Gelex

Uitvoeringsverordening (EU) 2026/765 van de Commissie van 1 april 2026 betreffende de bemonsterings- en analysemethoden en betreffende de interpretatie van de resultaten, voor de officiële controle op bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en tot intrekking van Richtlijn 2002/63/EG (Voor de EER relevante tekst)

In forceVersion 2026-04-01from 2026-04-27
Grade B

mapped from publisher markup. A grade says how a document's structure was obtained, not how reliable the law is.

Ask Gelex about this law

Address https://gelex.eu/eli/EU/regulation/2026/765@2026-04-01/nl

Contents
  1. Preamble
    1. Artikel 1 Onderwerp
    2. Artikel 2 Definities
    3. Artikel 3 Methoden voor het nemen en voorbereiden van monsters voor de analyse van levensmiddelen
    4. Artikel 4 Analysemethoden, meetonzekerheid en interpretatie van de resultaten voor levensmiddelen en diervoeders
    5. Artikel 5 Intrekking
    6. Artikel 6 Inwerkingtreding en toepassing
  2. ANNEX
  3. BIJLAGE PROCEDURES VOOR DE BEMONSTERING EN ANALYSE VAN LEVENSMIDDELEN EN DIERVOEDERS VAN PLANTAARDIGE EN DIERLIJKE OORSPRONG MET HET OOG OP DE BEPALING VAN BESTRIJDINGSMIDDELENRESIDUEN VOOR DE CONTROLE OP DE NALEVING VAN DE MAXIMUMRESIDUGEHALTEN (MRL’S)
  4. DEEL A Algemene bepalingen voor levensmiddelen
  5. a)
  6. b)
  7. c)
  8. d)
  9. e)
  10. f)
  11. DEEL B Bemonsteringsprocedures voor levensmiddelen
  12. B.1 Tabel 1 Tabel 2 Verdeling van partijen in subpartijen bij levensmiddelen die in bulkzendingen worden verhandeld Verdeling van partijen in subpartijen bij levensmiddelen die niet in bulkzendingen worden verhandeld
  13. B.2 a)
  14. a)
  15. b)
  16. c)
  17. i)
  18. ii)
  19. d)
  20. e)
  21. f)
  22. B.4 Tabel 4 Tabel 5 Tabel 6 Opmerking: Levensmiddelen van dierlijke oorsprong: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Plantaardige producten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Eieren en zuivelproducten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters
  23. B.4 Tabel 4 Tabel 5 Tabel 6 Levensmiddelen van dierlijke oorsprong: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Plantaardige producten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Eieren en zuivelproducten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters i)
  24. B.6
  25. B.9
  26. B.9.1. Basismonsters van verdachte partij/subpartij
  27. B.9.2. Basismonsters van verdachte partij/subpartij
  28. DEEL C Analysemethoden, meetonzekerheid en interpretatie van de resultaten
  29. C.1C.1.1C.1.2.
  30. C.2C.2.1.C.2.2.C.2.3.C.2.4.C.2.5.
  31. C.2C.2.1.C.2.2.C.2.3.C.2.4. a)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles), en met name artikel 34, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Verordening (EU) 2017/625 bevat regels voor de uitvoering van officiële controles en andere officiële activiteiten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om na te gaan of de Uniewetgeving, onder meer op het gebied van de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, in alle stadia van de productie, verwerking en distributie wordt nageleefd. Die verordening voorziet in specifieke regels voor officiële controles in verband met stoffen waarvan het gebruik tot gevolg kan hebben dat residuen in levensmiddelen en diervoeders terechtkomen, en bevat algemene voorschriften voor de methoden die moeten worden gebruikt voor bemonstering, laboratoriumanalyses en tests tijdens officiële controles en andere officiële activiteiten.

(2) De artikelen 34, 35 en 36 van Verordening (EU) 2017/625 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2244 van de Commissie bevatten algemene regels met betrekking tot bemonstering en analyse.

(3) Bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad zijn maximumgehalten vastgesteld voor bestrijdingsmiddelenresiduen (MRL’s) in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong.

(4) Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie voorziet in communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op bestrijdingsmiddelenresiduen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong.

(5) Richtlijn 2002/63/EG is echter niet langer een afspiegeling van de beste praktijken op het gebied van bestrijdingsmiddelenresiduen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong.

(6) Er is meer duidelijkheid nodig over de bemonsteringsregels voor sommige in de lijst van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005 opgenomen productcategorieën, met name de categorieën Honing en andere producten van de bijenteelt, Amfibieën en reptielen, Ongewervelde landdieren, In het wild levende gewervelde landdieren en Vis, visproducten en andere producten van zout- en zoetwaterdieren. Bovendien is verduidelijking nodig van de bemonsteringsregels voor producten met een hoge waarde, voor producten met een zeer grote omvang en voor bepaalde bewerkte levensmiddelen en voedingssupplementen.

(7) De referentielaboratoria van de Europese Unie op het gebied van bestrijdingsmiddelenresiduen hebben richtsnoeren voor analytische kwaliteitscontrole en valideringsprocedures voor de analyse van bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders opgesteld. Aangezien die richtsnoeren de beste actuele technische kennis bevatten, moeten de beginselen ervan betreffende de rapportage en interpretatie van resultaten bindend worden om uniforme handhaving door de lidstaten te waarborgen.

(8) Bij Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie zijn de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders vastgesteld. Wat het nemen en voorbereiden van monsters voor analyse met het oog op de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen in diervoeders betreft, laat deze verordening de regels van bijlage I en deel A van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 152/2009 onverlet en blijven die van toepassing. Wat de methode voor laboratoriumanalyses, de meetonzekerheid en de interpretatie van analyseresultaten met het oog op de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen in diervoeders betreft, zijn specifieke regels nodig die daarom in deze verordening moeten worden vastgesteld.

(9) Het is daarom passend de specifieke bemonsteringsvoorschriften van Richtlijn 2002/63/EG te actualiseren en in regels betreffende de analyse voor de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong te voorzien.

(10) Omwille van de duidelijkheid en de leesbaarheid moet Richtlijn 2002/63/EG worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen.

(11) Gezien de tijd en de middelen die de lidstaten nodig hebben om zich aan te passen aan de nieuwe regels, is het passend dat deze verordening met ingang van 1 januari 2027 van toepassing is.

(12) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp

Deze verordening bevat regels voor: om te verifiëren of de in Verordening (EG) nr. 396/2005 vastgestelde maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong in acht worden genomen. (1) de methoden voor het nemen en voorbereiden van monsters voor de analyse van levensmiddelen, en (2) de methoden voor laboratoriumanalyses, de meetonzekerheid en de interpretatie van de analyseresultaten voor levensmiddelen en diervoeders,

de methoden voor het nemen en voorbereiden van monsters voor de analyse van levensmiddelen, en

de methoden voor laboratoriumanalyses, de meetonzekerheid en de interpretatie van de analyseresultaten voor levensmiddelen en diervoeders,

Artikel 2 Definities

Naast de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 396/2005 vastgestelde definities wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan onder: (1) partij: een identificeerbare hoeveelheid levensmiddelen of diervoeders die op een bepaald moment geleverd wordt en waarvan de monsternemer heeft bepaald dat deze gemeenschappelijke kenmerken heeft (zoals oorsprong, producent, variëteit, soort, vangstgebied, verpakker, soort verpakking, merktekens, productie-uur, afzender); (2) subpartij: een deel van een partij die is aangemerkt om te worden bemonsterd overeenkomstig punt B.1 van de bijlage; (3) verdachte partij: een partij waarvan om de een of andere reden wordt vermoed dat zij bestrijdingsmiddelenresiduen bevat die de respectieve MRL’s van Verordening (EG) nr. 396/2005 overschrijden; (4) niet-verdachte partij: een partij waarvoor er geen aanwijzingen zijn dat zij bestrijdingsmiddelenresiduen kan bevatten die de in Verordening (EG) nr. 396/2005 vastgestelde MRL’s overschrijden; (5) bemonstering: de selectie van een monster bestemd voor laboratoriumanalyse; (6) monsternemer: een persoon die door de bevoegde autoriteiten is aangewezen om monsters te nemen voor de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders; (7) monster: een of meer uit een populatie van eenheden geselecteerde eenheden of een portie uit een grotere hoeveelheid materiaal geselecteerd materiaal; (8) basismonster (primair monster): een hoeveelheid materiaal die op een specifieke plaats uit de partij of de subpartij is genomen; (9) eenheid: de kleinste afzonderlijke portie van een partij of subpartij die wordt genomen als basismonster of als deel daarvan; (10) verzamelmonster: het totaal van alle uit de partij of de subpartijen genomen basismonsters; (11) deelmonster: een gedeelte van het verzamelmonster dat wordt verkregen door dat monster representatief te verkleinen; (12) herhaalmonster: een monster dat van een verzamelmonster wordt genomen voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) 2017/625; (13) laboratoriummonster: een monster dat naar het laboratorium wordt verzonden of door het laboratorium wordt ontvangen en dat uit een representatieve hoeveelheid materiaal bestaat die uit het verzamelmonster is verwijderd; (14) analysemonster: materiaal dat uit het laboratoriummonster is bereid voor analyse; (15) analyseportie: een representatieve hoeveelheid materiaal uit het analysemonster die groot genoeg is om de concentratie van het residu te meten; (16) meetonzekerheid: een niet-negatieve parameter die verband houdt met het meetresultaat en waardoor de spreiding wordt gekenmerkt van de waarden die redelijkerwijs kunnen worden toegekend aan de specifieke aan een meting onderworpen grootheid; (17) bepaalbaarheidsgrens: de laagste concentratie of massa van de analyt die met een aanvaardbare nauwkeurigheid is gevalideerd door toepassing van de volledige analysemethode en identificatiecriteria; (18) uitgebreide meetonzekerheid: de onzekerheid van een meting weergegeven door een betrouwbaarheidsinterval doorgaans berekend door het bereik van de waarden waarbinnen de werkelijke waarde van de meting naar verwachting zal liggen, te vermenigvuldigen met een dekkingsfactor; (19) dekkingsfactor (k): een vermenigvuldigingsfactor die wordt gebruikt bij het berekenen van de uitgebreide meetonzekerheid en die een bereik oplevert waarbinnen de werkelijke waarde van een meting naar verwachting zal liggen.

1) partij: een identificeerbare hoeveelheid levensmiddelen of diervoeders die op een bepaald moment geleverd wordt en waarvan de monsternemer heeft bepaald dat deze gemeenschappelijke kenmerken heeft (zoals oorsprong, producent, variëteit, soort, vangstgebied, verpakker, soort verpakking, merktekens, productie-uur, afzender);

2) subpartij: een deel van een partij die is aangemerkt om te worden bemonsterd overeenkomstig punt B.1 van de bijlage;

3) verdachte partij: een partij waarvan om de een of andere reden wordt vermoed dat zij bestrijdingsmiddelenresiduen bevat die de respectieve MRL’s van Verordening (EG) nr. 396/2005 overschrijden;

4) niet-verdachte partij: een partij waarvoor er geen aanwijzingen zijn dat zij bestrijdingsmiddelenresiduen kan bevatten die de in Verordening (EG) nr. 396/2005 vastgestelde MRL’s overschrijden;

5) bemonstering: de selectie van een monster bestemd voor laboratoriumanalyse;

6) monsternemer: een persoon die door de bevoegde autoriteiten is aangewezen om monsters te nemen voor de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen in levensmiddelen en diervoeders;

7) monster: een of meer uit een populatie van eenheden geselecteerde eenheden of een portie uit een grotere hoeveelheid materiaal geselecteerd materiaal;

8) basismonster (primair monster): een hoeveelheid materiaal die op een specifieke plaats uit de partij of de subpartij is genomen;

9) eenheid: de kleinste afzonderlijke portie van een partij of subpartij die wordt genomen als basismonster of als deel daarvan;

10) verzamelmonster: het totaal van alle uit de partij of de subpartijen genomen basismonsters;

11) deelmonster: een gedeelte van het verzamelmonster dat wordt verkregen door dat monster representatief te verkleinen;

12) herhaalmonster: een monster dat van een verzamelmonster wordt genomen voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) 2017/625;

13) laboratoriummonster: een monster dat naar het laboratorium wordt verzonden of door het laboratorium wordt ontvangen en dat uit een representatieve hoeveelheid materiaal bestaat die uit het verzamelmonster is verwijderd;

14) analysemonster: materiaal dat uit het laboratoriummonster is bereid voor analyse;

15) analyseportie: een representatieve hoeveelheid materiaal uit het analysemonster die groot genoeg is om de concentratie van het residu te meten;

16) meetonzekerheid: een niet-negatieve parameter die verband houdt met het meetresultaat en waardoor de spreiding wordt gekenmerkt van de waarden die redelijkerwijs kunnen worden toegekend aan de specifieke aan een meting onderworpen grootheid;

17) bepaalbaarheidsgrens: de laagste concentratie of massa van de analyt die met een aanvaardbare nauwkeurigheid is gevalideerd door toepassing van de volledige analysemethode en identificatiecriteria;

18) uitgebreide meetonzekerheid: de onzekerheid van een meting weergegeven door een betrouwbaarheidsinterval doorgaans berekend door het bereik van de waarden waarbinnen de werkelijke waarde van de meting naar verwachting zal liggen, te vermenigvuldigen met een dekkingsfactor;

19) dekkingsfactor (k): een vermenigvuldigingsfactor die wordt gebruikt bij het berekenen van de uitgebreide meetonzekerheid en die een bereik oplevert waarbinnen de werkelijke waarde van een meting naar verwachting zal liggen.

Artikel 3 Methoden voor het nemen en voorbereiden van monsters voor de analyse van levensmiddelen

Monsters van levensmiddelen worden genomen en voorbereid overeenkomstig de delen A en B van de bijlage.

Artikel 4 Analysemethoden, meetonzekerheid en interpretatie van de resultaten voor levensmiddelen en diervoeders

De analyse van de monsters, de berekening van de meetonzekerheid en de interpretatie van de resultaten van die analyse worden overeenkomstig deel C van de bijlage bij deze verordening uitgevoerd voor levensmiddelen en, in afwijking van de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 152/2009, voor diervoeders.

