedekte obligaties waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 is toegekend.

1.2.2.3 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)

Het bedrag van de in post 1.2.2 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door centrale overheden, centrale banken, regionale overheden, lokale autoriteiten of publiekrechtelijke lichamen. Opmerking: Overeenkomstig artikel 11, lid 1, punten a) en b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 moeten alle publiekesectoractiva van niveau 2A kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 hebben.

1.2.3 Verhandelbare activa van niveau 2B

Het in post 1.2 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die aan de vereisten van de artikelen 7, 8 en 12 of 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 zouden voldoen indien zij niet als zekerheid voor de desbetreffende transactie waren gebruikt. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2B kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

1.2.3.1 Door activa gedekte effecten (ABS) van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 1.2.3 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door effecten die door activa worden gedekt (ABS), inclusief RMBS. Opmerking: Overeenkomstig artikel 13, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 moeten alle door activa gedekte effecten die kwalificeren als niveau 2B, kredietkwaliteitscategorie 1 hebben.

1.2.3.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-6)

Het bedrag van de in post 1.2.3 gerapporteerde kasuitstromen dat door gedekte obligaties wordt gedekt.

1.2.3.3 Bedrijfsobligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-3)

Het bedrag van de in post 1.2.3 gerapporteerde kasuitstromen dat door bedrijfsschuldpapier wordt gedekt.

1.2.3.4 Aandelen van niveau 2B

Het bedrag van de in post 1.2.3 gerapporteerde kasuitstromen dat door aandelen wordt gedekt.

1.2.3.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 3-5)

Het bedrag van de in post 1.2.3 gerapporteerde kasuitstromen dat gedekt wordt door activa van niveau 2B die niet in de posten 1.2.3.1 tot en met 1.2.3.4 zijn gerapporteerd.

1.2.4 Overige verhandelbare activa

Het bedrag van de in post 1.2 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die niet in de posten 1.2.1, 1.2.2 of 1.2.3 zijn gerapporteerd.

1.2.5 Overige activa

Het bedrag van de in post 1.2 gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die niet in de posten 1.2.1, 1.2.2, 1.2.3 of 1.2.4 zijn gerapporteerd.

1.2a Verplichtingen voortvloeiend uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door (tegenpartij is centrale bank):

Totaalbedrag van alle kasuitstromen uit hoofde van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties waarbij de tegenpartij een centrale bank is, zoals omschreven in artikel 192 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Opmerking: Hier worden alleen kasstromen gerapporteerd; effectenstromen betreffende gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties worden in de afdeling neutraliserende capaciteit gerapporteerd.

1.2.a.1 Verhandelbare activa van niveau 1

Het in post 1.X gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die aan de vereisten van de artikelen 7, 8 en 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 zouden voldoen indien zij niet als zekerheid voor de desbetreffende transactie waren gebruikt. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 1 kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

1.2.a.2 Verhandelbare activa van niveau 2A

Het in post 1.X gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die aan de vereisten van de artikelen 7, 8 en 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 zouden voldoen indien zij niet als zekerheid voor de desbetreffende transactie waren gebruikt. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2A kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

1.2.a.3 Verhandelbare activa van niveau 2B

Het in post 1.X gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die aan de vereisten van de artikelen 7, 8 en 12 of 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 zouden voldoen indien zij niet als zekerheid voor de desbetreffende transactie waren gebruikt. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2B kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

1.2a.4 Overige verhandelbare activa

Het bedrag van de in post 1.2a gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die niet in de posten 1.2a.1, 1.2a.2 of 1.2a.3 zijn gerapporteerd.

1.2a.5 Overige activa

Het bedrag van de in post 1.X gerapporteerde kasuitstromen dat wordt zekergesteld door activa die niet in de posten 1.2a.1, 1.2a.2, 1.2a.3 of 1.2a.4 zijn gerapporteerd.

1.3 Niet in 1.2 gerapporteerde verplichtingen voortvloeiend uit ontvangen deposito’s (met uitsluiting van als zekerheid ontvangen deposito’s)

Kasuitstromen die voortvloeien uit alle ontvangen deposito’s met uitzondering van in post 1.2 gerapporteerde uitstromen en als zekerheid ontvangen deposito’s. Kasuitstromen die voortvloeien uit derivatentransacties worden in post 1.4 of 1.5 gerapporteerd. Deposito’s worden gerapporteerd volgens hun vroegst mogelijke contractuele vervaldatum. Deposito’s die onmiddellijk kunnen worden opgenomen zonder opzegtermijn (direct opvraagbare deposito’s) of niet-vervallende deposito’s worden in het interval overnight gerapporteerd.

1.3.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag aan uitstromen waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.3.1 Stabiele retaildeposito’s

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit retaildeposito’s overeenkomstig artikel 411, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 24 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

1.3.2 Overige retaildeposito’s

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit retaildeposito’s overeenkomstig artikel 411, lid 2, van Verordening (EU) 575/2013, andere dan die welke in post 1.3.1 zijn gerapporteerd.

1.3.3 Operationele deposito’s

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit operationele deposito’s overeenkomstig artikel 27 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

1.3.4 Niet-operationele deposito’s van kredietinstellingen

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit deposito’s van kredietinstellingen, andere dan die welke in post 1.3.3 zijn gerapporteerd.

1.3.5 Niet-operationele deposito’s van andere financiële cliënten

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit deposito’s van financiële cliënten overeenkomstig artikel 411, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, andere dan die welke in de posten 1.3.3 en 1.3.4 zijn gerapporteerd.

1.3.6 Niet-operationele deposito’s van centrale banken

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit niet-operationele deposito’s van centrale banken.

1.3.7 Niet-operationele deposito’s van niet-financiële vennootschappen

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit niet-operationele deposito’s van niet-financiële vennootschappen.

1.3.8 Niet-operationele deposito’s van andere tegenpartijen

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag van de kasuitstromen dat voortvloeit uit deposito’s die niet in de posten 1.3.1 tot en met 1.3.7 zijn gerapporteerd.

1.4 Vervallende valutaswaps

Totaalbedrag van de kasuitstromen uit hoofde van het vervallen van valutaswaptransacties zoals de uitwisseling van hoofdsommen aan het eind van het contract.

1.5 Uit hoofde van derivaten te betalen bedragen andere dan die gerapporteerd in 1.4

Totaalbedrag van de kasuitstromen uit hoofde van posities inzake te betalen bedragen uit derivaten in het kader van de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten, met uitzondering van de uitstromen uit hoofde van vervallende valutaswaps, die in post 1.4 moeten worden gerapporteerd. Het totaalbedrag geeft de afwikkelingsbedragen weer, inclusief de niet-afgewikkelde margin calls vanaf de rapportagedatum. Het totaalbedrag geeft de som van 1) en 2) als volgt weer, voor de verschillende tijdsintervallen: Een en ander betekent het volgende: Wat derivaten uit punt 1 betreft, de teruggave van zekerheden die reeds zijn ontvangen of betaald, wordt niet gerapporteerd in de looptijdklassen. Wat derivaten uit punt 2 betreft, de teruggave van zekerheden die reeds zijn ontvangen of betaald, wordt gerapporteerd in afdeling 3 van de looptijdklassen. De teruggave van reeds ontvangen (betaalde) zekerheden komt tot uiting in een negatieve (positieve) mutatie in het tijdsinterval dat met de looptijd van het derivaat overeenstemt. Een positieve mutatie wordt alleen opgenomen indien deze bij teruggave als neutraliserende capaciteit zou kwalificeren. Indien het bij de teruggave van reeds ontvangen (betaalde) zekerheden om contante zekerheden gaat, wordt de teruggave van zekerheden in het passende tijdsinterval gerapporteerd in rij 1.6 overige uitstromen (rij 2.6 overige instromen). Wat deze rij betreft, wordt een situatie waarin met een tegenpartij uitgewisselde zekerheden niet volledig gelijk is aan de waardeveranderingen in het derivaat, nog steeds behandeld als afdoende zekergesteld indien de afwijking het minimumbedrag van de overdracht (MTA) niet overschrijdt.

