Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/2770 van de Commissie van 15 juli 2024 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft criteria voor de biologische afbreekbaarheid van bedekkingsmiddelen en watervasthoudende polymeren (Voor de EER relevante tekst)
Grade B
mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.
Address https://gelex.eu/eli/EU/regulation/2024/2770@2024-07-15/nl
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003, en met name artikel 42, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Verordening (EU) 2019/1009 bevat voorschriften voor het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten. Overeenkomstig de eisen voor bestanddelencategorie 9 in bijlage II bij die verordening mogen EU-bemestingsproducten polymeren bevatten om de afgifte van nutriënten te regelen (bedekkingsmiddelen) of de vochtopnamecapaciteit of de bevochtigbaarheid van EU-bemestingsproducten te verhogen (watervasthoudende polymeren), of om als bindmiddel te dienen. Bedekkingsmiddelen worden met name gebruikt bij de productie van meststoffen met gereguleerde afgifte. Het doel ervan is om nutriënten langzaam en tijdig aan planten af te geven en zo de uitspoeling van nutriënten te verminderen. Het gebruik van dergelijke producten is van groot belang voor de verwezenlijking van de doelstelling die is uiteengezet in de mededeling van de Commissie over de van boer tot bord-strategie om nutriëntenverliezen met ten minste 50 % te verminderen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de vruchtbaarheid van de bodem niet verslechtert. Watervasthoudende polymeren kunnen ook worden gebruikt in andere categorieën EU-bemestingsproducten, zoals bodemverbeteraars en groeimedia. Zij dragen onder meer rechtstreeks bij tot een duurzaam gebruik van water in de landbouw. Bindmiddelen op basis van polymeren mogen in groeimedia worden gebruikt. Dergelijke producten mogen niet in contact met de bodem worden gebruikt.
(2) De alomtegenwoordigheid van zeer kleine fragmenten van synthetische of chemisch gemodificeerde natuurlijke polymeren, die onoplosbaar zijn in water, zeer langzaam afbreken en gemakkelijk kunnen worden geconsumeerd door levende organismen, geeft aanleiding tot bezorgdheid over hun algemene impact op het milieu en mogelijk ook op de menselijke gezondheid. Dat is met name het geval voor polymeren die opzettelijk aan EU-bemestingsproducten worden toegevoegd en vervolgens in het milieu vrijkomen. Om deze kwestie aan te pakken heeft de Commissie Verordening (EU) 2023/2055 vastgesteld, waarbij in Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad een algemene beperking van het in de handel brengen van synthetische polymeermicrodeeltjes wordt ingevoerd. Sommige typen polymeren (zoals natuurlijke polymeren die niet chemisch zijn gewijzigd) en polymeren die aan specifieke criteria inzake biologische afbreekbaarheid of oplosbaarheid voldoen, vallen niet onder de algemene beperking en mogen verder in de handel worden gebracht. Verordening (EU) 2019/1009 verplicht de Commissie om uiterlijk op 16 juli 2024 de criteria voor biologische afbreekbaarheid te beoordelen voor bedekkingsmiddelen en watervasthoudende polymeren die als bestanddeel in EU-bemestingsproducten worden gebruikt. Daarom zijn EU-bemestingsproducten uitgesloten van het toepassingsgebied van die algemene beperking in Verordening (EG) nr. 1907/2006. De Commissie heeft aan de hand van een externe studie de criteria voor biologische afbreekbaarheid voor bedekkingsmiddelen en watervasthoudende polymeren, alsmede de testmethoden beoordeeld om na te gaan of aan die criteria wordt voldaan (de studie).
(3) In het kader van de studie is een instrument ontwikkeld om de biologische afbreekbaarheid van polymeren te voorspellen aan de hand van een wiskundig model en de correlatie tussen biologische afbreekbaarheid onder testomstandigheden en natuurlijke omgevingen die representatief zijn voor de verschillende regio’s van de Unie. Zo werden in het onderzoek verschillende factoren beoordeeld, zoals de bodemtemperatuur, de pH van de bodem, het watergehalte in de bodem, de watertemperatuur en andere factoren die verband houden met de eigenschappen van polymeren (chemische structuur, kristalliniteit, oppervlak en dikte). In de studie werden voorstellen gedaan met betrekking tot de criteria voor biologische afbreekbaarheid in de bodem en in het water.