Artikel 5 Intrekking

Richtlijn 2002/63/EG wordt ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 6 Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2027.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 1 april 2026. Voor de Commissie De voorzitter Ursula von der Leyen

ANNEX

(a) is verantwoordelijk voor procedures, met inbegrip van het bereiden, verpakken en verzenden van de laboratoriummonsters; (b) zorgt ervoor dat de beschreven bemonsteringsprocedures consistent worden gevolgd; (c) vult de documentatie voor monsters in en werkt nauw samen met het betrokken laboratorium; (d) neemt voorzorgsmaatregelen om elk mogelijk effect op de residugehalten te vermijden en negatieve gevolgen voor de analytische bepaling te voorkomen en te voorkomen dat de monsters tijdens de bemonstering of de overdracht naar het laboratorium hun representativiteit verliezen; (e) bemonstert elke te onderzoeken partij of subpartij afzonderlijk; (f) bekijkt bij zendingen die uit meer dan één partij bestaan, elke partij afzonderlijk en besluit wat in het monster moet worden opgenomen. Grp. a. De bemonstering wordt uitgevoerd door een monsternemer. De monsternemer: Wanneer de grootte of begrenzing van elke partij in een grote zending niet gemakkelijk kan worden vastgesteld, kan de monsternemer andere fysieke begrenzingen, zoals wagons, vrachtwagens of scheepsruimen, als grens van een afzonderlijke partij of subpartij beschouwen. Bij kwekers genomen monsters moeten bij het landbouwbedrijf worden genomen van producten die klaar zijn om in de handel te worden gebracht. Grp_b1_tabel_1_tabel. 2. Verdeling van partijen in subpartijen Waar nodig en mogelijk verdeelt de monsternemer grotere partijen in subpartijen om ervoor te zorgen dat alle delen vertegenwoordigd zijn, op voorwaarde dat de subpartij fysiek van de partij kan worden gescheiden. De monsternemer zorgt ervoor dat elke subpartij fysiek gescheiden is van de partij en identificeerbaar is. Op levensmiddelen die in bulkzendingen worden verhandeld (bv. granen), is tabel 1 van toepassing. Op levensmiddelen die niet in bulkzendingen worden verhandeld, is tabel 2 van toepassing. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen het in de tabellen 1 en 2 aangegeven gewicht met maximaal 20 % overschrijden. Gewicht van de partij (in ton) Maximumgewicht of maximumaantal subpartijen ≥ 1500 500 ton > 300 en < 1500 3 subpartijen ≥ 100 en ≤ 300 100 ton < 100 — Gewicht van de partij (in ton) Gewicht van de subpartijen ≥ 15 7,5-30 ton < 15 — Grp. a. Verse groenten en vruchten Elke hele vrucht, heel stuk groente of hele natuurlijke middelgrote tros (bv. druiven) vormt een eenheid, behalve als deze vrucht, dit stuk groente of deze tros klein is. Eenheden van verpakte kleine producten (bv. bessen) kunnen worden bepaald overeenkomstig punt e). Als het materiaal niet kan worden beschadigd, kan een bemonsteringsapparaat worden gebruikt en kunnen residuen dus niet worden beïnvloed. In het geval van bananen en soortgelijke vruchten en groente die in een tros ter beschikking worden gesteld, worden afzonderlijke items als een eenheid beschouwd. Grp. b. Eieren Elk ei vormt een eenheid. Grp. c. Grote dieren, of delen of organen daarvan Een deel van een groot dier of van een gespecificeerd orgaan, of een compleet dier of orgaan, vormt een eenheid. Delen of organen mogen in stukken worden gesneden om eenheden te vormen. Grp. d. Kleine dieren (met uitzondering van insecten) of delen of organen daarvan Elk compleet dier of elk volledig deel van een dier of compleet orgaan kan een eenheid vormen. Indien verpakt kunnen eenheden worden bepaald overeenkomstig punt e). Bij het vormen van eenheden mag een bemonsteringsapparaat worden gebruikt als het materiaal niet kan worden beschadigd en residuen dus niet kunnen worden beïnvloed. Grp. e. Verpakte materialen De kleinste afzonderlijke verpakkingen worden als eenheden van dezelfde partij/subpartij beschouwd. Wanneer de kleinste verpakkingen zeer groot zijn, worden ze zoveel mogelijk bemonsterd als bulkgoederen, zoals beschreven in punt f). Wanneer de kleinste verpakkingen zeer klein zijn, kunnen enkele verpakkingen samen een eenheid vormen en moeten de verpakkingen als deel van dezelfde partij worden beschouwd. (a) een instrument, zoals een schep, scheplepel, boor, mes of spies, dat wordt gebruikt om een eenheid te nemen uit bulkmateriaal, uit verpakkingen (bv. vaten en grote kazen), of uit eenheden vlees, pluimveevlees of vis die te groot zijn om als basismonster te kunnen dienen; (b) een instrument, zoals een monsterverdeler (riffle box), dat gebruikt wordt om een laboratoriummonster uit een verzamelmonster of een analyseportie uit een analysemonster te bereiden. Pt_a_. 2. Verdachte partij Pt_b_. 2. Verpakte of bulkproducten waarvan kan worden aangenomen dat zij goed gemengd of homogeen zijn (c) Verpakte of bulkproducten die mogelijk niet goed gemengd of homogeen zijn (i) het aantal te nemen basismonsters = 40 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van stoffen of producten die gelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton moeten 40 + 23 = 63 basismonsters worden genomen); (ii) of 100 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van bestanddelen of stoffen die waarschijnlijk ongelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton tarwe moeten 100 + 23 = 123 basismonsters worden genomen). (d) Verpakte voedingssupplementen (e) Diverse producten waarvan de partijgrootte niet bekend is (alleen van toepassing op elektronische handel) (f) Visserij- en zeeproducten, met inbegrip van schelp- en schaaldieren Grp. f. Bulkgoederen en grote verpakkingen (bv. vaten en kazen die afzonderlijk te groot zijn om als basismonsters te worden genomen) De eenheden worden gevormd met een bemonsteringsapparaat. Het aantal/de hoeveelheid basismonsters dat/die de monsternemer minimaal van een partij/subpartij moet nemen om het verzamelmonster samen te stellen, wordt bepaald zoals is aangegeven in tabel 3. De basismonsters moeten een toereikende hoeveelheid monstermateriaal opleveren zodat alle voor analysedoeleinden genomen laboratoriummonsters, met inbegrip van herhaalmonsters, uit het verzamelmonster kunnen worden genomen. Voor producten waarbij meer dan één basismonster uit een partij/subpartij wordt genomen, moet elk monster een vergelijkbaar deel vormen van het verzamelmonster. Wanneer basismonsters met tussenpozen worden genomen tijdens het laden of lossen van een partij/subpartij, is de bemonsteringsplaats een tijdstip en wordt het aantal basismonsters bepaald aan de hand van de grootte van de bemonsterde portie. Het aantal eenheden dat is vereist voor basismonsters is vermeld in tabel 3. De minimumgrootte van laboratoriummonsters is vermeld in de tabellen 4, 5 en 6. Eenheden kunnen worden genomen met behulp van een bemonsteringsapparaat, bijvoorbeeld: Om kruisverontreiniging te voorkomen gebruikt de monsternemer voor materialen zoals losse bladeren handschoenen bij handmatige bemonstering. Om kruisverontreiniging te voorkomen worden de bemonsteringsapparaten zo nodig tussen elk gebruik gereinigd. In gevallen waarin de eenheden middelgroot of groot zijn (zoals beschreven in tabel 5) en waarbij het mengen van het verzamelmonster de laboratoriummonsters niet representatiever zou maken, of wanneer de eenheden (bv. eieren en zacht fruit) door het mengen beschadigd kunnen worden, mogen eenheden op het moment dat de basismonsters worden genomen, willekeurig aan herhaal-laboratoriummonsters worden toegewezen. Wanneer de bemonstering niet overeenkomstig punt B.2 wordt uitgevoerd wegens onaanvaardbare commerciële gevolgen (bv. vanwege de vorm van de verpakking of schade aan de partij) of de monsternemer een alternatieve methode toepast mits deze voldoende representatief is voor de bemonsterde partij of subpartij en volledig wordt gedocumenteerd, registreert de monsternemer de gevolgde procedure in het in punt B.6 bedoelde monsternemingsverslag. Eenheden mogen niet in stukken gesneden of gebroken worden om basismonsters te maken, tenzij in overeenstemming met de onderverdeling van eenheden zoals beschreven in tabel 4. Het aantal/de hoeveelheid basismonsters dat/die minimaal van de partij/subpartij moet worden genomen Naast de in punt b) of c) van deze tabel vastgestelde monsters worden nog twee andere monsters genomen 1 (Een partij kan bijvoorbeeld worden gemengd bij sorteer- of productieprocessen); Voor grote porties, zie i) en ii) Voor primaire levensmiddelen of producten van plantaardige oorsprong en voor producten die uit middelgrote, grote of zeer grote eenheden bestaan, moet het minimumaantal basismonsters overeenkomen met het voor het laboratoriummonster vereiste minimumaantal eenheden (zie tabel 5) Hetzij: gewicht of volume van de partij/subpartij (in kilogram of liter) < 50 3 ≥ 50 en ≤ 500 5 ≥ 500 en ≤ 30 ton 10 > 30 ton √ (20 maal het aantal ton waaruit de bemonsterde portie is samengesteld) (*), tot maximaal 40 basismonsters Indien de uitkomst een gebroken getal is, moet dit getal naar het eerstvolgende hogere gehele getal worden afgerond Voor grote porties, zie i) en ii) In geval van grote porties (bemonsterde porties > 500 ton): Hetzij: het aantal verpakkingen, blikken, kartons of andere eenheden van de partij/subpartij ≤ 25 1 26-100 5 %, ten minste 2 eenheden > 100 5 %, tot maximaal 10 eenheden Aantal verpakkingen in de partij/subpartij 1-50 1 51-250 2 251-1 000 4 > 1000 4 + 1 verpakkingen per 1000 detailhandelsverpakkingen, met een maximum van 25 detailhandelsverpakkingen 1 De minimale monsterhoeveelheden worden vastgesteld in het nationale residubewakingsprogramma. De minimale monsterhoeveelheden moeten volstaan om de erkende laboratoria in staat te stellen de analyseprocedures uit te voeren die nodig zijn om de screening en de bevestigingsanalyses te voltooien. Specifiek voor visserij- en zeeproducten, met inbegrip van schelp- en schaaldieren, moet een monster, afhankelijk van de vereisten van de analysemethoden, uit een of meer dieren bestaan. Grp. b2. Het nemen van basismonsters De monsternemer neemt basismonsters van verschillende willekeurig gekozen en gelijkmatig over de gehele bemonsterde portie verdeelde plaatsen; de monsters moeten ongeveer even groot zijn. Wanneer dit fysiek niet uitvoerbaar is, neemt de monsternemer in uitzonderlijke gevallen basismonsters van willekeurige plaatsen van het toegankelijke deel van de partij/subpartij. In dergelijke gevallen registreert de monsternemer de gevolgde procedure in het monsternemingsverslag. Voor het nemen van basismonsters bepaalt de monsternemer de eenheid (eenheden) als volgt: Grp. b3. Bereiding van het verzamel-/deelmonster door de monsternemer Het verzamelmonster wordt verkregen door de basismonsters bij elkaar te voegen. De toepasselijke vereisten voor vlees en pluimveevlees worden beschreven in tabel 4. Elk basismonster moet worden beschouwd als een afzonderlijk verzamelmonster. De toepasselijke vereisten voor plantaardige producten, eieren en zuivelproducten worden beschreven in tabel 5 respectievelijk tabel 6. De basismonsters moeten, indien praktisch uitvoerbaar, worden samengevoegd en goed gemengd om het verzamelmonster te vormen. Wanneer tijdens het nemen van het (de) basismonster(s) van de partij/subpartij afzonderlijke laboratoriummonsters worden bereid, moet het verzamelmonster worden beschouwd als de som van de gecombineerde laboratoriummonsters. Indien nodig kan het verzamelmonster op representatieve wijze worden verkleind met behulp van een methode om monsters te verkleinen. Wanneer het niet mogelijk of passend is om het verzamelmonster door mengen samen te stellen, mag de volgende alternatieve procedure worden gevolgd. Wanneer eenheden beschadigd kunnen worden (en residuen dus beïnvloed kunnen worden) als gevolg van het mengen of het opsplitsen van het verzamelmonster, of wanneer grote eenheden niet kunnen worden gemengd om een uniformere verdeling van de residuen te bewerkstelligen, mogen de eenheden op het moment dat de basismonsters worden genomen willekeurig aan herhaal-laboratoriummonsters worden toegewezen. In dat geval is het te gebruiken resultaat de wiskundige manier om geldige analyseresultaten te verkrijgen uit de analyseporties die zijn geanalyseerd en die zijn gevormd uit de herhaal-laboratoriummonsters. (i) Geëvaporeerde melk en geëvaporeerde room, in bulk, moeten vóór de bemonstering grondig worden gemengd, waarbij het materiaal dat aan de zijkanten en de bodem van de houders kleeft, daarvan wordt afgeschraapt en goed wordt geroerd. Er moet ongeveer 2-3 l worden verwijderd en opnieuw goed worden geroerd voordat het laboratoriummonster wordt genomen (ii) Melkpoeder in bulk moet aseptisch worden bemonsterd, waarbij een droge bemonsteringsbuis met een gelijkmatige snelheid draaiend door het poeder wordt bewogen. (iii) Room in bulk moet vóór de bemonstering grondig worden gemengd waarbij schuimvorming, kloppen en karnen echter moeten worden vermeden. Grp_b4_tabel_4_tabel_5_tabel. 6. Bereiding, verpakking, verzegeling en vervoer van het laboratoriummonster door de monsternemer Het laboratoriummonster wordt gevormd uit het verzamelmonster en kan het gehele verzamelmonster zijn of een deel ervan. De monsternemer bereidt de laboratorium- en herhaalmonsters uit het deelmonster met ongeveer dezelfde massa en grootte en in overeenstemming met de kwantitatieve vereisten van deel B. Het herhaalmonster mag ook in het laboratorium worden bereid door het laboratoriumpersoneel. Eenheden mogen niet in stukken gesneden of gebroken worden om laboratoriummonsters te maken, tenzij een onderverdeling van eenheden is beschreven in de tabellen 4 en 5. Wanneer het verzamelmonster groter is dan voor een laboratoriummonster is vereist, mag het worden verkleind om een representatieve portie te verkrijgen. Het gebruik van een bemonsteringsapparaat is toegestaan, evenals kwarteren of een andere geschikte verkleiningsmethode, maar eenheden van verse plantaardige producten of hele eieren mogen niet in stukken worden gesneden of gebroken. De voor laboratoriummonsters vereiste minimumgrootte is vermeld in de tabellen 4, 5 en 6. In naar behoren gemotiveerde gevallen (zoals de hoge waarde van het product) mag van een product een kleiner monster worden genomen dan in de tabellen 4 en 5 is vermeld, mits het kleinere monster niet leidt tot onvoldoende monstermateriaal voor het uitvoeren van een passende analyse. De reden hiervoor wordt in het monsternemingsverslag vermeld. Het laboratoriummonster wordt in een schone, chemisch inerte houder geplaatst die niet reageert met water, zodat een veilige bescherming tegen omgevings- en atmosferische invloeden wordt gewaarborgd en de homogeniteit van het monster behouden blijft. De houder wordt op de plaats van bemonstering verzegeld, zorgvuldig en nauwkeurig geëtiketteerd en gaat vergezeld van het monsternemingsverslag, indien dit een verslag op papier is. In geval van papierloze (digitale) procedures wordt het monster identificeerbaar gekoppeld aan de desbetreffende digitale gegevensinvoer. Bij gebruik van een barcode wordt aanbevolen ook de alfanumerieke informatie te verstrekken. De monsternemer zorgt ervoor dat het laboratoriummonster zo snel mogelijk bij het laboratorium wordt afgeleverd. Bederf tijdens het vervoer moet worden vermeden, verse monsters moeten bijvoorbeeld koel worden gehouden en bevroren monsters moeten bevroren blijven. Monsters van primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong worden vóór verzending ingevroren, tenzij ze naar het laboratorium worden vervoerd voordat bederf kan optreden. Wanneer primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong worden vervoerd, moet tijdens het vervoer rotting of bederf bij niet bevroren toestand worden vermeden. Indien een herhaalmonster bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf achterblijft, krijgt deze instructies (bv. via een bijsluiter) hoe het monster moet worden opgeslagen en naar het laboratorium moet worden overgebracht om afbraak van residuen tot een minimum te beperken. Indien de exploitant van het levensmiddelenbedrijf niet in staat is aan de opslagvoorschriften te voldoen, moet het monster zo spoedig mogelijk bij het laboratorium worden afgeleverd voor verdere verwerking (bv. homogenisering) overeenkomstig de vereiste procedures van de lidstaat en zodat het bij lage temperatuur wordt opgeslagen totdat de beslissing voor analyse is genomen. # Productindeling Voorbeelden Deel van het te nemen basismonster Minimumgrootte van elk laboratoriummonster Primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong 1 Spierweefsel van zoogdieren — Categorieën: 1011010, 1012010, 1013010, 1014010, 1015010, 1017010 1.1 Grote zoogdieren, heel of half karkas, gewoonlijk ≤ 10 kg Runderen, schapen, varkens Het gehele middenrif of een deel ervan, zo nodig aangevuld met nekspieren 0,5 kg 1.2 Kleine zoogdieren, heel karkas Konijnen Heel karkas of de achterhand 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 1.3 Delen van zoogdieren, los vers/bevroren, verpakt of anders Kwartieren, koteletten, biefstukken, schouders Hele eenheid (eenheden) of een portie van een grote eenheid 0,5 kg na verwijdering van beenderen 1.4 Delen van zoogdieren, bevroren in bulk Kwartieren, koteletten Hetzij een bevroren dwarsdoorsnede uit een houder, hetzij het geheel (of porties) van afzonderlijke spierdelen 0,5 kg na verwijdering van beenderen 2 Vet van zoogdieren, met inbegrip van karkasvet — Categorieën: 1011020, 1012020, 1013020, 1014020, 1015020, 1017020 2.1 Grote zoogdieren, bij de slacht, heel of half karkas, gewoonlijk ≥ 10 kg Runderen, schapen, varkens Nier-, buik- of onderhuids vet dat van één dier is afgesneden 0,5 kg 2.2 Kleine zoogdieren, bij de slacht, heel of half karkas, gewoonlijk < 10 kg Buik- of onderhuids vet van een of meer dieren 0,5 kg 2.3 Delen van zoogdieren Poten, koteletten, biefstukken Hetzij zichtbaar vet, afgesneden van de eenheid (eenheden), hetzij hele eenheid (eenheden) of porties van hele eenheid (eenheden), indien het vet niet kan worden afgesneden 0,5 kg 2 kg 2.4 Vetweefsel van zoogdieren, in bulk Met een bemonsteringsapparaat op ten minste drie plaatsen genomen eenheden, indien praktisch uitvoerbaar 0,5 kg 3 Slachtafval van zoogdieren — Categorieën: 1011030, 1012030, 1013030, 1014030, 1015030, 1017030 1011040, 1012040, 1013040, 1014040, 1015040, 1017040 1011050, 1012050, 1013050, 1014050, 1015050, 1017050 3.1 Lever van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Hele lever(s), of een deel van een lever 0,4 kg 3.2 Nier(en) van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Eén nier of beide nieren van een of twee dieren 0,2 kg 3.3 Hart van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Het hele hart (de hele harten), of alleen de hartkamers indien het hart groot is 0,4 kg 3.4 Slachtafval van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Een deel van een eenheid of een hele eenheid van een of meer dieren, of een dwarsdoorsnede van een bevroren bulkproduct 0,5 kg 4 Spierweefsel van pluimvee — Categorie: 1016010 4.1 Vogel, groot karkas > 2 kg Kalkoenen, ganzen, hanen, kapoenen en eenden Dijen, poten en ander donker spiervlees 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 4.2 Vogel, middelgroot karkas 500 g-2 kg Hennen, parelhoenders, jonge kippen Dijen, poten of ander donker spiervlees van ten minste drie vogels 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 4.3 Vogel, klein karkas < 500 g Kwartels, duiven Karkassen van ten minste zes dieren 0,2 kg spierweefsel 4.4 Delen van vogels, vers, gekoeld, bevroren, verpakt voor verkoop in de detail- of groothandel Poten, kwartieren, borststukken en vleugels Verpakte eenheden, of afzonderlijke eenheden 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 5 Vet van pluimvee, met inbegrip van karkasvet — Categorie: 1016020. 