1. kas- en effectenstromen met betrekking tot derivaten waarvoor een zekerhedenovereenkomst van kracht is die een volledige of toereikende zekerheidsstelling van de tegenpartijblootstellingen vereist, worden niet opgenomen in de looptijdklassentemplates; alle stromen van contanten, effecten, contante zekerheden en zekerheden in de vorm van effecten met betrekking tot deze derivaten worden niet in de templates opgenomen. Deze uitsluiting geldt niet voor de volgende categorieën:

1. a)

voor neutraliserend vermogen (CBC) in aanmerking komende activa die op de rapportagereferentiedatum reeds zijn ontvangen of verstrekt in de context van door zekerheden gedekte derivaten (d.w.z. in de kolom stand van afdeling 3 van de looptijdklassen indien niet-bezwaard en voor bezwaring beschikbaar).

b)

Kas- en effectenstromen in de context van margin calls (stromen van zekerheden in de vorm van contanten of effecten) die te zijner tijd betaalbaar zijn, maar nog niet zijn afgewikkeld. Deze laatste worden weergegeven in de posten 1.5 kasuitstromen met betrekking tot derivaten en 2.4 kasinstromen met betrekking tot derivaten in geval van contante zekerheden en in afdeling 3 neutraliserende capaciteit in geval van zekerheden in de vorm van effecten.

c)

Derivaten met fysieke afwikkeling (bv. een fysiek afgewikkelde gold forward) indien er voor deze derivaten een volledige of afdoende zekerheidsstelling is. Voor deze derivaten wordt, naast de punten a) en b), ook de afwikkelingsstroom bij definitieve afwikkeling (normaal gesproken rond de vervaldag) gerapporteerd. De verwachte kasstroom wordt in het passende tijdsinterval opgenomen in lijn 1.5 kasuitstromen met betrekking tot derivaten in het geval van een kasuitstroom en in lijn 2.4 kasinstromen met betrekking tot derivaten in het geval van een kasinstroom. Als het fysiek afgewikkelde activum als CBC kwalificeert in afdeling 3, moet deze stroom in deze afdeling worden opgenomen in het passende tijdsinterval en de passende rij. Bij een uitstroom is dit een negatief bedrag en bij een instroom een positief bedrag;

2. Voor in- en uitstromen in de vorm van contanten en effecten met betrekking tot derivaten waarvoor geen zekerhedenovereenkomst van kracht is of slechts gedeeltelijke zekerheidsstelling vereist is, wordt een onderscheid gemaakt tussen contracten waarvoor optionaliteit geldt en andere contracten:

2. a)

stromen met betrekking tot op opties gelijkende derivaten worden alleen opgenomen als de uitoefenprijs onder de marktprijs ligt bij een call of boven de marktprijs bij een put (in the money). Voor deze stromen kunnen de beide volgende elementen als een benaderende maatstaf dienen:

i)

de actuele marktwaarde of de netto contante waarde van het contract wordt als instroom in lijn 2.4 van de looptijdklasse kasinstromen met betrekking tot derivaten opgenomen op de laatste uitoefendatum van de optie indien de bank het recht heeft om de optie uit te oefenen;

ii)

de actuele marktwaarde of de netto contante waarde van het contract wordt als uitstroom in lijn 1.5 van de looptijdklasse kasuitstromen met betrekking tot derivaten opgenomen op de vroegste uitoefendatum van de optie indien de tegenpartij van de bank het recht heeft om de optie uit te oefenen;

b)

stromen met betrekking tot andere contracten dan die uit punt a) worden opgenomen door het extrapoleren van de bruto contractuele stromen van contanten in de betrokken tijdsintervallen in de posten 1.5 kasuitstromen met betrekking tot derivaten en 2.4 kasinstromen met betrekking tot derivaten en de contractuele stromen van liquide effecten in de neutraliserende capaciteit (Counterbalancing Capacity) van de looptijdklassen, onder gebruikmaking van de actuele impliciete marktforwardkoersen die van toepassing zijn op de rapportagedatum wanneer de bedragen nog niet zijn vastgesteld.

1.6 Overige uitstromen

Totaalbedrag van alle andere, niet in de posten 1.1, 1.2, 1.3, 1.4 of 1.5. gerapporteerde kastuitstromen. Voorwaardelijke uitstromen worden hier niet gerapporteerd.

1.7 Totale uitstromen

De som van de in de posten 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 en 1.6 gerapporteerde uitstromen.

2 INSTROMEN

2.1 Opeisbare gelden uit gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties, zekergesteld door:

Totaalbedrag van de kasinstromen uit hoofde van gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties zoals omschreven in artikel 192 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Hier worden alleen kasstromen gerapporteerd; effectenstromen betreffende gedekte leningstransacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties worden in de afdeling neutraliserende capaciteit gerapporteerd.

2.1.0.1 Waarvan: intragroeps of IPS

Het in post 2.1 gerapporteerde bedrag aan instromen waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.1.1 Verhandelbare activa van niveau 1

Het in post 2.1 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 1 kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

2.1.1.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties

Het bedrag van de in post 2.1.1 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door activa die geen gedekte obligaties zijn.

2.1.1.1.1 Niveau 1 — centrale bank

Het bedrag van de in post 2.1.1.1 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door centrale banken.

2.1.1.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 2.1.1.1 gerapporteerde kasinstromen dat niet in post 2.1.1.1.1 wordt gerapporteerd en dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend.

2.1.1.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 2 of 3)

Het bedrag van de in post 2.1.1.1 gerapporteerde kasinstromen dat niet in post 2.1.1.1.1 wordt gerapporteerd en dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is toegekend.

2.1.1.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+)

Het bedrag van de in post 2.1.1.1 gerapporteerde kasinstromen dat niet in post 2.1.1.1.1 wordt gerapporteerd en dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 4 of lager is toegekend.

2.1.1.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 2.1.1 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door activa die gedekte obligaties zijn. Opmerking: Overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt f), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 komen alleen gedekte obligaties met kredietkwaliteitscategorie 1 in aanmerking als activa van niveau 1.

2.1.2 Verhandelbare activa van niveau 2A

Het in post 2.1 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2A kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

2.1.2.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 2.1.2 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door bedrijfsobligaties waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend.

2.1.2.2 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)

Het bedrag van de in post 2.1.2 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door gedekte obligaties waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 is toegekend.