(4) De criteria voor biologische afbreekbaarheid moeten worden vastgesteld voor zowel de bodem (het voornaamste compartiment, waar de producten worden gebruikt) als voor het aquatisch milieu (in geval van uitspoeling of andere onbedoelde aanwezigheid in oppervlaktewaterlichamen). Wat biologische afbraak in de bodem betreft, mogen alleen polymeren die binnen 48 maanden na de werkingsperiode de uiteindelijke afbraak of mineralisatie kunnen bereiken, als samenstellende materialen worden toegestaan. Om de testperiode te verkorten, moet een versnelde testmethode worden toegestaan. Uit de studie bleek dat er een adequate correlatie bestaat tussen reële omstandigheden en temperaturen die hoger zijn dan 25 °C, de temperatuur die in testomstandigheden wordt gebruikt. Testen bij een hogere temperatuur, zoals 37 °C, versnelt de biologische afbraak, en wordt nog steeds aanvaardbaar geacht in termen van microbiologie en milieuafhankelijke factoren in reële omstandigheden. Uit de resultaten van het in de studie ontwikkelde bodeminstrument bleek dat de testperiode in specifieke gevallen kon worden verkort. Daarom moet een versnelde test bij 37 °C onder specifieke omstandigheden worden ingevoerd als alternatieve optie om de uiteindelijke afbraak of mineralisatie van 90 % aan te tonen.
(5) Bij de criteria voor biologische afbreekbaarheid van aquatische milieus moet rekening worden gehouden met zowel de functie van het polymeer als de beschikbare testmethoden. Wat de functie van het polymeer betreft, moeten de bedekkingsmiddelen of watervasthoudende polymeren gedurende gemiddeld zes à negen maanden langzaam nutriënten in de bodem afgeven of de waterretentie verhogen. Deze polymeren zijn dus ontworpen om langzaam te worden afgebroken wanneer zij worden blootgesteld aan verschillende factoren in de bodem, zoals water. De biologische afbraak in de bodem die zich onvermijdelijk tijdens die werkingsperiode voordoet, moet worden beperkt zodat het polymeer nog steeds zijn functie kan vervullen. De beschikbare testmethoden voor biologische afbreekbaarheid in water zijn betrouwbaar gedurende een periode van twaalf maanden. Daarom zouden strenge criteria voor het aquatisch milieu, zoals vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2055, negatieve gevolgen hebben voor de primaire functie van bedekkingsmiddelen en watervasthoudende polymeren die biologisch in de bodem afbreekbaar zijn. Daarom moet de biologische afbreekbaarheid in aquatische milieus tijdens de testperiode worden vastgesteld op een lager niveau dat nog steeds hoog genoeg is om ervoor te zorgen dat er geen sprake is van een opeenhoping van polymeren in aquatische milieus. Aangenomen wordt dat het biologischeafbraakproces na de testperiode van twaalf maanden zich zal voortzetten en binnen 48 maanden na de werkingsperiode de 90 % zal bereiken. Hoewel die uiteindelijke afbraak niet met de bestaande testmethoden kan worden aangetoond, is het toch een veilige aanname, aangezien het potentieel voor biologische afbraak van het materiaal reeds is aangetoond en het aan dezelfde omgevingsfactoren zal blijven worden blootgesteld.
(6) In reële omstandigheden zijn bedekkingsmiddelen en watervasthoudende polymeren aanwezig in EU-bemestingsproducten die op de bodem worden aangebracht. Het is niet de bedoeling dat zij aquatische milieus bereiken. Hoewel uitspoeling niet volledig kan worden uitgesloten, worden de potentiële risico’s voor het aquatisch milieu verminderd omdat de betrokken polymeren de waterlichamen pas zouden bereiken nadat de afbraak ervan in de bodem is begonnen. Om de potentiële risico’s verder te beperken, moet een etiketteringsvoorschrift worden vastgesteld om eindgebruikers te waarschuwen het product niet in de nabijheid van oppervlaktewaterlichamen te gebruiken en bufferstroken aan te houden, in overeenstemming met de nationale maatregelen inzake het gebruik van meststoffen. Bij het ontbreken van dergelijke maatregelen moet een bufferstrook van minimaal drie meter in acht worden genomen.
(7) Om gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen en in overeenstemming met de eisen voor de criteria van artikel 42, lid 6, van Verordening (EU) 2019/1009, moeten de testmethoden om aan te tonen dat aan de criteria voor biologische afbreekbaarheid is voldaan, worden vermeld. Die testmethoden zijn vastgelegd in Europese of internationale normen en zijn dus betrouwbaar en reproduceerbaar.
(8) Wat betreft polymeren die als bindmiddel worden gebruikt, heeft de Commissie informatie ontvangen over het gebruik van biologisch afbreekbare polymeren als bindmiddelen. Indien dergelijke polymeren voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld voor polymeren van CMC 1, leveren zij geen milieuproblemen op en zijn de specifieke etiketteringsvoorschriften voor het gebruik en de verwijdering van EU-bemestingsproducten die dergelijke polymeren bevatten niet gerechtvaardigd en mogen zij niet van toepassing zijn.