5.1 Dieren bij de slacht, hele karkassen of delen daarvan Kippen, kalkoenen Eenheden buikvet van ten minste 3 vogels, indien praktisch uitvoerbaar 0,5 kg 5.2 Delen van vogels Dijen, borststukken, spieren Hetzij zichtbaar vet, afgesneden van de eenheid (eenheden), Hele eenheid (eenheden) of porties van hele eenheid (eenheden), indien het vet niet kan worden weggesneden 0,5 kg 0,5 kg of 2 kg indien vetgehalte < 5 % 5.3 Vetweefsel van vogels in bulk Met een bemonsteringsapparaat op ten minste drie plaatsen genomen eenheden 0,5 kg 6 Slachtafval van pluimvee — Categorieën: 1016030, 1016040, 1016050 6.1 Eetbaar slachtafval van vogels, met uitzondering van vette lever (foie gras) van ganzen en eenden en soortgelijke hoogwaardige producten Eenheden van ten minste zes dieren, of een dwarsdoorsnede uit een houder, indien praktisch uitvoerbaar 0,2 kg 6.2 Vette lever (foie gras) van ganzen en eenden en soortgelijke hoogwaardige producten Eenheid van één vogel of houder 0,1 kg 7 Honing — Categorie: 1040000 7.1 Honing Verpakte eenheden 0,5 kg 8 Amfibieën en reptielen — Categorie: 1050000 8.1 Spier Krokodil, hagedis Eenheden van staart, romp, poten 0,5 kg 8.2 Kikkers Poten 0,5 kg 8.2 Slangen Eenheden van de romp 0,5 kg 9 Ongewervelde landdieren — Categorie: 1060000 9.1 Slakken Wijngaardslak Hele slakken 12 slakken 9.2 Insecten Krekels Hele insecten 10 hele insecten of 0,2 kg Larven van sprinkhanen, meelwormen Larven 0,5 kg 10 In het wild levende gewervelde landdieren — Categorie: 1070000 10.1 De regels voor gedomesticeerde dieren van de categorieën 1-3 van deze tabel zijn van toepassing op het overeenkomstige weefsel. Verwerkte levensmiddelen van dierlijke oorsprong 11 Secundaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong, gedroogd vlees. Afgeleide eetbare producten van dierlijke oorsprong, verwerkte dierlijke vetten, met inbegrip van gesmolten of geëxtraheerd vet, voedingssupplementen. (Uit één ingrediënt) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, met of zonder verpakkingsmedium of in kleinere hoeveelheden aanwezige ingrediënten zoals smaakstoffen, kleurstoffen (bv. karmijn), specerijen en condimenten, of insectenpoeder, die gewoonlijk voorverpakt zijn en klaar zijn voor consumptie, al dan niet gekookt. (Uit meerdere ingrediënten) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, hieronder vallen ook levensmiddelen met meerdere ingrediënten zowel van dierlijke als plantaardige oorsprong, voorzover het (de) ingrediënt(en) van dierlijke oorsprong overheerst (overheersen), met inbegrip van babyvoeding. 11.1 Producten van zoogdieren of vogels, die fijngemaakt, gekookt, ingeblikt, gedroogd, gesmolten of anderszins verwerkt zijn, met inbegrip van producten met meerdere ingrediënten Ham, worst, rundergehakt, kippaté Verpakte eenheden of een representatieve dwarsdoorsnede uit een of meer houders of eenheden (met inbegrip van sappen, indien van toepassing) die met een bemonsteringsapparaat zijn genomen 0,5 kg 11.2 Voedingssupplementen Collageen Verpakte eenheden 0,1 l of 0,1 kg Productindeling Voorbeelden Deel van het te nemen basismonster Minimumgrootte van elk laboratoriummonster Primaire levensmiddelen van plantaardige oorsprong 1 Vruchten, vers of bevroren — Categorie: 0100000 Groenten, vers of bevroren — Categorie: 0200000, met inbegrip van paddenstoelen (0280000) 1.1 Kleine producteenheden < 25 g Besvruchten, erwten, olijven Hele eenheden, of verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg 1.2 Middelgrote producten, eenheden 25-250 g Appelen, sinaasappelen Hele eenheden 1 kg maar ten minste 10 eenheden 1.3 Grote verse producten, eenheden 250-1000 g Komkommers, druiven (bundels, trossen) Hele eenheid (eenheden) 2 kg maar ten minste 5 eenheden 1.4 Zeer grote verse producten, eenheden > 1000 g Pompoenen, meloenen Hele eenheid (eenheden) 2 kg maar ten minste 3 eenheden 1.5 Noten (0120000) Met uitzondering van kokosnoten Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg Kokosnoten Hele eenheden 5 eenheden 1.6 Kruiden (0256000) Peterselie, salie Hele eenheden 0,2 kg 2 Peulvruchten (0300000) Bonen, erwten Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg 3 Oliehoudende zaden (0401000) Lijnzaad Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 kg 4 Granen (0500000) Rijst, tarwe Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg 5 Zaden voor dranken en snoepgoed (Groene) koffiebonen Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 kg 6 Suikergewassen (0900000) Suikerbieten Hele eenheden 2 kg ten minste 2 eenheden Verwerkte levensmiddelen van plantaardige oorsprong 7 Secundaire levensmiddelen van plantaardige oorsprong, gedroogde vruchten, gedroogde groenten, gedroogde kruiden, kruidenthee (0630000), hop (0700000), specerijen (0800000), gemalen graanproducten, extracten. Afgeleide producten van plantaardige oorsprong, thee, kruidenthee, plantaardige oliën en dranken, sappen, voedingssupplementen en diverse producten zoals verwerkte olijven en citrusmelasse. (Uit één ingrediënt) vervaardigde levensmiddelen van plantaardige oorsprong, met of zonder verpakkingsmedium of in kleinere hoeveelheden aanwezige ingrediënten zoals smaakstoffen, kleurstoffen, specerijen en condimenten, die gewoonlijk voorverpakt zijn en klaar zijn voor consumptie, al dan niet gekookt. (Uit meerdere ingrediënten) vervaardigde levensmiddelen van plantaardige oorsprong, met inbegrip van producten met ingrediënten van dierlijke oorsprong waarin het (de) ingrediënt(en) van plantaardige oorsprong overheerst (overheersen), brood en andere bereide graanproducten met inbegrip van babyvoeding op basis van granen. 7.1 Specerijen (0800000) Nootmuskaat Verpakkingen van met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,1 kg 7.2 Producten met een hoge eenheidswaarde Rozenblaadjes, saffraan Verpakkingen van met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,1 kg 7.3 Vaste producten met een geringe bulk Hop, thee, kruidenthee Verpakte eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,1 kg 7.4 Andere vaste producten Brood, bloem, gedroogde vruchten Verpakkingen of andere hele eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 kg 7.5 Vloeibare producten Plantaardige oliën, sappen Verpakte eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 l of 0,5 kg 7.6 Voedingssupplementen Ashwagandha, açai, spirulina Verpakte eenheden 0,1 l of 0,1 kg 7.7 Babyvoeding Gebruiksklaar, op basis van groenten/fruit Verpakte eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 l of 0,5 kg Productindeling Voorbeelden Deel van het te nemen basismonster Minimumgrootte van elk laboratoriummonster Primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong 1 Eieren van pluimvee — Categorie: 1030000 1.1 Eieren, groot Ganzen-, eendeneieren of soortgelijke eieren Hele eieren 6 hele eieren 1.2 Eieren, middelgroot Kippeneieren of soortgelijke eieren Hele eieren 10 hele eieren 1.3 Eieren, klein Kwarteleieren en soortgelijke eieren Hele eieren 24 hele eieren 2 Melk — Categorie: 1020000 2.1 Melk Hele eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 l Verwerkte levensmiddelen van dierlijke oorsprong 3 Secundaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong, secundaire melkproducten zoals magere melk, geëvaporeerde melk, melkpoeder, met inbegrip van volledige zuigelingenvoeding, en eipoeder. Afgeleide eetbare producten van dierlijke oorsprong, melkvetten, afgeleide melkproducten zoals boter, boteroliën, room, roompoeders, caseïne enz. (Uit één ingrediënt) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, melkproducten zoals yoghurt, kaas. (Uit meerdere ingrediënten) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, melkproducten (met inbegrip van producten met ingrediënten van plantaardige oorsprong waarin het (de) ingrediënt(en) van dierlijke oorsprong overheerst (overheersen)) zoals bewerkte kaas, kaasbereidingen, gearomatiseerde yoghurt en gezoete gecondenseerde melk. 3.1 Vloeibare melk, melkpoeder, geëvaporeerde melk en room, roomijs, room, yoghurt Verpakte eenheid (eenheden), of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheid (eenheden) 0,5 l (vloeistof) of 0,5 kg (vaste stof) 3.2 Boter en boterolie Boter, weiboter, vetarme smeerbare pasta met botervet, watervrije boterolie, watervrij vet Hele of delen van verpakte eenheid (eenheden), of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheid (eenheden) 0,2 kg of 0,2 l 3.3 Kaas, met inbegrip van verwerkte kaas Eenheden van 0,3 kg of meer Hele eenheid (eenheden), of met een bemonsteringsapparaat afgesneden eenheid (eenheden) 0,5 kg Eenheden < 0,3 kg 0,3 kg Kazen met een cirkelvormige bodem worden bemonsterd door twee sneden te maken vanuit het centrum van de kaas naar buiten. Kazen met een rechthoekige bodem worden bemonsterd door twee sneden te maken die parallel zijn aan de zijkanten. 3.4 Vloeibare, bevroren of gedroogde eiproducten Aseptisch met een bemonsteringsapparaat genomen eenheid (eenheden) 0,5 kg Grp. b5. Herhaalmonster Het herhaalmonster wordt door het laboratoriumpersoneel of de monsternemer genomen van het goed gemengde verzamelmonster of van het laboratorium- of analysemonster. Herhaalmonsters worden op dezelfde wijze bereid als laboratoriummonsters. (1) een verklaring dat de bemonstering is uitgevoerd overeenkomstig de regels van Uitvoeringsverordening (EU) 2026/765; (2) het adres van de bevoegde autoriteiten; (3) de naam van de monsternemer of een identificatiecode; (4) een (officieel) identificatienummer van het monster; (5) de datum van bemonstering; (6) de naam en het adres van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf; (7) de naam en het adres van het bedrijf van herkomst (bij bemonstering op het bedrijf); (8) in voorkomend geval, het registratienummer van de inrichting of het slachthuisnummer; (9) een beschrijving van het dier, de plant of het product of de benaming van het levensmiddel; (10) de partijgrootte; (11) de identificatie van de partij; (12) in voorkomend geval, de in de laatste vier weken vóór de bemonstering toegediende geneesmiddelen (bij bemonstering op het bedrijf); (13) in voorkomend geval, het bemonsteringsprogramma; (14) bijzondere opmerkingen, indien van toepassing. (a) ondertekent of waarmerkt een papieren of elektronische kopie van het monsternemingsverslag; (b) verstrekt een kopie van het monsternemingsverslag van de partij/subpartij aan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf of diens vertegenwoordiger, ongeacht of die exploitant van het bedrijf een herhaalmonster moet ontvangen. Grp. b6. Monsternemingsverslag Na elke bemonsteringsprocedure wordt een verslag opgesteld dat ten minste de volgende gegevens bevat: De monsternemer: Wanneer bemonsteringsgegevens op papier worden geregistreerd, bewaart de bevoegde autoriteit het origineel van het monsternemingsverslag of zendt de monsternemer het originele monsternemingsverslag naar het laboratorium. Geheimhouding moet worden gewaarborgd overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2017/625. Elke afwijking van de beschreven bemonsteringsmethode wordt in detail in het monsternemingsverslag geregistreerd. Wanneer de bemonsteringsgegevens op papier worden geregistreerd, gaat elk herhaal-laboratoriummonster vergezeld van een ondertekende kopie van de gegevens. Wanneer bemonsteringsgegevens in papierloze (digitale) vorm worden geregistreerd, worden regelingen getroffen om een vergelijkbaar verifieerbaar auditspoor te waarborgen. Grp. b7. Bereiding van het analysemonster door het laboratorium Laboratoriummonsters die niet onmiddellijk worden geanalyseerd, moeten in het laboratorium worden opgeslagen onder omstandigheden waarmee bederf tot een minimum wordt teruggedrongen. Verse producten, dranken en oliën moeten in de koelkast worden opgeslagen, doorgaans echter niet langer dan vijf dagen. Gedroogde, geconserveerde en ingeblikte producten mogen bij kamertemperatuur worden opgeslagen, maar als de opslagduur naar verwachting meer dan vier weken zal bedragen, worden er deelmonsters van genomen en worden die in de vriezer opgeslagen. Het laboratorium bereidt het analysemonster uit het laboratoriummonster door de te analyseren portie van het product, dat wil zeggen het deel van het product waarop het MRL van toepassing is, te scheiden van de rest van het product en vervolgens te mengen, malen, fijn te hakken enz., teneinde analyseporties met een minimale deelmonstervertekening te verkrijgen. Het analysemonster moet worden bereid volgens de procedure die wordt gebruikt bij het vaststellen van MRL’s en daarom kan de te analyseren portie van het product delen bevatten die normaal niet worden geconsumeerd. Indien nodig kan het laboratoriummonster op representatieve wijze worden verkleind met behulp van een methode om monsters te verkleinen. Het deel van het te analyseren product, dat wil zeggen het analysemonster, moet zo snel mogelijk worden gescheiden van de rest van het product. Wanneer bij de berekening van het residugehalte ook rekening moet worden gehouden met de delen die niet worden geanalyseerd, moet het gewicht van die delen worden geregistreerd. Grp. b8. Bereiding en opslag van de analyseportie door het laboratorium Het analysemonster wordt, in voorkomend geval, gefractioneerd en het wordt goed gemengd zodat het laboratorium representatieve analyseporties kan nemen. Er mag een bemonsteringsapparaat worden gebruikt om de analyseportie eruit te nemen. De grootte van de analyseportie wordt bepaald aan de hand van de analyseprocedure en de efficiëntie van het mengen. De methoden voor fractionering en menging worden geregistreerd en mogen de in het analysemonster aanwezige residuen niet beïnvloeden. In voorkomend geval moet het analysemonster onder speciale omstandigheden worden verwerkt, bijvoorbeeld in bevroren toestand, teneinde nadelige effecten tot een minimum te beperken. Wanneer de verwerking invloed kan hebben op de residuen en er geen praktisch uitvoerbare alternatieve procedures beschikbaar zijn, mag de analyseportie uit hele eenheden bestaan of uit segmenten van hele eenheden. Indien de analyseportie bijgevolg slechts uit enkele eenheden of segmenten bestaat, is deze waarschijnlijk niet representatief voor het analysemonster en moeten voldoende herhaalporties worden geanalyseerd om de onzekerheid van de gemiddelde waarde aan te geven. Afhankelijk van de beschikbare gegevens over de stabiliteit bij opslag kan het mogelijk zijn analyseporties vóór de analyse op te slaan. In dat geval moeten de methode, de duur van de opslag en de temperatuur tijdens de opslag zodanig zijn dat het gehalte aan aanwezige residuen daardoor niet wordt beïnvloed. Grp. b91. Bemonstering van vlees en pluimveevlees Grp. b92. Bemonsteringsproducten met uitzondering van vlees en pluimveevlees Grp. b93. Typisch bemonsterings- en analyseproces Grp. b9. Schematische weergave Schematische weergave van de in de punten B.2, B.3 en B.4 beschreven bemonsteringsprocedures: Grp. c1c11c12. Analysemethoden en het afleiden van de analyseresultaten De analysemethoden moeten worden ondersteund door kwaliteitscontrolegegevens en worden gevalideerd voor de specifieke combinatie stof/productgroep. Afhankelijk van de beoogde reikwijdte van de methode wordt ten minste één representatief product uit elke productgroep gevalideerd. Wanneer de methode op een grotere verscheidenheid aan matrices wordt toegepast, moeten aanvullende validatiegegevens worden verkregen. De analyseresultaten voor levensmiddelen worden afgeleid van een of meer laboratoriummonsters en voor diervoeders van ten minste één eindmonster dat uit de partij/subpartij is genomen, mits het analysemonster het juiste deel (de juiste delen) van het product bevat zoals vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005. Wanneer wordt geconstateerd dat een residu een MRL overschrijdt, wordt de identiteit ervan bevestigd en wordt de concentratie ervan door middel van een duplobepaling (onafhankelijke tweede bepaling) geverifieerd. Het analyseresultaat wordt gerapporteerd als x +/– U, waarbij x het analyseresultaat is en U de uitgebreide meetonzekerheid, en het wordt gerapporteerd in dezelfde eenheden en met hetzelfde aantal decimalen als het resultaat. (a) in overeenstemming met het MRL als het resultaat van het analysemonster aan het MRL voldoet, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid en, indien nodig, met de correctie voor terugvinding. Dit betekent dat het monster in overeenstemming is als de gemeten waarde, na aftrek van de uitgebreide meetonzekerheid, lager is dan of gelijk is aan het MRL (x – U ≤ MRL); (b) niet in overeenstemming met het MRL als het resultaat van het analysemonster buiten redelijke twijfel het MRL overschrijdt, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid en, indien nodig, met de correctie voor vertekening door de methode waar dit is aangegeven. Dit betekent dat het monster niet in overeenstemming is als de gemeten waarde, na aftrek van de uitgebreide meetonzekerheid, het MRL overstijgt (x – U > MRL). Grp. c2c21c22c23c24. Meetonzekerheid en interpretatie van resultaten Het MRL geldt voor het analysemonster dat via het laboratorium- of herhaalmonster uit het verzamelmonster is verkregen. Het resultaat van het laboratoriummonster voor levensmiddelen en van het eindmonster voor diervoeders moet representatief worden geacht voor de partij/subpartij en geldt voor de hele partij/subpartij. Bij de controle op overschrijdingen van het MRL moeten officiële laboratoria en handhavingsautoriteiten een standaard uitgebreide meetonzekerheid toepassen die is berekend uit langetermijngegevens van vergelijkend EU-interlaboratoriumonderzoek waarbij een dekkingsfactor 2 is toegepast (betrouwbaarheidsniveau van 95 %). Voor de handhaving van MRL’s is de uitgebreide meetonzekerheid 50 %, met uitzondering van koper, waarvoor een waarde van 20 % geldt. Het analyselaboratorium moet aantonen dat zijn eigen uitgebreide meetonzekerheid voor de specifieke combinatie analysemethode/stof/productgroep gelijk is aan of lager is dan de bovengenoemde standaardwaarden. Wanneer MRL’s worden overschreden, moet het laboratorium de geharmoniseerde standaard uitgebreide meetonzekerheid rapporteren. Wanneer het in een levensmiddelenmonster gevonden gehalte leidt tot een internationale schatting van de kortetermijninname (International Estimate of Short-term Intake, IESTI) die de acute referentiedosis (ARfD) overschrijdt, kan de bevoegde autoriteit bij wijze van voorzorgsmaatregel een op de eigen geschatte meetonzekerheid van het laboratorium gebaseerde lagere uitgebreide meetonzekerheid (indien ondersteund door voldoende intra- en interlaboratoriumgegevens) en/of een lager betrouwbaarheidsniveau (lagere dekkingsfactor k) toepassen. Interpretatie van het analyseresultaat, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid Een partij/subpartij wordt beschouwd als: Aanvaarding en weigering van zendingen die uit meer dan één partij bestaan Elke partij die overeenkomstig deze verordening is bemonsterd en waarvan het analyseresultaat wijst op een overschrijding van het MRL, wordt in zijn geheel beschouwd als niet in overeenstemming, zoals gespecificeerd in punt C.2.4.b, en moet worden geweigerd. De monsternemer bepaalt welke partij van een zending wordt bemonsterd en dit kan een andere partij zijn dan die van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf. De bemonsterde partij kan uit één partij bestaan of uit een groep partijen met dezelfde eigenschappen (productiedatum, oorsprong, beschrijving enz.). Indien is geconstateerd dat één partij, die deel uitmaakt van een groep partijen met dezelfde eigenschappen, niet aan de voorschriften voldoet en er redelijke twijfel bestaat dat de MRL’s van de andere soortgelijke partijen worden overschreden, moeten die andere soortgelijke partijen als verdachte partijen worden beschouwd.