2.1.2.3 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)

Het bedrag van de in post 2.1.2 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door centrale overheden, centrale banken, regionale overheden, lokale autoriteiten of publiekrechtelijke lichamen. Opmerking: Overeenkomstig artikel 11, lid 1, punten a) en b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 moeten alle publiekesectoractiva van niveau 2A kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 hebben.

2.1.3 Verhandelbare activa van niveau 2B

Het in post 2.1 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 12 of 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2B kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

2.1.3.1 ABS van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het bedrag van de in post 2.1.3 gerapporteerde kasinstromen met als zekerheid effecten die door activa worden gedekt (ABS), inclusief RMBS.

2.1.3.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-6)

Het bedrag van de in post 2.1.3 gerapporteerde kasinstromen dat door gedekte obligaties wordt gedekt.

2.1.3.3 Bedrijfsobligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-3)

Het bedrag van de in post 2.1.3 gerapporteerde kasinstromen dat door bedrijfsschuldpapier wordt gedekt.

2.1.3.4 Aandelen van niveau 2B

Het bedrag van de in post 2.1.3 gerapporteerde kasinstromen dat door aandelen wordt gedekt.

2.1.3.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 3-5)

Het bedrag van de in post 2.1.3 gerapporteerde kasinstromen dat gedekt wordt door activa van niveau 2B die niet in de posten 2.1.3.1 tot en met 2.1.3.4 zijn gerapporteerd.

2.1.4 Overige verhandelbare activa

Het bedrag van de in post 2.1 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die niet in de posten 2.1.1, 2.1.2 of 2.1.3 zijn gerapporteerd.

2.1.5 Overige activa

Het bedrag van de in post 2.1 gerapporteerde kasinstromen dat wordt zekergesteld door verhandelbare activa die niet in de posten 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3 of 2.1.4 zijn gerapporteerd.

2.2 Niet in post 2.1 gerapporteerde opeisbare gelden voortvloeiend uit leningen en voorschotten aan:

Kasinstromen uit leningen en voorschotten. Kasinstromen worden op de laatste contractuele datum voor terugbetaling gerapporteerd. Voor revolverende faciliteiten wordt de bestaande lening geacht te worden doorgerold en resterende saldi worden behandeld als gecommitteerde faciliteiten.

2.2.1 Retailcliënten

Het in post 2.2 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat voortvloeit uit natuurlijke personen of kmo’s overeenkomstig artikel 411, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.2.2 Niet-financiële vennootschappen

Het in post 2.2 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat voortvloeit uit niet-financiële vennootschappen.

2.2.3 Kredietinstellingen

Het in post 2.2 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat voortvloeit uit kredietinstellingen.

2.2.3.1 Waarvan: intragroeps of IPS

Het in post 2.2.3 gerapporteerde bedrag aan instromen waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.2.4 Overige financiële cliënten

Het in post 2.2 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat voortvloeit uit financiële cliënten overeenkomstig artikel 411, lid 1, van Verordening (EU) 575/2013, andere dan die welke in post 2.2.3 zijn gerapporteerd.

2.2.5 Centrale banken

Het in post 2.2 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat voortvloeit uit centrale banken. Deze post omvat geen opvraagbare kasreserves die in post 3.2 worden gerapporteerd.

2.2.6 Overige tegenpartijen

Het in post 2.2 gerapporteerde bedrag van de kasinstromen dat voortvloeit uit tegenpartijen die niet onder de afdelingen 2.2.1 tot en met 2.2.5 vallen.

2.3 Vervallende valutaswaps

Totaalbedrag van de contractuele kasinstromen uit hoofde van het vervallen van valutaswaptransacties zoals de uitwisseling van hoofdsommen aan het eind van het contract. Dit geeft de vervallende notionele waarde van cross-currency swaps, contante valutatransacties en valutaforwardtransacties in de toepasselijke tijdsintervallen van de template weer.

2.4. Te ontvangen bedragen uit derivaten, andere dan in 2.3 gerapporteerd

Totaalbedrag van de contractuele kasinstromen uit hoofde van posities inzake te ontvangen bedragen uit derivaten in het kader van de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten, met uitzondering van de instromen uit hoofde van vervallende valutaswaps, die in post 2.3 moeten worden gerapporteerd. Het totaalbedrag omvat de afwikkelingsbedragen, inclusief de niet-afgewikkelde margin calls vanaf de rapportagedatum. Het totaalbedrag geeft de som van 1) en 2) als volgt weer, voor de verschillende tijdsintervallen: Een en ander betekent het volgende: Wat derivaten uit punt 1 betreft, de teruggave van zekerheden die reeds zijn ontvangen of betaald, wordt niet gerapporteerd in de looptijdklassen. Wat derivaten uit punt 2 betreft, de teruggave van zekerheden die reeds zijn ontvangen of betaald, wordt gerapporteerd in afdeling 3 van de looptijdklassen. De teruggave van reeds ontvangen (betaalde) zekerheden komt tot uiting in een negatieve (positieve) mutatie in het tijdsinterval dat met de looptijd van het derivaat overeenstemt. Een positieve mutatie wordt alleen opgenomen indien deze bij teruggave als neutraliserende capaciteit zou kwalificeren. Indien het bij de teruggave van reeds ontvangen (betaalde) zekerheden om contante zekerheden gaat, wordt de teruggave van zekerheden in het passende tijdsinterval gerapporteerd in rij 1.6 overige uitstromen (rij 2.6 overige instromen). Wat deze rij betreft, wordt een situatie waarin met een tegenpartij uitgewisselde zekerheden niet volledig gelijk is aan de waardeveranderingen in het derivaat, nog steeds behandeld als afdoende zekergesteld indien de afwijking het minimumbedrag van de overdracht (MTA) niet overschrijdt.

1. kas- en effectenstromen met betrekking tot derivaten waarvoor een zekerhedenovereenkomst van kracht is die een volledige of toereikende zekerheidsstelling van de tegenpartijblootstellingen vereist, zijn van de looptijdklassentemplate uitgesloten, en alle stromen van contanten, effecten, contante zekerheden en zekerheden in de vorm van effecten met betrekking tot deze derivaten zijn van de template uitgesloten. Deze uitsluiting geldt niet voor de volgende categorieën:

1.

(a) voor neutraliserend vermogen (CBC) in aanmerking komende activa die op de rapportagereferentiedatum reeds zijn ontvangen of verstrekt in de context van door zekerheden gedekte derivaten (d.w.z. in de kolom stand van afdeling 3 van de looptijdklassen indien niet-bezwaard en voor bezwaring beschikbaar).

(b) Kas- en effectenstromen in de context van margin calls (stromen van zekerheden in de vorm van contanten of effecten) die te zijner tijd betaalbaar zijn, maar nog niet zijn afgewikkeld. Deze laatste worden weergegeven in de lijnen 1.5 kasuitstromen met betrekking tot derivaten en 2.4 kasinstromen met betrekking tot derivaten in geval van contante zekerheden, en in afdeling 3 neutraliserende capaciteit in geval van zekerheden in de vorm van effecten.