(9) Verordening (EU) 2023/2055 moet vanaf 17 oktober 2028 van toepassing zijn op nationale bemestingsproducten. Om redenen van samenhang en om voldoende tijd te geven voor aanpassing aan de bij deze verordening ingevoerde eisen inzake de biologische afbreekbaarheid van polymeren, moet dezelfde overgangsperiode gelden,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2019/1009 wordt als volgt gewijzigd:
1) Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
2) Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Bijlage I en punt 1 van bijlage II zijn van toepassing vanaf 17 oktober 2028.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 15 juli 2024. Voor de Commissie De voorzitter Ursula von der Leyen
ANNEX
BIJLAGE I
Deel II, afdeling CMC 9: ANDERE POLYMEREN DAN NUTRIËNTENPOLYMEREN, van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 wordt als volgt gewijzigd:
1) In punt 1 wordt de inleidende zin vervangen door: Een EU-bemestingsproduct mag polymeren bevatten in gevallen waarin het polymeer tot doel heeft:.
2) Punt 2 wordt vervangen door:
2)
2. Met ingang van 17 oktober 2028 zijn de in punt 1, a) en b), bedoelde polymeren:
2. a)
polymeren die het resultaat zijn van een polymerisatieproces dat heeft plaatsgevonden in de natuur, los van het proces waarmee zij zijn geëxtraheerd, en die niet chemisch gewijzigde stoffen zijn in de zin van artikel 3, punt 40, van Verordening (EG) nr. 1907/2006, of
b)
polymeren die biologisch afbreekbaar zijn overeenkomstig de criteria van aanhangsel 1 van deze bijlage..
3) Het volgende aanhangsel 1 wordt toegevoegd: .
Aanhangsel 1 Criteria voor de biologische afbreekbaarheid van polymeren zoals bedoeld in afdeling CMC 9, punt 1, a) en b)
1. De biologische afbreekbaarheid van polymeren zoals bedoeld in afdeling CMC 9, punt 1, a) en b), wordt aangetoond in de volgende twee milieucompartimenten:
1. a)
compartiment 1: de bodem, en
b)
compartiment 2: zoet, estuarien of zeewater.
2. Het polymeer moet het volgende verwezenlijken: Voor werkingsperioden van minder dan zes maanden, met uitzondering van die welke in deze tabel zijn vermeld, worden de slagingscriteria berekend aan de hand van de volgende exponentiële afbraakformule: TD12 m = 1-exp(-λ * (12-WP)) waarbij: TD12 m beoogde minimale afbraak na twaalf maanden (uitgedrukt als percentage), λ afbraaksnelheid, berekend als λ = -ln (0,1)/t90, t90 tijd tot 90 % biologische afbraak, d.w.z. 48 maanden, WP werkingsperiode (uitgedrukt in maanden).
2. a)
in compartiment 1:
1) uiteindelijke afbraak van ten minste 90 % ten opzichte van de afbraak van het referentiemateriaal binnen 48 maanden plus de werkingsperiode (WP) zoals aangegeven op het etiket, of
2) mineralisatie van ten minste 90 %, gemeten als CO2-ontwikkeling, gedurende 48 maanden plus de werkingsperiode (WP) zoals aangegeven op het etiket;
b)
in compartiment 2, uiteindelijke afbraak ten opzichte van de afbraak van het referentiemateriaal in twaalf maanden, zoals uiteengezet in de volgende tabel: Beoordeeld criterium Slagingscriterium (WP = 0) Slagingscriterium (WP = één maand) Slagingscriterium (WP = twee maanden) Slagingscriterium (WP = drie maanden) Slagingscriterium (WP≥ zes maanden) Beoogde minimale afbraak na twaalf maanden ≥ 43,8 % ≥ 41,0 % ≥ 38,1 % ≥ 35,1 % ≥ 25,0 %
3. Voor het aantonen van de naleving van de criteria voor biologische afbreekbaarheid in punt 2, a), moet een van de volgende testmethoden worden gebruikt:
3. a)
EN ISO 17556:2019. Kunststoffen — Bepaling van de totale aerobe biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in de bodem door het meten van het zuurstofverbruik met een respirometer of het gehalte van vrijgekomen kooldioxide;
b)
ASTM D5988-96:2018. Standard Test Method for Determining Aerobic Biodegradation in Soil of Plastic Materials.