BIJLAGE PROCEDURES VOOR DE BEMONSTERING EN ANALYSE VAN LEVENSMIDDELEN EN DIERVOEDERS VAN PLANTAARDIGE EN DIERLIJKE OORSPRONG MET HET OOG OP DE BEPALING VAN BESTRIJDINGSMIDDELENRESIDUEN VOOR DE CONTROLE OP DE NALEVING VAN DE MAXIMUMRESIDUGEHALTEN (MRL’S)

DEEL A Algemene bepalingen voor levensmiddelen

De bemonstering wordt uitgevoerd door een monsternemer. De monsternemer: Wanneer de grootte of begrenzing van elke partij in een grote zending niet gemakkelijk kan worden vastgesteld, kan de monsternemer andere fysieke begrenzingen, zoals wagons, vrachtwagens of scheepsruimen, als grens van een afzonderlijke partij of subpartij beschouwen. Bij kwekers genomen monsters moeten bij het landbouwbedrijf worden genomen van producten die klaar zijn om in de handel te worden gebracht. (a) is verantwoordelijk voor procedures, met inbegrip van het bereiden, verpakken en verzenden van de laboratoriummonsters; (b) zorgt ervoor dat de beschreven bemonsteringsprocedures consistent worden gevolgd; (c) vult de documentatie voor monsters in en werkt nauw samen met het betrokken laboratorium; (d) neemt voorzorgsmaatregelen om elk mogelijk effect op de residugehalten te vermijden en negatieve gevolgen voor de analytische bepaling te voorkomen en te voorkomen dat de monsters tijdens de bemonstering of de overdracht naar het laboratorium hun representativiteit verliezen; (e) bemonstert elke te onderzoeken partij of subpartij afzonderlijk; (f) bekijkt bij zendingen die uit meer dan één partij bestaan, elke partij afzonderlijk en besluit wat in het monster moet worden opgenomen.

a)

is verantwoordelijk voor procedures, met inbegrip van het bereiden, verpakken en verzenden van de laboratoriummonsters;

b)

zorgt ervoor dat de beschreven bemonsteringsprocedures consistent worden gevolgd;

c)

vult de documentatie voor monsters in en werkt nauw samen met het betrokken laboratorium;

d)

neemt voorzorgsmaatregelen om elk mogelijk effect op de residugehalten te vermijden en negatieve gevolgen voor de analytische bepaling te voorkomen en te voorkomen dat de monsters tijdens de bemonstering of de overdracht naar het laboratorium hun representativiteit verliezen;

e)

bemonstert elke te onderzoeken partij of subpartij afzonderlijk;

f)

bekijkt bij zendingen die uit meer dan één partij bestaan, elke partij afzonderlijk en besluit wat in het monster moet worden opgenomen.