(c) Derivaten met fysieke afwikkeling (bv. een fysiek afgewikkelde gold forward) indien er voor deze derivaten een volledige of afdoende zekerheidsstelling is. Voor deze derivaten wordt, naast de punten a) en b), ook de afwikkelingsstroom bij definitieve afwikkeling (normaal gesproken rond de vervaldag) gerapporteerd. De verwachte kasstroom wordt in het passende tijdsinterval opgenomen in lijn 1.5 kasuitstromen met betrekking tot derivaten in het geval van een kasuitstroom en in lijn 2.4 kasinstromen met betrekking tot derivaten in het geval van een kasinstroom. Als het fysiek afgewikkelde activum als CBC kwalificeert in afdeling 3, moet deze stroom in deze afdeling worden opgenomen in het passende tijdsinterval en de passende rij. Bij een uitstroom is dit een negatief bedrag en bij een instroom een positief bedrag;

2. voor in- en uitstromen in de vorm van contanten en effecten met betrekking tot derivaten waarvoor geen zekerhedenovereenkomst van kracht is of slechts gedeeltelijke zekerheidsstelling vereist is, wordt een onderscheid gemaakt tussen contracten waarvoor optionaliteit geldt en andere contracten:

2. a)

stromen met betrekking tot op opties gelijkende derivaten worden alleen opgenomen als zij in the money zijn. Voor deze stromen kunnen de beide volgende elementen als een benaderende maatstaf dienen:

i)

de actuele marktwaarde of de netto contante waarde van het contract wordt als instroom in lijn 2.4 van de looptijdklasse kasinstromen met betrekking tot derivaten opgenomen op de laatste uitoefendatum van de optie indien de bank het recht heeft om de optie uit te oefenen;

ii)

de actuele marktwaarde of de netto contante waarde van het contract wordt als uitstroom in lijn 1.5 van de looptijdklasse kasuitstromen met betrekking tot derivaten opgenomen op de vroegste uitoefendatum van de optie indien de tegenpartij van de bank het recht heeft om de optie uit te oefenen;

b)

stromen met betrekking tot andere contracten dan die uit punt a) worden opgenomen door het extrapoleren van de bruto contractuele stromen van contanten in de betrokken tijdsintervallen in de posten 1.5 kasuitstromen met betrekking tot derivaten en 2.4 kasinstromen met betrekking tot derivaten en de contractuele stromen van effecten in de neutraliserende capaciteit (Counterbalancing Capacity) van de looptijdklassen, onder gebruikmaking van de actuele impliciete marktforwardkoersen die van toepassing zijn op de rapportagedatum wanneer de bedragen nog niet zijn vastgesteld.

2.5 Vervallend papier in eigen portefeuille

Het bedrag van de instromen uit hoofde van vervallen eigen beleggingen in obligaties, gerapporteerd volgens de resterende contractuele looptijd ervan. Deze post omvat kasinstromen uit vervallende effecten die onder de neutraliserende capaciteit worden gerapporteerd. Zodra een effect vervalt, wordt het onder de neutraliserende capaciteit als effectenuitstroom en dus hier als kasinstroom gerapporteerd.

2.6 Overige instromen

Totaalbedrag van alle andere, niet in de posten 2.1, 2.2, 2.3, 2.4 of 2.5. gerapporteerde kastinstromen. Voorwaardelijke uitstromen worden hier niet gerapporteerd.

2.6.1 Waarvan: intragroeps of IPS

Het in post 2.6 gerapporteerde bedrag aan instromen waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.7 Totale instromen

De som van de in de posten 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5 en 2.6 gerapporteerde instromen.

2.8 Netto contractueel verschil

Totale in post 2.7 gerapporteerde instromen minus totale in post 1.7 gerapporteerde uitstromen

2.9 Gecumuleerd netto contractueel verschil

Gecumuleerd netto contractueel verschil vanaf de rapportagedatum tot aan de bovengrens van een betrokken tijdsinterval.

3 NEUTRALISERENDE CAPACITEIT

De neutraliserende capaciteit (Counterbalancing Capacity) van de looptijdklassen bevat informatie over de ontwikkeling van de door een instelling gehouden activa van verschillende liquiditeitsgraad, waaronder verhandelbare activa en voor de centrale bank toelaatbare activa, alsmede de contractueel aan de instelling gecommitteerde faciliteiten. Bij rapportage op geconsolideerd niveau over toelaatbaarheid voor de centrale bank wordt uitgegaan van de regels inzake toelaatbaarheid voor de centrale bank die voor elke geconsolideerde instelling gelden in het rechtsgebied waar die instelling haar statutaire zetel heeft. Indien de neutraliserende capaciteit op verhandelbare activa betrekking heeft, rapporteren de instellingen activa die verhandeld worden op brede, diepe en actieve repo- of contante markten die door een laag niveau van concentratie worden gekenmerkt. In de kolommen van de neutraliserende capaciteit gerapporteerde activa omvatten alleen onbezwaarde activa die de instelling te allen tijde te gelde kan maken om tijdens de tijdhorizon contractuele verschillen tussen kasinstromen en -uitstromen te dekken. Voor deze doeleinden is de definitie van onbezwaarde activa van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van toepassing. De activa worden niet gebruikt om kredietverbeteringen te verschaffen bij gestructureerde transacties of om operationele kosten (zoals huur en salarissen) te dekken, en worden beheerd met het duidelijke en enige doel om als bron van voorwaardelijke financiering te worden gebruikt. Activa die de instelling als zekerheid bij omgekeerde repotransacties en effectenfinancieringstransacties (SFT’s) heeft ontvangen, kunnen als onderdeel van de neutraliserende capaciteit worden beschouwd als zij bij de instelling worden gehouden, niet zijn herbeleend en wettelijk en contractueel beschikbaar zijn voor gebruik door de instelling. Wanneer de instelling in de posten 3.1 tot en met 3.7 prepositioned activa rapporteert, rapporteert zij, om dubbeltelling te vermijden, de daarmee samenhangende capaciteit van deze faciliteiten niet in post 3.8. De instellingen rapporteren activa indien deze aan de omschrijving van een rij voldoen en op de rapportagedatum beschikbaar zijn, als een initiële stand in kolom 0010. De kolommen 0020 tot en met 0220 bevatten contractuele stromen in de neutraliserende capaciteit. Indien een instelling een repotransactie is aangegaan, wordt het betrokken activum weer als een effecteninstroom in het looptijdsegment opgenomen wanneer de repotransactie vervalt. De kasuitstroom uit hoofde van de vervallende repotransactie wordt dus in het desbetreffende looptijdsegment van de kasuitstroom in post 1.2 gerapporteerd. Indien een instelling een omgekeerde repotransactie is aangegaan, wordt het betrokken activum weer als een effectenuitstroom in het looptijdsegment opgenomen wanneer de repotransactie vervalt. De kasinstroom uit hoofde van de vervallende repotransactie wordt dus in het desbetreffende looptijdsegment van de kasinstroom in post 2.1 gerapporteerd. Zekerhedenswaps worden gerapporteerd als contractuele in- en uitstromen van effecten in de afdeling neutraliserende capaciteit overeenkomstig het desbetreffende looptijdsegment waarin deze swaps vervallen. Voor neutraliserende capaciteit (CBC) in aanmerking komende activa die op de rapportagereferentiedatum reeds zijn ontvangen of verstrekt in de context van derivaten (d.w.z. in de kolom stand van afdeling 3 van de looptijdklassen indien niet-bezwaard en voor bezwaring beschikbaar). Wat betreft derivaten met een volledige of afdoende zekerheidsstelling, de teruggave van zekerheden die reeds zijn ontvangen of betaald, wordt niet gerapporteerd in de looptijdklassen. Wat betreft derivaten met een gedeeltelijke zekerheidsstelling, de teruggave van zekerheden die reeds zijn ontvangen of betaald, wordt gerapporteerd in afdeling 3 van de looptijdklassen. De teruggave van reeds ontvangen (betaalde) zekerheden komt tot uiting in een negatieve (positieve) mutatie in het tijdsinterval dat met de looptijd van het derivaat overeenstemt. Een positieve mutatie wordt alleen opgenomen indien deze bij teruggave als neutraliserende capaciteit zou kwalificeren. Een verandering in het contractueel beschikbare bedrag van de in post 3.8 gerapporteerde krediet- en liquiditeitslijnen wordt als een stroom in het relevante tijdsinterval gerapporteerd. Indien een instelling een overnightdeposito bij een centrale bank heeft, wordt het bedrag van het deposito als een initiële stand in post 3.2 gerapporteerd. Vervallende effecten in de neutraliserende capaciteit worden gerapporteerd op basis van hun contractuele looptijd. Wanneer een effect vervalt, wordt het verwijderd uit de activacategorie waarin het oorspronkelijk is gerapporteerd, en behandeld als een uitstroom van effecten; de daaruit resulterende kasinstroom wordt in post 2.5 gerapporteerd. Alle effectenwaarden worden in het betrokken interval tegen actuele marktwaarden gerapporteerd. In post 3.8 worden alleen contractueel beschikbare bedragen gerapporteerd. Om dubbeltelling te vermijden, worden kasinstromen niet geregistreerd in post 3.1 of 3.2 van de neutraliserende capaciteit. Posten in de neutraliserende capaciteit worden in de volgende subcategorieën gerapporteerd:

3.1 Munten en bankbiljetten

Totaalbedrag aan contanten (munten en bankbiljetten)

3.2 Opvraagbare reserves bij centrale banken

Totaalbedrag van de reserves bij centrale banken overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt b), iii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 dat maximaal overnight opvraagbaar is. Effecten zijnde vorderingen op of gegarandeerd door centrale banken worden hier niet gerapporteerd. Dit bedrag wordt alleen gerapporteerd in de kolom initiële stand, maar niet als instroom van centrale banken in post 2.2.5.

3.3 Verhandelbare activa van niveau 1

De marktwaarde van verhandelbare activa overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 1 kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

3.3.1 Niveau 1 met uitsluiting van gedekte obligaties

Het in post 3.3 gerapporteerde bedrag dat geen betrekking heeft op gedekte obligaties.

3.3.1.1 Niveau 1 — centrale bank

Het in post 3.3.1 gerapporteerde bedrag van de activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door centrale banken.

3.3.1.2 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het in post 3.3.1 gerapporteerde bedrag dat niet onder post 3.3.1.1 valt en dat bestaat uit activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend.

3.3.1.3 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 2 of 3)

Het in post 3.3.1 gerapporteerde bedrag dat niet in post 3.3.1.1 wordt gerapporteerd en dat bestaat uit activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is toegekend.

3.3.1.4 Niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 4+)

Het in post 3.3.1 gerapporteerde bedrag dat niet in post 3.3.1.1 wordt gerapporteerd en dat bestaat uit activa die vorderingen vertegenwoordigen op of worden gegarandeerd door de uitgevende instelling of garant door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 4 of lager is toegekend.

3.3.2 Gedekte obligaties van niveau 1 (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het in post 3.3 gerapporteerde bedrag dat betrekking heeft op gedekte obligaties. Opmerking: Overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt f), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 komen alleen gedekte obligaties met kredietkwaliteitscategorie 1 in aanmerking als activa van niveau 1.

3.4 Verhandelbare activa van niveau 2A

De marktwaarde van verhandelbare activa overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2A kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

3.4.1 Bedrijfsobligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het in post 3.4 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit bedrijfsobligaties waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend.

3.4.3 Gedekte obligaties van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)

Het in post 3.4 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit gedekte obligaties waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 is toegekend.

3.4.4 Publieke sector van niveau 2A (kredietkwaliteitscategorie 1 of 2)

Het in post 3.4 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door centrale overheden, centrale banken, regionale overheden, plaatselijke autoriteiten of publiekrechtelijke lichamen. Opmerking: Overeenkomstig artikel 11, lid 1, punten a) en b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 moeten alle publiekesectoractiva van niveau 2A kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 hebben.

3.5 Verhandelbare activa van niveau 2B

De marktwaarde van verhandelbare activa overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 12 of 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. Aandelen of rechten van deelneming in icb’s in de zin van artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 die als activa van niveau 2B kwalificeren, worden overeenkomstig de onderliggende activa in de onderstaande subcategorieën gerapporteerd.

3.5.1 ABS van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het in post 3.5 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit door activa gedekt effecten (ABS), inclusief RMBS. Opmerking: Overeenkomstig artikel 13, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 hebben alle door activa gedekte effecten die kwalificeren als niveau 2B, kredietkwaliteitscategorie 1.

3.5.2 Gedekte obligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-6)

Het in post 3.5 gerapporteerde bedrag dat betrekking heeft op gedekte obligaties.

3.5.3 Bedrijfsobligaties van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 1-3)

Het in post 3.5 gerapporteerde bedrag dat betrekking heeft op bedrijfsschuldpapier.

3.5.4 Aandelen van niveau 2B

Het in post 3.5 gerapporteerde bedrag dat betrekking heeft op aandelen.

3.5.5 Publieke sector van niveau 2B (kredietkwaliteitscategorie 3-5)

Het in post 3.5 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit activa van niveau 2B die niet in de posten 3.5.1 tot en met 3.5.4 zijn gerapporteerd.

3.6 Overige verhandelbare activa

De marktwaarde van verhandelbare activa die niet in de posten 3.3, 3.4 en 3.5 zijn gerapporteerd. Effecten en effectenstromen uit andere verhandelbare activa in de vorm van intragroepsactiva worden niet in de neutraliserende capaciteit gerapporteerd. Desondanks worden kasstromen in verband met dergelijke activa in het desbetreffende deel van afdeling 1 en 2 van de template gerapporteerd.

3.6.1 Centrale overheid (kredietkwaliteitscategorie 1)

Het in post 3.6 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door een centrale overheid en waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend.

3.6.2 Centrale overheid (kredietkwaliteitscategorie 2-3)

Het in post 3.6 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit activa die vorderingen zijn op of gegarandeerd worden door een centrale overheid en waaraan door een aangewezen EKBI kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is toegekend.

3.6.3 Aandelen

Het in post 3.6 gerapporteerde bedrag dat betrekking heeft op aandelen.

3.6.4. Gedekte obligaties

Het in post 3.6 gerapporteerde bedrag dat betrekking heeft op gedekte obligaties.

3.6.5 ABS Het in post 3.6 gerapporteerde bedrag dat betrekking heeft op ABS.

3.6.6 Overige verhandelbare activa

Het in post 3.6 gerapporteerde bedrag dat bestaat uit overige verhandelbare activa die niet in de posten 3.6.1 tot en met 3.6.5 en post 3.7a zijn gerapporteerd.