4. Indien er tussen 25 °C en 37 °C geen faseovergang plaatsvindt (glasovergang of smelten), kan de temperatuur tijdens het testen overeenkomstig punt 3, a) en b), worden aangepast tot 37 °C. In dat geval wordt de naleving van het relevante criterium in punt 2, a), geacht te zijn aangetoond indien het polymeer het volgende verwezenlijkt:
4. a)
ten minste 45 % uiteindelijke afbraak of mineralisatie zoals bedoeld in punt 2, a), in een afzonderlijke test bij 25 °C binnen 20 maanden, waarbij de afbraak of mineralisatie vordert en de plateaufase niet is bereikt, tenzij de afbraak of mineralisatie ten minste 90 % bedraagt, en
b)
een van de volgende criteria:
i)
uiteindelijke afbraak van ten minste 90 % ten opzichte van de afbraak van het referentiemateriaal binnen 20 maanden plus de werkingsperiode zoals aangegeven op het etiket, of
ii)
mineralisatie van ten minste 90 %, gemeten als CO2-ontwikkeling, gedurende 20 maanden plus de werkingsperiode zoals aangegeven op het etiket.
5. Voor het aantonen van de naleving van de criteria voor biologische afbreekbaarheid in punt 2, b), moet een van de volgende testmethoden worden gebruikt:
5. a)
EN ISO 14851:2019 Bepaling van de ultiem aërobisch-biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in een waterige omgeving — Methode met bepaling van het zuurstofverbruik in een gesloten respirometer;
b)
EN ISO 14852:2021 Kunststoffen — Beoordeling van de ultieme aërobisch-biologische afbreekbaarheid van kunststofmaterialen in een waterige omgeving — Methode door analyse van afgegeven kooldioxide;
c)
ASTM D6691:2018 Standard Test Method for Determining Aerobic Biodegradation of Plastic Materials in the Marine Environment by a Defined Microbial Consortium or Natural Sea Water Inoculum.
6. Voor polymeren zoals bedoeld in afdeling CMC 9, punt 1, a), wordt de test uitgevoerd op een materiaal dat bestaat uit:
6. a)
het polymeer of de polymeren die deel uitmaken van deeltjes of daarop een continue oppervlaktebedekking vormen (polymeerdeeltjes) die qua samenstelling, vorm, grootte en oppervlakte vergelijkbaar zijn met het bedekkingsmiddel in het EU-bemestingsproduct;
b)
de geïsoleerde bedekking, of
c)
het polymeer of de polymeren in de vorm zoals die in de handel wordt gebracht, waarbij de kern van het materiaal wordt vervangen door een inert materiaal zoals glas.
7. Voor polymeren als bedoeld in afdeling CMC 9, punt 1, b), wordt de test uitgevoerd op een materiaal dat bestaat uit het polymeer in de vorm zoals die in de handel wordt gebracht.
8. De volgende materialen mogen als referentiematerialen worden gebruikt:
8. a)
positieve controles: biologisch afbreekbare materialen zoals microkristallijn cellulosepoeder, asvrije cellulosefilters of poly-β-hydroxyboterzuur;
b)
negatieve controles: niet biologisch afbreekbare polymeren zoals polyethyleen of polystyreen.
BIJLAGE II
Deel I van bijlage III bij Verordening (EU) 2019/1009 wordt als volgt gewijzigd:
1) In punt 1 wordt subpunt f) vervangen door:
1) f)
voor producten die een polymeer bevatten zoals bedoeld in deel II, afdeling CMC 9, punt 1, a) of b), van bijlage II:
i)
de tijdspanne na gebruik waarin de afgifte van nutriënten wordt gereguleerd of de vochtopnamecapaciteit wordt verhoogd (de werkingsperiode); deze is niet langer dan de tijdspanne tussen twee toedieningen van bemestingsproducten in overeenstemming met de in punt d) bedoelde instructies voor het gebruik;
ii)
een instructie om bij de toepassing van het product de bufferzones in acht te nemen die overeenkomstig de desbetreffende nationale voorschriften voor bemestingsproducten vereist zijn, of, bij het ontbreken van dergelijke regels, om het product ten minste drie meter van enig oppervlaktewaterlichaam toe te passen;.
2) Punt 7 wordt vervangen door:
2)
7. De eindgebruiker wordt geïnstrueerd het product niet in contact met de bodem te gebruiken en er, in samenwerking met de producent, voor te zorgen dat het product na het verstrijken van de gebruikstermijn op een verantwoorde wijze wordt verwijderd, indien het EU-bemestingsproduct:
7. a)
een groeimedium is zoals bedoeld in deel II, afdeling PFC 4, punt 2 bis, van bijlage I, of
b)
een polymeer bevat dat in het product gebruikt wordt als bindmiddel zoals bedoeld in deel II, afdeling CMC 9, punt 1, c), van bijlage II, dat niet voldoet aan een van de eisen van deel II, afdeling CMC 1, punt 1, f), i), ii), iii) of iv), van die bijlage..