DEEL B Bemonsteringsprocedures voor levensmiddelen

B.1 Tabel 1 Tabel 2 Verdeling van partijen in subpartijen bij levensmiddelen die in bulkzendingen worden verhandeld Verdeling van partijen in subpartijen bij levensmiddelen die niet in bulkzendingen worden verhandeld

Verdeling van partijen in subpartijen Waar nodig en mogelijk verdeelt de monsternemer grotere partijen in subpartijen om ervoor te zorgen dat alle delen vertegenwoordigd zijn, op voorwaarde dat de subpartij fysiek van de partij kan worden gescheiden. De monsternemer zorgt ervoor dat elke subpartij fysiek gescheiden is van de partij en identificeerbaar is. Op levensmiddelen die in bulkzendingen worden verhandeld (bv. granen), is tabel 1 van toepassing. Op levensmiddelen die niet in bulkzendingen worden verhandeld, is tabel 2 van toepassing. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen het in de tabellen 1 en 2 aangegeven gewicht met maximaal 20 % overschrijden. Gewicht van de partij (in ton) Maximumgewicht of maximumaantal subpartijen ≥ 1500 500 ton > 300 en < 1500 3 subpartijen ≥ 100 en ≤ 300 100 ton < 100 — Gewicht van de partij (in ton) Gewicht van de subpartijen ≥ 15 7,5-30 ton < 15 —

B.2 Het nemen van basismonsters De monsternemer neemt basismonsters van verschillende willekeurig gekozen en gelijkmatig over de gehele bemonsterde portie verdeelde plaatsen; de monsters moeten ongeveer even groot zijn. Wanneer dit fysiek niet uitvoerbaar is, neemt de monsternemer in uitzonderlijke gevallen basismonsters van willekeurige plaatsen van het toegankelijke deel van de partij/subpartij. In dergelijke gevallen registreert de monsternemer de gevolgde procedure in het monsternemingsverslag. Voor het nemen van basismonsters bepaalt de monsternemer de eenheid (eenheden) als volgt: Grp. a. Verse groenten en vruchten Elke hele vrucht, heel stuk groente of hele natuurlijke middelgrote tros (bv. druiven) vormt een eenheid, behalve als deze vrucht, dit stuk groente of deze tros klein is. Eenheden van verpakte kleine producten (bv. bessen) kunnen worden bepaald overeenkomstig punt e). Als het materiaal niet kan worden beschadigd, kan een bemonsteringsapparaat worden gebruikt en kunnen residuen dus niet worden beïnvloed. In het geval van bananen en soortgelijke vruchten en groente die in een tros ter beschikking worden gesteld, worden afzonderlijke items als een eenheid beschouwd. Grp. b. Eieren Elk ei vormt een eenheid. Grp. c. Grote dieren, of delen of organen daarvan Een deel van een groot dier of van een gespecificeerd orgaan, of een compleet dier of orgaan, vormt een eenheid. Delen of organen mogen in stukken worden gesneden om eenheden te vormen. Grp. d. Kleine dieren (met uitzondering van insecten) of delen of organen daarvan Elk compleet dier of elk volledig deel van een dier of compleet orgaan kan een eenheid vormen. Indien verpakt kunnen eenheden worden bepaald overeenkomstig punt e). Bij het vormen van eenheden mag een bemonsteringsapparaat worden gebruikt als het materiaal niet kan worden beschadigd en residuen dus niet kunnen worden beïnvloed. Grp. e. Verpakte materialen De kleinste afzonderlijke verpakkingen worden als eenheden van dezelfde partij/subpartij beschouwd. Wanneer de kleinste verpakkingen zeer groot zijn, worden ze zoveel mogelijk bemonsterd als bulkgoederen, zoals beschreven in punt f). Wanneer de kleinste verpakkingen zeer klein zijn, kunnen enkele verpakkingen samen een eenheid vormen en moeten de verpakkingen als deel van dezelfde partij worden beschouwd. (a) een instrument, zoals een schep, scheplepel, boor, mes of spies, dat wordt gebruikt om een eenheid te nemen uit bulkmateriaal, uit verpakkingen (bv. vaten en grote kazen), of uit eenheden vlees, pluimveevlees of vis die te groot zijn om als basismonster te kunnen dienen; (b) een instrument, zoals een monsterverdeler (riffle box), dat gebruikt wordt om een laboratoriummonster uit een verzamelmonster of een analyseportie uit een analysemonster te bereiden. Pt_a_. 2. Verdachte partij Pt_b_. 2. Verpakte of bulkproducten waarvan kan worden aangenomen dat zij goed gemengd of homogeen zijn (c) Verpakte of bulkproducten die mogelijk niet goed gemengd of homogeen zijn (i) het aantal te nemen basismonsters = 40 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van stoffen of producten die gelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton moeten 40 + 23 = 63 basismonsters worden genomen); (ii) of 100 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van bestanddelen of stoffen die waarschijnlijk ongelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton tarwe moeten 100 + 23 = 123 basismonsters worden genomen). (d) Verpakte voedingssupplementen (e) Diverse producten waarvan de partijgrootte niet bekend is (alleen van toepassing op elektronische handel) (f) Visserij- en zeeproducten, met inbegrip van schelp- en schaaldieren Grp. f. Bulkgoederen en grote verpakkingen (bv. vaten en kazen die afzonderlijk te groot zijn om als basismonsters te worden genomen) De eenheden worden gevormd met een bemonsteringsapparaat. Het aantal/de hoeveelheid basismonsters dat/die de monsternemer minimaal van een partij/subpartij moet nemen om het verzamelmonster samen te stellen, wordt bepaald zoals is aangegeven in tabel 3. De basismonsters moeten een toereikende hoeveelheid monstermateriaal opleveren zodat alle voor analysedoeleinden genomen laboratoriummonsters, met inbegrip van herhaalmonsters, uit het verzamelmonster kunnen worden genomen. Voor producten waarbij meer dan één basismonster uit een partij/subpartij wordt genomen, moet elk monster een vergelijkbaar deel vormen van het verzamelmonster. Wanneer basismonsters met tussenpozen worden genomen tijdens het laden of lossen van een partij/subpartij, is de bemonsteringsplaats een tijdstip en wordt het aantal basismonsters bepaald aan de hand van de grootte van de bemonsterde portie. Het aantal eenheden dat is vereist voor basismonsters is vermeld in tabel 3. De minimumgrootte van laboratoriummonsters is vermeld in de tabellen 4, 5 en 6. Eenheden kunnen worden genomen met behulp van een bemonsteringsapparaat, bijvoorbeeld: Om kruisverontreiniging te voorkomen gebruikt de monsternemer voor materialen zoals losse bladeren handschoenen bij handmatige bemonstering. Om kruisverontreiniging te voorkomen worden de bemonsteringsapparaten zo nodig tussen elk gebruik gereinigd. In gevallen waarin de eenheden middelgroot of groot zijn (zoals beschreven in tabel 5) en waarbij het mengen van het verzamelmonster de laboratoriummonsters niet representatiever zou maken, of wanneer de eenheden (bv. eieren en zacht fruit) door het mengen beschadigd kunnen worden, mogen eenheden op het moment dat de basismonsters worden genomen, willekeurig aan herhaal-laboratoriummonsters worden toegewezen. Wanneer de bemonstering niet overeenkomstig punt B.2 wordt uitgevoerd wegens onaanvaardbare commerciële gevolgen (bv. vanwege de vorm van de verpakking of schade aan de partij) of de monsternemer een alternatieve methode toepast mits deze voldoende representatief is voor de bemonsterde partij of subpartij en volledig wordt gedocumenteerd, registreert de monsternemer de gevolgde procedure in het in punt B.6 bedoelde monsternemingsverslag. Eenheden mogen niet in stukken gesneden of gebroken worden om basismonsters te maken, tenzij in overeenstemming met de onderverdeling van eenheden zoals beschreven in tabel 4. Het aantal/de hoeveelheid basismonsters dat/die minimaal van de partij/subpartij moet worden genomen Naast de in punt b) of c) van deze tabel vastgestelde monsters worden nog twee andere monsters genomen 1 (Een partij kan bijvoorbeeld worden gemengd bij sorteer- of productieprocessen); Voor grote porties, zie i) en ii) Voor primaire levensmiddelen of producten van plantaardige oorsprong en voor producten die uit middelgrote, grote of zeer grote eenheden bestaan, moet het minimumaantal basismonsters overeenkomen met het voor het laboratoriummonster vereiste minimumaantal eenheden (zie tabel 5) Hetzij: gewicht of volume van de partij/subpartij (in kilogram of liter) < 50 3 ≥ 50 en ≤ 500 5 ≥ 500 en ≤ 30 ton 10 > 30 ton √ (20 maal het aantal ton waaruit de bemonsterde portie is samengesteld) (*), tot maximaal 40 basismonsters Indien de uitkomst een gebroken getal is, moet dit getal naar het eerstvolgende hogere gehele getal worden afgerond Voor grote porties, zie i) en ii) In geval van grote porties (bemonsterde porties > 500 ton): Hetzij: het aantal verpakkingen, blikken, kartons of andere eenheden van de partij/subpartij ≤ 25 1 26-100 5 %, ten minste 2 eenheden > 100 5 %, tot maximaal 10 eenheden Aantal verpakkingen in de partij/subpartij 1-50 1 51-250 2 251-1 000 4 > 1000 4 + 1 verpakkingen per 1000 detailhandelsverpakkingen, met een maximum van 25 detailhandelsverpakkingen 1 De minimale monsterhoeveelheden worden vastgesteld in het nationale residubewakingsprogramma. De minimale monsterhoeveelheden moeten volstaan om de erkende laboratoria in staat te stellen de analyseprocedures uit te voeren die nodig zijn om de screening en de bevestigingsanalyses te voltooien. Specifiek voor visserij- en zeeproducten, met inbegrip van schelp- en schaaldieren, moet een monster, afhankelijk van de vereisten van de analysemethoden, uit een of meer dieren bestaan.

B.2 a)

Verse groenten en vruchten Elke hele vrucht, heel stuk groente of hele natuurlijke middelgrote tros (bv. druiven) vormt een eenheid, behalve als deze vrucht, dit stuk groente of deze tros klein is. Eenheden van verpakte kleine producten (bv. bessen) kunnen worden bepaald overeenkomstig punt e). Als het materiaal niet kan worden beschadigd, kan een bemonsteringsapparaat worden gebruikt en kunnen residuen dus niet worden beïnvloed. In het geval van bananen en soortgelijke vruchten en groente die in een tros ter beschikking worden gesteld, worden afzonderlijke items als een eenheid beschouwd.

b)

Eieren Elk ei vormt een eenheid.

c)

Grote dieren, of delen of organen daarvan Een deel van een groot dier of van een gespecificeerd orgaan, of een compleet dier of orgaan, vormt een eenheid. Delen of organen mogen in stukken worden gesneden om eenheden te vormen.

d)

Kleine dieren (met uitzondering van insecten) of delen of organen daarvan Elk compleet dier of elk volledig deel van een dier of compleet orgaan kan een eenheid vormen. Indien verpakt kunnen eenheden worden bepaald overeenkomstig punt e). Bij het vormen van eenheden mag een bemonsteringsapparaat worden gebruikt als het materiaal niet kan worden beschadigd en residuen dus niet kunnen worden beïnvloed.

e)

Verpakte materialen De kleinste afzonderlijke verpakkingen worden als eenheden van dezelfde partij/subpartij beschouwd. Wanneer de kleinste verpakkingen zeer groot zijn, worden ze zoveel mogelijk bemonsterd als bulkgoederen, zoals beschreven in punt f). Wanneer de kleinste verpakkingen zeer klein zijn, kunnen enkele verpakkingen samen een eenheid vormen en moeten de verpakkingen als deel van dezelfde partij worden beschouwd.

f) Tabel 3 (*) Het aantal/de hoeveelheid basismonsters (primaire monsters) dat minimaal van een partij/subpartij moet worden genomen om een verzamelmonster samen te stellen