3.7 Niet-verhandelbare activa toelaatbaar voor een centrale bank

De boekwaarde van niet-verhandelbare activa die een toelaatbare zekerheid voor normale liquiditeitsoperaties van de centrale bank vormen waartoe de instelling op haar consolidatieniveau direct toegang heeft. Voor activa in een valuta die in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/233 van de Commissie is opgenomen als valuta waarvoor de centrale bank zeer nauw omschreven toelaatbaarheidscriteria hanteert, laten de instellingen dit veld open. Effecten en effectenstromen uit andere niet-verhandelbare activa in de vorm van intragroepsactiva worden niet in de neutraliserende capaciteit gerapporteerd. Desondanks worden kasstromen uit dergelijke activa in het desbetreffende deel van afdeling 1 en 2 van de template gerapporteerd.

3.7a Voor centrale banken toelaatbare eigen uitgiften

Door de instelling uitgegeven gedekte schuldinstrumenten die voor een centrale bank toelaatbaar zijn en die op de balans van de instelling staan en waartoe de instelling op haar consolidatieniveau directe toegang heeft.

3.8 Ongebruikte ontvangen gecommitteerde faciliteiten

Totaalbedrag van de ongebruikte gecommitteerde faciliteiten die aan de rapporterende instelling zijn toegekend. Daartoe behoren contractueel onherroepbare faciliteiten. De instellingen rapporteren een verminderd bedrag wanneer de potentiële behoeften aan zekerheden om deze faciliteiten te gebruiken, de beschikbaarheid van zekerheden overstijgen. Om dubbeltelling te vermijden, worden faciliteiten niet gerapporteerd in post 3.8 indien voor een niet-gebruikte faciliteit reeds prepositioning van activa als zekerheid door de rapporterende instelling heeft plaatsgevonden en de activa reeds zijn gerapporteerd in de posten 3.1 tot en met 3.7. Hetzelfde geldt voor gevallen waarin misschien prepositioning van activa als zekerheid door de rapporterende instelling nodig is om deze op te nemen, zoals in dit veld gerapporteerd.

3.8.1 Faciliteiten van niveau 1

Het in post 3.8 gerapporteerde bedrag dat een faciliteit van de centrale bank is in de zin van artikel 19, lid 1, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

3.8.2 Faciliteiten voor beperkt gebruik van niveau 2B

Het in post 3.8 gerapporteerde bedrag dat faciliteiten zijn in de zin van artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

3.8.3 IPS-faciliteiten van niveau 2B

Het in post 3.8 gerapporteerde bedrag dat liquiditeitsfinanciering is in de zin van artikel 16, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

3.8.4 Overige faciliteiten

Het in post 3.8 gerapporteerde bedrag dat niet in de posten 3.8.1 tot en met 3.8.3 is gerapporteerd.

3.8.4.1 Van tegenpartijen binnen een groep

Het in post 3.8.4 gerapporteerde bedrag waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.8.4.2 Van andere tegenpartijen

Het in post 3.8.4 gerapporteerde bedrag dat niet in post 3.8.4.1 is opgenomen.

3.9 Nettowijziging neutraliserende capaciteit

Hier wordt de nettowijziging gerapporteerd van blootstellingen met betrekking tot de posten 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8 die, respectievelijk, centrale banken, effectenstromen en toegezegde kredietlijnen in een bepaald tijdsinterval vertegenwoordigen.

3.10 Gecumuleerde neutraliserende capaciteit

Gecumuleerd bedrag van de neutraliserende capaciteit vanaf de rapportagedatum tot aan de bovengrens van een betrokken tijdsinterval.

4 VOORWAARDELIJKE UITSTROMEN

De rubriek voorwaardelijke uitstromen van de looptijdklassen bevat informatie over voorwaardelijke uitstromen.

4.1 Uitstromen uit hoofde van gecommitteerde faciliteiten

Kasuitstromen die voortvloeien uit gecommitteerde faciliteiten. De instellingen rapporteren het maximumbedrag dat in een bepaalde periode als uitstroom kan worden opgenomen. Voor revolverende kredietfaciliteiten wordt alleen het bedrag gerapporteerd dat de bestaande lening overschrijdt.

4.1.0.1 waarvan: Intragroeps of IPS

Het in post 4.1 gerapporteerde bedrag aan voorwaardelijke uitstromen waarbij de tegenpartij een moeder- of dochterinstelling is van de kredietinstelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of met de kredietinstelling verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, of een lid is van hetzelfde institutionele protectiestelsel, als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel de centrale instelling of een aangesloten instelling van een netwerk of coöperatieve groep als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

4.1.1 Gecommitteerde kredietfaciliteiten

Het in post 4.1 gerapporteerde bedrag dat voortvloeit uit gecommitteerde kredietfaciliteiten overeenkomstig artikel 31 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

4.1.1.1 Door de ontvanger als niveau 2B beschouwd

Het in post 4.1.1 gerapporteerde bedrag dat wordt beschouwd als liquiditeitsfinanciering in de zin van artikel 16, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

4.1.1.2 Overige

Het in post 4.1.1 gerapporteerde bedrag dat niet in post 4.1.1.1 is opgenomen.

4.1.2 Liquiditeitsfaciliteiten

Het in post 4.1 gerapporteerde bedrag dat voortvloeit uit gecommitteerde kredietfaciliteiten overeenkomstig artikel 31 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

4.1a Uitstromen uit hoofde van niet-gecommitteerde faciliteiten

Niet-gecommitteerde krediet- en liquiditeitsfaciliteiten overeenkomstig artikel 23, lid 1, punten a), b), d) en e), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. De instellingen rapporteren als uitstroom het maximumbedrag dat in een bepaalde periode kan worden opgenomen, gerapporteerd in het interval dat overeenstemt met de vroegste beschikbaarheid ervan. In deze rij worden geen garanties gerapporteerd.

4.2 Uitstromen als gevolg van ratingverlagingstriggers

Instellingen rapporteren hier het effect van een wezenlijke verslechtering van hun kredietkwaliteit die een verlaging van hun externe kredietbeoordeling met ten minste drie stappen inhoudt. Positieve bedragen vertegenwoordigen voorwaardelijke uitstromen en negatieve bedragen vertegenwoordigen een verlaging van de oorspronkelijke verplichting. Als het effect van de ratingverlaging een vervroegde aflossing van uitstaande verplichtingen is, worden de desbetreffende verplichtingen gerapporteerd met een minteken in een looptijdklasse waar zij in post 1 worden gerapporteerd en tegelijkertijd met een plusteken in een looptijdklasse wanneer de verplichting opeisbaar wordt, indien de effecten van de ratingverlaging op de rapportagedatum van toepassing worden. Als het effect van de ratingverlaging een margin calls is, wordt de marktwaarde van de te stellen zekerheid gerapporteerd met een plusteken in een looptijdklasse wanneer het vereiste opeisbaar wordt, indien de effecten van de ratingverlaging op de rapportagedatum van toepassing worden. Als het effect van de ratingverlaging een verandering is van de rechten tot herbelening van de effecten die van tegenpartijen als zekerheden ontvangen zijn, wordt de marktwaarde van de betrokken effecten gerapporteerd met een plusteken in een looptijdklasse wanneer de effecten niet langer beschikbaar zijn voor de rapporterende instelling, indien de effecten van de ratingverlaging op de rapportagedatum van toepassing worden.