Bulkgoederen en grote verpakkingen (bv. vaten en kazen die afzonderlijk te groot zijn om als basismonsters te worden genomen) De eenheden worden gevormd met een bemonsteringsapparaat. Het aantal/de hoeveelheid basismonsters dat/die de monsternemer minimaal van een partij/subpartij moet nemen om het verzamelmonster samen te stellen, wordt bepaald zoals is aangegeven in tabel 3. De basismonsters moeten een toereikende hoeveelheid monstermateriaal opleveren zodat alle voor analysedoeleinden genomen laboratoriummonsters, met inbegrip van herhaalmonsters, uit het verzamelmonster kunnen worden genomen. Voor producten waarbij meer dan één basismonster uit een partij/subpartij wordt genomen, moet elk monster een vergelijkbaar deel vormen van het verzamelmonster. Wanneer basismonsters met tussenpozen worden genomen tijdens het laden of lossen van een partij/subpartij, is de bemonsteringsplaats een tijdstip en wordt het aantal basismonsters bepaald aan de hand van de grootte van de bemonsterde portie. Het aantal eenheden dat is vereist voor basismonsters is vermeld in tabel 3. De minimumgrootte van laboratoriummonsters is vermeld in de tabellen 4, 5 en 6. Eenheden kunnen worden genomen met behulp van een bemonsteringsapparaat, bijvoorbeeld: Om kruisverontreiniging te voorkomen gebruikt de monsternemer voor materialen zoals losse bladeren handschoenen bij handmatige bemonstering. Om kruisverontreiniging te voorkomen worden de bemonsteringsapparaten zo nodig tussen elk gebruik gereinigd. In gevallen waarin de eenheden middelgroot of groot zijn (zoals beschreven in tabel 5) en waarbij het mengen van het verzamelmonster de laboratoriummonsters niet representatiever zou maken, of wanneer de eenheden (bv. eieren en zacht fruit) door het mengen beschadigd kunnen worden, mogen eenheden op het moment dat de basismonsters worden genomen, willekeurig aan herhaal-laboratoriummonsters worden toegewezen. Wanneer de bemonstering niet overeenkomstig punt B.2 wordt uitgevoerd wegens onaanvaardbare commerciële gevolgen (bv. vanwege de vorm van de verpakking of schade aan de partij) of de monsternemer een alternatieve methode toepast mits deze voldoende representatief is voor de bemonsterde partij of subpartij en volledig wordt gedocumenteerd, registreert de monsternemer de gevolgde procedure in het in punt B.6 bedoelde monsternemingsverslag. Eenheden mogen niet in stukken gesneden of gebroken worden om basismonsters te maken, tenzij in overeenstemming met de onderverdeling van eenheden zoals beschreven in tabel 4. Het aantal/de hoeveelheid basismonsters dat/die minimaal van de partij/subpartij moet worden genomen Naast de in punt b) of c) van deze tabel vastgestelde monsters worden nog twee andere monsters genomen 1 (Een partij kan bijvoorbeeld worden gemengd bij sorteer- of productieprocessen); Voor grote porties, zie i) en ii) Voor primaire levensmiddelen of producten van plantaardige oorsprong en voor producten die uit middelgrote, grote of zeer grote eenheden bestaan, moet het minimumaantal basismonsters overeenkomen met het voor het laboratoriummonster vereiste minimumaantal eenheden (zie tabel 5) Hetzij: gewicht of volume van de partij/subpartij (in kilogram of liter) < 50 3 ≥ 50 en ≤ 500 5 ≥ 500 en ≤ 30 ton 10 > 30 ton √ (20 maal het aantal ton waaruit de bemonsterde portie is samengesteld) (*), tot maximaal 40 basismonsters Indien de uitkomst een gebroken getal is, moet dit getal naar het eerstvolgende hogere gehele getal worden afgerond Voor grote porties, zie i) en ii) In geval van grote porties (bemonsterde porties > 500 ton): Hetzij: het aantal verpakkingen, blikken, kartons of andere eenheden van de partij/subpartij ≤ 25 1 26-100 5 %, ten minste 2 eenheden > 100 5 %, tot maximaal 10 eenheden Aantal verpakkingen in de partij/subpartij 1-50 1 51-250 2 251-1 000 4 > 1000 4 + 1 verpakkingen per 1000 detailhandelsverpakkingen, met een maximum van 25 detailhandelsverpakkingen 1 De minimale monsterhoeveelheden worden vastgesteld in het nationale residubewakingsprogramma. De minimale monsterhoeveelheden moeten volstaan om de erkende laboratoria in staat te stellen de analyseprocedures uit te voeren die nodig zijn om de screening en de bevestigingsanalyses te voltooien. Specifiek voor visserij- en zeeproducten, met inbegrip van schelp- en schaaldieren, moet een monster, afhankelijk van de vereisten van de analysemethoden, uit een of meer dieren bestaan. (a) een instrument, zoals een schep, scheplepel, boor, mes of spies, dat wordt gebruikt om een eenheid te nemen uit bulkmateriaal, uit verpakkingen (bv. vaten en grote kazen), of uit eenheden vlees, pluimveevlees of vis die te groot zijn om als basismonster te kunnen dienen; (b) een instrument, zoals een monsterverdeler (riffle box), dat gebruikt wordt om een laboratoriummonster uit een verzamelmonster of een analyseportie uit een analysemonster te bereiden. Pt_a_. 2. Verdachte partij Pt_b_. 2. Verpakte of bulkproducten waarvan kan worden aangenomen dat zij goed gemengd of homogeen zijn (c) Verpakte of bulkproducten die mogelijk niet goed gemengd of homogeen zijn (i) het aantal te nemen basismonsters = 40 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van stoffen of producten die gelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton moeten 40 + 23 = 63 basismonsters worden genomen); (ii) of 100 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van bestanddelen of stoffen die waarschijnlijk ongelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton tarwe moeten 100 + 23 = 123 basismonsters worden genomen). (d) Verpakte voedingssupplementen (e) Diverse producten waarvan de partijgrootte niet bekend is (alleen van toepassing op elektronische handel) (f) Visserij- en zeeproducten, met inbegrip van schelp- en schaaldieren

f)

a)

een instrument, zoals een schep, scheplepel, boor, mes of spies, dat wordt gebruikt om een eenheid te nemen uit bulkmateriaal, uit verpakkingen (bv. vaten en grote kazen), of uit eenheden vlees, pluimveevlees of vis die te groot zijn om als basismonster te kunnen dienen;

b)

een instrument, zoals een monsterverdeler (riffle box), dat gebruikt wordt om een laboratoriummonster uit een verzamelmonster of een analyseportie uit een analysemonster te bereiden.

f) Tabel 3 Het aantal/de hoeveelheid basismonsters (primaire monsters) dat minimaal van een partij/subpartij moet worden genomen om een verzamelmonster samen te stellen

a)

Verdachte partij

b)

Verpakte of bulkproducten waarvan kan worden aangenomen dat zij goed gemengd of homogeen zijn

c)

Verpakte of bulkproducten die mogelijk niet goed gemengd of homogeen zijn

f) Tabel 3 (*) Het aantal/de hoeveelheid basismonsters (primaire monsters) dat minimaal van een partij/subpartij moet worden genomen om een verzamelmonster samen te stellen

i)

het aantal te nemen basismonsters = 40 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van stoffen of producten die gelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton moeten 40 + 23 = 63 basismonsters worden genomen);

ii)

of 100 basismonsters + de √ van het aantal ton voor de controle van bestanddelen of stoffen die waarschijnlijk ongelijkmatig over de levensmiddelen zijn verdeeld (bv. voor een partij van 529 ton tarwe moeten 100 + 23 = 123 basismonsters worden genomen).

d)

Verpakte voedingssupplementen

e)

Diverse producten waarvan de partijgrootte niet bekend is (alleen van toepassing op elektronische handel)

f)

Visserij- en zeeproducten, met inbegrip van schelp- en schaaldieren

B.3 Bereiding van het verzamel-/deelmonster door de monsternemer Het verzamelmonster wordt verkregen door de basismonsters bij elkaar te voegen. De toepasselijke vereisten voor vlees en pluimveevlees worden beschreven in tabel 4. Elk basismonster moet worden beschouwd als een afzonderlijk verzamelmonster. De toepasselijke vereisten voor plantaardige producten, eieren en zuivelproducten worden beschreven in tabel 5 respectievelijk tabel 6. De basismonsters moeten, indien praktisch uitvoerbaar, worden samengevoegd en goed gemengd om het verzamelmonster te vormen. Wanneer tijdens het nemen van het (de) basismonster(s) van de partij/subpartij afzonderlijke laboratoriummonsters worden bereid, moet het verzamelmonster worden beschouwd als de som van de gecombineerde laboratoriummonsters. Indien nodig kan het verzamelmonster op representatieve wijze worden verkleind met behulp van een methode om monsters te verkleinen. Wanneer het niet mogelijk of passend is om het verzamelmonster door mengen samen te stellen, mag de volgende alternatieve procedure worden gevolgd. Wanneer eenheden beschadigd kunnen worden (en residuen dus beïnvloed kunnen worden) als gevolg van het mengen of het opsplitsen van het verzamelmonster, of wanneer grote eenheden niet kunnen worden gemengd om een uniformere verdeling van de residuen te bewerkstelligen, mogen de eenheden op het moment dat de basismonsters worden genomen willekeurig aan herhaal-laboratoriummonsters worden toegewezen. In dat geval is het te gebruiken resultaat de wiskundige manier om geldige analyseresultaten te verkrijgen uit de analyseporties die zijn geanalyseerd en die zijn gevormd uit de herhaal-laboratoriummonsters.

B.4 Tabel 4 Tabel 5 Tabel 6 Opmerking: Levensmiddelen van dierlijke oorsprong: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Plantaardige producten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Eieren en zuivelproducten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters

Bereiding, verpakking, verzegeling en vervoer van het laboratoriummonster door de monsternemer Het laboratoriummonster wordt gevormd uit het verzamelmonster en kan het gehele verzamelmonster zijn of een deel ervan. De monsternemer bereidt de laboratorium- en herhaalmonsters uit het deelmonster met ongeveer dezelfde massa en grootte en in overeenstemming met de kwantitatieve vereisten van deel B. Het herhaalmonster mag ook in het laboratorium worden bereid door het laboratoriumpersoneel. Eenheden mogen niet in stukken gesneden of gebroken worden om laboratoriummonsters te maken, tenzij een onderverdeling van eenheden is beschreven in de tabellen 4 en 5. Wanneer het verzamelmonster groter is dan voor een laboratoriummonster is vereist, mag het worden verkleind om een representatieve portie te verkrijgen. Het gebruik van een bemonsteringsapparaat is toegestaan, evenals kwarteren of een andere geschikte verkleiningsmethode, maar eenheden van verse plantaardige producten of hele eieren mogen niet in stukken worden gesneden of gebroken. De voor laboratoriummonsters vereiste minimumgrootte is vermeld in de tabellen 4, 5 en 6. In naar behoren gemotiveerde gevallen (zoals de hoge waarde van het product) mag van een product een kleiner monster worden genomen dan in de tabellen 4 en 5 is vermeld, mits het kleinere monster niet leidt tot onvoldoende monstermateriaal voor het uitvoeren van een passende analyse. De reden hiervoor wordt in het monsternemingsverslag vermeld. Het laboratoriummonster wordt in een schone, chemisch inerte houder geplaatst die niet reageert met water, zodat een veilige bescherming tegen omgevings- en atmosferische invloeden wordt gewaarborgd en de homogeniteit van het monster behouden blijft. De houder wordt op de plaats van bemonstering verzegeld, zorgvuldig en nauwkeurig geëtiketteerd en gaat vergezeld van het monsternemingsverslag, indien dit een verslag op papier is. In geval van papierloze (digitale) procedures wordt het monster identificeerbaar gekoppeld aan de desbetreffende digitale gegevensinvoer. Bij gebruik van een barcode wordt aanbevolen ook de alfanumerieke informatie te verstrekken. De monsternemer zorgt ervoor dat het laboratoriummonster zo snel mogelijk bij het laboratorium wordt afgeleverd. Bederf tijdens het vervoer moet worden vermeden, verse monsters moeten bijvoorbeeld koel worden gehouden en bevroren monsters moeten bevroren blijven. Monsters van primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong worden vóór verzending ingevroren, tenzij ze naar het laboratorium worden vervoerd voordat bederf kan optreden. Wanneer primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong worden vervoerd, moet tijdens het vervoer rotting of bederf bij niet bevroren toestand worden vermeden. Indien een herhaalmonster bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf achterblijft, krijgt deze instructies (bv. via een bijsluiter) hoe het monster moet worden opgeslagen en naar het laboratorium moet worden overgebracht om afbraak van residuen tot een minimum te beperken. Indien de exploitant van het levensmiddelenbedrijf niet in staat is aan de opslagvoorschriften te voldoen, moet het monster zo spoedig mogelijk bij het laboratorium worden afgeleverd voor verdere verwerking (bv. homogenisering) overeenkomstig de vereiste procedures van de lidstaat en zodat het bij lage temperatuur wordt opgeslagen totdat de beslissing voor analyse is genomen. # Productindeling Voorbeelden Deel van het te nemen basismonster Minimumgrootte van elk laboratoriummonster Primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong 1 Spierweefsel van zoogdieren — Categorieën: 1011010, 1012010, 1013010, 1014010, 1015010, 1017010 1.1 Grote zoogdieren, heel of half karkas, gewoonlijk ≤ 10 kg Runderen, schapen, varkens Het gehele middenrif of een deel ervan, zo nodig aangevuld met nekspieren 0,5 kg 1.2 Kleine zoogdieren, heel karkas Konijnen Heel karkas of de achterhand 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 1.3 Delen van zoogdieren, los vers/bevroren, verpakt of anders Kwartieren, koteletten, biefstukken, schouders Hele eenheid (eenheden) of een portie van een grote eenheid 0,5 kg na verwijdering van beenderen 1.4 Delen van zoogdieren, bevroren in bulk Kwartieren, koteletten Hetzij een bevroren dwarsdoorsnede uit een houder, hetzij het geheel (of porties) van afzonderlijke spierdelen 0,5 kg na verwijdering van beenderen 2 Vet van zoogdieren, met inbegrip van karkasvet — Categorieën: 1011020, 1012020, 1013020, 1014020, 1015020, 1017020 2.1 Grote zoogdieren, bij de slacht, heel of half karkas, gewoonlijk ≥ 10 kg Runderen, schapen, varkens Nier-, buik- of onderhuids vet dat van één dier is afgesneden 0,5 kg 2.2 Kleine zoogdieren, bij de slacht, heel of half karkas, gewoonlijk < 10 kg Buik- of onderhuids vet van een of meer dieren 0,5 kg 2.3 Delen van zoogdieren Poten, koteletten, biefstukken Hetzij zichtbaar vet, afgesneden van de eenheid (eenheden), hetzij hele eenheid (eenheden) of porties van hele eenheid (eenheden), indien het vet niet kan worden afgesneden 0,5 kg 2 kg 2.4 Vetweefsel van zoogdieren, in bulk Met een bemonsteringsapparaat op ten minste drie plaatsen genomen eenheden, indien praktisch uitvoerbaar 0,5 kg 3 Slachtafval van zoogdieren — Categorieën: 1011030, 1012030, 1013030, 1014030, 1015030, 1017030 1011040, 1012040, 1013040, 1014040, 1015040, 1017040 1011050, 1012050, 1013050, 1014050, 1015050, 1017050 3.1 Lever van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Hele lever(s), of een deel van een lever 0,4 kg 3.2 Nier(en) van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Eén nier of beide nieren van een of twee dieren 0,2 kg 3.3 Hart van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Het hele hart (de hele harten), of alleen de hartkamers indien het hart groot is 0,4 kg 3.4 Slachtafval van zoogdieren, vers, gekoeld, bevroren Een deel van een eenheid of een hele eenheid van een of meer dieren, of een dwarsdoorsnede van een bevroren bulkproduct 0,5 kg 4 Spierweefsel van pluimvee — Categorie: 1016010 4.1 Vogel, groot karkas > 2 kg Kalkoenen, ganzen, hanen, kapoenen en eenden Dijen, poten en ander donker spiervlees 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 4.2 Vogel, middelgroot karkas 500 g-2 kg Hennen, parelhoenders, jonge kippen Dijen, poten of ander donker spiervlees van ten minste drie vogels 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 4.3 Vogel, klein karkas < 500 g Kwartels, duiven Karkassen van ten minste zes dieren 0,2 kg spierweefsel 4.4 Delen van vogels, vers, gekoeld, bevroren, verpakt voor verkoop in de detail- of groothandel Poten, kwartieren, borststukken en vleugels Verpakte eenheden, of afzonderlijke eenheden 0,5 kg na verwijdering van huid en beenderen 5 Vet van pluimvee, met inbegrip van karkasvet — Categorie: 1016020. 5.1 Dieren bij de slacht, hele karkassen of delen daarvan Kippen, kalkoenen Eenheden buikvet van ten minste 3 vogels, indien praktisch uitvoerbaar 0,5 kg 5.2 Delen van vogels Dijen, borststukken, spieren Hetzij zichtbaar vet, afgesneden van de eenheid (eenheden), Hele eenheid (eenheden) of porties van hele eenheid (eenheden), indien het vet niet kan worden weggesneden 0,5 kg 0,5 kg of 2 kg indien vetgehalte < 5 % 5.3 Vetweefsel van vogels in bulk Met een bemonsteringsapparaat op ten minste drie plaatsen genomen eenheden 0,5 kg 6 Slachtafval van pluimvee — Categorieën: 1016030, 1016040, 1016050 6.1 Eetbaar slachtafval van vogels, met uitzondering van vette lever (foie gras) van ganzen en eenden en soortgelijke hoogwaardige producten Eenheden van ten minste zes dieren, of een dwarsdoorsnede uit een houder, indien praktisch uitvoerbaar 0,2 kg 6.2 Vette lever (foie gras) van ganzen en eenden en soortgelijke hoogwaardige producten Eenheid van één vogel of houder 0,1 kg 7 Honing — Categorie: 1040000 7.1 Honing Verpakte eenheden 0,5 kg 8 Amfibieën en reptielen — Categorie: 1050000 8.1 Spier Krokodil, hagedis Eenheden van staart, romp, poten 0,5 kg 8.2 Kikkers Poten 0,5 kg 8.2 Slangen Eenheden van de romp 0,5 kg 9 Ongewervelde landdieren — Categorie: 1060000 9.1 Slakken Wijngaardslak Hele slakken 12 slakken 9.2 Insecten Krekels Hele insecten 10 hele insecten of 0,2 kg Larven van sprinkhanen, meelwormen Larven 0,5 kg 10 In het wild levende gewervelde landdieren — Categorie: 1070000 10.1 De regels voor gedomesticeerde dieren van de categorieën 1-3 van deze tabel zijn van toepassing op het overeenkomstige weefsel. Verwerkte levensmiddelen van dierlijke oorsprong 11 Secundaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong, gedroogd vlees. Afgeleide eetbare producten van dierlijke oorsprong, verwerkte dierlijke vetten, met inbegrip van gesmolten of geëxtraheerd vet, voedingssupplementen. (Uit één ingrediënt) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, met of zonder verpakkingsmedium of in kleinere hoeveelheden aanwezige ingrediënten zoals smaakstoffen, kleurstoffen (bv. karmijn), specerijen en condimenten, of insectenpoeder, die gewoonlijk voorverpakt zijn en klaar zijn voor consumptie, al dan niet gekookt. (Uit meerdere ingrediënten) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, hieronder vallen ook levensmiddelen met meerdere ingrediënten zowel van dierlijke als plantaardige oorsprong, voorzover het (de) ingrediënt(en) van dierlijke oorsprong overheerst (overheersen), met inbegrip van babyvoeding. 11.1 Producten van zoogdieren of vogels, die fijngemaakt, gekookt, ingeblikt, gedroogd, gesmolten of anderszins verwerkt zijn, met inbegrip van producten met meerdere ingrediënten Ham, worst, rundergehakt, kippaté Verpakte eenheden of een representatieve dwarsdoorsnede uit een of meer houders of eenheden (met inbegrip van sappen, indien van toepassing) die met een bemonsteringsapparaat zijn genomen 0,5 kg 11.2 Voedingssupplementen Collageen Verpakte eenheden 0,1 l of 0,1 kg Productindeling Voorbeelden Deel van het te nemen basismonster Minimumgrootte van elk laboratoriummonster Primaire levensmiddelen van plantaardige oorsprong 1 Vruchten, vers of bevroren — Categorie: 0100000 Groenten, vers of bevroren — Categorie: 0200000, met inbegrip van paddenstoelen (0280000) 1.1 Kleine producteenheden < 25 g Besvruchten, erwten, olijven Hele eenheden, of verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg 1.2 Middelgrote producten, eenheden 25-250 g Appelen, sinaasappelen Hele eenheden 1 kg maar ten minste 10 eenheden 1.3 Grote verse producten, eenheden 250-1000 g Komkommers, druiven (bundels, trossen) Hele eenheid (eenheden) 2 kg maar ten minste 5 eenheden 1.4 Zeer grote verse producten, eenheden > 1000 g Pompoenen, meloenen Hele eenheid (eenheden) 2 kg maar ten minste 3 eenheden 1.5 Noten (0120000) Met uitzondering van kokosnoten Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg Kokosnoten Hele eenheden 5 eenheden 1.6 Kruiden (0256000) Peterselie, salie Hele eenheden 0,2 kg 2 Peulvruchten (0300000) Bonen, erwten Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg 3 Oliehoudende zaden (0401000) Lijnzaad Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 kg 4 Granen (0500000) Rijst, tarwe Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 1 kg 5 Zaden voor dranken en snoepgoed (Groene) koffiebonen Verpakkingen, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 kg 6 Suikergewassen (0900000) Suikerbieten Hele eenheden 2 kg ten minste 2 eenheden Verwerkte levensmiddelen van plantaardige oorsprong 7 Secundaire levensmiddelen van plantaardige oorsprong, gedroogde vruchten, gedroogde groenten, gedroogde kruiden, kruidenthee (0630000), hop (0700000), specerijen (0800000), gemalen graanproducten, extracten. Afgeleide producten van plantaardige oorsprong, thee, kruidenthee, plantaardige oliën en dranken, sappen, voedingssupplementen en diverse producten zoals verwerkte olijven en citrusmelasse. (Uit één ingrediënt) vervaardigde levensmiddelen van plantaardige oorsprong, met of zonder verpakkingsmedium of in kleinere hoeveelheden aanwezige ingrediënten zoals smaakstoffen, kleurstoffen, specerijen en condimenten, die gewoonlijk voorverpakt zijn en klaar zijn voor consumptie, al dan niet gekookt. (Uit meerdere ingrediënten) vervaardigde levensmiddelen van plantaardige oorsprong, met inbegrip van producten met ingrediënten van dierlijke oorsprong waarin het (de) ingrediënt(en) van plantaardige oorsprong overheerst (overheersen), brood en andere bereide graanproducten met inbegrip van babyvoeding op basis van granen. 7.1 Specerijen (0800000) Nootmuskaat Verpakkingen van met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,1 kg 7.2 Producten met een hoge eenheidswaarde Rozenblaadjes, saffraan Verpakkingen van met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,1 kg 7.3 Vaste producten met een geringe bulk Hop, thee, kruidenthee Verpakte eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,1 kg 7.4 Andere vaste producten Brood, bloem, gedroogde vruchten Verpakkingen of andere hele eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 kg 7.5 Vloeibare producten Plantaardige oliën, sappen Verpakte eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 l of 0,5 kg 7.6 Voedingssupplementen Ashwagandha, açai, spirulina Verpakte eenheden 0,1 l of 0,1 kg 7.7 Babyvoeding Gebruiksklaar, op basis van groenten/fruit Verpakte eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 l of 0,5 kg Productindeling Voorbeelden Deel van het te nemen basismonster Minimumgrootte van elk laboratoriummonster Primaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong 1 Eieren van pluimvee — Categorie: 1030000 1.1 Eieren, groot Ganzen-, eendeneieren of soortgelijke eieren Hele eieren 6 hele eieren 1.2 Eieren, middelgroot Kippeneieren of soortgelijke eieren Hele eieren 10 hele eieren 1.3 Eieren, klein Kwarteleieren en soortgelijke eieren Hele eieren 24 hele eieren 2 Melk — Categorie: 1020000 2.1 Melk Hele eenheden, of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheden 0,5 l Verwerkte levensmiddelen van dierlijke oorsprong 3 Secundaire levensmiddelen van dierlijke oorsprong, secundaire melkproducten zoals magere melk, geëvaporeerde melk, melkpoeder, met inbegrip van volledige zuigelingenvoeding, en eipoeder. Afgeleide eetbare producten van dierlijke oorsprong, melkvetten, afgeleide melkproducten zoals boter, boteroliën, room, roompoeders, caseïne enz. (Uit één ingrediënt) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, melkproducten zoals yoghurt, kaas. (Uit meerdere ingrediënten) vervaardigde levensmiddelen van dierlijke oorsprong, melkproducten (met inbegrip van producten met ingrediënten van plantaardige oorsprong waarin het (de) ingrediënt(en) van dierlijke oorsprong overheerst (overheersen)) zoals bewerkte kaas, kaasbereidingen, gearomatiseerde yoghurt en gezoete gecondenseerde melk. 3.1 Vloeibare melk, melkpoeder, geëvaporeerde melk en room, roomijs, room, yoghurt Verpakte eenheid (eenheden), of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheid (eenheden) 0,5 l (vloeistof) of 0,5 kg (vaste stof) 3.2 Boter en boterolie Boter, weiboter, vetarme smeerbare pasta met botervet, watervrije boterolie, watervrij vet Hele of delen van verpakte eenheid (eenheden), of met een bemonsteringsapparaat genomen eenheid (eenheden) 0,2 kg of 0,2 l 3.3 Kaas, met inbegrip van verwerkte kaas Eenheden van 0,3 kg of meer Hele eenheid (eenheden), of met een bemonsteringsapparaat afgesneden eenheid (eenheden) 0,5 kg Eenheden < 0,3 kg 0,3 kg Kazen met een cirkelvormige bodem worden bemonsterd door twee sneden te maken vanuit het centrum van de kaas naar buiten. Kazen met een rechthoekige bodem worden bemonsterd door twee sneden te maken die parallel zijn aan de zijkanten. 3.4 Vloeibare, bevroren of gedroogde eiproducten Aseptisch met een bemonsteringsapparaat genomen eenheid (eenheden) 0,5 kg (i) Geëvaporeerde melk en geëvaporeerde room, in bulk, moeten vóór de bemonstering grondig worden gemengd, waarbij het materiaal dat aan de zijkanten en de bodem van de houders kleeft, daarvan wordt afgeschraapt en goed wordt geroerd. Er moet ongeveer 2-3 l worden verwijderd en opnieuw goed worden geroerd voordat het laboratoriummonster wordt genomen (ii) Melkpoeder in bulk moet aseptisch worden bemonsterd, waarbij een droge bemonsteringsbuis met een gelijkmatige snelheid draaiend door het poeder wordt bewogen. (iii) Room in bulk moet vóór de bemonstering grondig worden gemengd waarbij schuimvorming, kloppen en karnen echter moeten worden vermeden.

B.4 Tabel 4 Tabel 5 Tabel 6 Levensmiddelen van dierlijke oorsprong: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Plantaardige producten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters Eieren en zuivelproducten: beschrijving van basismonsters (primaire monsters) en minimumgrootte van laboratoriummonsters i)

Geëvaporeerde melk en geëvaporeerde room, in bulk, moeten vóór de bemonstering grondig worden gemengd, waarbij het materiaal dat aan de zijkanten en de bodem van de houders kleeft, daarvan wordt afgeschraapt en goed wordt geroerd. Er moet ongeveer 2-3 l worden verwijderd en opnieuw goed worden geroerd voordat het laboratoriummonster wordt genomen

ii)

Melkpoeder in bulk moet aseptisch worden bemonsterd, waarbij een droge bemonsteringsbuis met een gelijkmatige snelheid draaiend door het poeder wordt bewogen.

iii)

Room in bulk moet vóór de bemonstering grondig worden gemengd waarbij schuimvorming, kloppen en karnen echter moeten worden vermeden.