PRO-MEMORIEPOSTEN
13 Voor centrale bank beleenbare HQLA — Verhandelbare activa

Het in de posten 3.3, 3.4 en 3.5 gerapporteerde bedrag dat een toelaatbare zekerheid vormt voor normale liquiditeitsoperaties van de centrale bank waartoe de instelling op haar consolidatieniveau direct toegang heeft. Voor activa in een valuta die in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/233 van de Commissie is opgenomen als een valuta waarvoor de centrale bank zeer nauw omschreven toelaatbaarheidscriteria hanteert, laten de instellingen dit veld open.

14 In 3.6 gerapporteerde activa die geen voor een centrale bank beleenbare HQLA zijn

Het in post 3.6 gerapporteerde totaalbedrag dat een toelaatbare zekerheid vormt voor normale liquiditeitsoperaties van de centrale bank waartoe de instelling op haar consolidatieniveau direct toegang heeft. Voor activa in een valuta die in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/233 van de Commissie is opgenomen als een valuta waarvoor de centrale bank zeer nauw omschreven toelaatbaarheidscriteria hanteert, laten de instellingen dit veld open.

17 Gedragsgebaseerde uitstromen van deposito’s

Het in post 1.3 gerapporteerde bedrag, opnieuw verdeeld over de tijdsintervallen volgens de gedragsgebaseerde looptijd, op basis van de gebruikelijke gang van zaken die ten behoeve van het liquiditeitsrisicobeheer van de rapporterende instelling wordt gebruikt. Gebruikelijke gang van zaken betekent in dit verband een situatie waarin ervan wordt uitgegaan dat geen liquiditeitsstress optreedt. De verdeling weerspiegelt de starheid van de deposito’s. Deze post houdt geen rekening met aannames uit het ondernemingsplan en bevat dus geen informatie over nieuwe bedrijfsactiviteiten. De toewijzing aan de tijdsintervallen gebeurt volgens de fijnmazigheid die voor interne doeleinden wordt gehanteerd. Niet alle tijdsintervallen hoeven dus te worden ingevuld.

18 Gedragsgebaseerde instromen van leningen en voorschotten

Het in post 2.2 gerapporteerde bedrag, opnieuw verdeeld over de tijdsintervallen volgens de gedragsgebaseerde looptijd, op basis van de gebruikelijke gang van zaken die ten behoeve van het liquiditeitsrisicobeheer van de rapporterende instelling wordt gebruikt. Gebruikelijke gang van zaken betekent in dit verband een situatie waarin ervan wordt uitgegaan dat geen liquiditeitsstress optreedt. Deze post houdt geen rekening met aannames uit het ondernemingsplan en dus ook niet met nieuwe bedrijfsactiviteiten. De toewijzing aan de tijdsintervallen gebeurt volgens de fijnmazigheid die voor interne doeleinden wordt gehanteerd. Niet alle tijdsintervallen hoeven dus te worden ingevuld.

19 Gedragsgebaseerde opvragingen van gecommitteerde faciliteiten

Het in post 4.1 gerapporteerde bedrag, opnieuw verdeeld over de tijdsintervallen volgens het gedragsgebaseerde niveau van de opvragingen en de daaruit resulterende liquiditeitsbehoeften, op basis van de gebruikelijke gang van zaken die ten behoeve van het liquiditeitenrisicobeheer van de rapporterende instelling wordt gebruikt. Gebruikelijke gang van zaken betekent in dit verband een situatie waarin ervan wordt uitgegaan dat geen liquiditeitsstress optreedt. Deze post houdt geen rekening met aannames uit het ondernemingsplan en dus ook niet met nieuwe bedrijfsactiviteiten. De toewijzing aan de tijdsintervallen gebeurt volgens de fijnmazigheid die voor interne doeleinden wordt gehanteerd. Niet alle tijdsintervallen hoeven dus te worden ingevuld.

BIJLAGE XI

BIJLAGE XXVI AANVULLENDE RAPPORTAGE-INSTRUCTIES OM MSI’S TE IDENTIFICEREN EN MSI-BUFFERPERCENTAGES TOE TE KENNEN G 01.00 - MSI-indicatoren en EBU-posten

TEMPLATES Template nummer Template code Naam van de (groep) template(s) Verkorte naam MSI-INDICATOREN EN EBU-POSTEN 1 G 01.00 MSI-INDICATOREN EN EBU-POSTEN MSI Rijen Post Bedrag MSI-indicatoren 0010 Totale blootstellingen, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0020 Activa binnen het financiële stelsel, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0030 Verplichtingen binnen het financiële stelsel, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0040 Uitstaande effecten, met inbegrip van door verzekeringsdochterondernemingen uitgegeven effecten 0050 Betalingsactiviteit 0060 In bewaring gegeven activa 0070 Overnemingsactiviteiten 0081 Handelsvolume – vastrentend 0085 Handelsvolume – aandelen en andere effecten 0090 Notioneel bedrag otc-derivaten, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0100 Effecten aangehouden voor handelsdoeleinden en beschikbaar voor verkoop 0110 Activa van niveau 3, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0120 Rechtsgebiedoverschrijdende vorderingen 0130 Rechtsgebiedoverschrijdende verplichtingen Posten waarbij de Europese Bankenunie als één rechtsgebied wordt beschouwd 0140 Totale buitenlandse vorderingen op basis van uiteindelijk risico 0150 Buitenlandse derivatenvorderingen op basis van uiteindelijk risico 0160 Buitenlandse verplichtingen op basis van onmiddellijk risico, met inbegrip van derivaten

ANNEX XII

BIJLAGE XXVII RAPPORTAGE-INSTRUCTIES OM MSI’S TE IDENTIFICEREN EN MSI-BUFFERPERCENTAGES TOE TE KENNEN

DEEL I ALGEMENE INSTRUCTIES

1. Structuur en conventies

1.

1.1.1. Structuur Deze rapportagevoorschriften moeten helpen om mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI’s) te identificeren en om de daarbij behorende MSI-bufferpercentages toe te kennen. Dit raamwerk bestaat uit een template met informatie over indicatoren voor mondiale systeemrelevantie en bepaalde posten die nodig zijn om de Uniemethodiek voor de identificatie van MSI’s en de toekenning van de daarbij behorende MSI-bufferpercentages toe te passen.

1.2.2.3.4.5. Gebruik van nummering Het document volgt de in de punten 3 tot en met 5 beschreven conventies voor verwijzingen naar de kolommen, rijen en cellen van de templates. Van die numerieke codes wordt uitgebreid gebruikgemaakt in de validatievoorschriften. In de instructies wordt de volgende algemene notatie gehanteerd: {Template; Rij; Kolom}. Wanneer het om verwijzingen binnen een template gaat — en dus alleen datapunten van die template worden gebruikt — bevat de notatie geen template: {Rij; Kolom}. Wanneer templates uit slechts één kolom bestaan, wordt alleen naar rijen verwezen, en wel als volgt: {Template; Rij}. Een asterisk geeft aan dat de verwijzing geldt voor de hele rij of kolom.

1.3.6. Gebruik van tekens Elk bedrag dat de waarde van de indicator, de activa, verplichtingen of blootstellingen doet stijgen, wordt als een positieve waarde gerapporteerd. Elk bedrag dat de waarde van de indicator, de activa, verplichtingen of blootstellingen doet dalen, wordt als een negatieve waarde gerapporteerd. Indien er een minteken (-) voor het label van een post staat, wordt er voor die post geen positieve waarde verwacht.