B.5 Herhaalmonster Het herhaalmonster wordt door het laboratoriumpersoneel of de monsternemer genomen van het goed gemengde verzamelmonster of van het laboratorium- of analysemonster. Herhaalmonsters worden op dezelfde wijze bereid als laboratoriummonsters.

B.6 Monsternemingsverslag Na elke bemonsteringsprocedure wordt een verslag opgesteld dat ten minste de volgende gegevens bevat: De monsternemer: Wanneer bemonsteringsgegevens op papier worden geregistreerd, bewaart de bevoegde autoriteit het origineel van het monsternemingsverslag of zendt de monsternemer het originele monsternemingsverslag naar het laboratorium. Geheimhouding moet worden gewaarborgd overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2017/625. Elke afwijking van de beschreven bemonsteringsmethode wordt in detail in het monsternemingsverslag geregistreerd. Wanneer de bemonsteringsgegevens op papier worden geregistreerd, gaat elk herhaal-laboratoriummonster vergezeld van een ondertekende kopie van de gegevens. Wanneer bemonsteringsgegevens in papierloze (digitale) vorm worden geregistreerd, worden regelingen getroffen om een vergelijkbaar verifieerbaar auditspoor te waarborgen. (1) een verklaring dat de bemonstering is uitgevoerd overeenkomstig de regels van Uitvoeringsverordening (EU) 2026/765; (2) het adres van de bevoegde autoriteiten; (3) de naam van de monsternemer of een identificatiecode; (4) een (officieel) identificatienummer van het monster; (5) de datum van bemonstering; (6) de naam en het adres van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf; (7) de naam en het adres van het bedrijf van herkomst (bij bemonstering op het bedrijf); (8) in voorkomend geval, het registratienummer van de inrichting of het slachthuisnummer; (9) een beschrijving van het dier, de plant of het product of de benaming van het levensmiddel; (10) de partijgrootte; (11) de identificatie van de partij; (12) in voorkomend geval, de in de laatste vier weken vóór de bemonstering toegediende geneesmiddelen (bij bemonstering op het bedrijf); (13) in voorkomend geval, het bemonsteringsprogramma; (14) bijzondere opmerkingen, indien van toepassing. (a) ondertekent of waarmerkt een papieren of elektronische kopie van het monsternemingsverslag; (b) verstrekt een kopie van het monsternemingsverslag van de partij/subpartij aan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf of diens vertegenwoordiger, ongeacht of die exploitant van het bedrijf een herhaalmonster moet ontvangen.

B.6

1) een verklaring dat de bemonstering is uitgevoerd overeenkomstig de regels van Uitvoeringsverordening (EU) 2026/765;

2) het adres van de bevoegde autoriteiten;

3) de naam van de monsternemer of een identificatiecode;

4) een (officieel) identificatienummer van het monster;

5) de datum van bemonstering;

6) de naam en het adres van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf;

7) de naam en het adres van het bedrijf van herkomst (bij bemonstering op het bedrijf);

8) in voorkomend geval, het registratienummer van de inrichting of het slachthuisnummer;

9) een beschrijving van het dier, de plant of het product of de benaming van het levensmiddel;

10) de partijgrootte;

11) de identificatie van de partij;

12) in voorkomend geval, de in de laatste vier weken vóór de bemonstering toegediende geneesmiddelen (bij bemonstering op het bedrijf);

13) in voorkomend geval, het bemonsteringsprogramma;

14) bijzondere opmerkingen, indien van toepassing.

a)

ondertekent of waarmerkt een papieren of elektronische kopie van het monsternemingsverslag;

b)

verstrekt een kopie van het monsternemingsverslag van de partij/subpartij aan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf of diens vertegenwoordiger, ongeacht of die exploitant van het bedrijf een herhaalmonster moet ontvangen.

B.7 Bereiding van het analysemonster door het laboratorium Laboratoriummonsters die niet onmiddellijk worden geanalyseerd, moeten in het laboratorium worden opgeslagen onder omstandigheden waarmee bederf tot een minimum wordt teruggedrongen. Verse producten, dranken en oliën moeten in de koelkast worden opgeslagen, doorgaans echter niet langer dan vijf dagen. Gedroogde, geconserveerde en ingeblikte producten mogen bij kamertemperatuur worden opgeslagen, maar als de opslagduur naar verwachting meer dan vier weken zal bedragen, worden er deelmonsters van genomen en worden die in de vriezer opgeslagen. Het laboratorium bereidt het analysemonster uit het laboratoriummonster door de te analyseren portie van het product, dat wil zeggen het deel van het product waarop het MRL van toepassing is, te scheiden van de rest van het product en vervolgens te mengen, malen, fijn te hakken enz., teneinde analyseporties met een minimale deelmonstervertekening te verkrijgen. Het analysemonster moet worden bereid volgens de procedure die wordt gebruikt bij het vaststellen van MRL’s en daarom kan de te analyseren portie van het product delen bevatten die normaal niet worden geconsumeerd. Indien nodig kan het laboratoriummonster op representatieve wijze worden verkleind met behulp van een methode om monsters te verkleinen. Het deel van het te analyseren product, dat wil zeggen het analysemonster, moet zo snel mogelijk worden gescheiden van de rest van het product. Wanneer bij de berekening van het residugehalte ook rekening moet worden gehouden met de delen die niet worden geanalyseerd, moet het gewicht van die delen worden geregistreerd.

B.8 Bereiding en opslag van de analyseportie door het laboratorium Het analysemonster wordt, in voorkomend geval, gefractioneerd en het wordt goed gemengd zodat het laboratorium representatieve analyseporties kan nemen. Er mag een bemonsteringsapparaat worden gebruikt om de analyseportie eruit te nemen. De grootte van de analyseportie wordt bepaald aan de hand van de analyseprocedure en de efficiëntie van het mengen. De methoden voor fractionering en menging worden geregistreerd en mogen de in het analysemonster aanwezige residuen niet beïnvloeden. In voorkomend geval moet het analysemonster onder speciale omstandigheden worden verwerkt, bijvoorbeeld in bevroren toestand, teneinde nadelige effecten tot een minimum te beperken. Wanneer de verwerking invloed kan hebben op de residuen en er geen praktisch uitvoerbare alternatieve procedures beschikbaar zijn, mag de analyseportie uit hele eenheden bestaan of uit segmenten van hele eenheden. Indien de analyseportie bijgevolg slechts uit enkele eenheden of segmenten bestaat, is deze waarschijnlijk niet representatief voor het analysemonster en moeten voldoende herhaalporties worden geanalyseerd om de onzekerheid van de gemiddelde waarde aan te geven. Afhankelijk van de beschikbare gegevens over de stabiliteit bij opslag kan het mogelijk zijn analyseporties vóór de analyse op te slaan. In dat geval moeten de methode, de duur van de opslag en de temperatuur tijdens de opslag zodanig zijn dat het gehalte aan aanwezige residuen daardoor niet wordt beïnvloed.

B.9 Schematische weergave Schematische weergave van de in de punten B.2, B.3 en B.4 beschreven bemonsteringsprocedures: Grp. b91. Bemonstering van vlees en pluimveevlees Grp. b92. Bemonsteringsproducten met uitzondering van vlees en pluimveevlees Grp. b93. Typisch bemonsterings- en analyseproces

B.9

B.9.1. Bemonstering van vlees en pluimveevlees

B.9.1. Basismonsters van verdachte partij/subpartij

(zie de tabellen 3 en 4)

Basismonsters van niet-verdachte partij/subpartij

(zie de tabellen 3 en 4)

B.9.2. Bemonsteringsproducten met uitzondering van vlees en pluimveevlees

B.9.2. Basismonsters van verdachte partij/subpartij

(zie de tabellen 3, 5 en 6)

Basismonsters van niet-verdachte partij/subpartij

(zie de tabellen 3, 5 en 6)

B.9.3. Typisch bemonsterings- en analyseproces

DEEL C Analysemethoden, meetonzekerheid en interpretatie van de resultaten

C.1C.1.1C.1.2.

Analysemethoden en het afleiden van de analyseresultaten De analysemethoden moeten worden ondersteund door kwaliteitscontrolegegevens en worden gevalideerd voor de specifieke combinatie stof/productgroep. Afhankelijk van de beoogde reikwijdte van de methode wordt ten minste één representatief product uit elke productgroep gevalideerd. Wanneer de methode op een grotere verscheidenheid aan matrices wordt toegepast, moeten aanvullende validatiegegevens worden verkregen. De analyseresultaten voor levensmiddelen worden afgeleid van een of meer laboratoriummonsters en voor diervoeders van ten minste één eindmonster dat uit de partij/subpartij is genomen, mits het analysemonster het juiste deel (de juiste delen) van het product bevat zoals vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005. Wanneer wordt geconstateerd dat een residu een MRL overschrijdt, wordt de identiteit ervan bevestigd en wordt de concentratie ervan door middel van een duplobepaling (onafhankelijke tweede bepaling) geverifieerd. Het analyseresultaat wordt gerapporteerd als x +/– U, waarbij x het analyseresultaat is en U de uitgebreide meetonzekerheid, en het wordt gerapporteerd in dezelfde eenheden en met hetzelfde aantal decimalen als het resultaat.

C.2C.2.1.C.2.2.C.2.3.C.2.4.C.2.5.

Meetonzekerheid en interpretatie van resultaten Het MRL geldt voor het analysemonster dat via het laboratorium- of herhaalmonster uit het verzamelmonster is verkregen. Het resultaat van het laboratoriummonster voor levensmiddelen en van het eindmonster voor diervoeders moet representatief worden geacht voor de partij/subpartij en geldt voor de hele partij/subpartij. Bij de controle op overschrijdingen van het MRL moeten officiële laboratoria en handhavingsautoriteiten een standaard uitgebreide meetonzekerheid toepassen die is berekend uit langetermijngegevens van vergelijkend EU-interlaboratoriumonderzoek waarbij een dekkingsfactor 2 is toegepast (betrouwbaarheidsniveau van 95 %). Voor de handhaving van MRL’s is de uitgebreide meetonzekerheid 50 %, met uitzondering van koper, waarvoor een waarde van 20 % geldt. Het analyselaboratorium moet aantonen dat zijn eigen uitgebreide meetonzekerheid voor de specifieke combinatie analysemethode/stof/productgroep gelijk is aan of lager is dan de bovengenoemde standaardwaarden. Wanneer MRL’s worden overschreden, moet het laboratorium de geharmoniseerde standaard uitgebreide meetonzekerheid rapporteren. Wanneer het in een levensmiddelenmonster gevonden gehalte leidt tot een internationale schatting van de kortetermijninname (International Estimate of Short-term Intake, IESTI) die de acute referentiedosis (ARfD) overschrijdt, kan de bevoegde autoriteit bij wijze van voorzorgsmaatregel een op de eigen geschatte meetonzekerheid van het laboratorium gebaseerde lagere uitgebreide meetonzekerheid (indien ondersteund door voldoende intra- en interlaboratoriumgegevens) en/of een lager betrouwbaarheidsniveau (lagere dekkingsfactor k) toepassen. Interpretatie van het analyseresultaat, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid Een partij/subpartij wordt beschouwd als: Aanvaarding en weigering van zendingen die uit meer dan één partij bestaan Elke partij die overeenkomstig deze verordening is bemonsterd en waarvan het analyseresultaat wijst op een overschrijding van het MRL, wordt in zijn geheel beschouwd als niet in overeenstemming, zoals gespecificeerd in punt C.2.4.b, en moet worden geweigerd. De monsternemer bepaalt welke partij van een zending wordt bemonsterd en dit kan een andere partij zijn dan die van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf. De bemonsterde partij kan uit één partij bestaan of uit een groep partijen met dezelfde eigenschappen (productiedatum, oorsprong, beschrijving enz.). Indien is geconstateerd dat één partij, die deel uitmaakt van een groep partijen met dezelfde eigenschappen, niet aan de voorschriften voldoet en er redelijke twijfel bestaat dat de MRL’s van de andere soortgelijke partijen worden overschreden, moeten die andere soortgelijke partijen als verdachte partijen worden beschouwd. (a) in overeenstemming met het MRL als het resultaat van het analysemonster aan het MRL voldoet, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid en, indien nodig, met de correctie voor terugvinding. Dit betekent dat het monster in overeenstemming is als de gemeten waarde, na aftrek van de uitgebreide meetonzekerheid, lager is dan of gelijk is aan het MRL (x – U ≤ MRL); (b) niet in overeenstemming met het MRL als het resultaat van het analysemonster buiten redelijke twijfel het MRL overschrijdt, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid en, indien nodig, met de correctie voor vertekening door de methode waar dit is aangegeven. Dit betekent dat het monster niet in overeenstemming is als de gemeten waarde, na aftrek van de uitgebreide meetonzekerheid, het MRL overstijgt (x – U > MRL).

C.2C.2.1.C.2.2.C.2.3.C.2.4. a)

in overeenstemming met het MRL als het resultaat van het analysemonster aan het MRL voldoet, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid en, indien nodig, met de correctie voor terugvinding. Dit betekent dat het monster in overeenstemming is als de gemeten waarde, na aftrek van de uitgebreide meetonzekerheid, lager is dan of gelijk is aan het MRL (x – U ≤ MRL);

b)

niet in overeenstemming met het MRL als het resultaat van het analysemonster buiten redelijke twijfel het MRL overschrijdt, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid en, indien nodig, met de correctie voor vertekening door de methode waar dit is aangegeven. Dit betekent dat het monster niet in overeenstemming is als de gemeten waarde, na aftrek van de uitgebreide meetonzekerheid, het MRL overstijgt (x – U > MRL).

Versions

  1. 2026-04-01