DEEL II INSTRUCTIES IN VERBAND MET DE TEMPLATES

1.8.9. Algemene opmerkingen De template is verdeeld in twee delen. Het bovenste deel over MSI-indicatoren omvat de indicatoren voor het identificeren van mondiaal systeemrelevante instellingen in de zin van de door het Bazels Comité voor bankentoezicht ontwikkelde methodiek. Het onderste deel omvat een aantal posten die nodig zijn voor de berekening van de desbetreffende indicatoren overeenkomstig de op basis van artikel 131, punt 18, van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde methodiek. De in deze template verstrekte informatie is in voorkomend geval consistent met de informatie die aan de betrokken autoriteiten wordt verstrekt ten behoeve van de verzameling door die autoriteiten van de indicatorwaarden als bedoeld in artikel 3, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1222/2014 van de Commissie.

2. Instructies voor bepaalde posities Rij Verwijzingen naar wetgeving en instructies 0010-0130 0010 Totale blootstellingen, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0020 Activa binnen het financiële stelsel, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0030 Verplichtingen binnen het financiële stelsel, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0040 Uitstaande effecten, met inbegrip van door verzekeringsdochterondernemingen uitgegeven effecten 0050 Betalingsactiviteit 0060 In bewaring gegeven activa 0070 Overnemingsactiviteiten 0081 Handelsvolume — vastrentend 0085 Handelsvolume — aandelen en andere effecten 0090 Notioneel bedrag otc-derivaten, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0100 Effecten aangehouden voor handelsdoeleinden en beschikbaar voor verkoop 0110 Activa van niveau 3, met inbegrip van verzekeringsdochterondernemingen 0120 Rechtsgebiedoverschrijdende vorderingen 0130 Rechtsgebiedoverschrijdende verplichtingen 0140-0160 0140 0150 0160

2. MSI-indicatoren

Voor het vaststellen van de indicatoren wordt dezelfde aanpak gevolgd als voor het bepalen van de informatie in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1222/2014 van de Commissie. In geval van wijzigingen in de definities van die methodiek worden die gewijzigde definities uit de methodiek voor de bepaling van de indicatorwaarden aan het eind van het boekjaar (jaareinde-methodiek) gebruikt voor de rapportage van informatie aan het eind van het eerste, tweede en derde kwartaal van datzelfde boekjaar. Indien de template van bijlage XXVI in de loop van het betrokken boekjaar wordt gewijzigd, wordt de jaareinde-methodiek toegepast vanaf de eerste toepasselijke referentiedata na de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening. Indicatoren die stroommaatstaven zijn, worden cumulatief gerapporteerd vanaf het begin van het kalender- of boekjaar, naargelang het geval.

Posten waarbij de Europese Bankenunie als één rechtsgebied wordt beschouwd

Voor de vaststelling van de hieronder genoemde posten en voor zover in de onderstaande instructies niet gespecificeerd, worden de definities en concepten zo veel mogelijk afgestemd op die in de richtsnoeren voor de rapportage van de internationale bancaire statistieken van de BIB. In afwijking daarvan worden de activiteiten van de rapporterende entiteiten in de deelnemende lidstaten als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad uitgesloten, d.w.z. de deelnemende lidstaten worden als één rechtsgebied beschouwd.

Totale buitenlandse vorderingen op basis van uiteindelijk risico

De totale buitenlandse vorderingen zijn gelijk aan de som van de grensoverschrijdende vorderingen en de lokale vorderingen van buitenlandse gelieerde ondernemingen in lokale of buitenlandse valuta. Vorderingen uit posities in derivatencontracten worden uitgesloten. Vorderingen, grensoverschrijdende vorderingen en lokale vorderingen van buitenlandse gelieerde ondernemingen in buitenlandse en lokale valuta hebben dezelfde betekenis als in de richtsnoeren voor de rapportage van de internationale bancaire statistieken van de BIB. Op basis van uiteindelijk risico betekent dat, om te bepalen of een vordering een grensoverschrijdende dan wel een lokale vordering is, de positie wordt toegewezen aan een derde partij die zich contractueel heeft verplicht de schulden of verplichtingen van de primaire tegenpartij over te nemen indien die partij haar verplichtingen niet nakomt, voor zover een derde partij bestaat. Deze toewijzing gebeurt overeenkomstig de bepalingen inzake risico-overdracht in de richtsnoeren voor de rapportage van de internationale bancaire statistieken van de BIB.

Buitenlandse derivatenvorderingen op basis van uiteindelijk risico

De positieve reële waarde van alle derivatenvorderingen die grensoverschrijdende vorderingen zijn, of lokale vorderingen van buitenlandse gelieerde ondernemingen in lokale of buitenlandse valuta. Derivaten omvatten forwards, swaps en opties met betrekking tot valuta, rentetarieven, aandelen, grondstoffen en kredietinstrumenten. Daartoe behoren gekochte kredietderivaten die verkochte protectie hedgen of compenseren of die voor handelsdoeleinden worden aangehouden. In geval van dergelijke aangekochte kredietderivaten wordt de waarde niet gemaximeerd op de waarde van de rechtstreekse vordering die met de gekochte kredietderivaten moet worden gewaarborgd. De positieve reële waarden van derivatencontracten mogen slechts worden verrekend met negatieve reële waarden wanneer de posities zijn uitgevoerd met dezelfde tegenpartij in het kader van een juridisch afdwingbare nettingovereenkomst. Alleen netting sets met een positieve waarde worden in deze post opgenomen. De derivatenvorderingen worden gerapporteerd inclusief zekerheden in de vorm van contanten. Voor de rapportage van informatie op basis van uiteindelijk risico geldt het volgende:

a)

Wanneer het finale risico bij de tegenpartij ligt, wordt een derivaat als buitenlands beschouwd indien de tegenpartij zich niet in het rechtsgebied van herkomst van de rapporterende entiteiten bevindt.

b)

Wanneer het finale risico bij de garantiegever ligt, wordt een derivaat als buitenlands beschouwd indien de garantiegever zich niet in het rechtsgebied van herkomst van de rapporterende entiteiten bevindt.

Buitenlandse verplichtingen op basis van onmiddellijk risico, met inbegrip van derivaten

Buitenlandse verplichtingen, met inbegrip van derivaten, zijn gelijk aan de som van buitenlandse verplichtingen en buitenlandse uit derivaten voortvloeiende verplichtingen. Verplichtingen uit hoofde van effecten die verhandelbare, door de rapporterende instelling uitgegeven financiële activa zijn, worden niet opgenomen in deze post. De definitie van derivaten is dezelfde als die voor rij 0150. De negatieve reële waarden van derivatencontracten mogen slechts worden verrekend met positieve reële waarden wanneer de posities zijn uitgevoerd met dezelfde tegenpartij in het kader van een juridisch afdwingbare nettingovereenkomst. Derivatenverplichtingen worden gerapporteerd inclusief (contante en niet-contante) zekerheden. Op basis van onmiddellijk risico betekent dat, om te bepalen of een claim een grensoverschrijdende dan wel lokale claim is, de positie wordt toegewezen aan de directe tegenpartij van het contract.

Versions

  1. 2022-11-21